Welkom op de website van IPOR!

Het IPOR is het samenwerkingsorgaan van de Kehillot in de mediene.  Het samenwerkingsverband is een organisatie waarin de deelnemende kehillot  verenigd zijn op basis van vrijwilligheid. Het doel van het samenwerkingsverband is de bevordering van joods leven in de provincie. De organisatorische vormgeving zal in de loop der tijd een nieuwe vorm krijgen.

“De verzwegen moord met de kogels”. Dagboek van de Opperrabbijn, 26 januari 2022

Hoewel ik niet snel echt moe ben, heb ik nu toch wel behoefte aan een paar uur slaap. Moe ben ik niet zozeer vanwege gebrek aan slaap, maar meer door de impressies. Om 14:00 uur Oekraïense tijd kwamen we eergisteren aan in Hilton Kiev voor een symposium over educatie over de Holocaust. We, zijn Cees van der Staaij en mijn persoontje. Het symposium was georganiseerd door de EJA-European Jewish Association, de Associatie van Joodse Gemeenten in de Oekraïne en de Stichting die de herinnering  aan het drama in Babyn Yar levend wil houden. Deelnemers waren Europese parlementariërs en ambassadeurs van EU landen in Oekraïne. Het symposium telde ongeveer 150 deelnemers. Na een hele middag en avond lezingen, toespraken van o.a. Nathan Sharansky,  panels en getuigenissen van overlevenden, was het dinsdagochtend. Om 8:30 uur een inleiding over de moord op meer dan 250.000 Joden (en ook niet-joden)  in Babyn Yar. Door de voorzitter van de stichting die de herinnering aan de “Moord met kogels” levend wil houden, werd uitleg gegeven over de bouw van een gigantisch museum. Daarna naar het doel van het symposium: de herdenking ter plekke. Een van de sprekers kwam met een waanzinnige stelling:  Hitler had een grote fout gemaakt om zijn doel, de Endlösung, te bereiken. Hij had nooit Auschwitz en andere vernietigingskampen moeten bouwen. Gebouwen, gaskamers, spoorwegen, elektriciteitskabels en waterleidingen zijn namelijk uiterst moeilijk te vernietigen. En daarom weten wij vandaag wat zich daar heeft afgespeeld. De  Joden en tegenstanders van het Nazi regime in Oekraïne werden met kogels vermoord, in een vallei gegooid en letterlijk: Zand erover! En dus is de moord op meer dan 2,5 miljoen mensen nagenoeg onbekend gebleven. De weinige overlevenden, zo  vertelde een van de aanwezige overlevenden, moesten zwijgen. Vertellen dat je Babyn Yar had overleefd betekende dus dat je een Jood of Jodin was, en dat moest angstvallig geheim worden gehouden in de voormalige communistische Sovjet Unie.

Om economische redenen mocht er per Jood maar één kogel worden gebruikt en de baby’s die de moeders in hun armen droegen, behoefden geen kogel. De schutters waren SS’ers, gewone Duitse soldaten en Oekraïners. Ze waren trots op hun ‘werk’ getuige de vele foto’s die ze naar hun geliefden in Duitsland stuurden en waarop ze vreugdevol en stoer keken terwijl  ze de trekker overhaalden. In een van de opgedoken briefkaarten klaagde een Duitse militair dat ze tijdens hun werk weliswaar warme koffie kregen, maar er zat geen wodka in de koffie. Het onbegrijpelijke is dat, hoewel Babyn Yar iets buiten Kiev lag, in vele steden de moord ook gewoon midden in de stad plaatsvond met de voltallige lokale bevolking als toeschouwers. Het staat mij tegen om in mijn dagboek de gruwelijkheden te benoemen, maar omdat ook vele niet-joden, die hiervan misschien geen weet hebben, mijn dagboek lezen, mag de “Moord met de kogels” in Babyn Yar voor mijn gevoel niet onvermeld blijven. Ja, Oekraïne is ver weg, en de moord was zichtbaarder en openbaar, maar ook heeft 90% van de Nederlandse bevolking gezwegen en het dus laten gebeuren.

De voorzitter van de Oekraïense rabbijnen, rabbijn Meir Stambler, dankte alle deelnemers dat zij, ondanks de spanningen langs de grenzen met Rusland en de dreigende oorlog, toch bereid waren om naar Oekraïne te komen.

Direct na de herdenking, waar ik het kadiesj-gebed mocht uitspreken, werden we met de delegaties van Oostenrijk,  Engeland en Italië, die allemaal met KLM via Amsterdam terugvlogen, naar het vliegveld gebracht. Voor de latere vertrekkers was er nog een afscheidslunch in het Hotel. Even bijkomen, dacht ik. Maar dat was tevergeefs. Vanwege de Holocaust Memorial Day werd ik gebeld door een journalist van het RD voor een interview, een andere journalist voor een opname vandaag, woensdag, bij het Namen Monument in Amsterdam en een Israëlisch actualiteitenprogramma dat van mij het telefoonnummer wilde hebben van de kleindochter van de (ten onrechte) beschuldigde Joodse verrader van Anne Frank.

Over een half uur begint mijn 60+ sjioer online en vanavond nog een kleinschalige bijeenkomst, maar mijn gedachten liggen voorlopig nog in Babyn Yar. Ik ben nog niet echt thuisgekomen.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

Van Apeldoorn en Gouda naar Kiev. Dagboek van de Opperrabbijn, 23 januari 2022

In april 1990 hield ik een toespraak bij de onthulling door Prinses Juliana, van het monument ter nagedachtenis aan de moord op de meer dan 1300 bewoners en medewerkers van het Apeldoornsche Bosch. Sindsdien ben ik jaarlijks op 20 januari aanwezig bij de herdenking van de ‘ontruiming’ op 20 januari 1943, beleef ik in gedachten de ontruiming en probeer ik in gedachten te zien hoe mijn patiënten de treinen werden ingesmeten, gillend en kermend en weet ik inmiddels dat ze vanaf het Station te Apeldoorn rechtstreeks naar Auschwitz werden afgevoerd en direct na aankomst… Ieder jaar weer hetzelfde onderwerp, dezelfde kaddisj, dezelfde boodschap en voor bijna altijd hetzelfde publiek. Bijna, want de aanwezigheid van medewerkers die aan de beestachtige ontruiming wisten te ontkomen, heeft het nulpunt bereikt. En dus dreigt het Apeldoornsche Bosch meer en meer tot geschiedenis te verworden. Begrijpelijk is dat, maar mogen we het aanvaarden dat het heden vervaagt tot verleden? Mijn rabbinale antwoord luidt: ja en nee. Ja, heden volgt nu eenmaal altijd het verleden op, hoe spijtig dat ook moge zijn, want het is een historische wetmatigheid. Maar tegelijkertijd schreeuw ik keihard uit dat we de ontruiming van het Apeldoornsche Bosch niet en nooit mogen laten verwateren tot een soort leerzaam samenzijn rond het thema racisme. Want over het Apeldoornsche Bosch bij uitstek kan geen zinnig gesprek gevoerd worden want de ontruiming was het summum van criminele irrationele waanzin, niet eens racisme! Maar juist daarom laat de essentie zich niet wegmoffelen en wordt de kern van onverbloemd antisemitisme zichtbaar: haat-zonder-reden!

Donderdag had ik na de herdenking gesprekken met een aantal bestuurders van Joodse Gemeenten over de organisatie van (onverhoopte) begrafenissen. Klinkt niet echt optimistisch, maar is wel realistisch. Samen met rabbijn Zwi Spiero, de broer van onze rabbijn Spiero, hebben we gesproken met het bestuur van twee Joodse Gemeenten over de toekomst. Wat er niet genoeg man- en vrouwkracht meer is om de rituele wassing te doen? Wat als de bestuurders, die gewoonlijk en geheel belangeloos alles regelen, met vakantie zijn? We blijven optimistisch, maar optimisme is niet het tegenovergestelde van realiteitsbesef.

En vandaag, zondag, naar Gouda. Niet om te proberen daar koosjere Gouda-kaas te kopen, als die daar überhaupt te verkrijgen is, maar voor een TV opname voor een herdenking op 30 januari. Uiteraard een herdenking van de moord op de Goudse Joden. Helaas werd de herdenking een YouTube bijeenkomst die vandaag werd opgenomen. De opname straalde professionaliteit en betrokkenheid uit. De vrijwillige medewerkers doen enorm hun best om de herinnering aan hun Goudse Joden levend te houden en ik ben dankbaar dat ik aan deze virtuele herdenking een bijdrage mocht leveren.

En nu: op naar Kiev! Kiev ???, hoor ik u denken, met een groot vraagteken. Velen hebben mij e-mails gestuurd met de aanbeveling om niet te gaan, maar toch ga ik. Het is de herdenking in Baby Yar waar meer dan tweehonderdduizend Joden werden vermoord. Door de EJA, the European Jewish Association, is een herdenkingsbijeenkomst georganiseerd voor Parlementariërs uit geheel Europa. Aan mij is gevraagd om bij het ravijn, waarin alle Joden werden gestort, het kaddisj uit te spreken. Doel van de reis is uiteraard om de Mp’s ervan te overtuigen dat antisemitisme bestreden moet worden en te tonen waartoe antisemitisme kan leiden. Maar ik heb voor mezelf nog een doel: het uitspreken van kaddisj voor allen die hier vermoord werden en voor wie niemand kaddisj zegt. En omdat ik (helaas) het officiële kaddisj mag voordragen, voel ik me heel intensief betrokken en weiger ik me aan mijn plicht te ontduiken.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

Dagboek van de Opperrabbijn 19 januari 2022

Dagboek 19 januari 2022

Brunssum

Het was me het dagje wel. Nog zijnde in Londen, maandagochtend, werd ik gebeld door het RD over Anne Frank. Ik had hierover nog geheel niet vernomen maar moest wel een mening geven. Inmiddels heb ik met journalisten dermate veel ervaring dat geen mening een verkeerde vertaalslag krijgt en wel een mening maar niet weten waarover, wordt helemaal een puinhoop. Enfin, uiteindelijk een goed gesprek gehad met de geduldige journalist die er begrip voor had dat ik, gezien het één uur tijdsverschil, het ochtendnieuws nog niet had kunnen verwerken. En toen dus mijn reactie dat het mijns inziens onjuist is iemand te veroordelen omdat hij voor 80% schuldig is en voor 20% onschuldig!? Ja hij leeft niet meer en zijn kinderen ook niet, maar wel kleinkinderen. En zelfs als hij niet meer leeft: waarom iemand die zich niet kan verdedigen beschamen en veroordelen. Het Jodendom is de mening toegedaan dat het beter is om een schuldige ongestraft te laten dan een onschuldige te veroordelen. En los hiervan: wat is het nuttig rendement van deze publiekelijke schandpaal? Een ding is zeker: het is koren op de molen van het antisemitisme! Ik hoor ze al uitroepen dat de Joden zelf Anne Frank hebben vermoord! Voor mijn gevoel is het doel van het onderzoek: geld! De mondiale reclamecampagne rondom het boek getuige hiervan. Dat deskundigen als Prof. Bart Wallet en Prof. Houwink ten Cate, de kenners van Joods Nederland en van de Tweede Wereldoorlog, zich meer dan kritisch uitlaten en wijzen op ernstige tekortkomingen in het onderzoek, is meer dan veelzeggend. Voor mij was het echter nog niet klaar met het interview in het RD. De hele dag door ben ik dinsdag en vandaag gebeld door Israëlische kranten, radio en TV.  En dat terwijl ik gisteren op zee zat tussen Harwich en Hoek van Holland en vandaag de hele dag in Brunssum op bezoek bij mijn vriend Jack Aldewereld en zijn zorgzame echtgenote. Wat ik daar deed? Zo’n 11 jaar geleden werd mij verzocht om een plaquette te onthullen in Brunssum bij een pompstation. Ik verwachtte dus een bezinepompstation, maar het was een waterzuiveringsinstallatie waar in de oorlog heel veel Joden zaten ondergedoken. Überhaupt zaten er in dat dorpje een kleine driehonderd Joden verborgen, waaronder vele kinderen. Aldewereld was een van die kinderen. Hij was nog maar een baby van zes maanden. En heeft als enige van zijn familie de oorlog overleefd. Vader, moeder en twee broers werden vermoord. Zijn levensdoel is nu vertellen, vertellen en vertellen. Maar om te kunnen vertellen, door te geven aan de jeugd, moet je weten wat zich in Brunssum heeft afgespeeld. Christenen voor Israël benaderden mij om adressen aan te reiken van Joden die de oorlog hebben weten te overleven. Ze wilden hen cadeaus geven om ze te bemoedigen. Gezien dat christelijke bemoedigen mij geheel niet aanspreekt heb ik voorgesteld om een documentaire te maken over oorlogsoverlevenden uit Nederland. Auschwitz en Sobibor zijn ver weg, Brunssum is gewoon Nederland. Ik ben ervan overtuigd dat het een indrukwekkend programma wordt, bedoeld ook om op scholen te gebruiken. Ook EJA, European Jewish Association, wil het gaan gebruiken en ook Christenen voor Israël International. Maar los van deze toekomstige documentaire: Jack Aldewereld vond onze komst geweldig. Het vertellen, vertellen, vertellen is ook een therapie voor hem, een soort manier van overleven. Van Jodendom weet hij nagenoeg niets, vertrouwde hij mij toe, maar hij is wel een Jood in hart en ziel.

Ik ben redelijk uitgeput, moet nu nog een column schrijven voor CIP over, u raadt het al: de verrader van Anne Frank. Morgen een toespraak houden in Apeldoorn bij de jaarlijkse herdenking van de ontruiming van het Apeldoornsche Bosch op 20 januari 1943, dan naar Dieren voor overleg met de Joodse Gemeente de Stedendriehoek, daarna Doetinchem voor een bespreking met de Joodse Gemeente de Achterhoek en dan hopelijk: een beetje op tijd thuis en bed!

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

 

20220117-001-DKR-MAIN-VPD

Het medische en financiële van Covid-19 lopen goed (en slecht) door elkaar. Dagboek van de Opperrabbijn 16 januari 2022

De halacha, de Joodse wet, schrijft voor dat wij verplicht zijn om ons aan de wet van het land waar we woonachtig zijn of verblijven te onderwerpen. En dus probeer ik een brave Nederlandse burger te zijn en niet te protesteren tegen de Covid-19 regels, ongeacht wat ik er wel of niet van vind. Maar gezien de Eeuwige mij verstand heeft gegeven staat het mij natuurlijk wel vrij om even iets niet zo goed te snappen. Recentelijk was ik voor twee dagen naar Engeland vanwege een simche bij mijn dochter. Het kopen van een ticket met de Stena Lines Hoek van Holland-Harwich was zo geregeld, maar daarna begon het gezeur: wat moet ik wel of niet invullen en testen voor de heenreis om het Verenigd Koninkrijk binnen te komen en hoe kom ik weer terug. Na de verschillende uiterst ingewikkelde websites te hebben bestudeerd en ook op de voet gevolgd, want per dag kan er iets veranderen in de wetgeving, had ik het begrepen: om Engeland binnen te komen moet ik een paspoort hebben en een ID is niet meer geldig, maar ik hoef me niet meer te laten testen, want Nederland is voor het Verenigd Koninkrijk momenteel niet code rood. Wel moet ik voor vertrek naar Engeland in Engeland een Covid-19 testpakket hebben gekocht en ook betaald, zoals er nadrukkelijk in de regelgeving vermeld staat. Die test moet ik dan op dag-twee afnemen. En dus wattenstaafje in mijn keel, daarna in mijn neus, dan in de vloeistof en dan per post opgestuurd in een speciale enveloppe naar het adres dat op de bijgevoegde envelop staat gedrukt. Totdat ik de uitslag per e-mail ontvang behoor ik in quarantaine te verblijven. Het gegeven dat ik op dag twee alweer ’s ochtends vroeg terug ben in Nederland telt niet mee. Ik moet en zal die test aangeschaft en betaald hebben, daaraan valt niet te ontkomen, want op het passenger locatie formulier dat ik voor mijn vertrek moet invullen, moet ik de code invullen die op het testpakket staat. Mijn dochter, die goed is ingevoerd in de Engelse samenleving, vraagt zich gevoeglijk af of die bedrijven inderdaad de vloeistof laten testen of gewoon een e-mail sturen met de negatieve uitslag, hetgeen ze de (on)nodige laboratorium kosten bespaart en er dus meer winst wordt gemaakt. Maar los van de mogelijke zwendel met het wel of niet testen, heb ik ook voor de hand liggende vraag: hoe weet het testlaboratorium dat ik dat staafje in mijn eigen neus heb gestopt en de uitslag dus mijn uitslag is? Toch houd ik me braaf aan de regels al ware het alleen al dat als ik betrapt zou worden met gesjoemel, ik de voorpagina zou halen: “Opperrabbijn heeft wattenstaafje in neus van buurman gestopt.” Maar of dit hele testgebeuren enige medische functie heeft, durf ik als niet-medicus te betwijfelen.

De terugreis Harwich-Hoek van Holland is ook interessant. Ik moet me voor vertrek in Engeland laten testen bij een testwinkel, maar niet bij de NHS, de Britse GGD. Kassa, denk ik dan, want de test bij de NHS is gratis en in de testwinkel niet. En ook moet ik een Nederlandse Quarantaine Q-code bij inscheping kunnen tonen. Na diepgaande studie hoef ik echter niet na terugkeer in quarantaine omdat ik Nederlander ben en omdat ik op familiebezoek was. Had ik niet op familiebezoek geweest, dan had ik natuurlijk wel ik quarantaine gemoeten. Snapt u het? Maar, om het eenvoudig te houden: stel ik ga de boot af in Nederland zonder testbewijs, zonder vaccinatie en booster bewijs en ook de quarantaineverklaring ben ik op de boot verloren.  Word ik dan als Nederlander teruggestuurd naar Engeland? Navraag bij de Koninklijke Marechaussee leerde mij dat, zoals zij mij dat formuleerden: zelfs als u naakt voet op Nederlandse bodem zet, dan nog moeten wij u binnenlaten, want u bent Nederlander!

Volgende week ga ik waarschijnlijk voor minder dan 48 uur naar een voormalig Oostblokland, voor een bijzondere herdenking. Een ander land en dus andere Covid-19 regels.  Hoe die zijn en hoe (on)logisch die klinken vertel ik u liever achteraf. Maar een ding is zeker: het medische en financiële aspect van Covid-19 lopen goed (of beter gezegd: slecht) door elkaar en de regelgeving is verre van logisch. Maar: van de Joodse wet moet ik me houden aan de wet van het land, ook als ik er geen medisch touw aan kan vastknopen.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

Presentatie: doel of middel? Dagboek van de Opperrabbijn,12 januari 2022

Gisteren was mijn agenda de gehele ochtend gevuld met een foto! Ja, u leest het goed: met een foto. In Visie, het programmablad van de EO, verschijnt een artikel over zes mensen van verschillende leeftijden: 50, 60, 70, 80, 90 en 100. Ik hoop dat ze mij (nog) onder de categorie 50 plaatsen. Enige weken geleden had ik het interview en gisteren dus de foto. Om 10:30 uur was de fotograaf gekomen en omdat het, naar haar zeggen, vlot verliep waren we al om 12:15 uur klaar. Een uur en drie kwartier voor één foto! Het interview zelf nam aanzienlijk minder tijd in beslag. Waarom deed ik hieraan mee, vraagt u zich zeker af. Ik vroeg het mezelf ook af: welk doel dien ik hiermee? Maar zo werkt onze maatschappij. Bekendheid is een middel dat ingezet kan worden om een doel te bereiken. Maar tegelijkertijd kan zo’n manier van denken ook catastrofaal verkeerd uitvallen, want aan iets verkeerds meewerken kan mij, maar nog erger de gehele Joodse gemeenschap, schaden. Ik ben van nature soms gedoseerd onzeker, informeer graag bij derden of het verstandig is om ergens mijn handtekening onder te plaatsen, ook als vele anderen dat al hebben gedaan, en ik kom dan na afweging tot een conclusie. Maar ongeacht of ik wel of niet aan iets ga meewerken: bekendheid mag nooit ontaarden tot het doel. Bekendheid, contacten en netwerken zijn altijd uitsluitend een middel. De fotograaf wilde dat ik in mijn kleding iets roods zou hebben. Niet Joods, maar roods! Deed me denken aan jaren geleden toen t.g.v. een lustrum het Sinai Centrum een boekje uitgegeven had zullen worden, gezellig versierd met davidsterren. De ontwerpster had voor die davidsterren de kleur geel gekozen. Maar omdat de gele davidster associaties opwekt die nu niet bepaald feestelijk zijn, en al helemaal niet in een omgeving van bijna uitsluitend oorlogsoverlevenden, is het boekje in de shredder verdwenen. De ontwerpster had er helemaal niets verkeerds mee bedoeld, maar het was echt de verkeerde kleur. Zo ook is zo’n foto, van mij in dit geval, van belang. Je wordt gezien en maakt een indruk. En die indruk, het gezien worden, kan later wellicht weer gebruikt worden om ergens te kunnen helpen. Maar pas op: een verkeerde indruk is gauw gemaakt. Terug naar de kleur rood. Rood is voor mijn Blouma net zo onacceptabel als voor mij het geel van de davidster. Mijn schoonvader haatte rood. Hij had het communisme nauwelijks overleefd en zijn kinderen mochten daarom nooit iets roods dragen in hun kleding. En dus heeft de fotograaf met mijn echtgenote besloten welk pak ik wel of niet ga dragen voor de foto en hoe er toch een aanvaardbare rode kleur mee kan doen. Het werd de stropdas die kennelijk iets roods in zich had/heeft. Omdat ik in kleuren niet zo goed ben (ik beschik over een ernstige kleurenafwijking!) bepaalt mijn vrouw dus altijd wat ik wel en vooral ook wat ik niet kan aantrekken. Het is van belang dat een rabbijn er netjes en goed verzorgd bijloopt. Hij behoort een wandelend reclamebord te zijn voor de Joodse gemeenschap in zijn volle breedte. Is dit mijn eigen wijsheid? Neen, het staat al eeuwen in de Sjoelchan Aroeg, het Joodse wetboek. Want, en dat is de reden, als een rabbijn of een andere Jood, met een vlek op zijn kleren rondloopt of met, nog veel erger, een vlek in zijn gedrag, dan kan dat z’n repercussie op de gehele gemeenschap hebben. We zijn dus verantwoordelijk voor elkaar.

Na de foto-ochtend ben ik mijn nieuwe papier en visitekaartjes gaan ophalen bij de drukker. Ook dat dient er verzorgd uit te zien: presentatie is van belang, je figuurlijke visitekaartje.

Inmiddels ben ik begonnen aan de voorbereiding van mijn reis naar Kiev voor de herdenking van de moord op meer dan 100.000 Joden in Babi Yar. Maar helaas is Babi Yar niet zo uniek als vaak wordt gedacht. Oekraïne telt honderden massagraven, honderden Babi Yar’s, waarvan velen nog steeds onbekend. In Mariupol heb ik aan de voet gestaan van een massagraf dat 10 meter breed is en 11,6 kilometer lang en heb ik een oude vrouw gesproken die zich de afslachting herinnerde. Als klein meisje woonde ze vlak bij de plaats des doods. Waarom ik naar de herdenking ga? Om kadiesj uit te spreken, om te waarschuwen en om hopelijk dat jongetje van een jaar of acht dat meende mij te moeten naschelden met Free Palestine te kunnen waarschuwen, als zijn ouders dat tenminste toelaten.

En ondertussen moeten wij als Joodse Gemeenschap zorgen voor een goede uitstraling, er netjes uitzien, respectvol blijven, niet in onszelf gekeerd zijn en bijdragen aan het welzijn van de brede samenleving. Of daarmee Babi Yar voorkomen had kunnen worden, betwijfel ik. Als iemand ziek is moet hij naar de dokter. Het voorgeschreven dieet moet hij volgen. Maar of de ziekte daarmee verdwijnt wordt uiteindelijk Boven bepaald en hoe daar Boven wordt beslist is vaak voor ons simpele mensen niet te vatten.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

 

 

Wat en wie ben ik? Rooms of Joods? Dagboek van de Opperrabbijn, 9 januari 2022

Afgelopen sjabbat waren wij in Maastricht vanwege een Bar Mitswa. Zo’n gebeurtenis is spannend voor de familie, een feest voor de gemeenschap en vroeg van mij uiteraard ook de nodige inzet. Voor de sjoeldienst op sjabbat mocht ik de wekelijkse sjioer {cursus) van de Limburgse rabbijn Awraham Cohen overnemen. Intensief wordt er meegedaan. In Maastricht woont mijn dagboek-verspreider. Bijna vanaf dag één verzorgt de voormalige penningmeester van de Joodse Gemeente Limburg het verschijnen van mijn dagboek op de diverse web mails, facebooken en nog een paar van die moderne communicatiemedia. Zijnde in Maastricht heb ik hem dus gesproken en vroeg ik of er reacties komen op mijn dagboeken. Ik vroeg dat omdat ik zelf geen facebook heb en als ik het wel heb kom ik er niet op. Nu had ik toevallig (toeval bestaat overigens niet) donderdag gesproken met een van mijn supporters (heb ik, ondanks de vele …) die het onverstandig vond dat ik in een van mijn dagboeken mijn e-mailadres had geschreven, want ik zou dan veel rotzooi op me afgevuurd kunnen krijgen. Maar het tegendeel blijkt waar, want ik ontvang juist, sinds ik mijn e-mailadres eenmalig online had gezet, een aantal aangrijpende ontboezemingen. Lezers die naar aanleiding van een dagboek mijn hulp inroepen of iets, wat ze al jarenlang dwars zit, willen delen. Mijn dagboek-verspreider vond het juist wel verstandig dat ik mijn e-mailadres online had gezet. Op facebook of twitter reageren mensen oppervlakkig, terwijl een reactie via e-mail veel meer doordacht kan zijn. Ja, het kost me tijd, maar ik kan wel tot steun zijn, en dat beschouw ik nog steeds, ook nu ik niet meer in het Sinai Centrum werkzaam ben, tot mijn kerntaak.

Leest u maar mee met een van de e-mailreacties: “Ik liep een paar nummers NIW achter en vandaag, eigenlijk net, haalde ik mijn achterstand in en las uw column in NIW 14. Het ging over die Jodin die niet herkend wilde worden en dus geen mezoeza aan haar deur heeft. Ik denk dat ze van mijn leeftijd was. Ik werd in 1943 geboren en mijn Joodse moeder was in 1940 katholiek gedoopt, zodat ik onmiddellijk door middel van het doopsel lid van die RK club werd. Ik werd erg verdrietig van uw column, want ik probeer dus ook mijn Jood-zijn angstvallig te verbergen, maar lees wel het NIW en ik heb ooit weleens de synagoge in mijn woonplaats bezocht. Maar ik voelde me niet welkom, het was een kliekje dat geen oog voor mij had en dus ben ik nooit weer gegaan. Ik ben al op leeftijd, heb niets met de RK, neem het mijn moeder nog steeds kwalijk dat ze me liet dopen en worstel dus mijn hele leven met de vraag: wat en wie ben ik? Jodin of RK? Anders uitgedrukt: Blijf ik een vrouw met een Joodse moeder of word ik eindelijk die Jodin die katholiek werd opgevoed maar merkte dat haar opvoeding mislukte? En waar hoor ik begraven te worden? U bent een geestelijk leider, misschien kunt u mij raad geven?”

Meteen heb ik de e-mail beantwoord en gevraagd of ik haar mocht bellen. Resultaat was een lang en emotioneel gesprek. Het bleek dat wij haar neef erg goed gekend hebben. Haar neef was zo’n 30 jaar geleden teruggekomen naar zijn Joodse roots nadat ook hij was grootgebracht binnen de muren van het Roomse Zuiden. Hij werd door zijn familie uitgestoten, gek verklaard, omdat hij zijn echte afkomst niet wilde verzwijgen. Hij leeft niet meer, maar rust op een Joodse begraafplaats. Zijn naasten, waaronder zijn eigen kinderen, waren niet aanwezig bij de begrafenis.

De Bar Mitswa was overigens geweldig, ondanks corona. Over een paar weken zal er op zondag een feest zijn in de sjoel van Maastricht, als de corona-misère dat zal toelaten. Maar voor nu was het goed. De voorzitter had zich geweldig voorbereid en een indrukwekkende toespraak gehouden, gelijk ook de trotse vader. Moeder straalde en de bar-mitswa-jongen zelf heeft zijn parasja voorbeeldig gelaajnd. Rabbijn en mevrouw Cohen zagen vrucht van hun lessen en hun open-huis. Wat een onderlinge verbondenheid! Een minjeman erbij voor Joods Limburg! Mazzeltov Awraham en Etty Cohen! Dank voor jullie inzet!

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

 

Het is inmiddels al licht: mijn dag begint! Dagboek van de opperrabbijn 5 januari 2022

Het was gisteren weer een latertje. Ik eindigde om 01:45 uur. Eerst gezeur waarover ik niet mag schrijven vanwege mijn beroepsgeheim en daarna een rabbijn uit Florida die benaderd was door een rabbijn uit Israel met het verzoek om mij te benaderen op verzoek van een Nederlands niet-joodse man die Joods wil worden en omdat de niet-Joodse man al drie jaar tegen betaling een zoom-cursus volgde was de leraar van mening dat ik een gioer, toetreding, tot het Jodendom moest regelen zodat de man naar Israel kan verhuizen en aanspraak maken op de Wet op de Terugkeer. (Poef, dat was een lange zin.) Ik heb uitgelegd aan de betreffende collega dat het hier niet één niet-Joodse man betreft die Joods wil worden, maar het gaat hier over een man, een vrouw en acht kinderen, een hele kolonie! Maar omdat ik kennelijk nog geen avondvullend programma had, kwam er ook nog een sterfgeval bij. Normaliter wordt zoiets behandeld door de lokale rabbijn, maar als een gemeente die niet heeft is Jacobs de klos. Never a dull moment. En dus midden in de nacht gesproken met de voorzitter van de betreffende Joodse Gemeente en met de niet-joodse begrafenisonderneming. We gaan dadelijk alles regelen. Doet me denken aan een overlijden, decennia jaren geleden. Op de nazaten rust dure plicht, volgens de halaga, om ervoor te zorgen dat hun dierbare wordt begraven in overeenstemming met de Joodse traditie en ik, als rabbijn, zal ook altijd alles doen om ervoor de zorgen dat een mede-jood op een Joodse begraafplaats komt. Helaas, helaas komt het maar al te vaak voor dat er geen familie (meer) is, de reden moge u duidelijk zijn. Dan moet de gemeenschap de mitswa, het gebod, om een Joodse begrafenis te regelen, overnemen. Maar het lastige is dan dat er soms geheel onverwacht iemand opduikt die om de een of andere reden recht heeft op de nalatenschap van de overledene, geen weet en verbintenis heeft met de Joodse traditie, en enkel en alleen probeert, vanwege nalatenschap, zoveel mogelijk geld te besparen. Natuurlijk zijn dit zeldzame gevallen, maar juist met die zeldzame gevallen word ik geconfronteerd. Wat je dan soms kan meemaken kan op zichzelf niet alleen één dagboek vullen, maar zondermeer een heel feuilleton. Een voorbeeld: de familie wil wel de Joodse begrafenis, maar geen rituele wassing. De familie wil een prachtige eikenhouten kist, terwijl de Joodse wet juist eenvoud en gelijkheid verlangd. De familie wenst dat de kist niet wordt afgesloten uit vrees voor schijndood. Het lastige is niet zozeer het nemen van een beslissing, maar de gevoeligheden rondom verlies van een naaste. Wanneer het echt een naaste betreft zijn de emoties terecht en moet ik daarmee zoveel mogelijk rekening houden, maar ook niet afwijken van de laatste wil van de overledene die heeft aangegeven volgens de Joodse traditie begraven te willen worden. Maar als de nazaat nooit de eenzame overledene heeft bezocht en nu wel komt opdraven vanwege de erfenis…Het is nu woensdag 6:30 uur in de ochtend. Mijn programma ziet er nu als volgt uit: zodra het licht wordt het ochtendgebed, die begrafenis regelen, mijn e-mails beantwoorden, en vandaag een heel interessant bezoek waarover ik pas over een paar weken mag schrijven. O ja, vanavond livestream over de taak van een rabbijn in een psychiatrisch ziekenhuis (mijn stokpaardje!), een artikel schrijven en een beslissing nemen of ik 23 en 24 januari wel/niet naar Kiev ga voor de Babi Yar herdenking van de moord op 100.000 Joden (volgens andere meningen 250.000!). Dit jaar 80 jaar geleden. Natuurlijk wil ik gaan, maar wat zijn de coronaregels? Die regels natrekken gaat me een flinke tijd kosten want als je klikt waarop je moet klikken weet je nog niets. Ik denk dat het goed zou zijn als de Overheid iemand in dienst neemt die gewoon in Jip en Janneke taal kan aangeven wat wel en wat niet vermeld dient te worden opdat ook een eenvoudige ziel als ik er iets van kan snappen. Ook moet ik, liefst vandaag nog, een lezing en een toespraak voorbereiden voor aanstaande sjabbat. Ik zal dan namelijk in Maastricht zijn voor een (sterkt verkleinde) bar-mitswa.

Het is inmiddels al licht: mijn dag begint!

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

 

Arabische familie innig dankbaar -versus- Free Palestine. Dagboek van de opperrabbijn 2 januari 2022

Gisteren reisden we weer terug naar Nederland na een verblijf van tien dagen in Engeland bij onze kinderen.  Wat heeft de meeste indruk op me gemaakt? De ambulances! Laat ik het even uitleggen: de Joodse gemeenschap in Stamford Hill, een van de orthodox-Joodse wijken in Londen, heeft een eigen medische hulpdienst. Vierentwintig uur per dag en zeven dagen per week staan de vrijwilligers van Hatzala voor iedereen klaar. Niet alleen voor zieken, maar ook, meestal ’s nachts, voor bejaarden die uit hun bed zijn gevallen. Een oude vrouw vertelde mijn echtgenote dat haar man van 86 ’s nachts uit bed was gevallen en uiteraard kon ze hem niet meer in bed krijgen. Binnen een paar minuten waren de vrijwilligers van Hatzala gekomen. De oude vrouw wilde bedanken, maar dat mocht niet want, zo zeiden ze, daarvoor zijn wij! Een van onze zoons heeft sinds kort de zware training/opleiding beëindigd en loopt nu nagenoeg altijd met een mobilofoon. Hoewel Hatzala primair is opgericht voor de Joodse gemeenschap, staat het uiteraard ook klaar voor niet-joden. Voorwaarde is, om vrijwilliger te mogen zijn, dat je niet ergens in loondienst bent en dus beperkt oproepbaar bent. Voordien was mijn zoon first responder bij de St. John’s ambulance. Als er ergens in zijn buurt een ongeluk was gebeurd, moest hij er meteen op de fiets of met zijn piepkleine auto naar toe en de eerst benodigde hulp bieden totdat de ambulance kwam en de hulp overnam. Onnodig te vermelden dat juist die eerste hulp letterlijk van vitaal belang kan zijn. Inmiddels is hij dus weg bij de St John’s Ambulance en geeft iedere vrije minuut aan Hatzala. En nu komt hetgeen ik wil vertellen: omdat de reguliere ambulances vanwege corona overbezet zijn en het personeel het niet meer kan verhapstukken, zijn de leden van Hatzala gevraagd om ieder een dag per week met hun ambulance mee te rijden. Wat een prachtige samenwerking! Wat een eenheid! En wat een uitstraling. Stel u voor: er gaat een alarmbel naar 999, mijn zoon rent achter zijn computer vandaan naar de klaarstaande ambulance en dan komen ze in een flatgebouw aan op de 8ste verdieping. Een hartaanval. Er wordt professioneel zonder verkwisting van kostbare tijd opgetreden en gehandeld…een leven is gered. En als dan de paniek is afgenomen en de overbezorgde familie tot zichzelf is gekomen, ziet de Arabische familie dat de vrijwilliger van de ambulance een keppel draagt en een baard heeft: een Joodse man!  Zo werkt mijn zoon indirect mee aan het bouwen van sjalom en wederzijds respect.

Maar ik ben weer terug in mijn woonplaats en denk terug aan twee weken geleden. Sjabbath. Ik wandelde terug van sjoel naar ons huis en zag een klein jongetje weghollen. Hij wilde mij kennelijk niet zien en al helemaal niet horen. Maar ik hoorde hem wel: Free Palestine! Free Palestine!  Zo’n klein jochie weet natuurlijk niet wat dit betekent, maar toch stoort het me behoorlijk. Niet voor het nu, maar wel voor het later. Met zo’n anti-Joodse opvoeding worden de antisemieten gekweekt. Ik braaf de wijkagent gebeld, aangegeven welke straat en welk huisnummer. Mijn doel is hiermee niet om het jongetje te straffen of de ouders te boeten. Ik wil dat er besef komt dat wij in ons land in vrede en met wederzijds respect met en voor elkaar moeten leven. Dat we onze kinderen met die gedachte moeten opvoeden opdat de toekomst voor alle inwoners van ons land vredig en veilig zal zijn. Al genoeg gezeur met corona! Ik hoop snel iets van de wijkagent te vernemen, want ik wil graag met de ouders in gesprek. Het nieuwe jaar is aangebroken en hoewel wij Joden een andere jaartelling hebben, is er niets mis met elkaar het beste toe te wensen.

Bij deze dus, ook voor dat jongetje en ook voor die Arabische familie in Londen die innig dankbaar was dat een Jood hun dierbare te hulp kwam toe het echt volledig verkeerd dreigde te gaan.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

Dagboek van de opperrabbijn 26 december 2021

Terwijl ik me zit op te winden over het groeiende Europese antisemitisme en me bezighoud met de vraag of onze parlementariër de heer Baudet wel of niet een antisemiet is, zitten elders in de wereld Joden in de gevangenis louter en alleen vanwege hun enige misdaad: ze zijn Joden. Een jongeman, die ergens in de geciviliseerde wereld werkzaam is als gevangenis-rabbijn, benaderde mij met het verzoek om mee te helpen een mede-Jood uit de gevangenis te krijgen. Deze jonge gevangenisrabbijn zet zich met hart en ziel in om onschuldige geloofsgenoten te bevrijden. Niet als de joodse man/vrouw in een normaal land de wet heeft overtreden en daarom vastzit. Neen, hij houdt zich uitsluitend bezig met het helpen van Joden die vanwege hun Jood-zijn zijn gearresteerd en onder de meest erbarmelijke omstandigheden langdurig vastzitten. Af en toe mag ik een klein schakeltje zijn in zo’n operatie, waaraan ik uiteraard graag meewerk. Het is geweldig om te zien hoe deze jongeman aankijkt tegen zijn baan. Hij had kunnen volstaan met het bezoeken van gevangenen in zijn eigen stad/land, waarvoor hij wordt betaald. Om 9:00 uur in zijn gevangenis zijn en om 17:00 uur weer terug naar huis, want dat is contractueel zijn opdracht. Maar gelukkig heeft hij een andere kijk op zijn rabbinale baantje. Rabbijn behoort mijns inziens geen baan te zijn maar een roeping. En dus is deze jongeman geweldig bezig en zet zich ‘geheel belangeloos’ in op een terrein dat lastig is en niet zonder gevaar, want sommige landen hebben hun tentakels tot ver over de landsgrenzen. En ik ben dan gisternacht door hem benaderd om een schakeltje te zijn in een poging om deze gevangene, die al sinds 2017 zonder enige vorm van proces gevangen zit, vrij te krijgen. Schrijnend! Niemand, behalve deze jonge gevangenisrabbijn, is in deze onschuldige jongen van nauwelijks twintig jaar geïnteresseerd. Met zijn bevrijding valt geen (politieke) eer te behalen en dus mag hij blijven waar hij is…want zo werkt vaak de politiek der heerschappij.

 

Hoewel ik voor u, mijn trouwe dagboekeniers, weinig geheimen heb omdat ik voor openheid ben en tegen geheim gedoe, heb ik toch iets verzwegen dat ik volgende week, als ik het niet vergeet, met u wil delen. Nu dus niet, want mijn Blouma stuit dat tegen de borst en uiteindelijk heeft zij het (red.: op een na) laatste woord.

En dus zat ik een beetje in mijn maag met het vervolg van dit dagboek, want dat zat in mijn gedachte gekoppeld aan hetgeen ik dus pas volgende week mag schrijven. Maar hulp komt vaak uit onverwachte hoek. Een trouwe lezer van mijn dagboeken en volger van Christenen voor Israel, stuurde mij de volgende grappige anekdote die eigenlijk niet grappig is en ook geen anekdote, maar de weergave van een bittere waarheid:

Hoe doen de media verslag over de perikelen in het Midden-Oosten?

Een jonge man wandelt in de straten van Parijs. Plotseling zag hij een gevaarlijke rottweiler een jong meisje aanvallen. Hij greep de hond met beide handen bij z’n strot en na een worsteling was de hond bewusteloos. De man en het meisje kwamen er af met wat schrammen en blauwe plekken. Onmiddellijk werd de man omringd door journalisten en zij vroegen: Hoe is uw naam? Alle inwoners van Parijs willen van u horen hoe het gegaan is en de krantenkoppen zullen morgen melden: Parijse held redt klein meisje van gevaarlijke hond.

 

De man antwoordde: Ik ben geen Parijzenaar.

De journalist: O.K., alle Fransen willen weten hoe het gegaan is en de krantenkoppen zullen morgen melden: Franse held redt klein meisje van gevaarlijke hond.

 

De man antwoordde: Ik ben geen Fransman.

De journalist: O.K., alle Europeanen willen van u weten hoe het gegaan is en de krantenkoppen zullen morgen melden: Europeaan redt klein meisje van gevaarlijke hond.

 

De man antwoordde: Maar ik ben geen Europeaan.

De journalist: Waar komt u dan vandaan?

De man: Ik ben een Jood en kom uit Israël.

De journalist zegt: O.K., heel de wereld wil weten hoe het gegaan is en de krantenkoppen zullen morgen melden: Joodse man doodt de hond van een klein meisje.

 

Een leuke grap, hoor ik u denken. Klopt! Alleen een kleine correctie: de grap is helaas geen grap, maar de pijnlijke en bittere waarheid. Joden zijn niet anders, maar worden wel anders bekeken.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

 

“en ik ben een Jood” Ed van Tijn zl. Dagboek van de Opperrabbijn 23 december 2021

Ed van Tijn is niet meer. Het toeval wil dat toen ik twee weken geleden bij mijn  vriend Frits Barend was, de bekende journalist, hij mij vertelde dat het niet zo goed ging met Ed van Tijn en toen besloot ik om hem op korte termijn te bezoeken. Het heeft niet meer zo mogen zijn. Wat ik had met Ed van Tijn? Z’n 30 jaar geleden werd er in Nieuwleusen een Yad Vashem onderscheiding uitgereikt aan een van zijn duikouders. Ed heeft, als ik me goed herinner, ongeveer zestien duikadressen gehad. Maar verreweg de meeste plaatsen wist hij zich niet meer te herinneren, maar deze was hij niet vergeten omdat hij op dit adres was opgepakt. Bij zo’n ceremonie, wordt eerst iedereen welkom geheten door een van de vrijwilligers van de Vrienden van Yad Vashem Nederland, dan is het gewoonlijk mijn beurt om in het algemeen te spreken over de personen die de onderscheiding ontvangen, daarna de onderscheiding en een toespraak van de ambassadeur of zijn vervanger, dan een dankwoord door de aanvrager van de onderscheiding, meestal degene die gered is. Dat was hier dus Ed van Tijn. Hij vertelde over zijn arrestatie. De politie (de Nederlandse wel te verstaan) deed een inval en doorzocht het huis. Ze hadden namelijk gehoord, zo vertelden ze, dat er hier Joden waren verborgen. “Maar onze schuilplaats werd niet gevonden.” We, zo vertelde Van Tijn, was hijzelf en een Joodse man van zo’n dertig jaar oud. Maar een half uur later kwamen ze weer en liepen rechtstreeks af op de boekenkast, schoven die opzij en “daar stond ik, recht tegenover de politieagenten die me kwamen arresteren.”  Nadat het jongetje van Tijn uit de kinderopvang van de Hollandse Schouwburg was gesmokkeld en voordat hij door verzetsmensen naar zijn eerste onderduikadres werd gebracht, kreeg hij een nieuwe naam en een nieuwe identiteit. Mocht hij ooit gepakt worden dan moest hij zijn nieuwe naam opgeven, vertellen dat zijn ouders waren omgekomen bij het bombardement van Rotterdam, de naam van zijn straat en vooral benadrukken dat hij geen Jood was. En dus nu, gepakt in zijn schuilplaats, vertelde hij zijn valse naam, de straat waar hij zou hebben gewoond, dat zijn ouders bij het bombardement waren omgekomen. Maar het “ik ben geen Jood” kon hij niet over zijn lippen krijgen en dus zei de kleine Ed nadrukkelijk: “en ik ben een Jood!” uiteraard werd hij gearresteerd en afgevoerd naar Westerbork. Hoe hij het heeft overleefd ben ik vergeten, misschien heeft hij het ook niet verteld, maar dat “en ik ben een Jood”, is me altijd bijgebleven. Van Tijn was niet orthodox, ik vermoed niet dat hij zich aan alle 613 ge- en verboden hield, maar desondanks heeft hij nooit zijn identiteit en zijn afkomst ontkend. Integendeel: iedereen wist dat hij een Jood was en daarmee maakte hij een Kidoesj Hasjeem. De letterlijke vertaling hiervan luidt: een heiliging van Zijn Naam, maar minder letterlijk zouden we kunnen zeggen: goede positieve reclame! Als de Jood van Tijn zich zou hebben misdragen, dan zou dat  zijn weerklank vinden op alle Joden en zeker ook op Israel, want  zo werkt het vaak in onze  oppervlakkige samenleving. De meeste krantenlezers onthouden de zwartgedrukte kop, de feitelijke inhoud wordt vergeten of überhaupt niet gelezen.

Als een Jood een misdaad begaat dan geeft dat een negatieve pers voor de Joodse gemeenschap in haar volle breedte. Hetzelfde geldt ook voor moslims of voor Urk en Staphorst. En dus, als er gisteren een 56-jarige man in Amstelveen werd neergeschoten, erbij vermeld staat dat het slachtoffer een crimineel was en zijn naam nogal Joods klinkt, dan is dat 1-0 voor het antisemitisme.

Maar ook het tegenovergestelde is waar. Ed van Tijn was een wandelende reclameposter voor Joods Nederland. Hij straalde bescheidenheid en oprechtheid uit. Het “ik ben een Jood” uit zijn oorlogsjaren als klein jongetje is steeds bij hem gebleven.

Moge zijn ziel gebundeld worden in de bundel van het Eeuwige leven.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op haar website www.NIW.nl.

 

RSS
Follow by Email