Welkom op de website van IPOR!

Het IPOR is het samenwerkingsorgaan van de Kehillot in de mediene.  Het samenwerkingsverband is een organisatie waarin de deelnemende kehillot  verenigd zijn op basis van vrijwilligheid. Het doel van het samenwerkingsverband is de bevordering van joods leven in de provincie. De organisatorische vormgeving zal in de loop der tijd een nieuwe vorm krijgen.

Het vlammetje in verdwaalde medeschepselen. Dagboek van de opperrabbijn 1 december 2021

Nadat ik redelijk vermoeid terug was gekomen uit Kampen, zat mijn Blouma naar een video te kijken, een video waarin een zoon van een SS’er zijn verhaal vertelde.  Kampen was onverwacht geweldig. Onverwacht omdat ik niet had gedacht dat zo’n 150 belangstellenden aanwezig zouden zijn. Er was muziek, de locoburgemeester, een gedreven organiserend comité, koosjere soefganiot en zo waar ook Joodse inwoners van Kampen van wiens bestaan ik niet afwist. De Menora werd aangestoken, twee lichtjes.  Iedereen zong mee met het Ma’oz tsoer. Nog voor ik thuis was stond onze bijeenkomst al in de Stentor en in de lokale krant. De foto om naar het NIW te sturen had ik ook al binnen. Maar ik liet Kampen met een erg fijn gevoel voor wat het was en luisterede mee naar de video die mijn Blouma aan het bekijken was. Aan het woord was een man wiens vader een nazi was geweest, een moordenaar, die nooit enig berouw had getoond over zijn SS-lidmaatschap. Hij bleef van mening, tot zijn dood, dat Joden uitgeroeid moesten worden.  De zoon, inmiddels zelf een vader, verzweeg zijn afkomst angstvallig totdat zijn zoontje van zeven hem vroeg: pappa, had ik ook een opa? En nu vertelt deze zoon van een SS-crimineel zijn levensverhaal, zijn strijd tussen goed en kwaad, tussen moord en naastenliefde. Wat dit te maken heeft met Chanoeka? De zoon van de SS’er was voor mij als een licht in de duisternis, een soort wandelende en levende Menora, een verpersoonlijking van waarvoor Chanoeka staat, namelijk de les dat zelfs in de meest denkbare duisternis licht kan opbloeien en de brede wereld verlichten. Maar waarom moet ik dit beschrijven? Luistert en kijkt u zelf naar het levensverhaal van de zoon van een oorlogsmisdadiger: https://www.youtube.com/watch?v=oxPsMWYryiw  Net voordat ik deze link heb geplakt in dit dagboek heb ik wederom gekeken naar dit dramatische levensverhaal en mijn gedachten gingen enige jaren terug toen mijn Blouma en de dochter van een SS’er hand in hand stonden, in Israël, beiden tranen in hun ogen. En terwijl ik dit nu met u deel heb ik besloten om deze link naar mijn vriend de Duitse Ambassadeur te sturen, naar de directeur van de Oorlogsgraven Stichting, Theo Vleugels, naar de voorzitter, Mr. Piet-Hein Donner, naar de beheerder van het educatieve centrum van Ysselsteyn, de Duitse oorlogsbegraafplaats waar Nazi-moordenaars, landverraders, gewone Duitse soldaten en burgers, samenkomen…Terug naar mijn Chanoeka Toer. Bourtange! In dit kleine vestingstadje hadden we voor de 32ste keer de Menora aangestoken. Voor coronatijden was er een zeer goede opkomst, alles was bijna weer zoals twee jaar geleden. Alleen waren nu eerst de koosjere broodjes en daarna, om precies 17:00 uur, moesten we het café verlaten en staken we de Menora aan op het Marktplein. Tussen mijn aankomst en het aansteken niet alleen die broodjes, maar ook even bijpraten met de burgemeester. Hij had mij gezien op TV in de documentaire van Frans Brommet. Een documentaire die antisemitisme/antizionisme vanuit verschillend perspectief belichtte. De burgemeester wilde begrijpen hoe groot of hoe klein “Een ander Joods geluid” was en of het 50% van Joods Nederland vertegenwoordigde. Ik bracht als vergelijking een uitzending die ik ooit had gezien op televisie. Het onderwerp was wel/niet vaccineren. Het ging niet over corona, want dat bestond nog niet, maar over het normale vaccineren tegen polio, kinkhoest en mazelen. In dat programma was de pro-vaccinatie vertegenwoordiger 50% van de tijd aan het woord en de anticlub ook 50%. Dat lijkt dus eerlijk verdeeld. Maar, was dat wel zo eerlijk verdeeld? Immers de pro-vertegenwoordiger heeft een wereld aan deskundigen en wetenschappelijke onderbouwing achter zich. En de anti-mevrouw verhoudingsgewijs een piepklein groepje. Als de achterban meegenomen zou worden in de tijdverdeling, dan had de pro 99,9% van de tijd gekregen en de anti niet meer dan 0,1%. Pas op: als iemand om religieuze of ideologisch reden anti-vaccinatie is, dan respecteer ik dat, maar als het anti-zijn gekoppeld is aan medische onzin, vind ik dat triest en misleidend. Het “Ander Joods geluid” is maar zeer ten dele een Joods geluid en door het woord “ander” te bezigen, wekt het de indruk van 50-50. Misleidend en onjuist. Natuurlijk mag iemand het oneens zijn met het beleid van de Israëlische regering. Dat is meestal 50% van de bevolking van Israël. Maar dat piepkleine andere (on)Joodse geluid, vertegenwoordigt hier in Nederland waarschijnlijk niet eens die 0,1%. Nadat ik dus de burgervader van Westerwolde, want daartoe behoort Bourtange, had ingevoerd in het “gemiddelde Joodse geluid”, kwamen we te spreken over Winschoten, de nabuurgemeente.  Eens had Winschoten het hoogste percentage Joden binnen de stadsgrenzen. Alleen Amsterdam scoorde qua percentage hoger. Nu lijdt Winschoten aan groepen die met allerlei Nazisymbolen de stad onveilig maken. Antisemitisme? Helemaal niet! Ze zijn tegen Marokkanen, tegen allochtonen. Het AZC Ter Apel bevindt zich namelijk binnen de grenzen van Westerwolde en dus… Ik heb aangeboden om een gesprek aan te gaan met deze groep in Winschoten. Wie weet, misschien ben ik in staat om licht is hun duisternis te brengen en het zuivere vlammetje in ieder van deze verdwaalde medeschepselen te ontsteken.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

Mijn Chanoeka-Toer 5782 is gestart! Dagboek van de Opperrabbijn 28 november 2021

Dat niet altijd alles even netjes toegaat in ons polderlandje meende ik te bemerken toen ik het acht-uur journaal van 18 november keek en hoorde hoe een man van 84 als een van de eersten de derde vaccinatie kreeg en trots vertelde dat hij dat “dankzij zijn zoon had geregeld die bij het Ministerie werkt”. Het was voor hem zo belangrijk omdat hij zo graag naar Engeland wilde gaan om voetbalwedstrijden bij te wonen. Hoewel ik dus erg graag een derde vaccinatie wil hebben, meer dan met regelmaat kwetsbare ouderen ontmoet, heb ik dus nog geen derde prik ontvangen want mijn zoon werkt helaas(?) niet bij het ministerie. Een goede vriend van mij, een journalist, heeft me eens uitgelegd dat journalisten nooit onwaarheden mogen verkondigen, maar dat zij wel steeds het nieuws op zo’n wijze moeten brengen dat het verkoopbaar is, want hun redactie zijn handelaren in bedrukt papier en dat bedrukte papier verkoopt uitsluitend met pakkende teksten en koppen. Dus onwaarheden: neen! Maar selectieve waarheden: ja. Daarentegen, zo vertelde mijn journalist, mogen politici wel onwaarheden verkondigen want bij politici draait alles om de verkiezingen, stemmenwinst en dus mensen over de kies-streep zien te krijgen. Met het fenomeen waarheid wordt dan flexibel omgegaan. Ik heb deze flexibiliteit aan een paar politici voorgelegd en geen van hen ontkende en allen wisten ze mij collega’s te noemen die creatief omgingen met de waarheid. En hoe zit het met rabbijnen, vroeg ik mezelf af om u voor te zijn met het stellen van deze gevoelige vraag. En dus heb ik mezelf een spiegel voorhouden, en om te voorkomen dat ik onwaarheden verkondig, heb ik nogmaals naar het journaal van 18 november gekeken en zie: mijn conclusie dat zijn zoon het voor hem had geregeld kan ook anders geïnterpreteerd worden. De 84-jarige heeft een zoon die bij het ministerie werkt en die zoon heeft het geregeld dat alle ouderen een booster vaccinatie ontvangen. En trots vertelt deze vader dus dat zijn zoon dit voor alle ouderen heeft geregeld. Ik had dus wel degelijk goed geciteerd, maar waarschijnlijk verkeerd geïnterpreteerd. En daarvan heb ik vaker last, merk ik. Door onzorgvuldig geschreven teksten of regelgeving zie ik meerdere verklaringen en weet dan niet welke te kiezen of ga met de niet-bedoelde interpretatie aan de slag. En dan heb ik hier meteen de link naar vanavond en het eerste lichtje van de Menora dat we zojuist hebben aangestoken. Het is Chanoeka! Dachten we vorig jaar nog dat het corona-getreiter eenmalig zou zijn, inmiddels vraag ik me af of Chanoeka volgend jaar wellicht ook weer overschaduwd zal worden door allerlei restricties. En dus kon ik het Chanoeka-concert niet bijwonen en hebben de organisatoren hun keiharde inzet in rook zien opgaan. Wel was ik aanwezig bij de bijeenkomst in het Joods Cultureel Centrum in Amsterdam waar de Stichting Talmoed een bijeenkomst had georganiseerd vanwege de uitgave van het Talmoed Traktaat Sanhedrin vertaald in het Nederlands door Jacob Nathan de Leeuwe. Omdat de Talmoed zeer compact is geschreven is vertalen geen sinecure. Ik zou het bijna een monnikenwerk noemen, maar dat is natuurlijk in deze context ongepast. In het Talmoedisch denken staat het ‘van alle kanten bekijken’ centraal en het oppervlakkig lezen is niet aan de orde. En dus struikelde ik bijna over dat acht-uur journaal van 18 november, door in eerste instantie slechts één interpretatie te (willen?) zien.  Eigenlijk is de materie die besproken wordt en de wijze waarop er tegenaan wordt gekeken in de Talmoed vaak nogal technisch. En als ik dan ook aan een breder gezelschap uitleg wat de Talmoed is en met welke onderwerpen de Talmoed zich inlaat, wordt regelmatig aan mij de vraag gesteld: wat heeft de Talmoed met religie te maken? Met andere woorden: waar is G’d in de Talmoed. En die vraag slaat meteen op Chanoeka. Wat is Chanoeka? Wat wilden die Grieken van de Joden? De toenmalige Hellenistische cultuur was niet tegen de Joden, ook niet tegen de bestudering van de Thora en andere religieuze geschriften, zoals de Talmoed. Alles mocht bestudeerd worden, mits G’d eruit werd verwijderd. En daar ligt de essentiële boodschap van Chanoeka: benader ik het leven vanuit G’dvrezendheid of vanuit een seculier denken? Of anders gesteld: wie ben ik? En dat ‘wie ben ik’ bepaalt mijn interpretatie. En dus, als G’d uit het Joodse denken verwijderd zou worden, zoals de toenmalige Grieken dat eisten, dan zouden automatisch Thora en Traditie van een G’ddelijk niveau afdwalen en afdalen naar een wetenschap die uitsluitend op de afgod Ratio is gestoeld. Bij de bijeenkomst mocht ik het eerste lichtje van de Menora ontsteken. Mijn Chanoeka-Toer 5782 is gestart!

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

Voetballers zijn net rabbijnen. Dagboek van de Opperrabbijn, 24 november 2021

Gisterochtend was ik al om 7:15 uur op Schiphol. Hoewel mijn vlucht pas om 9:25 uur vertrok, maakte ik dankbaar gebruik van de Lounge om het ochtendgebed, in tallieth en tefillin gehuld, uit te spreken.  Op weg dus naar Londen om de wedstrijd Chelsea-Juventus bij te wonen vanaf de eretribune. Ik had bij voorbaat al kritiek ontvangen van een trouwe dagboeklezer. Hoe ik het in m’n hoofd halen naar mijn gastheren om in een psalmenboek te gaan lezen, zoals ik in mijn vorige dagboek schreef, terwijl de voetballers zich uit de naad lopen om te winnen (of te verliezen). En dus besloot ik om als ik tijdens de wedstrijd toch de psalmen ga induiken, ik dat dusdanig onopvallend moet doen, zodat niemand zich eraan kan ergeren. Bovendien zou ik, mocht ik toch betrapt worden, nog altijd kunnen zeggen dat ik bezig was te bidden voor de overwinning van Chelsea en mocht het echt verkeerd gaan met Chelsea, dan richtte mijn gebed zich op hun geestelijk welzijn, want het is natuurlijk verre van plezierig om tegenover een meute van 42.000 in een thuiswedstrijd te verliezen.

Maar het geheel pakte totaal anders uit. Bij aankomst in het nabij het stadion gelegen Millennium Hotel wemelde het van politie en beveiligers. Wij, de delegatie van de EJA, de European Jewish Association, werden daar verwacht en om 17:30 uur precies, volgens afspraak, werden we opgehaald door een dame die onze delegatie de hele avond zou begeleiden. Bij het stadion aangekomen werden we een gebouw binnengeleid, gang na gang, lift na lift. We kregen onze kaarten, maar uiteindelijk hoefden we nergens echt door een veiligheidscontrole want onze gastvrouw was kennelijk de garantie dat wij ‘koosjer’ waren. Nadat we onze jassen hadden afgegeven, twee van de zes van onze delegatie van een stropdas waren voorzien, want die moest gedragen worden, waren we dan eindelijk in het hart van Chelsea. Een tweede gastvrouw werd aan onze delegatie toegevoegd en we werden voorgesteld aan de chairman van Chelsea. En toen begon het. Jassen weer aangetrokken en vanuit de 5 sterren ontvangstzaal in het stadion naar het voetbalveld. En daar mocht ik de reden van ons bezoek uitvoeren. Aan de chairman, en via hem aan de gehele voetbalclub, mocht ik, namens de EJA, de King David Award 2021 uitreiken. Lees het persbericht en u weet waarom ik voor minder dan 24 uur in Londen vertoefde:

PERSBERICHT:

Opperrabbijn Jacobs “Chelsea voorbeeld voor Nederlandse voetbalclubs! “

De Nederlandse opperrabbijn Binyomin Jacobs doet samen met de voorzitter van de Londense voetbalclub Chelsea een appel aan Nederlandse betaaldvoetbalclubs om een campagne te starten tegen antisemitisme in het algemeen en in voetbalstadions in het bijzonder.

Opperrabbijn Jacobs overhandigde gisteravond voorafgaand aan de Champions League wedstrijd tegen Juventus, de prestigieuze King David Award aan de voorzitter van Chelsea Bruce Buck.

Die award wordt jaarlijks uitgereikt door de European Jewish Association (EJA) aan een persoon of organisatie die zich onderscheidt door te strijden tegen antisemitisme.

Opperrabbijn Jacobs is de voorzitter van de commissie binnen deze organisatie die zich bezighoudt met de bestrijding van antisemitisme. “Elke werknemer bij Chelsea loopt met insignes tegen antisemitisme. De strijd tegen dit kwaad zit inmiddels in het DNA van de club en zou als voorbeeld moeten dienen voor betaal voetbalclubs in ons land en elders ter wereld ”, aldus de opperrabbijn.

In aanwezigheid van Britse Joodse bestuurders vond de overhandiging plaats.

Vorig jaar ging de award naar de Libanese zakenman Abdallah Chatila. Hij kocht op een veiling ter waarde van 600.000 euro’s aan Nazi memorabilia om die vervolgens te schenken aan Joodse organisaties. Daarmee wilde de Libanese tycoon zijn verontwaardiging over de veiling tot uitdrukking brengen. Sindsdien heeft Chatila tal van initiatieven tegen antisemitisme gesteund.

Voor nadere info: Hans Knoop 06 47082871

En wat betreft de wedstrijd Chelsea – Juventus: ik denk dat de voorzitter van Chelsea wel door had dat ik niet bepaald een groot voetbalfan ben en daarom vroeg hij mij regelmatig wat ik van de wedstrijd vond. En weet u, los van de grootse ontvangst die ons ten deel viel, op de eretribune: de wedstrijd heeft indruk op mij gemaakt. Die voetballers trappen niet zomaar tegen een bal. Neen, ze denken vooruit, hebben in gedachten de diverse mogelijkheden en zien waar hun medestanders en tegenstanders zich bevinden en welke moves die tegenstanders kunnen nemen. Eigenlijk, zo dacht ik bij mezelf, het zijn net rabbijnen die ook steeds vooruit moeten denken en snel moeten beslissen om aanvallen te voorkomen en om het doel te bereiken.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

Geen inhoud zonder verpakking. Dagboek van de Opperrabbijn 17 november 2021

Door het gezeur rondom corona vroeg ik me af of ik weer terug moet naar mijn dagelijks dagboek. De reden? Ik merk dat heel veel mensen mijn dagboek lezen en “er iets aan hebben”. En dus, als velen dus weer meer aan huis gebonden zijn, zie ik het ook als een vorm van pastorale zorg om weer meer te gaan schrijven. Nou is dat woord “pastorale zorg” ongelukkig, want wie wil pastorale zorg hebben? Als u mij dat zou vragen, zou ik zeker voor de pastorale-zorg-eer vriendelijk bedanken. En dus belde ik vroeger, in de mooie tijden dat ik gewoon mensen tot steun kon en mocht zijn en nog niet in de hogere sferen van de representatie en politiek vertoefde , mensen nooit op met de vraag of hij/zij een pastoraal bezoek wilde hebben. Al helemaal niet liet ik goedwillende bestuurders bellen met de vraag of ze een pastoraal bezoek van de rabbijn zouden appreciëren . Hoe ik het dan wel aanpakte: Mijnheer/mevrouw. Toevallig ben ik volgende week dinsdag bij u in de buurt, vindt u het goed dat ik even langs kom om een kop koffie te drinken? En dat vond altijd iedereen erg goed. En daar zat ik dan, met de koffie, zomaar te spreken. Maar wat is daaraan dan zo pastoraal, hoor ik u denken? Waarom ging ik dat kopje koffie drinken? Om mijn uren vol te krijgen? Toen ik inmiddels alweer 46 jaar geleden naar Nederland terugkwam werd ik door het toenmalige NIK, het bestuur van Joods Nederland, aan de rabbinale tand gevoeld. Mij werd duidelijk gemaakt dat ik als rabbijn niet naar mensen mag toegaan om ze aan te moedigen om bijvoorbeeld koosjer te gaan eten. Als mensen bij mij kwamen en mij hulp vroegen om hun huis te kasjeren omdat zij uit zichzelf besloten hadden om koosjer te eten, dan mocht ik ze hierin helpen. Maar aanmoedigen: strikt verboden! Ik heb hiermee maar ingestemd, want anders had ik mijn baantje zeker niet gekregen. Maar heb ik me eraan gehouden? Absoluut niet. Betekent dat dan dat ik als ik een medemens ontmoet dat ik hem de Joodse wet probeer op te dringen? Ook hierop is mijn antwoord: zeker niet! En toch is de essentie van mijn rabbinale taak: bevordering van het Joodse leven. Zit die gedachte voorin mijn hoofd? Neen. Maar wel ergens in mijn achterhoofd. En dus als ik iemand help met zijn/haar probleem is mijn enige bewuste doel: helpen. Maar op de achtergrond, bij mij echt onbewust, maak ik wel reclame voor het Jodendom, en dat is de kerntaak van een rabbijn. Als het stimuleren van het Jodendom niet, ook al is dat onbewust, aanwezig is, dan is de rabbijn geen rabbijn, maar een maatschappelijk werker in een hogere salarisschaal! En nog iets: wat hoort mijn referentiekader te zijn? De Halaga, de Joodse wet en de Joodse filosofie.

Waar ga ik naar toe, hoor ik u denken. Zondag jl. mocht ik een toespraak houden bij het indrukwekkende monument ter nagedachtenis aan de 1500 vermoorde leden van de Joodse Gemeenschap in Arnhem. Jaarlijks ben ik daar aanwezig samen met Marcouch, de burgemeester. Doel is herdenken, het verleden. Maar het is ook mijn plicht om de aanwezigen, Joden en niet-joden, iets mee te geven, voor vandaag en morgen. Mijn oproep was duidelijk: pas op dat antisemitisme niet het normaal wordt. Ik prees de twee VO-scholen die aanwezig waren, maar vroeg me duidelijk af waar de achttien andere Arnhemse VO-scholen waren, want het historisch besef over wat er in de jaren ’40-’45 hier geschiedde is helaas bar slecht. Dat was dus mijn boodschap, onderricht over de WO II op al onze scholen. Maar van vitaal belang is niet alleen de boodschap, maar ook de verpakking. Een prachtige diamant behoeft een mooie ring. Diezelfde diamant in een goedkoop zakje van de Hema oogt niet en lijkt waardeloos. En als ik dan voor de juiste verpakking heb gezorgd en mensen heb weten te raken, zodat mijn boodschap werd gehoord, heb ik mijn bewuste doel bereikt. Maar ook mijn onbewuste doel: reclame voor het Jodendom, voor de Joodse Gemeenschap. De Halaga zegt expliciet dat een Joods Geleerde niet met vlekken op zijn kleren mag lopen want dan zal de samenleving zeggen dat alle Joden vies zijn. Het tegenovergestelde geldt echter ook: er netjes en verzorgd bijlopen heeft een onbewust positieve uitwerking. En een boodschap in een aansprekende verpakking plaatsen steunt en verzorgt een Kiddoesj Hasjeem, een heiliging van G’ds Naam. En dus, toen ik na zes jaar, dus nu veertig jaar geleden, gevraagd werd door mijn voorganger Opperrabbijn Berlinger of ik zijn assistent wilde worden en ik hem vroeg waarom hij mij daartoe benaderde, was zijn antwoord: omdat jij niet wacht tot de mensen bij jou komen, maar omdat jij een proactieve rabbijn bent. Een rabbijn moet er zijn voor het naar-binnen van de Joodse gemeenschap, maar zeker ook voor het naar-buiten. En dus ben ik mij er steeds van bewust dat de verpakking van de rabbijn van groot belang is en ben dankbaar dat mijn Blouma er steeds op toeziet dat ook gewoon mijn kleren netjes, in de plooi en zonder vlekken zijn.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

We hebben erg goed naar elkaar geluisterd. Dagboek van de Opperrabbijn 14 november 2021

Ben ik van mening veranderd? Heb ik me onder druk laten zetten?  Zonder dat ik er een woord over heb geschreven in mijn dagboek (www.niw.nl) ben ik vorige week dagelijks, zelfs toen ik in de bus zat van Krakau naar Auschwitz bezig geweest met de ‘nazibegraafplaats Ysselsteyn’.  Luidkeels heb ik me verzet tegen de jaarlijkse herdenking op de plaats waar de meest gruwelijke oorlogsmisdadigers liggen. En vervolgens waren nazi-jager Hans Knoop en ik aanwezig en heb ik zelfs het woord gevoerd bij een bijeenkomst die ik een jaar geleden nog keihard had afgekeurd.

Dinsdag jl., de dag van de herdenking van de Kristallnacht, stond ik in de hel van Auschwitz waar op industriële systematische wijze Joden werden vermoord met doel de uitroeiing van het gehele Joodse volk.  En nu sta ik hier, 5 dagen later, met een bezwaard gevoel. Ik voel me bijna een verrader. Een verrader van mijn eigen volk, van verzetsstrijders, van onschuldigen die die afschuwelijke donkere periode ’40- ‘45 niet overleefden.

Een verrader, want op deze begraafplaats liggen ook gruwelijke moordenaars die er debet aan zijn dat 80% van mijn familie ‘niet terugkeerde’ zoals we dat zo steriel benoemen.  Ze liggen hier, bewust vermijd ik het woord rusten, omdat ik weet dat ze Boven, waar de leugen geen voet aan de grond krijgt, hun verdiende straf niet zijn ontlopen en geen moment rust hadden, hebben en zullen krijgen.

Maar tegelijkertijd ben ik dankbaar. Naast mij staan hier vrienden, ook Duitse, die begrijpen dat het verleden niet vergeten en niet vergeven kan en mag worden. Samen willen we het verleden niet wegpoetsen, maar keihard zichtbaar maken om te voorkomen dat…We willen tonen dat het onderscheid tussen Menschen en Übermenschen niet en nooit gemaakt mag worden en we willen waarschuwen, waarschuwen, waarschuwen.

Het antisemitisme is helaas weer Salonfähig, het door de eeuwen heen muterende virus is weer uiterst actief!

We mogen niet achteroverleunen, we moeten waakzaam zijn en bijeenkomen om met name onze jeugd te tonen hoe fout het kan gaan als mensen bereid zijn te veranderen van mensen in moordende schurken. De historicus Prof. Presser schrijft in “Ondergang” dat van de Nederlanders slechts 5% echt fout was, slechts 5% pleegde verzet tegen het Nazi schrikbewind en de resterende 90% zag en liet het gebeuren. En daarom is het goed dat we hier bijeen zijn, ben ik dankbaar met de educatieve tentoonstelling, hoop ik dat Nederlandse en Duitse jeugd hier zal samenkomen, om te voorkomen dat de kudde, de 90%, weer de verkeerde richting zal kiezen.

 

Ben ik van mening veranderd? Ja en nee. Na mijn protest tegen de jaarlijkse herdenking ben ik prompt door de Oorlogsgraven Stichting uitgenodigd om naar Ysselsteyn te komen en wilde de ambassadeur van Duitsland een gesprek. We zijn naar elkaar toe gegroeid, hebben goed naar elkaar geluisterd. Er zijn borden aangebracht op de begraafplaats die duidelijk aangeven dat er hier SS’ers van het slechtste soort liggen, Nederlandse collaborateurs die vele doden op hun geweten hebben, ook gewone burgers en Duitse soldaten waarvan velen geen keus hadden en het leger werden in gedwongen. De steen met de tekst dat er 31585 Duitse soldaten liggen, de steen des aanstoots, is verwijderd en een plaquette is in de maak met het opschrift:

Nie wieder!  102.000 Jüdinnen und Juden, Zehntausende Zivilistinnen und Zivilisten, Menschen die Widerstand geleistet haben, Sinti und Roma, Kriegsgefangene, Zwangsarbeiterinnen und Zwangsarbeiter wurden in den Niederlanden Opfer von Krieg und nationalsozialistischer Gewalt, Verfolgung und Ermordung. Den meisten wurde ein eigenes Grab verwehrt. Viele bleiben bis heute unbekannt Ihrem Schicksal gilt unsere Trauer an diesem Ort

Juist nu antisemitisme komt opzetten, ook in Duitsland, is educatie en confrontatie essentieel.  Mijn toespraak werd gehoord, kwam over, juist op de plaats waar het summum van kwaad, onschuldige burgers,  dienstplichtige soldaten en zelfs een enkel Joods slachtoffer samenkomen. De Duitse ambassadeur is niet van mening veranderd, want zijn mening was van meet af aan koosjer, en ook ik heb mijn visie niet bijgesteld. Wel hebben we beiden erg goed naar elkaar geluisterd en gekeken hoe we elkaar het best kunnen begrijpen en hoe we onze gezamenlijke eenduidige boodschap moeten uitdragen. Een boodschap van “Nie wieder! Nooit weer”.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

Denk aan de Kristallnacht en vervolgens bestaat alle onzin niet meer. Dagboek van de Opperrabbijn 10 november 2021

Het was een zware week, waarin weer van alles door mekaar liep. Mijn gesprek van 50 minuten in de talkshow op de Kroatische televisie bleek veel succesvoller dan ik vermoedde. De reden dat ik had ingestemd om voor minder dan 12 uur naar Zagreb te gaan was, omdat de presentator aanwezig was geweest in Brussel bij een bijeenkomst van de EJA, de European Jewish Association, en ik dus niet zo goed kon weigeren. Had ik een goed gevoel bij deze 50 minuten? Neen, want het voelde als een verkwisting van tijd. Maar maandag jl. verdween dat verkwisting-gevoel. In Krakau, waar wij waren i.v.m. een symposium over de vraag of er voor Joden nog wel plaats is in Europa, kwam een rabbijn uit Montenegro mij vertellen dat mijn interview in de gehele Balkan gezien was door leden van de Joodse Gemeenschap. Dus gelukkig had ik mijn tijd niet verprutst. De tweede dag van het symposium was het bezoek aan vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. Wat zal ik zeggen? Ieder woord van schrijnende beschrijving, is er een teveel. Hoewel ik er al een paar keer eerder was, grijpt het me iedere keer weer aan. Het doel van Auschwitz was niet alleen de uitroeiing van het Joodse Volk, maar had ook duidelijk een financieel oogmerk. De oorlogsindustrie moest gefinancierd worden en daarvoor was alles toegestaan. Details weiger ik aan het papier toe te vertrouwen, te onvoorstelbaar, maar helaas wel de realiteit van het aardse antisemitisme-bestaan. En ondertussen gaan de gewone beslommeringen door. Een man die z’n ontslag heeft gekregen, volgens hemzelf ten onrechte. Een overleg met een vrouw die wil scheiden. Een schoonmoeder die slaande ruzie heeft met haar schoondochter. Mijn computer die om de een of andere reden te warm wordt en die blijft doorwerken ook nadat hij is uitgeschakeld. De HP Hulpdesk is ingeschakeld en volgende week wordt de laptop opgehaald door het reparatiebedrijf van HP. Gezeur met mijn kamer en een prachtig initiatief van het NIK om op zoek te gaan naar niet-joodse begraafplaatsen om te kijken of er Joden begraven zijn. En inderdaad, een flink aantal. En dus nu de vraag: gaan we de stoffelijke overschotten wel of niet verplaatsen? En dus: wat zegt de Halaga hierover? Ondertussen zit ik in de knel qua tijd. Het aantal aanvragen van leerlingen van Middelbare scholen die mij willen interviewen stijgt met de week. Van alles en nog wat speelt voortdurend in mijn gedachten. Ook gedurende de nachten welt er van alles in mij op en ben ik dus (te) regelmatig aan het malen. Maar in de folterkamers van Auschwitz, in de barakken van Birkenau,  in de gaskamer waar we doorheen liepen en waar mijn voorouders ook in waren gegaan en dood eruit waren gesleept, staande voor de galg waaraan zovelen waren opgehangen en …en…en…vergat ik al het dagelijkse gezeur. Ik had net de 160 deelnemers aan het symposium toegesproken en uitgelegd op de Herdenkingsplaats, dat hoewel het symposium keihard had opgeroepen tot educatie van de jeugd over de Shoa, moeten we hier niet zijn om te leren. Hier is ieder woord er een teveel. Het gezeur rond mijn kantoor in het gebouw van de Joodse Gemeente Amsterdam, mijn peperdure laptop die niet uitgezet kan worden, alles wordt een dikke nul, bestaat niet meer. En toen was ik dus, vandaag, weer thuis. Bekaf, ernstig vermoeid. Ik heb mijn bezoek aan Maastricht afgezegd en ga vanavond met Roger, de verse Honorair Consul van Israël, een stuk wandelen en bijpraten. We hebben elkaar al bijna een week niet gesproken. En ondertussen beginnen de klusjes en het gezeur weer. “Opperrabbijn gaat toch weer spreken op de SS-begraafplaats Ysselsteyn,” was de kop die ik verwachtte in de media. En die verwachting kwam al spoedig uit. Er zal nog wel meer geschreeuw komen. Laat ze maar komen, had ik al bij mezelf besloten. Een bacterie is bestrijdwaar, maar met een virus moet je gewoon geduld hebben en los daarvan: denk aan de Kristallnacht en vervolgens bestaat alle onzin niet meer.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

Mijn baantje lijkt soms een groot schaakspel. Dagboek van de Opperrabbijn, 7 november 2021

Het was een bijzondere dag, donderdag jongstleden. Eerst kwam de expert van HP eindelijk langs om mijn computer te controleren omdat die ook als hij volledig is uitgezet, toch kennelijk aan blijft, want de batterij blijft leeglopen. De expert verwisselde in een razendsnel tempo de batterij en was binnen vijf minuten weer buiten. Hij verzekerde mij dat nu alle problematiek was opgelost. Neen dus, want, na een nacht uit te zijn geweest, was de batterij wederom bijna leeg. Dat gezeur irriteert. Wat ook irriteert zijn de e-mails die ik ontvang van de KLM. Ik vloog dus vorige week naar Zagreb en maandag vlieg ik naar Krakau. Je ontvangt dan meerdere keren een e-mail van de KLM ter voorbereiding op jouw vlucht, dus geen algemene e-mail die voor alle vluchten van KLM geldt, neen, ter voorbereiding op jouw vlucht. Mijn beheersing van de Nederlandse taal is redelijk goed, maar e.e.a. is dusdanig gecompliceerd en verwarrend geschreven dat je dus gedwongen wordt om in paniek te raken omdat je toch weer voor, na en nog net niet tijdens de vlucht je moet laten testen. In beide gevallen hoefde ik geen enkele test uit te voeren, mijn vaccinatie QR was voldoende. Maar tot ik dat had begrepen was ik goed een paar uur verder en had ik een aantal bijna-paniekaanvallen weten te weerstaan. Terug naar donderdag! Na eindelijk weer mijn snel-wandeling te hebben gedaan, gingen wij naar Nijkerk voor de officiële installatie van Roger van Oordt tot Honorair Consul van Israël. Een geweldige happening. Honderden aanwezigen, allemaal echte christelijke vrienden van Israël.  Uiteraard waren er ook velen uit de Joodse gemeenschap om te tonen hoezeer de inzet voor Israël door Roger en zijn organisatie wordt gewaardeerd. Ik was een van de uitverkorenen die de kersverse consul mocht toespreken en hem mocht feliciteren. Maar, tegendraads als ik soms kan zijn, heb ik Roger niet gefeliciteerd, maar heb ik Israël en de Joodse gemeenschap van harte mazzeltov gewenst. Zo’n honorair-consul te mogen hebben is winst voor Israël en voor Joods Nederland.

Ondertussen kwam bij mij mijn schaaktalent weer boven. Ooit, als middelbare scholier, heb ik meegespeeld aan schaaktoernooien. Ik herinner me nog een enorm groot toernooi in een of ander gebouw aan de Mauritskade in Amsterdam. Ik herinner me zelfs nog hoe ik daar een tegenstander te nauwer nood heb weten te verslaan. Voor het klassieke schaakspel heb ik geen tijd meer, maar ik schaak wel bijna voortdurend. De laatste dagen heb ik simultaan gespeeld met vijf tegenstanders. Voor mijn gevoel heb ik drie van de vijf gewonnen, met tegenstander nummer vier werd het pad en spel nummer vijf lijkt nog lang niet beslecht. Het vreemde is dat als ik nu zou moeten schrijven om welke vier partijen het ging, dat ik dan als het ware diep moet gaan graven in mijn geheugen, terwijl de spelen net klaar zijn. De schaakpartij die nog gaande is, zit vooraan in mijn geheugen met alle zetten en zelfs de meest kleine details. . Dit zegt iets over mijn persoon. Tijdens het schaakspel ben ik de alertheid zelve, verplaats de stukken zorgvuldig en nooit overhaast, en ben volledig inzetbaar. Maar als het spel voorbij is, is het voor mij echt voorbij en zal ik niet gauw mijn tegenpartij als tegenpartij blijven beschouwen. Dat ik af en toe (en vaker af dan toe!) in een schaakspel beland, is normaal. Sterker nog: als er geen tegenstander is, moet ik me zorgen maken en me afvragen of ik nog wel goed bezig ben.

Ook christenen voor Israël schaken heel wat af. Ze mogen zich verheugen op vele tegenstanders, uiteraard uit de anti-Israël -kring die ook in de christelijke gemeenschap groeiend aanwezig is. En toch zetten ze door, deinzen voor niets en niemand terug, en blijven pal achter, voor en naast Israël staan. Zij zijn onze echte vrienden! Roger van Oordt., honorair consul van Israël: mazzeltov!

 

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

Ik ben benieuwd naar de feedback van mijn eerste TV optreden. Dagboek van de Opperrabbijn 3 november 2021

Het is nu maandag 1 november 17:30 uur en ik ben net aangekomen in mijn hotel in Zagreb. Ik ben keurig afgehaald door een taxi van het vliegveld en dezelfde chauffeur zal me ook morgenochtend om 4:00 uur weer afhalen en naar het vliegveld brengen. Ik voel me net zo’n Kuifje in Afrika, die, als ik me goed herinner, het ook maar over zich heen liet komen. Om 19:00 uur moet ik voor het Hotel staan want dan word ik afgehaald voor het televisie-interview. Op mijn kamer staat gelukkig een ketel om water op te warmen voor koffie. Maar, hoe ze erop komen weet ik niet, in plaats van een zakje gewone geciviliseerde koffie, liggen hier twee zakjes met daarop trots: 3in1. In dat zakje zit dus koffie, melk en suiker. Uiteraard lief bedoeld, maar ik gebruik geen suiker en de melk is niet koosjer. Maar, geen nood, want Blouma voorziet mij altijd van de meestal onnodige noodvoorzieningen, die nu dus wel degelijk goed van pas komen. Ik vond in mijn koffertje behalve een schoon overhemd en een pyjama, ook een flesje koosjere melk, Splenda en zakjes met normale koffie.

Omdat natuurlijk niemand aan mijn telefoonnummer kan zien waar ik me bevind, kreeg ik zojuist mijn vriend de Poolse ambassadeur in Nederland aan de lijn. Volgende week wordt er door de European Jewish Association, mijn Brusselse ‘baas’, een trip georganiseerd voor EU-Parlementariërs naar Krakau. (Ik bedoel dus Auschwitz, maar dat klinkt niet). De ambassadeur gaat helpen met de publiciteit rondom dit symposium.

Er wordt geklopt aan mijn hotelkamerdeur. De receptioniste brengt twee enorme plastic tassen. Rabbijn Zaklas, de rabbijn van Zagreb die momenteel in New York is, heeft wat avondeten en ontbijt laten brengen vanuit de koosjere keuken van zijn gemeente. Een bak met rijst en kip. Een heel brood. Een pak koosjere melk. Twee bakken met sla. Een bak met mayonaise saus, waarvan ik nog even dacht dat het vanillevla was. En tenslotte, in geval ik toch nog zou verhongeren, een bak met kippenpoten. Zo te zien had hij niet begrepen dat ik alleen zou komen, maar met mijn Blouma, een paar kinderen en nog enige kleinkinderen.

Het is inmiddels ‘de volgende dag’ 3:45 uur. Heerlijk gedoucht, aangekleed, twee kopjes koffie, nog even mijn dagboek en toen naar buiten waar om 4:00 uur mijn taxi al klaarstond om weer richting huis te gaan. Het ochtendgebed kan ik pas in Nederland uitspreken want het ochtendgebed is voor de ochtend en niet voor de nacht en hier in Zagreb is het dus nog midden in de nacht. Dat merkte ik trouwens ook op het vliegveld waar de winkels en de lounges nog gesloten waren en mijn KLM vlucht van 6:00 uur de eerste vlucht is.

Maar nu de essentie: het interview! Romano Bolkovic, de Jeroen Pauw van Kroatië en de omringende andere Balkan-staten, haalde me af. Zijn talkshow wordt op het meest gunstigste tijdstip van de dag uitgezonden en schijnt hier een begrip te zijn. Waar we ons ook bevonden, in de studio, in het peperdure hotel na afloop van het interview: iedereen kent hem. Ik had begrepen dat hij ook de voorzitter was van de Joodse Gemeente, maar toen ik in zijn auto zat en het kruisje zag dat aan zijn spiegeltje hing, begreep ik dat ik dat niet helemaal goed had begrepen. Een Joodse opa, die in het concentratiekamp had gezeten en zweeg over zijn Jood-zijn en over de oorlogsjaren, verbond hem aan de Joodse Gemeenschap. Hij strijdt tegen antisemitisme en maakt daarbij royaal gebruik van zijn enorme netwerk. Wat hij precies allemaal doet is me nog niet helemaal duidelijk, maar eergisteren was hij in Londen en vandaag vliegt hij naar Berlijn. Het interview duurde 50 minuten, maar we hadden een voorbespreking en hebben lang nagepraat. Ik heb het gevoel een nieuwe vriend gevonden te hebben met een netwerk dat buitengewoon inzetbaar is in de strijd tegen het opkomend antisemitisme in Europa. Van de taxichauffeur begreep ik dat de gevolgen van de oorlog tussen Servië en Joegoslavië nog steeds economisch voelbaar zijn, maar tussen de beide bevolkingsgroepen is geen vijandschap meer. De Joodse gemeenschap in Kroatië is klein, maar ik begreep dat er ondanks de kleinschaligheid wel ruimte voor onderlinge strijd is, iets dat wij in Nederland gelukkig niet kennen (!). Ik ga afronden want ik denk dat ik zo aan boord moet gaan. Hier zijn mondkapjes in gesloten ruimtes verplicht, mijn temperatuur werd gemeten voor ik gisteren de studio mocht betreden, Romano vindt de mondkapjes maar onzin en hier op het vliegveld hoor ik iedere tien minuten dat ik twee meter afstand moet houden. Dat is niet zo moeilijk want het aantal wachtende passagiers per vierkante km zit nog steeds beneden de één. Om tien over acht hoop ik weer voet op Nederlandse bodem te mogen zetten, mijn auto uit P6 halen, naar huis, ochtendgebed en dan denk ik dat ik toch even een kort uiltje ga knappen. Ik ben benieuwd welke feedback ik krijg van rabbi Zaklas die mij naar Zagreb had gelokt.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

Twintig uur onderweg voor 25 minuten tv-interview in Zagreb. Dagboek van de Opperrabbijn 31 oktober 2021

Omdat ik vanavond (en dus ook morgen overdag) Jaartijd heb van mijn vader zl. en dus vanavond bij mij thuis een sjoeldienst wil hebben voor het avondgebed, zit ik al enige uren achter de telefoon om het quorum van 10 man bijeen te krijgen. Gewoonlijk stuurt bij dit soort gelegenheden Franklin de Liever, de secretaris/voorzitter van de Joodse Gemeente Amersfoort, een e-mail naar de leden, maar ik wil niet meer dan het vereiste quorum hebben vanwege Corona. Voeg daar nog aan toe dat inmiddels al drie van de tien zich weer hebben afgemeld, vanwege verkoudheid en één juist weer negatief is gebleken, en terwijl ik dit schrijf er weer één zich waarschijnlijk moet afmelden. Daarnaast moest ik me even inchecken voor een vlucht naar Zagreb morgenmiddag, maar dat kan dus ook niet zomaar even, want vanwege corona…

Ik vlieg morgen naar Zagreb. Verwachte aankomsttijd 16:30 uur en dinsdagochtend weer terugvliegen om 6:00 uur in de ochtend (ochtend? Beter geformuleerd: 6:00 uur in de nacht). Er komt op de nationale televisie een interview met mij over opkomend antisemitisme in Europa. De presentator schijnt een van de bekendste presentatoren te zijn. Ik heb hem inmiddels een paar keer gesproken en dat heeft me niet erg bemoedigd want hij moge dan een Kroatische BNN-er zijn, zijn Engels is niet erg optimaal. Van de vragen die hij mij toestuurde ter voorbereiding kon ik zeker een kwart niet begrijpen. In de studio, de uitzending is live, zal wel een tolk zijn. Het interview zal 50 minuten duren, maar als zijn vragen eerst vertaald moeten worden van het Kroatisch in het Engels en uiteraard mijn antwoorden ook, dan betekent het dat productief er slechts 25 minuten inhoud zullen zijn. Ben ik dus 20 uur onderweg voor 25 minuten tv-interview. Maar je weet nooit wie je bereikt. En gelijk ik altijd zeg dat 100 toehoorders niet waardevoller hoeven te zijn dan een bijna lege zaal met slechts enkele luisteraars, redeneer ik ook hier: wie zegt mij dat 25 minuten TV minder belangrijk is dan 50 minuten. 

O ja, ik heb een compliment gekregen voor mijn reactie op de ongepaste vergelijking die Tamara Benima maakte tussen corona-maatregelen en de vervolging van de Joden. Laat ik duidelijk zijn: onacceptabel! Maar: ik wilde absoluut voorkomen dat mijn verklaring vertaald zou kunnen worden als een afgeven op een liberale rabbijn. Ook als Tamara een ultra-orthodoxe mannelijke rabbijn zou zijn geweest met baard en lange haarlokken, dan nog zou ik de vergelijking onacceptabel en ongepast vinden.

Inmiddels zit ik weer achter mijn computer. Ik was vanmiddag in Den Haag bij de première van een reportage gemaakt door Frans Brommet getiteld “Alsof ik Palestina heb gestolen”. Een reportage die Joden en Moslims aan het woord laat over het conflict in het Midden-Oosten. Een boeiende reportage. Maar nog boeiender was het contact met vertegenwoordigers van de Islam, dat ik vanmiddag had. Hoe kunnen wij als Nederlanders voorkomen dat onze onderlinge verhoudingen bepaald worden door de spanningen rondom Israël, daarover ging het samenzijn vanmiddag. Mijn aanwezigheid werd enorm gewaardeerd, maar het probleem van het importeren van de Palestijnse problematiek in onze Nederlandse samenleving werd echt nog niet opgelost, maar: we zaten aan tafel en hoezeer ook ik ervan overtuigd ben dat antizionisme=antisemitisme, toch bespeurde ik hier geen enkel vlaagje antisemitisme. Ik ben voor het bouwen van bruggen, sta 1000% achter Israël, ik weet zeker dat antizionisme de jongste mutatie is van antisemitisme en weet dat ieder mens graag een normaal, gelukkig en gezond leven wil leiden, wie hij ook moge zijn.

Het vereiste quorum van tien Joodse mannen, minjan, werd gehaald en nu ga ik mijn koffertje pakken voor Zagreb, nadat ik eerst morgenochtend naar het Cheider ga in Amsterdam om daar het ochtendgebed te doen, daarna naar Muiderberg naar het graf van mijn vader en dan naar Schiphol. Mijn gedachten gaan terug naar mijn lieve vader. Hij heeft zich volledig weggecijferd voor mij, zijn enig kind, het restant van wat eens was een zeer grote familie. Zo intens gelukkig was hij met zijn kleinkinderen, altijd stond hij klaar ze te helpen. Maar niet alleen was hij voor zijn kleinkinderen een steun en toeverlaat. Velen werden door hem gesteund en geholpen. Een van mijn kinderen had een Zoom bijeenkomst georganiseerd en iedereen vertelde iets over opa zl., mijn vader. Het was prachtig te horen hoezeer hij voortleeft en hoe dankbaar mijn kinderen zijn, nog steeds!

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

Dagboek van de Opperrabbijn van 27 oktober 2021

Vandaag heb ik gespijbeld, want in plaats van mijn dagboek, geachte lezer, onderstaand mijn bijdrage aan het symposium in het Novotel op Schiphol, morgenmiddag. Als u het een te beladen onderwerp vindt, gewoon deze keer, liefst eenmalig, mijn dagboek negeren!

 

“Onderduikgevers/ Onderduikers helden?”

Stichting Vrienden van Yad Vashem, lezing opperrabbijn Jacobs, 28-10-2021

Ik vind de stelling lastig als stelling en onbeantwoordbaar als vraag. Wat zijn helden? Volgens het woordenboek: iemand die uitmunt door moed. Maar wie bepaalt dat en is dat ‘uitblinken door moed’ zichtbaar of meetbaar? In de halaga, de Joodse wetgeving, is er sprake van, wat ik zo noem, zwarte, witte en grijze wetgeving. Moord is nooit toegestaan, een duidelijke zwarte wet. Als het in de zaal warm is mogen we zeker een raam openen: wit. Maar veel kwesties spelen zich af in een grijs gebied omringd door vele factoren, inschattingen, context. Het begrip held is een treffend voorbeeld van een grijs begrip.

Wanneer we het hebben over Onderduikgevers dan denk ik dat alle onderduikfamilies waar mijn moeder was ondergedoken allen, stuk voor stuk, mensen waren die met gevaar voor eigen leven zonder iedere vorm van winstbejag, allen helden waren. Het was buitengewoon moedig en tegelijkertijd levensgevaarlijk om Joden in huis te nemen. En desondanks deden ze het en namen het risico.

De duikouders waar mijn vader met zijn ouders, zijn broer en zijn oom, tante en nichtje waren verborgen, waren oplichters. Ze kregen van het verzet voedselbonnen voor de bij hun ondergedoken Joden, maar verkochten die bonnen op de zwarte markt en lieten mijn vader creperen van de honger, letterlijk. Mogen we deze onderduikgevers dan helden noemen? Na de oorlog werd mijn vader geadviseerd om aangifte te doen tegen het gespuis dat hem twee jaar en acht maanden had blootgesteld aan ontberingen. Maar mijn vader wilde dat niet, want desondanks hadden ze hem het leven gered. De duikmoeder kwam na de oorlog nog wel bij mijn vader in de winkel om brillen te kopen, mijn vader was een opticien optometrist, en was desondanks allervriendelijkst. Het huis waar mijn vader was ondergedoken, hoewel het vlakbij zijn winkel en zijn ouderlijk huis was, heb ik nooit gezien, ook niet van buiten. Toen mijn vader al niet meer leefde, heb ik de nicht van mijn vader gevraagd om mij iets te vertellen over de onderduik, maar zij smeekte mij om dat niet te doen, ze zou er nachtmerries van krijgen. Maar een ding wilde ze desondanks wel kwijt. Er was spanning, voortdurende angst dat ze opgepakt zouden worden, maar ze hadden er wel een leuke tijd, het was er best gezellig en de duikouders waren fijne mensen. Volgens mijn vader waren het absoluut geen helden, maar profiteurs, die onderduikers misbruikten. De onderduikers verhongerden en na de oorlog liep mijn vader, een jongeman van 26 jaar, met een zwaar hongeroedeem en krukken. Mijn tante kon zich daarvan niets meer herinneren. Waren de duikouders van mijn vader helden of criminelen?

In Brunssum zaten zo’n tweehonderd kinderen, onder hen vele baby’s, ondergedoken. Zij waren via de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg, weggesmokkeld en de donkergetinte kinderen kregen duikouders in Zuid-Limburg. Op een zekere dag waarschuwde een goede politieman dat er een razzia zou zijn in Brunssum. Voor een paar dagen, tot het signaal veilig zou worden afgekondigd, werden bijna alle kinderen bij hun duikouders weggehaald om daarna weer teruggebracht te worden. Maar 23 families durfden hun kinderen niet terug te nemen, ze waren te bevreesd, voor zichzelf en voor hun eigen gezin, het risico durfden ze niet meer te lopen. Waren zij eerst helden en daarna niet meer?

En wat met die duikouders die vanuit een christelijk gedreven religieuze visie Joodse kinderen in huis namen met als hoofddoel om hun zieltjes te winnen. Maar toch liepen ze hetzelfde risico als de duikouders die niet vanuit een bekeringsdrang kinderen de oorlog doorhielpen. Waren de door christendom gedreven duikouders verraders, terwijl ze toch echt met gevaar voor eigen leven, met liefde en inzet, de kinderen hebben gered en hun zieltje ook nog wilden redden!

En hoe kijken we aan tegen de onderduikers, toen en nu? Waren zij helden omdat ze voorzagen dat het gehoor geven aan de oproep voor tewerkstelling hun dood zou betekenen en doken ze dus onder puur uit lijfsbehoud?  En kunnen we dan spreken over een heldendaad? Of moeten we hun onderduiken zien als een verzetsdaad omdat zij dachten tewerk te worden gesteld in bijvoorbeeld wapenfabrieken en weigerden mee te werken aan de ondersteuning van het Nazi oorlogsapparaat?

“Gij zult niet doden”. Hieronder wordt ook verstaan het plegen van zelfmoord en daarom worden Joden die zich bewust het leven hebben genomen aan de rand van de begraafplaats begraven als een zichtbaar teken: zelfmoord is onacceptabel! In de psychiatrie, waarin ik vele jaren werkzaam ben geweest, ben ik helaas ook geconfronteerd met zelfmoord. Nog nooit heb ik een patient aan de rand van de begraafplaats laten begraven, want zij waren ziek en dus vielen ze absoluut niet onder de categorie: bewuste zelfmoordenaars.

Op vele Joodse begraafplaatsen zien we graven van hele gezinnen die zich het leven ontnamen op en kort na 10 mei 1940. Geestesziek waren ze niet, maar mijns inziens ook zeker geen (zelf)moordenaars! Vader en moeder wisten wat er stond te gebeuren, zagen terecht geen uitweg en pleegden verzet door zichzelf en hun kinderen aan het moordende en sadistische spel te onttrekken: Waren zij vluchtelingen die hun toevlucht in de dood hadden gevonden en die uit een diepe en onbeschrijfelijke liefde, ook hun kinderen op die vlucht meenamen. Waren zij helden?

Een vader en een moeder beseffen dat ze moeten onderduiken, er was in hun visie geen andere keus. Om reden, die mij niet bekend is, gaat vader naar duikadres A en moeder met hun zoontje naar duikadres B. Alle drie samen bleek kennelijk niet mogelijk. Een vreselijk moeilijk en heldhaftig besluit om zo uit elkaar te gaan. Gelukkig konden ze via de verzetsgroep, die zich over hen had ontfermd, in contact blijven en af en toe vernemen hoe het gaat. Niet iedere onderduiker had die mogelijkheid. Maar het vlees is zwak. Pa, de jonge vader en echtgenoot, krijgt een verhouding met de dochter van de duikouders, er ontstaat een relatie. En dan de bevrijding: pa is niet meer geïnteresseerd in zijn echtgenote, laat zijn zoontje, die hij niet eens meer zou herkennen, voor wat het is, en ‘leeft nog lang en gelukkig’ met de dochter van de duikouders die erg gelukkig waren met hun Joodse schoonzoon. Mogen we de duikouders die de relatie hebben toegelaten, helden noemen? En wat met de jonge man en vader? Was hij een held omdat hij verkoos te gaan onderduiken en zelfs bereid was apart te gaan zitten, zonder zijn vrouw en zijn enig kind?

En wat met die jonge gehuwde vrouw, ze was net 22, van wie de man al was opgepakt, maar of hij nog in leven was wist ze niet.  Op het duikadres zit een ongetrouwde jongeman van 23 jaar. Meer dan twee jaar zitten ze samen in hetzelfde huis, dag en nacht op elkaars lippen. Naar buiten gaan is onmogelijk. Ze raakt in verwachting. Mogen we de gehuwde vrouw een heldin noemen of kunnen we ze vergelijken met een normale echtgenote anno 2021 die overspel pleegt, een buitenechtelijke relatie heeft?

Een jonge vrouw, begin 20, zit ondergedoken ‘in het veld’. Een boerderij in Friesland die ver van de weg ligt. Maar liefst dertig onderduikers vonden hier een veilig onderkomen. Mochten de moffen of de Nederlandse politie, eraan komen dan was er genoeg tijd voor de onderduikers om het land achter de boerderij in te vluchten en zich te verstoppen in de kuilen die daar waren gegraven . De duikouders waren communisten die vanuit hun oprechte gevoel dat alle mensen gelijk zijn, hun huis hadden opengesteld met groot gevaar voor eigen leven. Zij werden door het verzet voorzien van voedsel voor de onderduikers, maar er stond voor hen geen enkele vergoeding tegenover hun heldendaad om Joden om-niet in huis te nemen. Een van de onderduikers kreeg een geheime relatie met de duikmoeder en als haar man, de duikvader, het dorp in was, trokken duikmoeder en onderduiker zich terug. Stel de duikvader zou zijn teruggekomen, de twee aantreffen, dan waren de gevolgen natuurlijk niet te overzien. En dus besloten duikmoeder en onderduiker hun lastige relatie te delen met de jonge vrouw van begin 20, zuster van de onderhavige onderduiker. Zij moest op de uitkijk staan en waarschuwen als duikvader eraan kwam.  Hoe de jonge vrouw, zuster van de jongeman, ook haar broer probeerde te weerhouden van dit onacceptabele en levensgevaarlijke avontuur, broer en duikmoeder waren niet uit elkaar te krijgen. En dus, met extreem grote tegenzin, werd zus een deel van een vies en onacceptabel gebeuren. Is de duikmoeder nog een heldin? En wat met de zus die het overspel als het ware moest faciliteren?

Hoe ik deze en vele, vele andere verhalen weet? Hun nazaten van na de oorlog, werden ermee geconfronteerd, werden opgevoed in een entourage van ‘voor de oorlog en na de oorlog’. Ze kregen de verhalen te horen, ook de moeizame, al dan niet gekleurd en ook zij werden slachtoffer van een periode waarmee ze niets van doen hadden. Vele van hen raakten beschadigd, door het verleden van hun ouders. Die kinderen hebben nu mijn leeftijd. Allen zijn wij opgevoed in de schaduw van de oorlog. Vele van ons raakten zelf daardoor zwaar beschadigd, als kinderen van duikouders. Zijn wij nu helden, als we met het trauma van onze ouders kunnen omgaan?

En wat met de verzetsstrijders? De impact die de oorlog op hun leven had, was vaak niet mals. Jarenlang doodsangsten uitstaan en dan weer ‘normaal’ gaan leven alsof er niets was gebeurd? Bijna ondenkbaar. En dus werden hun kinderen opgevoed in een zieke entourage, werden slachtoffer van hun ouders, van wie één of allebei verzetsstrijders waren. Maakt dat de verzetsstrijder minder held?

Dat de overgrote meerderheid van de duikouders helden waren, behoeft voor mijn gevoel, weinig betoog. Maar met onderduikers heb ik het moeilijker. Zou het benoemen van onderduikers tot helden impliceren dat allen die wel gevolg gaven aan de oproep tot Arbeitseinsatz, geen helden waren omdat zij geen verzet pleegden? Velen van hen konden letterlijk geen kant op. Velen ook dachten dat het geen gehoor geven ertoe zou leiden dat er represailles zouden volgen. Zij zouden dan schuldig zijn aan van kwaad tot erger. Een familielid van mijn vader, genaamd Frijda, had zich gemeld bij de moffen en bekende dat hij een aanslag had gepleegd op een hoge Duitse Officier. Hij had met die aanslag totaal niets van doen, maar zijn redenering was: wij als Joden gaan er toch aan, dus laat ik maar de schuld op mij nemen. En zo kwam hij aan zijn einde. Was hij een held?

“Onderduikgevers/ Onderduikers helden?”

Ik moet het antwoord schuldig blijven. Ik weet het niet en denk dat niemand het in z’n algemeenheid kan weten.

Als in de Talmoed er een discussie is en het antwoord blijft onbekend, dan staat er Teekoe, hetgeen betekent: Als de tijd van de Mosjieach is aangebroken zal de profeet Elijahoe het juiste antwoord bekend maken. Moge die tijd spoedig in onze dagen aanbreken!

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/