Het IPOR is het samenwerkingsorgaan van de Kehillot in de mediene. Het samenwerkingsverband is een organisatie waarin de deelnemende kehillot verenigd zijn op basis van vrijwilligheid. Het doel van het samenwerkingsverband is de bevordering van joods leven in de provincie. De organisatorische vormgeving zal in de loop der tijd een nieuwe vorm krijgen.
Dagboek van de opperrabbijn 4 juni 2026
Voorzien van een prachtige bos bloemen bereikte mij deze wens. Ik zat me juist af te vragen of ik wel of niet in de put moest gaan zitten, toen er aangebeld werd en de bloemen hun opwachting maakten in onze woonkamer. Het zijn vaak de kleine gebaren (en de grote bossen bloemen) die zoveel kunnen betekenen.
Woensdag gaf ik een buurt-lezing. Waarom ik die lezing in de Beethovenbuurt te Amsterdam gaf herinner ik me niet meer en ook wie me hiertoe had uitgenodigd ben ik vergeten. Het aantal deelnemers zou slechts minimaal zijn. Maar dat viel mee (of tegen) want het was meer dan volle bak. Ik schat zon vijftig à zestig! Ik heb letterlijk anderhalf uur non-stop mijn verhaal gedaan en ik had nog gerust een anderhalf uur verder kunnen gaan, maar dat ging hem niet worden want om 19:00 uur moest ik in Hilversum zijn. Regelmatig hoor ik de stelling dat een toespraak niet langer dan twintig minuten mag duren omdat anders bij de deelnemers slaap-verschijnselen optreden, maar ik trek die wijsheid in twijfel, want toen ik uitgesproken was waren alle aanwezigen nog volledig aanwezig, niemand snurkte, hoestte of sliep. Maar wat is het nut van die anderhalf uur Jacobs, vraagt u zich wellicht af. Het antwoord ligt besloten in het begin van de Sidra van aanstaande sjabbat. Aharon de Hoge Priester krijgt de opdracht om de Menora in de Tempel van Jeruzalem te ontsteken (Numeri 8: 1-2) opdat de zeven lampen licht zullen verspreiden. Het verspreiden van licht, dat is de opdracht aan de Hoge Priester. Maar wat heeft dat met mij en met u, geachte lezer, te maken?
Even tussendoor een religieus lesje: ieder woord in de Thora, iedere opdracht, ieder ge- en verbod heeft eeuwigheidswaarde en geldt voor iedereen. Maar, zo hoor ik u vragen, ik ben toch geen Aharon de Hoge Priester, of ik ben een vrouw en geen man, of ik ben geen koning die een andere levensopdracht heeft dan een eenvoudige burger en zo kunnen we nog vele vragen stellen. En hoe kunnen we dan zeggen dat ieder woord voor ieder betekenis heeft? Het antwoord: het moge dan zo zijn dat ik geen Hoge Priester ben, in de letterlijke zin van het woord, maar figuurlijk dient ieder mens wel degelijk zich dienend op te stellen en hebben we allen de opdracht om licht te verspreiden, zeker als er om ons heen zoveel duisternis heerst. Die bos bloemen bracht voor mij op dat moment, in mijn duisternis, licht. En daarom probeer ik waar ik me ook bevind licht te brengen. En dus ben ik dankbaar dat ik in de Irenestraat vlak bij de Beethovenstraat, vlak bij het Montessori Lyceum waar ik mijn gymnasiumdiploma mocht behalen, licht mocht brengen door te vertellen over Jodendom, indirect in de strijd tegen de weelderig bloeiende Jodenhaat die in mijn schooltijd zeker in de Beethovenbuurt niet aanwezig was, althans niet zichtbaar.
Woensdagavond, we deden of het donderdagavond was want het moest lijken op een live-uitzending, werd ik in de studio van de EO verwacht voor een tv-opname die zou worden uitgezonden op NPO2 onder de titel De Joodse Wereld. Ik ga hierover weinig schrijven want u kunt gewoon even kijken via deze link: npo.nl/start/afspelen/de-joodse-wereld_11. Ik zou het waarderen als u mij schrijft hoe u de uitzending vond en dan natuurlijk mijn optreden. Was ik te gematigd of te scherp?
En toen was het de volgende dag. Een afwisselende agenda. De ochtend stond in het teken van e-mails beantwoorden of deleten. Hoewel, deleten? Het is vaak lastig om ellenlange vragen te beantwoorden of een e-mail te lezen die maar geen eind schijnt te krijgen of dusdanig verward overkomt dat er geen staart (ook geen Joodse) aan valt vast te knopen. En toch probeer ik zoveel mogelijk te beantwoorden of op zn minst te reageren, want als ik iets onzinnig vind, betekent het niet dat het onzinnig is. Ik herinner mij een jongeman die, laat ik me netjes uitdrukken, niet erg intelligent was. Hij vroeg de Lubavitcher Rebbe wat voor cadeau hij zijn zusje moest geven voor haar verjaardag. Ik heb het antwoord gezien. In een uitgebreid schrijven heeft de Rebbe omstandig uitgelegd wat hij voor haar moest kopen! De vraag was onzinnig en het antwoord overbodig, in mijn optiek. Maar voor de vraagsteller die niet over een hoog IQ beschikte, was de vraag een realistisch en belangrijk probleem. En dus heeft de Rebbe van zijn kostbare tijd genomen om een passend antwoord te geven en probeer ik iedere e-mail te beantwoorden, ook als ik er geen touw aan kan vastknopen!
In Utrecht was een indrukwekkende bijeenkomst. Twee tragedies, een oude en een recente, kwamen bijeen. Achter de sjoel van de Joodse Gemeente Utrecht, op terrein van de Joodse Gemeente, staat een bouwval. Eens was dit het leslokaal van de Joodse Gemeente en in de oorlog werd hier zelfs nog in het diepste geheim een sjoeldienst gehouden. Ter nagedachtenis aan Omer Moshe en Omer wordt nu onder de voortvarende leiding van Rachel Levy, bestuurder van de Joodse Gemeente, gepoogd om deze ruïne een bestemming te geven, een studentenhuis dat ruimte gaat bieden aan hen die de toekomst van Joods Nederland zullen moeten bepalen. Maar wie zijn/waren Omer Moshe en Omer? Twee IDF-soldaten die recentelijk sneuvelden. Jonge mannen, wier toekomst bruut werd afgebroken in een oorlog waarom Israël niet had gevraagd, maar die gevoerd moest en moet worden om te voorkomen dat Israël van de kaart wordt geveegd. Maar niet alleen Israël, want de vijand richt zijn peilen op Joden, waar ook ter wereld, de vijand zoekt de Endlösung, en zoekt herhaling van wat toen uiteindelijk niet is gelukt, maar diepe wonden heeft nagelaten. Jozef (Jo) van Gelder was de rabbijn van Utrecht gedurende en na de oorlog. Hij was de oom van rabbijn Ies Vorst zl., de broer van zijn moeder die in de oorlog was omgekomen. Het studentenhuis wordt vernoemd naar Omer Moshe en Omer, beiden directe nazaten van rabbijn van Gelder. Een monument ter nagedachtenis is mooi, belangrijk. Maar dit studentenhuis in Utrecht wordt veel meer dan een monument, het wordt een voortzetting van waarvoor zij sneuvelden, de overleving van de Staat Israël, de voortzetting ook van Jodendom in Nederland. In aanwezigheid van de vitale hoogbejaarde zoon van rabbijn van Gelder, speciaal met echtgenote en kinderen overgekomen uit Israël, in aanwezigheid van de Nederlandse Vorst-familie en van leden van de Joodse Gemeente Utrecht, werd op bijzonder indrukwekkende wijze een begin gemaakt met de herbouw van de Joodse school en werd het nieuwe studentenhuis gekoppeld aan rabbijn Jo van Gelder en aan Omer Moshe en Omer, zijn achterkleinkinderen.
Ik besloot de dag met een solidariteitswandeling in Zwolle. Iedere eerste donderdag van de maand wordt er (ook) in Zwolle van het stadhuis naar de sjoel gelopen. Zonder vlaggen, zonder posters, zonder geschreeuw. Een stille zichtbare wandeling met gebed, stilte, respect. Vóór vrede en tégen antisemitisme. Aangekomen bij de sjoel openden zich onverwacht en onaangekondigd de sjoeldeuren en bood Ingrid Petiet, voorzitter van de Joodse Gemeente Zwolle, alle deelnemers bescherming tegen de net beginnende plensbui. Ik mocht de stille lopers toespreken over het licht dat zij brengen in de duisternis van het groeiende antisemitisme. Zij bemoedigen ons en het doel van mijn meelopen was om ook hen namens de Joodse gemeenschap te bemoedigen en te danken voor hun maandelijkse solidariteitswandeling.
Dagboek van de opperrabbijn 1 juni 2026
Het is nu, nu ik dit dagboek begin te schrijven, dinsdagochtend 6:30 uur. Hoewel ik zondagavond dit dagboek had moeten schrijven, was ik gelukkig en helaas dusdanig bezig dat het gewoonweg niet eerder lukte.
Na een vredige en fijne sjabbat vertrokken we zondag om 10:00 uur. Nou klinkt 10:00 uur niet erg vroeg, maar voorafgaande aan vertrek moet ik wel sjachariet, het ochtendgebed, hebben gedawend en mijn dagelijkse lern-programma hebben afgewerkt. En toen begon mijn rabbinale afwisselende dag. Afwisselend omdat we, Blouma was mee, begonnen met een sjiwwe-bezoek in Amstelveen. Er werd dus, zoals dat heet, sjiwwe gezeten. Even een korte educatieve uitleg, want per slot van rekening is een rabbijn een leraar. Als iemand een eerstegraads familielid heeft verloren, zit hij/zij een week lang na de lewaja, begrafenis, sjiwwe. Sjiwwe is een treurweek waarin geen werk wordt verricht en waarin bekenden en vrienden op bezoek komen om te condoleren. We begonnen de dag dus met verdriet, maar eindigden met vreugde. Een bespreking in Rosmalen met een echtpaar in spé over hun bruiloft over een paar maanden in de synagoge van Nijmegen. Om 22:00 uur waren we weer thuis. Na Amstelveen reden we naar Antwerpen. Een bespreking met een gioer-kandidaat uit Zeeland. Deze kandidaat, om tot het Jodendom toe te treden, heeft al een heel voortraject achter de rug en los hiervan is het bijna zeker dat hij al Joods is, maar tastbaar bewijs ontbreekt. En dus is hij in het gioer-traject beland en zal er op korte termijn een afronding plaatsvinden en is de actieve Joodse Gemeente Zeeland weer een lid rijker. Waarom ik hem ontmoette in Antwerpen? Omdat we daar moesten zijn voor de jaarlijkse vergadering van het bestuur van de Joodse Gemeente Zeeland met het bestuur van de Stichting Synagoge Middelburg, de eigenaar van de sjoel. En omdat deze jaarlijkse vergadering vele jaren geleden door mij in het leven was geroepen om een toenmalig pijnlijk conflict de wereld uit te helpen, is de traditie ontstaan om jaarlijks bijeen te blijven komen, punten die aandacht behoeven te bespreken en vooral te genieten van de koosjere maaltijd bij Hoffys. De vergadering duurde van twee uur tot half zes. Ik heb vergadering maar even tussen aanhalingstekens geplaatst, want de meeste tijd werd aan de koosjere gerechten besteed. U, mijn trouwe dagboekenier, ziet dat het rabbinale baantje zeker ook zijn aantrekkelijke kanten kent! Helaas moest er ook gesproken worden over sloten en vluchtwegen in de sjoel, want dat is heden ten dage standaard bij alle Joodse gemeenten, zelfs in een vredig Middelburg. En los van alles met betrekking tot de sjoel, kwam natuurlijk ook ter sprake het antisemitisme en de vraag hoelang Joden nog in Nederland kunnen blijven wonen. Mijn mening: zolang onze lokale en landelijke Overheid niet oproept tot Jodenhaat en ons, de Joodse gemeenschap, goedgezind is, en dat zijn ze, blijven we gezellig waar we zijn en laten ons niet intimideren, zelfs niet door media die als dagelijkse kop het Midden-Oosten opvoeren en Israël, en dus Joden, demoniseren. Overigens werd bij de koosjere Zeeland-maaltijd ook nog uitgebreid gesproken over abortus, wat dat met de sjoel of de maaltijd te maken had, weet ik niet meer, maar wel uitgebreid gedelibereerd over hoe de Halaga, de Joodse wet, werkt. Kort samengevat: er bestaan zwarte wetten, witte wetten en een grijs gebied. En in dat grijze gebied is de Rabbijn, de jurist werkzaam. Abortus mag zeker niet, tenzij het ongeboren kind een levensbedreigend gevaar vormt voor de moeder. Ook de Brit Mila, de besnijdenis, kwam ter tafel, geestelijk bedoel ik. Dat kon dus niet ontbreken omdat we ons in de Joodse wijk van Antwerpen bevonden alwaar twee top-mohalim (besnijders) met veel bombarie waren gearresteerd. Over enige weken zal de zaak bij het parket voorkomen. Ik ben benieuwd! Maar zelfs als ze worden vrijgesproken: het fenomeen dat deze religieuze ingreep ter discussie staat, is niet goed, antisemitisme pur sang!
Gisteren, maandag dus, eerst een sjioer in sjoel Amstelveen, daarna overleg met de voorzitter van de stichting die mijn auto financieel rijdende houdt, een ziekenbezoek en toen: het Vondelpark. Overigens is de voorzitter van mijn stichting voor mij geen onbekende want in eerdere jaren was hij voorzitter van de Joodse Gemeente Enschede, voorzitter van het dagelijks bestuur van het IPOR, voorzitter van de Permanente Commissie van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap enz. Joods Nederland is klein en wordt geleid door een beperkt aantal vrijwilligers die zich onbezoldigd met hart en ziel inzetten om Joods Nederland overeind te houden. Vanaf dit dagboek: hulde aan alle vrijwillige bestuurders die met zoveel overgave en motivatie in een moeizame tijd zich blijven inzetten om dat wat eens was zoveel mogelijk te behouden.
En toen naar het Vondelpark waar de jaarlijkse Sobibor-herdenking plaatsvond. Wederom vrijwilligers die een bijeenkomst organiseerden ter nagedachtenis aan die afschuwelijke plaats waar bijna alle Joden direct na aankomst zich moesten ontkleden om hun leven te beëindigen in de gaskamers. Indrukwekkende toespraken, een toneelstuk door jongeren opgevoerd dat toonde hoe complex en gevaarlijk een samenleving is en kan zijn. Waarom Vondelpark, vraagt u zich wellicht af. De bijeenkomst was trouwens niet in het Vondelpark, maar voor het hek van het park, aan de buitenkant. Hier stond eens een bordje VOOR JODEN VERBODEN.
In het theaterhart van Amersfoort prijkte zondag No business as usual. Culturele boycot Israel. De Flint wordt zwaar gesubsidieerd door de Gemeente Amersfoort en bevindt zich daar waar eens de Joodse wijk van Amersfoort was, die niet meer is
Toen Koning Willem Alexander moederziel alleen op 4 mei in de coronaperiode op de Dam zijn toespraak hield, refereerde hij op indrukwekkende en moedige wijze aan het bordje bij het hek van het Vondelpark toen hij zei: Sobibor begon in het Vondelpark met een bordje voor Joden Verboden.
Excuus dat ik Vondelpark en de Flint door mekaar haalde, foutje (?).
Dagboek van de Opperrabbijn 28 mei 2026
Nadat we dinsdagochtend om 8:00 uur weer voet hadden gezet op vaderlandse bodem, was ik ’s avonds in Hilton Hotel Den Haag voor de viering van de Onafhankelijkheidsdag van Azerbeidzjan op 28 mei. De ambassadeur is een goede bekende van mij en daarom vond ik dat ik niet mocht ontbreken. Los hiervan, en dat is natuurlijk nog veel belangrijker, Azerbeidzjan is een Islamitisch land en tegelijkertijd heeft het een zeer goede band met Israël. Met G’ds hulp zullen meerdere Islamitische landen volgen! Dat mijn aanwezigheid werd gewaardeerd bleek onder andere uit de wijze waarop ik welkom werd geheten. Nog geen voetstap had ik gezet in het Hilton Hotel Den Haag, waar de viering plaatsvond, of de persoonlijk assistent van de ambassadeur kwam me letterlijk tegemoet hollen om me binnen te laten. Ik voelde me dan ook meer dan welkom en realiseer me dat dat welkom-zijn niet zozeer mijn persoontje betreft, maar het is een uitgestoken hand naar de Joodse gemeenschap en dus ook richting de Staat Israël! Een van de genodigden was Jan van Zanen, Den Haags eerste burger, die spontaan mij bemoedigde door nadrukkelijk aan te geven om door te gaan met de strijd tegen antisemitisme en vooral niet op te geven. Tegelijkertijd, en dat was goed om te horen, gaf hij ook duidelijk aan dat er meer en meer stemmen hoorbaar worden die een tegengeluid laten horen en zicht- en hoorbaar afstand nemen van het inmiddels alom aanwezige antisemitisme. Zo nodig, benadrukte hij, kan ik hem altijd op zijn 06 nummer bereiken!
Dit neergeschreven hebbend moest ik terugdenken aan zo’n tegengeluid dat ik, naar ik meen, nog niet met u had gedeeld of wel gedeeld maar vergeten hetgeen me niet zou verbazen. Precies twee weken geleden kreeg ik bezoek van Kamran Ullah, de hoofdredacteur van de Telegraaf, die zich duidelijk profileert als een vriend van Israël. Geboren en getogen in Nederland, maar vanwege zijn Pakistaanse voorouders en zijn niet-Nederlands klinkende voor- en achternaam, wordt hem regelmatig gevraagd of hij Nederlands spreekt. Ik voelde me meteen partner in crime! Want zelfs ik, zonder een niet-Nederlands klinkende voor- en achternaam werd een paar dagen geleden weer eens goedbedoelend gevraagd sinds wanneer ik Nederland woon en hoelang het mij nam om Nederlands te leren. Ik kreeg er nog wel even een complimentje bij want vraagsteller vond het erg knap van mij dat ik bijna accentloos mijn Nederlands beheerste.
En toen was het woensdag en vertrokken we om 11:00 uur ’s ochtends om zojuist, donderdag 28 mei om14:00 uur, weer voet op vaderlandse bodem te hebben gezet. Het was anderhalve dag Antwerpen. Anderhalve dag klinkt niet zoveel, maar toch waren die anderhalve dag zeer intensief en intens. Maaltijden en programma bij Hoffy’s, overnachten in Hotel Maek op vierhonderd meter afstand. Honderdvijftien leden van de vierhonderd leden tellende businessclub van Christenen voor Israël waren vanuit heel Nederland afgereisd naar de Lange Kievit straat. De deelnemers werden na ontvangst in drie groepen gedeeld om ieder op eigen wijze van de (eigenwijze) gids Joods Antwerpen te bezoeken. Mijn groep, ik was een van de drie gidsen, was numeriek in de meerderheid. Ik denk dat de reden daarvan was dat we met z’n allen de jesjiwa gingen bezoeken. Normaal kom je daar als buitenstaander niet binnen, want een jesjiwa is geen museum waarvoor je een entreekaartje koopt en vervolgens, gelijk in de Antwerpse Dierentuin, gaat (Joodse) aapjes-kijken. Ik had met de directeur afgesproken dat hij de kinderen zou vragen of ze bereid zouden zijn om hun speelkwartier op te offeren, een keer geen voetbal, maar in plaats daarvan spreken met de gasten uit Nederland die allen, stuk voor stuk, onwrikbaar en eensgezind achter Israël staan en vele joodse instellingen in Israël met hart en ziel steunen. Los van hun substantiële financiële support zijn ze ook politiek actief om op te komen voor Israëls belangen en strijden ze tegen iedere vorm van antisemitisme. Er waren veel nieuwe gezichten en dus heb ik velen mogen ontmoeten die ik niet kende maar de meesten wisten wel wie ik was, vaak vanwege mijn dagboek. Voor de restauratie en leefbaar makende inrichting van een miklat, schuilkelder, in Be’er Sjewa werd even tussen de bedrijven door € 95.000 opgehaald. Het was indrukwekkend hoe de jongetjes van de jesjiwa in gesprek raakten met de gasten. Ik had ze eerst even kort uitgelegd wat een jesjiwa is en daarna verzocht om gewoon de leerlingen, naast te gaan zitten of staan en te vragen. Alles mocht gevraagd worden en de jongens genoten zichtbaar van de gesprekken die ze mochten voeren en de vragen die ze moesten beantwoorden.
De Hoffy’s brothers hadden een geweldige catering geleverd, as usual, iedereen was meer dan tevreden. Uiteraard heb ik ook een aantal keren de meute mogen toespreken, maar voor mij was het gesprek aan de bar, ’s avonds, eigenlijk het hoogtepunt. De vragen die loskwamen, de antwoorden die ik mocht geven. Hoewel ik die avond geen enkele Urker ontmoette, liep het de volgende ochtend bij het ontbijt totaal anders. Ik ging gewoon ergens zitten aan een tafel waar nog niemand zat en toen ik even weg was en weer terug was gekomen, wist ik mij omringd door een en al Urk. Dat de Urkers soms een beetje last hebben van (te)veel eigenwaarde, bleek wel weer toen mij, zonder een glimp te vertrekken een van de Urkers aangaf dat nr. 1: Urk is de hoofdstad van Nederland en 2: de zestienduizend Urkers vormen de kern van Nederland waar behalve die zestienduizend Urkers ook nog achttien miljoen vreemdelingen wonen. Het schijnt dat Urk inmiddels zijn vlag heeft bijgesteld, zo wist een van de Urkers mij te vertellen (of wijs te maken?). Het is een gewone vlag van Israël met daarin ook de afbeelding van een vis. De vis natuurlijk omdat Urk een vissersdorp is, hoewel het aantal Urkse business-club leden dat in de bouw zit zeer aanzienlijk is en misschien wel de vishandelaren overstijgt.
Ik stop nu, want zo dadelijk word ik afgehaald om naar Rotterdam te gaan voor de eerste lokale Rotterdamse solidariteitswandeling.
Dagboek van de Opperrabbijn 24 mei 2026
In Stamford Hill, de Joodse wijk, waar we de twee Jom Tov dagen verbleven, was duidelijk meer beveiliging aanwezig. Ik merkte bij mezelf dat ik wel extra alert ben geweest. Steeds omkijken, iedere niet-jood die er afwijkend uitzag toch extra in de gaten houden. Een paar keer de straat overgestoken, terwijl ik niet aan de overkant moest zijn.
Als mijn herinnering me niet te veel in de steek laat, ben ik vijftien jaar geleden begonnen te waarschuwen tegen het, toen nog opkomend, antisemitisme. Dat vond niet iedereen even leuk, want een rabbijn moet vooral een positieve boodschap brengen, mensen bemoedigen en na een rabbinale toespraak moet de goegemeente opgewekt en geïnspireerd huiswaarts keren. Nou heb ik niet in iedere toespraak mijn zorg kenbaar gemaakt en ik herinner me niet ooit mijn hele droosje aan Jodenhaat te hebben gewijd, maar ik kan de kritiek zeker plaatsen. Sterker nog, ik vraag me af of al mijn gewaarschuw enig nut heeft gehad en moet ik daarom beter vanaf nu over polarisatie, antisemitisme en antizionisme zwijgen? Schoenmaker, blijf bij je leest en rabbijn, bemoei je niet met politiek.
Op Sjavoeot ontving het Joodse volk bij de berg Sinai de Tien Geboden of beter vertaald: de Tien Woorden. Want het moge dan zo zijn dat in het Nederlands wordt gesproken over de Tien Geboden, de juiste vertaling luidt niet Geboden, maar Woorden. Vertalingen geven niet altijd precies weer wat er staat, want vertalen is verklaren. Enfin, 3300 jaar geleden stonden onze voorouders dus bij de berg Sinai en kregen de Tien Woorden aangereikt, de basis van het Jodendom. In de Joodse filosofie wordt benadrukt dat de Joden op ieder van die tien basisprincipes unaniem instemmend positief hebben gereageerd, maar ten aanzien van hoe precies hun reactie was, hoe ze hun instemming hebben verwoord, is er een discussie tussen rabbi Shmuel en rabbi Akiva. Rabbi Shmuel geeft aan dat ze op de geboden reageerden met een instemmend ja, we zullen het doen, en op de verboden zeiden ze nee, we zullen U volgen en de overtreding niet begaan. Rabbi Aviva daarentegen is van mening dat zowel op de ge- als op de verboden eenzelfde reactie werd gegeven: ja, we stemmen in met het ge- en verbod.
Wat is hun discussie? Waarom maakt rabbi Akiva geen verschil tussen ge- en verboden, en waarom maakt rabbi Shmuel dat onderscheid wel?
Plotseling komt tante Beppie zl. in mijn gedachten. Zij woonde bij ons in de buurt en zij en Gerhard haar man kwamen vaak bij ons e n gingen zeker eens per maand met onze kleintjes naar de Dierentuin. Ik ben altijd erg terughoudend geweest om overlevenden van de oorlog met onze kinderen te confronteren. Op mijn bureau stonden nooit fotos. Velen van hen hadden immers ook kinderen gehad Beppie had echter nooit een kind kunnen baren, ze was in de experimentenbarak geweest van Auschwitz. Maar Beppie wilde juist met mijn kinderen optrekken, ze genoot ervan. Ze was ook altijd opgewekt, tevreden en dankbaar. Was Beppie vroom? Als ik hiermee bedoel Joods praktiserend, dan denk ik het niet. Maar als ik met vroom echt vroom bedoel
Terug naar de discussie tussen Rabbi Akiwa en Rabbi Shmuel: Rabbi Akiwa ziet dat ook het negatieve, zelfs het summum van kwaad, van Boven komt en als daarmee wordt omgegaan, zoals een Beppie en zoveel andere overlevenden dat hebben gedaan, dan is dat minstens net zo positief als het naleven van de geboden, want ge- en verboden zijn bij de Eeuwige, van Boven naar beneden bezien, minstens gelijkwaardig.
Rabbi Shmuel beseft echter dat wij ons beneden bevinden, in een materialistische wereld en dat we daarom weliswaar kommer en kwel dienen te aanvaarden, maar dat we alles in het werk moeten stellen om het kwaad te verdrijven, Aanvaarden, ja. Accepteren, neen.
Mijn gevecht tegen antisemitisme-antizionisme zet weinig zoden aan de dijk, maar toch blijf ik strijden, ook als sommigen dat niet leuk vinden, en zelfs een enkeling daarom meent die ene keer per jaar dat hij naar sjoel kwam, nu niet meer te komen. De reden van mijn volharding? Ik bevind me beneden op deze politieke aardbol en daar is geen plaats voor polariserende en demoniserende Jodenhaat.
We varen morgen terug. Ik vermoed dat ik me in Nederland veiliger voel, maar of dat inderdaad zo is, kan ik niet zeggen. De vraag uit Joodse en uit niet-Joodse hoek luidt steeds vaker waarom we in Nederland blijven wonen. Mijn rationele antwoord is en blijft dat ik me niet laat verdrijven. Wij, de families Jacobs, de Leeuw, Sander en Elkus, wonen hier al eeuwen en zullen vooralsnog, zolang de Mosjach nog onderweg is maar nog niet aangekomen, hier blijven. Ik ben allergisch voor chantage, zeker ook als het slechts psychologische intimidatie is.
Am Jisraeel Chaj, we leven en overleven, zelfs in Nederland.
Dagboek van de Opperrabbijn 20 mei 2026
Trouwe lezer van mijn dagboek, ik excuseer me op voorhand dat dit dagboek geen echt dagboek gaat worden. Terwijl ik nog helemaal niet weet wat er uit mijn digitale pen gaat vloeien, zie deze compositie als een therapeutisch van-me-af-schrijven, misschien wel een noodkreet, een en al bezorgdheid. Maar ik weet bijna zeker dat de laatste regel positief zal zijn, want zo zit ik in elkaar.
Ik herinner me dat ik bij de onthulling van het monument ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden in Elburg (3 mei 1985) aan de toenmalige burgemeester vroeg waarom ik recentelijk, veertig jaar na de oorlog, zo vaak word opgetrommeld om monumenten te onthullen ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden. Waarom nu pas? Ik herinner me heel goed zijn antwoord: Mijn oudere collegas willen liever de oorlog achter zich laten, want ze waren bevreesd dat hun eigen optreden, of beter geformuleerd hun niet-optreden, of soms zelfs het actief laten gebeuren, dan aan de kaak kan worden gesteld. Burgemeester in oorlogstijd.
Ik denk erover om Frans Timmermans te gaan bellen en hem te vragen: Beste Frans, help ons! Je hebt je uit de politiek teruggetrokken, nu kun je jezelf zijn. Ik ben er nog steeds volledig van overtuigd dat je geen antisemiet bent en ook zeker Israël niet van de kaart wilt vegen. Maar politiek is politiek en gaat over stemmen, achterban, je eigen positie bewaren en bewaken, vaak ten koste van Hetzelfde geldt ook vaak voor huidige politici en zelfs voor burgemeesters (m/v).
En wat met mezelf, Binyomin? Is het geen tijd om je Nederlandse mede-Joden op te roepen om ? Je hebt je mening veranderd ten aanzien van de individuele leden van de Joodse Raad; je denkt niet meer dat ze per definitie egoïstische schurken waren. Maar hun optreden bleek, zeker achteraf bezien, catastrofaal verkeerd te zijn geweest. Ja, als de geallieerden Nederland veel en veel eerder zouden hebben bevrijd, dan waren zij met hun pappen en nathouden de grote redders geweest, maar de geallieerden kwamen niet eerder.
En dus heeft dat telefoontje dat ik gisteren kreeg van een niet-Joodse vriend bij mij verwardheid gezaaid. Binyomin, bega niet de fout van de Joodse Raad! Toeval bestaat niet en alles heeft een doel en betekenis.
Enige maanden geleden was ik vanuit de EJA, European Jewish Association, in Krakau/Auschwitz met zon honderdvijftig politici uit geheel Europa. Bij het monument in Birkenau moest ik het kaddiesj-gebed uitspreken en een paar woorden van bezinning brengen. Omdat ik gewoonlijk mijn toespraken niet van papier oplees, maar uit het hoofd spreek, weet ik nooit helemaal van tevoren wat ik ga zeggen. En dus eindigde ik, zelfs tot mijn eigen verbazing en schrik, mijn overdenking als volgt: ik hoop dat onze nazaten hier over tachtig jaar niet wederom zullen staan om te herdenken
Auschwitz Twee!
Inmiddels heb ik al heel wat koffie op. Als ik s nachts niet kan slapen, neem ik drie koppen koffie als slaapmiddel. En als ik s morgens wakker ben, dan weer twee, maar dan om wakker te blijven. Ik heb net twee koppen koffie tot me genomen en kan nu weer realistischer en dus positiever denken.
Hoe je het draait, wendt of keert: onze overheid kan en mag niet vergeleken worden met de nazi-overheid van toen. Mocht u gedacht hebben dat ik dat vóór mijn ochtendkoffie bedoelde, dan bied ik mijn welgemeende excuses aan, ik heb dat niet geschreven en absoluut niet gedacht! De Nederlandse overheid zorgt goed voor ons Joden. Onze twee Joodse dagscholen zijn bunkers met de Koninklijke Marechaussee voor de deur. Synagogen in den lande krijgen extra bescherming en ikzelf ben innig dankbaar voor de bescherming die mij van overheidswege, landelijk en door lokale burgemeesters (m/v), positief wordt opgedrongen.
Antisemitisme is van alle tijden, een muterend virus dat voor ieder geneesmiddel resistent is geworden. En dus achteroverleunen? No way! Bruggen bouwen, educatie, educatie, educatie. In AZCs, op middelbare scholen, in het basisonderwijs, al op de kleuterschool en vooral thuis.
Wet op de privacy? Iedere wet heeft als doel om de gezondheid van de samenleving voor alle burgers te bevorderen, en dus ook de wet op de privacy. En dus moet er ook met ouders van kleuters gesproken kunnen worden als hun kleuter mij publiekelijk naroept: Jehoed of Free Palestine.
Educatie, educatie, educatie! Politici en zeker burgemeesters hebben een voorbeeldfunctie; tegen hen wordt opgekeken. Zij dienen er onkreukbaar uit te zien, zij dragen een ambtsketen, voor een burgemeester moet je opstaan, zij hebben invloed.
We staan aan de vooravond van Sjawoeot, het Wekenfeest, vrijdag en sjabbat aanstaande. Op Sjawoeot stond het Joodse volk na de Uittocht uit de Egyptische slavernij, meer dan drieëndertighonderd jaar geleden, bij de berg Sinai. Daar heeft Gd de totaliteit van Thora en Traditie gegeven en vond als het ware de geboorte van het Joodse volk plaats. Tot dat moment waren er Joden, maar van een volk was nog geen sprake.
Met het ontstaan van het Joodse volk ontstond ook de opdracht om je als volk en als Joods individu niet van de omringende samenleving af te zonderen, maar aan de maatschappij een positieve bijdrage te leveren door haar bekend te maken met de zogenaamde Zeven Noachidische Wetten, basisprincipes die nodig zijn om een vredige samenleving te hebben.
Dat betekent ook bruggen bouwen, ook met medemensen die wellicht heel anders denken of anders leven. Van mening verschillen mag, maar haat, of nog erger, moeten we niet willen. En daarom is het soms verstandig om bepaalde onderwerpen (tijdelijk?) niet te bespreken. En dan zie je na verloop van tijd dat ook uiterst gevoelige onderwerpen, zonder eruit te komen, toch bespreekbaar worden.
Kijk naar de verhouding tussen Joden en christenen in ons eigen Nederlandje. Tussen Jodendom en christendom bestaan essentiële, onoverbrugbare verschillen en toch was maandag jl. de nieuwe scriba van de PKN, ds. Kees van Ekris, begeleid door de beleidsmedewerker van Kerk en Israël, Eeuwout Klootwijk (wij kennen elkaar al tientallen jaren!), bij mij thuis voor een kennismaking en om te bezien hoe we kunnen samenwerken op die gebieden die we gemeenschappelijk dragen.
Ik ga me voorbereiden op Sjawoeot. Het bestaan van het Joodse volk is een wonder. Ja, het was en is niet altijd even eenvoudig, en nu druk ik me netjes uit. Maar als ik in een onverhoopte en bijna depressieve gemoedstoestand ga doemdenken, dan duw ik dat snel weg met de gedachte dat mijn ouders geen kant op konden, maar dat er voor mij een piepklein landje bestaat waar ik altijd welkom ben.
Stop! Deze laatste zin had ik misschien niet moeten schrijven. Het Joodse volk leeft en overleeft. Am Jisraeel Chaj, zeker ook in mijn/ons Nederland!
Dagboek van de opperrabbijn 17 mei 2026
Op mijn dagboeken komen reacties binnen, vóór en tégen. Meestal zie ik ze niet omdat ik ze niet bekijk. Dat is niet aardig van mij, maar als u zich realiseert dat duizenden mijn dagboek lezen, dan hoop ik dat u mijn opstelling wilt respecteren. Voor een persoonlijke vraag of opmerking, ook als die niet vriendelijk bedoeld is, gewoon even een e-mail sturen of een whatsapp, dan ziet niet iedereen het, maar ik wel (tenzij u in mijn spam box belandt). Naar aanleiding van mijn vorige dagboek zag ik min of meer toevallig (hoewel toeval niet bestaat!) het onderstaande commentaar:
Joods zijn is blijkbaar net zoiets als imkeren. Ik ben al vele jaren imker en ik merkte dat toen de bijenstand onder druk kwam te staan, opeens heel veel mensen wilden gaan imkeren. Er ontstonden klasjes met leerling-imkers, waardoor de buitentuin, waar de bijenkasten stonden, overvol raakte. De meeste beginnende imkers hielden het echter maar kort vol, omdat imkeren ingewikkeld is en ook nog arbeidsintensief. Je moet dus wel een echte doorzetter zijn en met hart en ziel erbij betrokken, wil het wat worden op de langere termijn. Nu de Joden onder druk staan, willen blijkbaar velen opeens joods worden. Ik hoop dan maar dat als het ze al lukt, dat ze het langer volhouden dan de imkers in spe.
Hoewel bovenstaande niet mijn woorden zijn, maar van een heuse imker, vroeg ik me even af of ik maar beter imker had kunnen worden, want het omgaan met bijen lijkt me toch eenvoudiger dan met mensen. Hoewel, bijen kunnen steken Maar, wacht even, mensen die hun zin niet krijgen steken ook!
En toch: de Halaga geeft duidelijk aan dat ieder met een Joodse moeder, joods is. Maar ook een niet-Jood die toegetreden is conform de Halaga is net zo Jood of Jodin als iemand die Joods geboren is. Gewoon helemaal Joods en niet half Joods. Halve Joden bestaan niet (en als we wel over halve-Joden spreken, dan bedoelen we Joden die erg kort van postuur zijn, halve lengte).
Ik ontving vrijdag jl. een e-mail met een interessante vraag. De schrijver las dat er op vele plaatsen in de Thora en binnen de Halaga op wordt gewezen dat er opgepast moet worden om iemand die Joods is geworden te wijzen op zijn afkomst om hem niet te kwetsen. Maar tegelijkertijd zegt diezelfde Halaga dat een kohen, een priester, niet mag trouwen met iemand die Joods is geworden, dat een Ger geen rabbinale positie mag bekleden, en zo is er nog een aantal restricties die een Ger Tsedek (iemand die Joods is geworden) opgelegd heeft gekregen. Is hij dus toch geen volledige Jood? Ik heb de vraagsteller verzocht om mij even te bellen met video, whatsapp of per zoom. Schrift kan verschillende interpretaties krijgen, met elkaar spreken, elkaar zien en elkaar bevragen is een veiligere manier van communiceren.
Mijn antwoord was vrij eenvoudig: u hebt gelijk! Een ger is niet helemaal gelijk aan een Jood van geboorte. Maar een man is niet gelijk aan een vrouw. Een gewone Jood is niet gelijk aan een kohen. Een kohen is niet gelijk aan een leviet (hulp priester). Een professor is niet gelijk aan een medemens die minder intelligent is. Joden zijn niet gelijk aan niet-Joden. Mensen met een witte huidskleur zijn geen mensen met een zwarte huidskleur En zo kan ik mijn hele dagboek volschrijven met ongelijkheden.
Wat wil ik hiermee aangeven? Het Joodse volk wordt gezien als een lichaam. Een lichaam heeft hersens, voeten, een hart. Ieder onderdeel, ieder orgaan van een mens heeft zijn functie. Een superintelligent mens kan niet leven zonder hart. En alleen goedhartig zijn, is niet slim. Met andere woorden: daar waar ik mij bevind, daar ligt mijn opdracht. Mensen zijn niet gelijk, maar wel gelijkwaardig. Wat geldt voor een individuele Jood, geldt voor de samenleving in de volle breedte. Ja, een niet-Jood kan Joods worden, maar dat wordt niet aangemoedigd, omdat daar waar je je bevindt, daar ligt in principe je taak. En dus moedigt het Jodendom niet aan om Joods te worden, maar als je doorzet…
Vanmiddag mocht is een praatje houden (een lezing heet zoiets) voor de DNC, de Dutch Noahide Community. Niet-Joden die leven volgens de zogenaamde Zeven Noachidische Wetten. Donderdagavond aanstaande begint Sjawoeot, het Wekenfeest, waarop we gedenken dat meer dan 3300 jaar geleden het Joodse volk bij de berg Sinai de totaliteit van het Jodendom, Thora en Traditie, heeft ontvangen. Alle wetten en gebruiken voor ons Joden. Maar ook de Zeven Noachidische Wetten die voor de mensheid in zn geheel gelden zijn toen gegeven met eraan gekoppeld de opdracht aan het Joodse volk om ervoor te zorgen dat onze medemensen zich aan die Zeven Noachidische Wetten zullen houden. We doen dus toch een beetje aan zending en missie onder de niet-Joden.
Recentelijk gebeurde er nog iets. Niet alleen een toename van gioer-kandidaten, niet-Joden die dus Joods willen worden, maar ook veel meer mensen die zeggen dat ze Joods zijn en dat graag van mij op schrift willen hebben. Met zon rabbinale verklaring kan je aanspraak maken op de Wet op de Terugkeer, waarmee je Israël sneller binnenkomt als immigrant. Een wet die speciaal gemaakt is om Joden die moeten vluchten omdat ze Joden zijn, het makkelijker te maken om zich in Israël te vestigen. Had toentertijd, toen 80% van mijn familie vermoord werd, Israël maar bestaan. Overigens zou dat ook voor mijn ouders een zegen zijn geweest want, geloof me, hoewel ik honderden keren heb moeten aanhoren dat zij niet hebben geleden omdat ze niet in Sobibor of Auschwitz waren geweest, ook de onderduik was geen pretje.
Omdat ik dit dagboek nog vandaag de deur uit wil hebben, stop ik nu. Maar nog wel wil ik kwijt dat ik uitgaande sjabbat, na havdala, erg boos was, intens verdrietig werd en vooral het gevoel had in de steek te zijn gelaten door mijn eigen burgemeesters (m/v) in wie ik juist zoveel vertrouwen heb
Maar onder het mom van maak van je hart geen moordkuil enerzijds en anderzijds laat je niet leiden door emoties schrijf ik nog even (n)iets op. Waarop ik doel? Het vermengen en gelijkstellen van de jaren 40- 45 met de Nakba, is niet uitsluitend het importeren van een buitenlands conflict, maar is ook een teken van gebrek aan historisch besef, een geschiedkundige blunder, maar, en dat stoort me nog meer en raakt me dieper: door bij een verzetsmonument ter nagedachtenis aan uw dooden die den goeden strijd gestreden hebben een bloemstuk te leggen, wordt Jodenhaat aangewakkerd en worden Joden gedemoniseerd, en dat kan toch van geen enkele burgemeester in ons land de bedoeling zijn geweest hoop ik.
dagboek van de opperrabbijn 13 mei 2026
Ik heb een week gespijbeld en geen dagboek geschreven, waarvoor mijn oprechte excuses. Maar ik was zo gigantisch druk waardoor ik de rust die ik nodig heb om te schrijven, niet kon vinden. Nou is het druk hebben op zichzelf geen probleem, zoals we dagelijks in het ochtendgebed zeggen: Moge het ons gegeven zijn dat we ons met Uw mitswoth, Uw geboden, intensief verbinden. Het Hebreeuwse werkwoord dat we voor dat intensief-verbinden gebruiken betekent in het moderne Hebreeuws als zelfstandig naamwoord lijm. Maar de vraag is natuurlijk waaraan ik me vastplak. Als we ons intensief bezighouden met drugs, gokken of andere negatieve verslavingen, dan is dat uiteraard niet de bedoeling en valt dat niet onder onze dagelijkse bede van Moge het ons gegeven zijn. Maar wat als ik me volledig inzet om drugs, onrecht, discriminatie, antisemitisme te bestrijden, dan is die inzet natuurlijk een geweldige mitswa, maar toch net even iets anders dan wanneer het onderwerp niet tégen iets is, maar vóór, bijvoorbeeld vóór naastenliefde.
Waarmee was ik de laatste dagen bezig?
Ziekenbezoek. Helaas waren er (te)veel zieken die een bezoekje van mij zouden waarderen. Helaas, natuurlijk niet dat ik voor hen iets mocht betekenen, maar wel helaas dat ze ziek zijn. Ondanks de grote mitswa van bikoer-cholim, het bezoeken der zieken, kan ik er niet zo goed tegen. Hoewel ik natuurlijk een rijke zieken-ervaring heb gehad als veertig jaar rabbijn van het Sinai Centrum, kan ik er nog steeds niet zo goed tegen, omdat ik het verdriet en de pijn van de ander meeneem. En vanaf deze plek dan ook wens ik de beste oplossing voor mijn pastorale ziekenbezoeken: gezondheid voor alle zieken. Gevolg is dan wel dat ik deze belangrijke mitswa van bikoer-cholim niet meer kan vervullen, maar liever geen mitswa zonder zieken, dan wel een mitswa met zieken!
Hoewel de zomervakantie nog ver weg is, waren we vorig jaar te laat begonnen om het Chabad-Zomer-Dagkamp, dat zon tweehonderd kinderen bereikte, tot een succes te maken en heb ik me bijna in de nesten gewerkt om het financieel tekort bijeen te krijgen, terwijl het Zomerkamp al in volle gang was. Dat gaat ons niet nog een keer overkomen. En dus waren we er dit jaar bijtijds bij en start ik eerstdaags met het inzamelen van de gelden om vooraf een sluitend budget te krijgen opdat de Chabad-Zomer-Dagkamp-leiding, onder leiding van Taiby Camissar, Chaya Koppenhol en Oshi Kluwgant, zonder financiële zorgen zich volledig kan concentreren op programma en kinderen.
Het voelt goed dat ik regelmatig, door mensen die ik helemaal niet ken, word benaderd en ze me vertellen dat ze mijn dagboek lezen. Maar er zit ook een nadeel aan. Het aantal verzoeken voor een gesprek van mensen die me dan willen spreken omdat ze Joods willen worden, is de laatste tijd sterk aan het toenemen. Ik betreur dat in zekere mate, omdat ik geen tijd heb om al die goedwillenden te woord te staan, maar ook: Jodendom doet niet aan zending en missie. Blijf wie je bent en dien de Eeuwige vanuit die positie!
Maar toch hebben wij wel een opdracht om een soort zending te bedrijven en daarmee een bijdrage te leveren aan de brede samenleving.
Volgende week is het Sjawoeot, het Wekenfeest. Op Sjawoeot stond het Joodse volk in het jaar 2448 (het is nu 5786, dus rekent u zelf maar uit hoe lang geleden dat is) bij de berg Sinai en heeft zich bereid verklaart om de totaliteit van Thora en Traditie op zich te nemen, waarin ook de opdracht zit om de zogenaamde Zeven Noachidische Wetten aan de ons omringende samenleving te verkondigen. Eerstdaags zal ik hierover wel iets schrijven in een van mijn dagboeken. Maar voor nu: het aantal verzoeken voor een gesprek om Joods te worden overstijgt mijn fysieke capaciteit, dus: blijf wie u bent en dien de Eeuwige vanuit de positie waarin hij u heeft geplaatst. Joods-zijn is momenteel niet altijd even gezellig en zeker niet ongevaarlijk!
Ik mocht me verheugen op een aantal belangrijke ontmoetingen. Elise Coolegem (Head of Unit buitenlandse zaken, Patriots fractie van het Europese Parlement) en Sebastian Kruis (MEP Patriots fractie) heb ik in Amsterdam mogen ontmoeten. Zij wilden geïnformeerd worden over Joods-Nederland en speciaal over het antisemitisme. En dus heb ik ze meegenomen naar de Cheider-bunker, alwaar de directeur mv. Jael de Jong-Weismann ze uitgebreid, professioneel en gedreven te woord heeft gestaan. Na afloop van dit bezoek hebben we uitvoerig gesproken bij kosher restaurant Meat Me, om de hoek van het Cheider. Bij een volgend bezoek, dat zeker gaat komen vanuit het Europarlement en hopelijk ook vanuit andere fracties, zal ik het bezoek beginnen in de JBO-bunker, de andere Joodse school.
Maar ook gewoon en in ons eigen land heb ik een langdurig onderhoud gehad met een van onze invloedrijke burgemeesters (m/v) en staan er nog twee burgemeester-afspraken in mijn agenda. Dit behoort tot mijn achter-de-schermen inzet. Juist met een vertrouwelijk gesprek kun je vaak meer bereiken dan met een met fotos omlijste bijeenkomst.
Van de ontmoeting bij ons thuis met Kamran Ullah, hoofdredacteur van de Telegraaf, had ik zeker wel een foto mogen maken. Hoewel mijn contacten met de Telegraaf uitstekend zijn, ik kan ze zon beetje dag en nacht bellen en dat is wederzijds, had ik de hoofdredacteur slechts een keer kort ontmoet. Dat was bij de Auschwitz-herdenking op zondag 25 januari. Omdat ik aanwezig moest zijn in Gouda, de woonplaats van Mirjam Bikker, de fractievoorzitter van de CU, om daar bij het monument te spreken, kon ik bij de nationale Auschwitz-herdenking in Amsterdam slechts kort aanwezig zijn. Maar omdat ik geen zitplaats kreeg (terecht, want ik zou voor het begin van de feitelijke plechtigheid vertrekken) stond ik en zag daardoor dat de hoofdredacteur van het grootste Nederlandse dagblad tot mijn verbazing ergens achterin was geplaceerd. Die heb ik daar dus weggehaald en naar voren weten te brengen en hem een plaats geregeld (precies achter Femke Halsema!). De ontmoeting bij ons thuis, gisteren, was het directe gevolg van die Auschwitz-herdenking-verplaatsing. Zo loopt het in het leven. Van het een komt het ander en uiteindelijk, hoe we ook plannen, komt alles van Boven.
Überhaupt is mijn goede contact met de Telegraaf een verhaal op zichzelf. Zonder op de details in te gaan, hadden ze een flinke tijd, laat ik me netjes uitdrukken, niet zo positief over mij geschreven. Dat was mijns inziens en uiteindelijk aantoonbaar onterecht. Maar ook het vervelende komt uiteindelijk van Boven en heeft geleid tot het bezoek van de hoofdredacteur bij mij thuis, acht jaar later. Wat een geweldige man. Hij oogt, ondanks zijn belangrijke positie, heel eenvoudig, gespeend van iedere vorm van hoogmoed en heel duidelijk begaan met de situatie van ons Joden en ook van de Staat Israël. Gelijk ik regelmatig te horen krijg dat ik zo goed Nederlands spreek omdat ik als Jood in Israël zou zijn geboren (uiteraard!), zo krijgt ook hij (geboren en getogen in Nederland!) regelmatig hetzelfde compliment vanwege zijn uit Pakistaan afkomstige Islamitische ouders.
Ik had nog iets willen schrijven over de pogingen om de Joodse gemeenschap met kwade bedoelingen te infiltreren, maar dat bewaar ik voor een volgend dagboek.
Dagboek van de Opperrabbijn 7 mei 2026
Zes mei heb ik bijna niets gedaan, alleen e-mails beantwoord, belletjes gepleegd en we hadden een hele fijne online sjioer/cursus. Deze sjioer heet: diepgang. We gaan iedere keer, om de week, een uur en vijftien minuten de Joods-filosofische diepte in. En vandaag, 7 mei, heb ik mijn dag verknald met belastingaangifte 2025. Volgens mijn berekening krijg ik geld terug, ik voel me dus nu al rijk, maar mijn verstand zegt me heel rationeel dat ik waarschijnlijk ergens verkeerd heb ingevuld en er geen enkele reden is om aan mijn verkeerde emotie ruimte te geven, want als het dadelijk tegenvalt Emoties, gevoelens. Precies dat is de periode waarin we leven, de Omertijd. Vanaf Pesach, de Uittocht uit Egypte, tot Sjawoeot, het Wekenfeest, waarop het Joodse volk bij de berg Sinai de Thora van de Eeuwige ontving, tellen we de dagen, negenenveertig in totaal. De Joden waren uit Egypte getrokken, maar Egypte nog niet uit de Joden. De toenmalige verderfelijke cultuur had hen vergiftigd. Het vergif moest uit hun systeem opdat ze rein, met een zuivere geest, bij de berg Sinai van Gd de Tien Geboden zouden kunnen ontvangen. Iedere letter, iedere spatie, iedere regel heeft een betekenis. En dus rijst de vraag: waarom negenenveertig dagen, waarom niet vijftig of achtenveertig? De mens heeft negenenveertig gevoelseigenschappen en iedere dag nemen we een van die gevoelens onder het koosjere vergrootglas: hoe ging ik om met het gevoel van liefhebben, wat deed ik met strengheid, wat met de baas willen zijn en wat met hoogmoed? De Omertijd is dus een groot zelfonderzoek, aan jezelf werken om een beter mens te worden en daarmee automatisch de samenleving te verbeteren.
Op vier mei herdachten we allen die het niet overleefden, vermoord werden, op het slagveld als militair omkwamen, als gewone burger getroffen werden door een granaat, als gewone Joodse burger werden vergast. En dan van 4 mei springen we dansend de vijf mei, Bevrijdingsdag, in. Overal zien we op oude filmbeelden een juichende en joelende menigte. Wat waren ze blij, vreugdevol en dankbaar, vanwege de bevrijding.
Ik denk aan mijn lieve ouders. Zouden zij ook hebben gedanst met een rood-wit-blauw vlaggetje in hun hand? De Joden die het hadden overleefd waren meestal zwak, ziek en uitgeput en verkeerden in een bovenmenselijke spanning: Leven mijn drie kinderen nog? Zal mijn man terugkomen? Wat is er gebeurd met mijn ouders? Waar zijn mijn tantes en ooms? Mijn hoogbejaarde grootouders? De viertienhonderd bewoners van het Apeldoornsche Bosch? Vragen, onzekerheid, angst bevrijding? Voor de meeste Joden was er geen bevrijding. Ik ben G.Z.D van na de oorlog, maar bij ons thuis was alles voor en na de oorlog. Het leek alsof in de oorlog nooit had bestaan, dat was niet bespreekbaar.
Maar waarom beleefde ik dit jaar 4 en 5 mei anders? Tot dit jaar was 4 en 5 mei iets uit een ver verleden, maar nu gaf het mij een gevoel van een nabije toekomst. De vier mei werd gevoeld en de vijf mei niet begrepen.
Vier mei waren we om 12 uur in Loenen bij de herdenking op het enorme ereveld. Een indrukwekkende bijeenkomst met zon drieduizend aanwezigen op strak militaire wijze georganiseerd. Het programma verliep tot op de minuut precies. De toespraken zaten boordevol educatieve bezinning, het ging o.a. over waarde en waarden, om maar even een gedachte te noemen. Een thuiswedstrijd voor mij, omdat ik in de adviescommissie zit van de Oorlogsgravenstichting, de eigenaar van het imposante en dramatische ereveld. Ik had nooit zo stilgestaan bij het woord ereveld, maar dit jaar voelde ik de eer die werd toebedeeld aan de gevallenen meer dan ooit. Waarom beleefde ik de graven en het hele huldebetoon meer dan andere jaren? Misschien omdat het meer nabij voelde en minder ver weg. Om 4 uur werden bloemen gelegd door burgemeester Bolsius bij het Joodse licht-monument in Amersfoort. De stadsvader hield in de plenzende regen een toespraak. We bleven niet lang, want ik moest, zonder Blouma, verder. Om klokslag zeven uur en dertig minuten zat ik in de Nieuwe Kerk op de Dam voor de Nationale Dodenherdenking in aanwezigheid van zijne majesteit de Koning en hare majesteit de Koningin. Na het binnenprogramma de twee minuten stilte bij het Nationale Monument buiten op de Dam waarna koffie en thee in Krasnapolsky. De opkomst was zoals ieder jaar, maar de beveiliging overtrof, helaas, de vorige jaren.
En toen 5 mei. De Nationale Viering Bevrijding, dit jaar in Utrecht. Waren de Dam en Loenen dit jaar qua programmastructuur gelijk aan de vorige jaren, de viering in de Dom was anders. Speels met duidelijke soms wat schurende boodschappen over tolerantie, anders mogen zijn. Bewust voor gekozen, vertelde mij Sharon Dijksma, Utrechts eerste burger. Dat ik niet geheel vrij van trots ben (hetgeen geen goede eigenschap is!) voelde ik toen bij de propvolle Bevrijdingsmaaltijd, na afloop van de Dom, plotseling onze nieuwe Minister-President (D66) tegenover me stond om een handje te schudden en een paar woorden te wisselen. Ook Hans Oosters (PvdA), de Commissaris van de Koning, was speciaal naar me toegekomen om me welkom te heten. Overigens had ik een vrij lang gesprek in Krasnapolsky met een parlementariër van Denk en een van Groen Links. En toen naar huis en op naar het Koninklijk Theater Carré aan de Amstel in Amsterdam voor de indrukwekkende Afsluiting Nationale Viering Bevrijding 2026, in aanwezigheid van onze Koning en Koningin en vele nationale prominenten uit de politiek. Blouma heeft daar haar vriendinnetje Gerdie Verbeet weer ontmoet en ik de mijne, Dilan Yesilgöz (VVD). Voor hen die niet weten hoe die Afsluiting in zn werk gaat: eerst een ontvangst in Carré, daarna het programma op de Amstel, waarbij de genodigden letterlijk op de Amstel zaten op het gastenplatform, daarna weer bijeen in Carré, voor de koffie en thee (rijmt!). Bij de bijeenkomst voor en na het concert op de Amstel had ik de gelegenheid om verschillende ambassadeurs even te spreken, w.o. de ambassadeur van Israël, van Duitsland, van Australië. Overigens heb ik ook nog ergens bij een van de nationale plechtigheden Chris Stoffer (SGP) ontmoet en meerdere politici van CU. O ja, ook nog Wouter Koolmees, de huidige directeur van de NS. Waarom vermeld ik al die politici? Louter en alleen om mezelf te verantwoorden? Uit trots om zon goed netwerk te hebben? Neen! Door alle ontmoetingen te vermelden wil ik aangeven hoe belangrijk het is om als Joods Nederland zichtbaar (met baard en hoed) aanwezig te zijn. Chanan Hertzberger, onze super-actieve voorzitter van het CJO (Centraal Joods Overleg) zit er ook zo in en dus ben ik hem bijna overal tegengekomen.
Wat is mij het meest bijgebleven van al die bijeenkomsten? Dat ongevraagd, overal waar sprake was van een maaltijd, ook voor ons Joden een speciale koosjere maaltijd was verzorgd. Dat proefde erg goed en gaf het gevoel dat er aan ons is gedacht en dat we erbij horen.
Ik zit nu, 7 mei 22:31 uur, in de auto dit dagboek te schrijven. Ik was in Drachten voor de eerste Solidariteitswandeling. Iedere eerste donderdagavond van de maand zal die plaatsvinden. Ik probeer zoveel mogelijk met zon eerste wandeling mee te lopen, vandaar nu Drachten. De organisatie had zich een beetje verkeken op het aantal deelnemers. Ze hadden twintig verwacht, maar als ik zeg dat het er tweehonderd waren, overdrijf ik niet (of misschien een klein beetje!). Geweldig! Wat een warmte. Wat een solidariteit met Israël, met ons Joden. Het Am Jisraël Chaj, het Joodse volk leeft en overleeft, klonk luidkeels in Drachten bij het oorlogsmonument aan het eind van deze eerste Solidariteitswandeling.
Dagboek van de Opperrabbijn, 4 mei in de vroege ochtend.
Bijzonder aan de bijeenkomst is de aanwezigheid van Opperrabbijn Jacobs, die een groot deel van het programma zal bijwonen en ook aanwezig is bij de onthulling van de Stolpersteine. Zijn betrokkenheid onderstreept het belang van deze herdenkingen, juist ook voor huidige en toekomstige generaties.
De grafzerken zonder graf werden gelegd voor Otto Sternheim aan de Koestraat en voor Hugo en Julie Terhoch-Levy en hun dochter Ilse Lina, aan de Grensweg, waar hun laatste woning stond. Met deze stenen kregen de slachtoffers ruim tachtig jaar na dato opnieuw een naam en een plek in de gemeenschap. De voorzitter van de Stichting Heemkunde Arcen: Ook in een kleine gemeenschap als Arcen zijn deze verhalen dichtbij. Juist daarom is het belangrijk dat we ze zichtbaar blijven maken. Met de Stolpersteine brengen we de geschiedenis terug naar de straat en geven we de mensen achter die geschiedenis weer een plek in ons dorp. Het is nu 3 uur in de vroege ochtend van 4 mei. Over een paar uurtjes word ik afgehaald om naar het Nationaal Ereveld Loenen te gaan waar de Oorlogsgravenstichting zijn jaarlijkse 4 mei herdenking houdt. Honderden, waaronder vele Vips, zullen aanwezig zijn. De officiële ceremonie begint om 13:30 uur met bijdragen van onder anderen oud-secretaris-generaal van de NAVO Jaap de Hoop Scheffer, president van de Oorlogsgravenstichting Jaap Smit en Timian Horst. Hij vertelt het verhaal van zijn betovergrootvader Willem van Boven die tijdens de oorlog boswachter was in Loenen en onderduikers, Engelse piloten en ontsnapte krijgsgevangenen in de bossen verborgen hield. Toppers als Jaap de Hoop Scheffer en Jaap Smit zullen voor u geen onbekenden zijn. Maar wie is Timian Horst (ik hoop dat ik zn naam juist heb geschreven!)? En ik ben zo vrij te veronderstellen dat u ook nog nooit van zijn betovergrootvader heeft gehoord. Na deze grootse herdenking zal ik om 16:00 uur aanwezig zijn als burgemeester Bolsius van Amersfoort een krans legt bij het Joodse licht-monument op het Borneoplein waar op 4 mei alle 360 lichtjes branden, ter nagedachtenis aan de 360 Amersfoortse Joodse mannen, vrouwen en kinderen die niet weerkeerden, zoals we dat zo steriel kunnen zeggen. En dan de Nationale Herdenking op de Dam in Amsterdam.
Waarschijnlijk vraagt u zich af, mijn trouwe dagboeklezer, waar ik naartoe ga. En ik bedoel niet waarheen ik me fysiek ga bewegen, maar wat ben ik aan het vertellen, wat is mijn boodschap aan de vooravond van de vierde mei waarop dit jaar Free Palestine luidkeels zal weerklinken, Joden voor kindermoordenaars zullen worden uitgemaakt en via de sociale media wetenschappelijk, misleidend en haat zaaiend zal worden aangetoond dat er helemaal geen zes miljoen Joden werden vermoord maar slechts tweehonderdzeventig duizend, en waarschijnlijk, als Auschwitz überhaupt heeft bestaan, was het geen vernietigingskamp maar een soort vakantieoord. En bijna zeker zal ons Joden verweten worden dat wij, de nazaten van de overlevenden, de vier mei herdenking hebben gekaapt, want vier mei dient eigenlijk Vult u zelf maar in.
Vele jaren geleden werd mij verweten dat ik waarschuwde voor het opkomend antisemitisme. Een rabbijn moet vreugdevolle boodschappen brengen, niet zeuren over narigheid waarvan er toen nog geen zichtbare sprake was. En inderdaad, mijn jarenlange waarschuwingen waren achteraf bezien totaal zinloos.
Vanavond, 4 mei, begint op de Joodse kalender Lag Baomer, de 33ste dag van de zogenaamde Omertelling. Na de Uittocht uit Egypte trokken de Joden door de woestijn naar de berg Sinai, alwaar ze op de 50ste dag de Tien Geboden zouden ontvangen. Maar om hiervoor geestelijk rijp te zijn was er geestelijke voorbereiding nodig, zelfreflectie. De Joden hadden Egypte, toonbeeld van immoraliteit, verlaten, maar Egypte nog niet de Joden. De negenenveertig dagen tussen de Uittocht uit de Egyptische slavernij en het ontvangen van Thora en Traditie, het Woord van Gd, waren en zijn dagen van zelfonderzoek, hoe zit het met mijn eigen persoonlijke minder goede neigingen? En midden in de toch enigszins minder gezellige periode, is het Lag Baomer, de drieëndertigste dag van die periode, een dag van grote vreugde gekoppeld aan Reb Simon bar Jochaj. Mocht u niet bekend zijn met Lag Baomer, stop gerust met mijn dagboek-lezing en google even. Op deze dag gaan duizenden en duizenden naar het graf in Miron, noord-Israël, van deze grote Rabbijn om te bidden en om vreugdevuren te ontsteken. De Sefardische Opperrabbijn van Israël, David Yosef, heeft keihard verboden om dit jaar naar Miron te gaan. Onverantwoord gevaarlijk. Het gaan naar Miron is een gewoonte, het jezelf in een levensgevaarlijke situatie brengen is een verbod en een verbod weegt vele malen zwaarder dan een gewoonte.
Ik was dus in Arcen, duidelijk zichtbaar Joods. Moet ik mijn Jood-zijn gaan verbergen? Adviseren om geen davidster meer te dragen op bepaalde plaatsen in ons bevrijde Nederland?
Wat moeten we doen? Waarom spring ik van de hak op de tak? Van de Nationale Herdenking op de Dam in Amsterdam naar lokale Stolpersteine in Arcen? Omdat de enige manier om Nederland echt bevrijd te krijgen is door middel van educatie, vanuit de landelijke Overheid en vooral ook gewoon lokaal, op scholen, door het gesprek met elkaar, met andersdenkenden, met de ouders van de jongeren, met gewoonlijk een niet-Nederlandse achtergrond, die mij naroepen omdat ik een Nederlandse Jood ben. Inmiddels heeft de politie de eigenaar van de brommer gevonden die vorige week uitgaande sjabbat mijn gast voor kankerjood meende te moeten uitschelden. Volgens de politie waren zijn ouders erg ontdaan, dit hadden ze niet verwacht van hun lieve onschuldige zoontje die omstreeks elf uur s nachts op een fat bike door de straten scheurt. Het doet me goed dat de ouders schrokken, maar een bosje bloemen of een spijtbetuiging heeft mijn gast nog niet ontvangen. Ik ben bereid het gesprek met ouders en zoonlief aan te gaan. Niet om te vermanen, maar om een bruggetje te bouwen. Maar ik ben er bijna van overtuigd dat de wet op de privacy de bouw van dat bruggetje niet zal toelaten en het besmeuren van het Nationaal Monument op de Dam zal bevorderen.
En toch is er hoop en zijn er vele lichtpunten. Het aantal bemoedigingen en steunbetuigingen die mij bereiken is indrukwekkend. Nog nooit wordt mij op straat zo vaak sjalom gezegd en de begripvolle blikken spreken boekdelen. En weet u, zelfs onderduikadressen worden me aangeboden.
Dagboek van de opperrabbijn 29 april 2026
En ondertussen komt het bericht binnen van de aanslag in Golders Green, komt het antisemitisme dichterbij en wordt het steeds normaler en gewelddadiger, terwijl wij in Nederland druk bezig zijn te overleggen over de wet op de privacy en de vrijheid van meningsuiting.
Maar er is ook goed nieuws en wel vanuit ons buurland België: De Brusselse kerk heeft haar excuses aangeboden voor een beschuldiging tegen Joden uit 1370 en heeft een gebrandschilderd raam dat het zogenoemde bloedsprookje‑beschuldiging afbeeldde, vervangen door een gedenkplaat met excuses. Tijdens een bijeenkomst op woensdag vorige week onthulden aartsbisschop Luc Terlinden en mijn collega de Brusselse opperrabbijn Albert Guigui een plaquette in de Kathedraal van Sint‑Michiel en Sint‑Goedele, waarin het antisemitische karakter van het “Mirakel van het Sacrament” wordt erkend.
Het Mirakel van het Sacrament zou hebben plaatsgevonden ergens in 1370, dus al meer dan een week geleden, toen minstens zes Joden uit Brussel ervan werden beschuldigd hosties te hebben gestolen en deze met een mes te hebben doorstoken. Vervolgens vond er een of ander wonder plaats. Voor informatie over de details van het wonder verwijs ik u door naar een RK-geestelijke, daar ik dat niet tijdens mijn Rabbinale opleiding heb meegekregen. Wel weet ik dat er Joden hiervoor levend werden verbrand en de Joodse gemeenschap uit de stad werd verbannen. Deze gebeurtenis vormde de basis voor een jaarlijkse processie die eeuwenlang werd gehouden en begin twintigste eeuw werden gebrandschilderde ramen met karikaturale afbeeldingen van Joden toegevoegd. Nu dus zijn de ramen verwijderd en vervangen door plaquettes waarop staat dat Joden in het verleden ten onrechte werden beschuldigd en dat dit onlosmakelijk verbonden was met antisemitisme. Ook vragen de teksten de Joodse gemeenschap om vergiffenis voor het leed dat hun werd aangedaan. “We kunnen het verleden niet veranderen, maar we kunnen wel beslissen hoe we het doorgeven. En daarin schuilt een enorme verantwoordelijkheid: ervoor te zorgen dat verhalen die ons ooit verdeelden, kansen worden voor verzoening,” sprak opperrabbijn Guigui.
Overmorgen, vrijdag 14 Ijar-1 mei, is het Pesach Sjenie, de tweede Pesach. Als in de tijd van de Tempel in Jeruzalem iemand gedurende Pesach door omstandigheden het Pesach-offer niet had kunnen brengen, hij was bijvoorbeeld onrein of onderweg, dan was 14 Ijar, precies een maand na Pesach, een herkansing mogelijk. Het Pesach-offer kunnen we niet brengen zolang de Tempel niet is herbouwd, maar ook de wetten die fysiek niet (meer) bestaan, blijven hun eeuwigheidswaarde behouden. Met andere woorden: er bestaat nooit een te laat! Te laat dus niet, maar laat wel. Het is inmiddels erg laat, al in de vroege uurtjes van donderdag en verlaat ik dit dagboek, maar niet na eerst mijn dank te hebben uitgesproken voor de prachtige bos bloemen die een van mijn trouwe lezers heeft gestuurd. Was bestemd voor Pesach, gaf de afzender aan, maar toen waren wij niet thuis. Maar omdat het Pesachoffer bij afwezigheid ook een maand later gebracht kon worden, zal hetzelfde ook wel gelden voor de bloemen, die komen nooit te laat! Dank!
O ja, ik zou het bijna vergeten. Om tien uur precies stonden ze voor de deur, vanochtend, en iets voor enen gingen ze weer weg. Ze, is de Tv-ploeg van Dit is De Kwestie dat elke week een uitzending maakt over een maatschappelijke kwestie op het snijvlak van geloof en samenleving. En in die bijna drie uur filmden ze, spraken met mij en Blouma en werkten aan een uitzending over de Joodse gemeenschap die bezorgd is en zich afvraagt of ze hier nog wel kunnen blijven. Mijn mening heb ik duidelijk kenbaar gemaakt: ik woon hier al vele generaties en laat me niet wegpesten, hoewel het storend is en eigenlijk totaal onaanvaardbaar dat mijn schoondochter uit Londen, waar net die aanslag is gepleegd, voor vakantie niet meer met haar gezin durft in te trekken in ons huis vanwege de vele en inmiddels genormaliseerde antisemitische scheldkanonnades. En leest u dit even, wat een van de gemeenteleden, mijn gast op sjabbat, ons schreef: “Beste Opperrabbijn. Dank dat ik sjabbat bij u mocht zijn voor de maaltijden. Maar ik heb op straat tot drie keer toe nare ervaringen gehad en dat wil ik toch, ondanks de lekkere maaltijden en de fijne sjabbat-sfeer, met u delen. Vrijdagavond liep ik langs een schoolpleintje op weg naar uw huis, toen ik beledigend werd nageroepen door jeugd. Ik keek om en zag tot mijn verbazing dat bij de scheldende kinderen een volwassen persoon stond, die het allemaal maar prima en normaal leek te vinden want van correctie naar de kinderen of excuses naar mij, was geen sprake. Op de terugweg in hetzelfde wijkje werd ik nagescholden voor kankerjood door een jongen op een scooter met een kenteken dat ik aan de politie heb doorgegeven maar om geen gezeur te krijgen met de wet op de privacy ik hier niet vermeld. Een fietser reed naast hem. Sjabbat-middag in het drukke centrum werd ik wederom, dit keer zelfs uitgebreid, beledigend nageroepen door een stel mannen. Het leek me niet verstandig om om te kijken. Vele voorbijgangers en omstanders hoorden en zagen het gebeuren, maar het werd kennelijk aanvaard, want niemand greep in of zei iets tegen de mannen of tegen mij. De Jood heeft het maar te accepteren.”







