Welkom op de website van IPOR!

Het IPOR is het samenwerkingsorgaan van de Kehillot in de mediene.  Het samenwerkingsverband is een organisatie waarin de deelnemende kehillot  verenigd zijn op basis van vrijwilligheid. Het doel van het samenwerkingsverband is de bevordering van joods leven in de provincie. De organisatorische vormgeving zal in de loop der tijd een nieuwe vorm krijgen.

Dagboek van de Opperrabbijn van 19 september 2021

 

In de week voor Rosj Hasjana en de dagen tussen Rosj Hasjana en Jom Kippoer gaan velen naar de graven van ouders en familie. En uiteraard was ik dus ook aanwezig op diverse begraafplaatsen om voor te gaan in de gebeden en woorden van inspiratie te spreken. Bij een van die samenkomsten stonden we met negen man, maar onverwacht verscheen een tiende, de minjeman. Om reden die verder niet relevant is voor mijn dagboek, kwam hij dus uit het niets aanstappen. Na afloop van de plechtigheid vertelde hij mij dat hij meer dan zestig jaar geleden ook gevraagd was om de minjeman te zijn voor de sjoeldienst op Jom Kippoer. Hij was net verloofd en een oom van zijn aanstaande vroeg hem om op Jom Kippoer naar sjoel te komen: hij zou de minjeman zijn. De toenmalige jongeman stemde in op voorwaarde dat de bijna nieuwe oom dan ook zijn bedrijf op Jom Kippoer zou sluiten. Maar dat was net te veel gevraagd. Oom kwam wel naar sjoel op Jom Kippoer en spoorde anderen aan om dat ook te doen, maar vergat dat de ander een dag inkomsten zou verliezen omdat hij een dag niet op zijn werk verscheen, terwijl oom-lief, directeur van een groot bedrijf en zeer vermogend, geen cent minder zou verdienen. Hoe het afliep? Verloofde en oom hielden beiden hun Joodse poot stijf en dus was er dat jaar geen minjan!  In onze vele sjoels anno 5782, was er dit jaar een goede opkomst op Jom Kippoer. Ietsje minder dan voor het corona-tijdperk, maar beduidend beter dan vorig jaar. Er zijn begrijpelijkerwijs toch mensen die extra voorzichtigheid betrachten en de sjoel nog net niet aandurven. In een gesprek met een van mijn trouwe (en ervaren) bestuurders spaken we over het herstel van het sjoelbezoek naar de voor-Coroniaansche tijden. Hoe krijgen we iedereen weer binnenboord? En zo kwam uiteraard ook de sjoeldienst op Simchat Thora (Vreugde der Wet) ter sprake en de daarbij behorende lunch. Op mijn opmerking dat we dan wel op een grote opkomst kunnen rekenen vanwege de maaltijd, regeerde hij met “Als de Joodse Gemeente alleen maar eten en drinken is, noem het dan een kantine.” Ik vond dat wel aardig gevonden van hem, hoewel voor mij geldt “Beter naar een koosjere kantine, dan ontbreken”. Uiteraard heeft het gedoe in Urk mij beziggehouden, maar daarover had ik al geschreven in mijn vorige dagboek. Het was in ieder geval wel verstandig van mij dat ik mijn toespraak, bij hoge uitzondering, op schrift had gezet, want ik werd door een lokaal dagblad volledig verkeerd geciteerd. Ik had aangegeven dat de burgemeester van Urk mij meteen een e-mail had gestuurd om excuus aan te bieden en ik had benadrukt in mijn toespraak dat de jongeren (hopelijk en naar ik aanneem) wellicht geen kwade bedoelingen hadden, maar zich niet realiseerden hoe gevoelig hun ‘spel’ kon overkomen. In dat geval, en überhaupt, moet er veel meer gedaan worden aan “educatie en opvoeding”. Vervolgens waarschuw ik voor het gevaar van vluchtelingen uit landen waar de jeugd met haat jegens Israël en Joden is opgevoed en benadruk dat ook daar in (her)opvoeding geïnvesteerd moet worden, om problemen in de toekomst te voorkomen. Het lokale dagblad had echter ‘gehoord’ in mijn woorden dat ik niet tevreden was met het excuus van de burgemeester. Knap hoor, dat een journalist in mijn woorden kan horen wat ik zeg (logisch!),  maar ook weet wat ik ‘denk’ (briljant!) en dus wist te vertellen dat ik A zei en B bedoelde. Hoe ik hierop ga reageren? Niet dus, want in dit soort situaties roep een reactie dan weer een tegenreactie op en werk ik mee aan verkwisting van mijn eigen tijd en aan het volmaken van de krant.

Dit wat betreft de laatste dagen. Ik vertrek dadelijk naar de Weesperstraat in Amsterdam om aanwezig te zijn bij de onthulling van de Namenwand. Er is veel te doen geweest over die Namenwand. Ik heb dat allemaal niet gevolgd, maar ik denk dat het een goede zaak is. Geen van de slachtoffers, waaronder zeer veel familieleden van mijn lieve ouders, hebben een grafzerk gekregen. Voor mijn gevoel nu dus wel. Maar los hiervan: het monument is een krachtige confrontatie, educatie, waarschuwing. Want, zoals ik tijdens mijn toespraak in Enschede bij de herdenking van de eerste razzia, vermeldde: geschiedenis zou zich zomaar weer kunnen herhalen!

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

 

 

 

 

Herdenking Razzia Enschede 2021. Dagboek van de Opperrabbijn 14 september

Hoe vaak ik heb moeten horen als klein kind van mijn zorgzame overbezorgde moeder “wees niet bang. Dit kan nooit weer gebeuren” kan ik me niet herinneren, maar het waren ontelbare keren. Waarvoor ik nou precies niet bang moest zijn, wist ik eigenlijk niet en werd me eigenlijk ook niet verteld. Recentelijk werd me duidelijk dat mijn lieve ouders wel aan hun kleinkinderen hebben verteld wat ze hebben meegemaakt en waarvoor ik, hun vader dus, niet bang mocht zijn.

Deze ervaring van mij, als naoorlogse generatie en als kind van overlevenden, is niet uniek.  Wij, de generatie van ‘na de oorlog’, werden opgevoed in de schaduw van het lijden van onze ouders. Alles was bij ons ‘voor de oorlog en na de oorlog’.

Maar had mijn lieve overbezorgde moeder gelijk? Hoef ik inderdaad niet bang te zijn? Kan het inderdaad niet weer gebeuren?

Prof. Presser schrijft in zijn bekende boek “Ondergang” dat slechts 5% van de Nederlanders echt fout was, 5% echt goed en 90 % het liet gebeuren en meeliep met de kudde die de verkeerde kant opging.

Gisteravond had ik contact met de burgemeester van Urk. Ongetwijfeld heeft u vernomen over het afschuwelijke tafereel dat zich op Urk heeft afgespeeld. Een stel jongeren heeft gemeend “nazi-tje’ te moeten spelen. De burgemeester was ontdaan en heeft namens de Gemeenschap zijn oprechte excuus aangeboden. Urk, de meest pro-Israel Gemeente van ons land. Dat juist daar dat kon gebeuren!  Uiteraard brandden meteen de reacties los. Oproep tot strafvervolging, hoorde ik o.a. roepen.

Hoe kon zoiets gebeuren, vroeg ik me af. En hoe voorkomen we dit soort walgelijke taferelen? Beseften de jongeren waar ze mee bezig waren? Of speelt hier een stuk onwetendheid? Uit hun afgelegde verklaring waarin ze hun wangedrag diep betreuren, voel ik dat er geen kwade bedoelingen achter hun onaanvaardbare gedrag zaten. Achteraf beseften ze dat hun spelletje onaanvaardbaar en kwetsend was.

Toen aan de vorige opperrabbijn van Israel de vraag werd voorgelegd wanneer hij vrede verwacht in het Midden-Oosten, antwoordde hij: Zolang er in miljoenen schoolboeken haat tegen Israel en tegen Joden wordt gekweekt, kan er geen vrede komen.

Opvoeding en educatie! Opvoeding en educatie! Opvoeding en educatie!

Met afgrijzen heb ik gevolgd dat er geprotesteerd werd tegen de komst van vluchtelingen uit Afghanistan. Ik dacht terug aan de jaren van voor de bezetting. Duizenden Joden probeerden vanuit Duitsland de grens naar het toen nog niet-bezette Nederland over te komen. Nederland sloot zijn grenzen. Wat er met de vluchtelingen is gebeurd laat zich raden. Een medemens in nood moeten we altijd helpen. Uiteraard moet er gefilterd worden op potentiële terroristen. Maar nadat dat is gebeurd, wat dan? De drie B’s:  Brood, Bed en Bad. Humanitaire hulp wordt geboden. Maar hier ontbreekt iets essentieels: de B van Basisnormen. Een zeer groot percentage van deze vluchtelingen zijn notoire antisemieten en respect voor de rechten van de vrouw staat niet erg hoog in hun vaandel. Zijn ze hieraan schuldig? Ik denk van niet, want zo zijn ze opgevoed. Maar als wij, Nederland, hieraan geen aandacht besteden, kan onze gastvrijheid catastrofale gevolgen hebben voor onze nabije toekomst.

En daarom is ons samenzijn in aanwezigheid van de jeugd van essentieel belang. De slachtoffers van de razzia verdwijnen meer en meer uit onze gedachten. Nog slechts enkelingen hebben ze gekend. Maar hetgeen toen geschiedde, kan zo weer gebeuren!

Tien rechtvaardigen waren nodig

om de vernietiging van Sedom te voorkomen.

Maar om de hele wereld op zijn kop te zetten

is één criminele fanaticus voldoende!

(Reb Menachem Mendel van Kotzk)

 

Deze herdenking mag niet verdwijnen. Uit respect voor de onschuldigen die keihard uit het leven werden weggerukt, maar ook als waarschuwing, als educatief project. Niet als een afstandelijke geschiedenisles, maar om te voorkomen dat. Want het antisemitisme is weer salonfähig en in het straatbeeld zichtbaar. Er hoeft maar één criminele gek op te staan en de 90% zal gewillig volgen. De razzia van toen kwam plotsklaps en onverwacht. Geschiedenis herhaalt zich, de vraag is alleen wanneer die herhaling komt.

“Wees niet bang. Dit kan nooit weer gebeuren”, hoor ik mijn moeder zeggen. Ik ben niet bang, maar uiterste alertheid is geboden.

Binyomin Jacobs, 14 sept. 2021

 

 

Foto’s die boekdelen spreken, maar verzwijgen encyclopedieën. Dagboek van de Opperrabbijn 12 sept. 2021

Omdat het NIW twee weken verdiende vakantie heeft genomen, ben ik eigenlijk ook vrij. Maar wat is vrij? Vandaag was ik voor de derde keer in een paar weken in Twente. Een keer voor een onthulling van een grafzerk, twee keer voor een lewaja-begrafenis en overmorgen wederom voor de jaarlijkse herdenking van de eerste razzia in Enschede. Ik moet mijn toespraak nog voorbereiden. Is dat lastig? Jaar-in jaar-uit spreek ik rond deze tijd ter herdenking aan de gruwelijke en zinloze willekeurige arrestatie van Joodse jongemannen. Keihard en volkomen weggerukt uit het normale dagelijkse leven. Ieder jaar dus, al tientallen jaren op dezelfde plaats, over hetzelfde onderwerp en voor nagenoeg hetzelfde publiek. En toch moet ik steeds in andere woorden dezelfde toespraak houden. En dat lukt! Hoe? Geen idee. Kennelijk krijg ik toch ieder jaar weer opnieuw een gedachte van Boven aangereikt. Hoewel? Enige dagen geleden kreeg ik een compliment voor een toespraak. Het compliment was echt goed bedoeld, maar voelde niet zo gezellig aan. “Uw toespraak van vandaag vond ik echt goed! Ik had dat niet verwacht”. Wat moet ik met zo’n compliment, speciaal als er nog eens aan wordt toegevoegd dat het niet verkeerd bedoeld was en dat het best wel te begrijpen is dat de boodschap van mijn toespraken vaak dezelfde is en dat ik, de spreker, daar natuurlijk niets aan kan doen. Ik vond het wel leuk om te zien hoe de complimenteerder zich suf verontschuldigde om zijn ietwat sukkelig geuite compliment te herstellen. Wat hij had moeten doen toen hij merkte iets minder slim te hebben geuit? Zwijgen! Want in een vlek moet je nooit gaan wrijven.

Woorden.

Foto’s.

Vorige week was ik aanwezig bij de opening van een fototentoonstelling genaamd: Survivors – Faces of life after de Holocaust. Gezichten, een tentoonstelling van uitsluitend gezichten. Gezichten kunnen verbergen, verraden, uitstralen, weergeven en soms ook kunnen gezichten meerdere gezichten hebben en boekdelen spreken of de afschuwelijke en onbeschrijfelijke kwellingen verzwijgen. Zo liep ik door de tentoonstelling. Ieder gezicht vertelde een onmenselijke geschiedenis en verraadde wat mensen elkaar kunnen aandoen. Maar ook zagen we dat sommige gezichten ondanks alles, echt hadden overleefd. Dat ze een gigantische kracht verborgen, zodat het leed, de gaskamers, de hel van Auschwitz, van Sobibor, van Mauthausen, van Theresienstadt, van … en van…nog nauwelijks te zien waren. Nauwelijks, want toch meende ik het gigantische lijden te kunnen bespeuren en te voelen in alle gelaatsuitdrukkingen. Maar misschien, zo sprak ik tegen mezelf, misschien ben ik de enige die dat ziet, misschien is het wel echt onzichtbaar en zie ik het leed omdat ik geloof dat het onmogelijk is om de hel van Auschwitz te overleven, wellicht wel bij hoge uitzondering fysiek, maar zeker niet geestelijk. Want, zo meen ik, als een mens ongeschonden uit de gaskamer komt, dan bestaat er voor hem geen vóór en geen na de oorlog, want die oorlog houdt voor hem nooit op. En daarom vertoonde ieder gezicht een soms bijna onzichtbare beroering, in mijn optiek.

Gezichten! Onze minister Grapperhaus hield een indrukwekkende toespraak bij de opening van die tentoonstelling. Een oprechte betrokkenheid straalde van zijn gezicht af. Met zo’n minister mag speciaal de Joodse gemeenschap zich gelukkig weten. Hij analyseerde het gezicht van de moordenaar Eichmann en zag in het gezicht van de nazibeul twee kanten. De ene kant oogde ongeschonden en menselijk, de andere helft verraadde zijn ware aard. Bij deze nazi was er dus van zijn gezicht te lezen een misleidend goed en een beestachtig kwaad. Bij de 75 overlevenden waren er ook twee kanten aan een en hetzelfde gezicht: pijn en optimisme, dood en leven, verleden en toekomst, maar geen greintje kwaad.

Hoe ik deze imponerende tentoonstelling wil samenvatten in een paar woorden?

“Foto’s spreken boekdelen, maar verzwijgen encyclopedieën”

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

Het was een moeizaam jaar: vijfduizend zevenhonderd tachtig en één

ב”ה

Het was een moeizaam jaar: vijfduizend zevenhonderd tachtig en één


De corona pandemie beheerste alles om ons heen.


Onze broeders en zusters in Tel Aviv, Ashdot en elders


Verbleven te vaak in schuilkelders.


HamasGaza liet Israël niet met rust


Maar de elfdaagse oorlog werd uiteindelijk geblust.




Het is al bijna weer Rosj Hasjana, Jom Kippoer en Soekot


We gaan naar sjoel, kinderen, ouders en hele misjpachot.


We zorgen voor goede ventilatie


En blijven zoveel mogelijk op onze plaats, ook bij de predicatie.


Met blij gemoed gaan we naar de plaats waar onze ouders kwamen bijeen


Jaar na jaar, door de eeuwen heen.




De muren van onze sjoels vertellen de historie


Bij hen is gebleven de eeuwenlange memorie.


Aan de Ontzagwekkende Dagen dat de sjoels waren vol gebed en gezang


Men smeekte de Eeuwige met vloeiende tranen op ieders wang.


Het Verbond van G’d met onze ouders door de eeuwen heen


Vulde ieder met ontzag en oprecht geween.






Het geschal van de Sjofar en het roerende Kol Nidrei


Ieder is er: oud, jong, vroom en vrij.


Als één grote familie staan wij voor G’d


IK ben de Eeuwige, wij voelen het Eerste Gebod.


Alles verdwijnt, U bent er Alléén


Lieve G’d, waar gaat het heen?


Eeuwenlang worden wij gekweld en verdreven


Wanneer wordt ons eindelijk die rust gegeven?


Als éénling, als volk, als Mishpacha


Lieve G’d, kom toch eindelijk Uw belofte na.




Wij begrijpen dat wijzelf nog veel hebben te doen


Ruzies vormen helaas ook bij Uw volk nog steeds een grimmig visioen.


En toch komen wij tezamen als één


En kennen onderlinge verbondenheid, als geen.


We dansen anderhalve meter van elkaar met de Thora in ons hand


De Thora: onze eeuwige interne band.




Lieve G’d, luister toch naar onze innige wens


Geef sjalom aan ieder land en aan ieder mens.


Laat in 5782 gezondheid en vrede alom zijn,


Spoedig in onze dagen: wenoumar omein.


Binyomin Jacobs, opperrabbijn לשנה טובה ומתוקה בגו”ר

Daad en uitstraling. Dagboek van de Opperrabbijn 5 september 2021

Tijdens de Hoge Feestdagen dawenen we heel wat af. Het zijn lange diensten waarin vele gebeden worden gezegd. Begrijpen we eigenlijk wel alles wat we zeggen? En zo niet, is het dan niet beter om de vertaling te lezen?

Enige tijd geleden viel mijn blik op een artikel over een nieuwe uitvinding. Op het hoofd van een mens wordt een sensor geplaatst en doordat zo iemand dan een bepaald woord, cijfer of formule denkt gaat de televisie in zijn kamer aan óf het licht óf de vaatwasmachine, afhankelijk dus van wat hij denkt en uitzendt. Over enige tijd zal dus, zo vervolgde het artikel, geen afstandsbediening meer nodig zijn: alles zal vanuit de hersenen worden bestuurd.

Eindelijk, dacht ik, een bewijs dat onze gedachten en de uit onze gedachten voortkomende woorden een kracht hebben. Het was dus niet louter bijgeloof dat mijn oma op de vraag hoe het met haar kleinkinderen ging steevast haar antwoord begon met ‘onbeschrie-en onberufen’. Dit om te voorkomen dat door haar lovende woorden mogelijkerwijs, G’d verhoede, enige schade voor hen zou kunnen ontstaan. Gedurende de Hoge Feestdagen hebben we vele tekenen die wijzen op onze eenheid. Vandaag, op Rosj Hasjana, staan jullie allen voor de Allerhoogste, van de stamhoofden tot de waterdragers. De maatschappelijke verschillen zijn verdwenen, we vormen een eenheid, we zijn in essentie allen gelijk: met deze gedachte betreden we Rosj Hasjana. En voor Jom Kippoer vragen we elkaar vergiffenis voor alles wat we elkaar hebben misdaan in gedachte woord en daad: weer die eenheid. En dan Soekot met de loelav (dadelpalm – lekkere smaak), de hadas (mirthetakje – lekkere geur), de arawa (treurwilg – geen smaak en geen geur) en de etrog (citrusvrucht – heerlijke geur en lekkere smaak), die symbool staan voor de vier soorten mensen. De een heeft Tora-kennis, de ander doet veel mitswot, weer een ander heeft geen kennis en doet maar erg weinig aan zijn Jodendom en tenslotte heb je mensen die veel kennis bezitten en die kennis ook in praktijk brengen. We binden ze allen samen en bensjen loelav: weer die eenheid. Dan worden de Hoge Feestdagen afgesloten met Simchat Thora: Of je een groot geleerde bent of een eenvoudige ziel: allen verheugen we ons met de Thora, het geheim van ons bestaan, vanuit eenheid….

Allemaal woorden, symboliek, uitingen. Maar leidt dit ook daadwerkelijk tot de eenheid die ze verkondigen en uitstralen? Als we in gedachte geld geven aan een arme heeft hij daaraan bitter weinig. De mitswa van tsedaka kunnen we niet alleen in gedachte vervullen. Als we per ongeluk geld verliezen en het verloren bedrag wordt door een arm man gevonden, dan hebben we, zonder dat we ons ervan bewust waren, wel een mitswa vervuld. Het resultaat telt! Maar niet altijd: als we een gast ontvangen telt niet alleen de maaltijd die we hem aanbieden, maar zeker ook de wijze waarop we hem bejegenen. Voelt hij zich, door ons gedrag naar hem toe, bij ons op z’n gemak?  En als hij vertrekt, begeleiden we hem dan naar de deur om te tonen dat we zijn aanwezigheid waardeerden?

Met de Hoge Feestdagen spreken we vele gebeden uit, verrichten we vele handelingen, dus we veroorzaken veel ‘straling’. Soms gaat het om de daad, soms uitsluitend om de uitstraling en vaak om beide.

Zoals de sensor op mijn hoofd over enige jaren de afstandsbediening zal vervangen, zo maakt het joodse volk reeds eeuwenlang gebruik van afstandsbediening om de onderlinge eenheid te creëren die ertoe moet leiden dat via dezelfde afstandsbediening het jaar 5782 een jaar van bracha en sjalom zal mogen worden voor ons allen, hier en in ons aller Israël, en voor de gehele mensheid waar ook ter wereld.

Ik wens allen, Joods en niet-Joods een goed, gezond en zoet jaar, een jaar van sjalom voor alle bewoners van Uw aarde!

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op
https://niw.nl/category/dagboek/

 

Het was een kokende sauna! Dagboek van de Opperrabbijn 1 september 2021

Het zijn de dagen van de Selichot, dagen van voorbereiding voor de Jamiem Noraïm, de Ontzagwekkende Dagen. Ontzag -wekkend! Ontzag is van groot belang, want als het aan ‘ontzag’ ontbreekt gaat een samenleving zomaar de verkeerde kant op. Deze gedachte kwam in mij op toen ik gisteren aanwezig was in Westerbork om de fietsers die hadden deelgenomen aan “Terug naar Westerbork” te verwelkomen. Tranen stonden in mijn ogen. Allemaal jonge mensen die de tocht van Auschwitz naar Westerbork hadden gereden. Onderweg de diverse concentratiekampen hadden bezocht, andere plaatsen van verschrikking en nu terug waren in Westerbork. Ontzag! Gebrek aan ontzag kan leiden tot anarchie. Maar onderwerpen aan een verkeerd gezag kan leiden tot hetgeen in WO II geschiedde. Tachtig procent van mijn familie belandde via Westerbork in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor! En nu kwamen daar zo’n 70 jonge mensen aanfietsen die keihard waarschuwden voor de gevaren van onderwerping aan een verkeerd gezag. Jonge mensen uit Duitsland, Nederland en Polen. Rechts van mij een Duitse Minister, links de zaakgelastigde van de Duitse Ambassade en nadrukkelijk aanwezig was ook de Commissaris van de Koning in de provincie Drenthe mevrouw Jetta Klijnsma. Wat een krachtige vrouw! Ik was verheugd en dankbaar dat mijn toespraak en de klanken van de sjofar duidelijk werden gehoord en dóórdrongen. Terwijl ik hier nu zit te typen voel ik een brok in mijn keel. Ik zou al die fietsers willen omarmen van dankbaarheid voor hun geweldige prestatie en vooral voor de keiharde demonstratie. Ja, iedere ochtend sta ik in deze dagen voor de Ontzagwekkende dagen eerder op om extra gebeden uit te spreken, maar deze bijeenkomst was een en al bemoediging en ontzag-wekkend. Een warme douche! Die warme douche voelde ik ook vanochtend in Ede waar een bijeenkomst was georganiseerd door een groep gelovige Christenen. In oktober 2020 hadden vertegenwoordigers van diverse kerkverbanden op de Israëlische ambassade in Den Haag schuld beleden voor de nalatigheid van de kerken ten opzichte van Joden voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Nu het antisemitisme helaas weer toeneemt kwam de terechte vraag welke houding de kerken aan het begin van de 21e eeuw gaan kiezen.  Daarom organiseerden vertegenwoordigers van kerken een appèl-bijeenkomst om te spreken over dit onderwerp. Sprekers waren de ambassadeur van Israël, Z.E. N. Gilon, (de kersverse) Prof. dr. B.T. Wallet,  dr. A.A.A. Prosman, en mijn persoontje. Het werd duidelijk dat de aanwezigen zondermeer pro-Israël zijn. Maar ook werd het duidelijk, en ikzelf heb dat heel nadrukkelijk uitgesproken, dat onder de kerkelijke jeugd de liefde voor Israël aan het afnemen is. Dit baart me zorgen, een zorg die door de aanwezigen werd gedeeld. En toch was het symposium een warme douche, dus douche nummer twee. De derde douche heb ik mogen beleven op Urk. In het Gemeentehuis werden de ambassadeur van Israël, twee vertegenwoordigers van Christenen voor Israël en ondergetekende, door burgemeester en wethouders ontvangen. Bij binnenkomst voelde ik me meteen al gediscrimineerd. Geen antisemitisme, want de discriminatie betrof niet de ambassadeur. Wat de discriminatie was? Alle aanwezigen hadden een stropdas met de kleuren van Urk, behalve ik. Het werd bijna meteen rechtgezet, want enige uren later werd ik voorzien van een Urker stropdas en twee paar Urker sokken. Opperrabbijn is toch een lucratief baantje, Ik hoop alleen dat de belasting hier geen weet van krijgt want wellicht valt dit onder verkapte salariëring. Waarom we in het Gemeentehuis waren? Vanaf 14:00 uur tot 22:00 uur was er voor ‘Het ondernemersplatform van Christenen voor Israël’ op (en niet in) Urk een grandioze middag en avond. Uiteraard was de ambassadeur weer aanwezig, die ik daar dus voor de derde keer vandaag ontmoette. ’s Middags waren de 180 aanwezigen in tweeën gesplitst. Groep één kreeg een rondleiding in het vis bedrijf DaySeaDay en groep twee werd rondgeleid door de stegen van Urk. Meer dan €140.000 werd er ’s avonds opgehaald voor de bouw van een jeugdcentrum in Jeruzalem. Wat een warmte, wat een vriendschap, wat een bevlogenheid en wat een eer en hoe uniek dat ik, als opperrabbijn, van zo’n bijeenkomst een onderdeel mocht zijn. Muziek, een Zoom verbinding met Israël, een diner (uiteraard voor Blouma en voor mij koosjer) en inspirerende toespraken. Maar als u nu verwacht dat ik deze avond de derde warme douche ga noemen, dan heeft u het mis! Het was geen warme douche, maar een kokende sauna!

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op
https://niw.nl/category/dagboek/

 

Symbolischer kan het baantje van een rabbijn niet worden voorgesteld. Dagboek van de Opperrabbijn, 29 augustus

De week van de Selichot, de voorbereidingsweek voor de Hoge Feestdagen, is begonnen. Dagen van voorbereiding voor Rosj Hasjana, dagen ook dat ik honderden en honderden kilometers voor me heb liggen.  Om 1:30 uur (!) was ik, na een rustige sjabbat, naar Almere gereden voor de jaarlijkse selichot-dienst, een speciale sjoeldienst voorafgaande aan Rosj Hasjana. Om 3:30 uur was ik weer thuis en om 9:00 uur zat ik weer in de auto, op weg naar Bergen op Zoom. Daar werden aan de zijwand van wat eens de synagoge was twee grote foto’s onthuld. Een van de befaamde Walter Süskind en de tweede van Mozes de Hes. Walter Süskind was de man die in de Hollandsche Schouwburg, de plaats van waaruit de Joden na arrestatie naar Westerbork werden afgevoerd, velen wist te redden. Hij had in Bergen op Zoom gewoond. En Mozes de Hes was de laatste voorganger van wat eens een bloeiende Joodse Gemeente was. Met de burgemeester mocht ik de beide foto’s onthullen en hiermee zichtbaar maken aan allen die voorbijlopen dat er hier ooit een Joodse Gemeenschap bloeide. Na de oorlog wist een NSB-er op slinkse wijze de synagoge te verkrijgen en via allerlei omwegen en onwaardig gebruik weet een aantal niet-joodse inwoners van Bergen op Zoom de synagoge voor sloop te behoeden en is het gebouw nu een Monument die herinnert aan wat eens was. Na de onthulling was het aan mij om een lezing te geven over de voormalige Joodse Gemeente en ik heb er maar meteen een waarschuwing aan gekoppeld. Een waarschuwing tegen het opkomend antisemitische, mijn stokpaardje. Een van de initiators van deze bijeenkomst was de voormalige voorzitter van de Joodse Gemeente Breda. Na de oorlog werd de Joodse Gemeente Bergen op Zoom opgeheven en onderdeel van de Joodse Gemeente Tilburg. Nadat ook die werd opgeheven werd Bergen op Zoom onderdeel van de Joodse Gemeente Breda en nu ben ik een vurig bepleiter van opheffing van Breda en samenvoeging bij de Joodse Gemeente Brabant. Was de grootvader van mijn oma ooit waarnemend Opperrabbijn van het Ressort Noord-Brabant waartoe vele Joodse Gemeenten behoorden, nu is dat hele ressort gedegradeerd, vanwege het geringe aantal Joden, verworden tot één kleine Joodse Gemeente die het nog best goed doet en weer een opleving doormaakt omdat in Eindhoven een jonge enthousiaste rabbijn is komen wonen die heel Brabant onder zijn religieuze vleugels heeft genomen. Na de bijeenkomst werd ik uiteraard geïnterviewd door de aanwezige pers en toen snel de auto ingesprongen voor de onthulling van een matsewa, grafzerk, in Haaksbergen. Ik herinner me nog dat na de oorlog in Haaksbergen een synagoge was en er iedere sjabbat dienst was,  maar na vertrek van de laatste der Joodse Mohikanen, bleef slechts de Joodse begraafplaats de enige tastbare herinnering aan wat eens was. Naar huis geracet, want om 19:30 uur moest ik in Almere zijn. Kleindochter en aangetrouwde kleinzoon (heet zoiets schoonkleinzoon?) zijn uit New York naar Nederland gekomen om rabbijn en mevrouw Stiefel (onze dochter) te komen assisteren in Flevoland. Ze zullen in Lelystad gaan wonen en proberen om daar uit het niets een Joodse Gemeente te gaan opbouwen. Daar mocht ik dus mijn vierde toespraak van de dag houden, de lezing even niet meegerekend. U ziet: ik spreek wat af! Doel van al die toespraken? Inspireren, waarschuwen en tot steun zijn, want dat moet steeds, in mijn optiek, het doel zijn van iedere rabbinale toespraak. Overigens wel een tegenstrijdigheid: eerst een toespraak bij de synagogedienst in de levende synagoge van Almere, daarna een toespraak bij een synagoge die eigenlijk een grafzerk is voor de velen die geen graf werd gegund. Daarna een onthulling van een grafzerk op een echt graf van een persoon die de oorlog had overleefd maar er wel beschadigd was uitgekomen, zoals zovelen.  En tenslotte een nieuwe frisse jonge rabbijn die een Joodse Gemeente gaat opbouwen in de polder. Intens verdriet over het verleden, waarschuwing voor het heden en optimisme naar de toekomst. Deed me denken aan een zondag, tientallen jaren geleden, dat ik op een en dezelfde dag een Brit Mila, besnijdenis van een acht dagen oud Joods jongetje in het zuiden van het land had en in de middag een choepa, Joodse bruiloft,  in het Noorden en tussendoor ook nog een begrafenis. Symbolischer kan het baantje van een rabbijn niet worden voorgesteld.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op
https://niw.nl/category/dagboek/

 

Er zullen commissies worden gevormd en Kamervragen worden gesteld. Dagboek van de OLpperrabbijn 25 aug. 2021

We kwamen zeer snel door de security op JFK. Het enige probleem was dat mijn koffertje een extra controle kreeg omdat daarin een verdacht voorwerp werd gevonden: een etrog! In Nederland zijn die ook te koop via het NIK en dat is een geweldige service. Maar in New York, in Israël en in alle grote Joodse centra bestaat de mogelijkheid om er zelf een uit te kiezen en voor een mooiere dan ook natuurlijk meer te betalen. De etrog die we met Soekot gebruiken heeft een heerlijke geur en een geweldige smaak. Hij staat symbool voor de mens die op twee fronten bezig hoort te zijn: hij lernt en hij volgt alle geboden op. Met andere woorden: hij verwerft kennis en brengt die kennis in praktijk. Maar ik ben nu bezig met een Joodse les en dat is niet de bedoeling van mijn dagboek. En toch ook weer wel. Want ik erger me dus blauw aan wat er gebeurt in Afghanistan en hoe de wereld ermee omgaat. Veel theorie en weinig praktijk. Iedere malloot had dit kunnen zien aankomen. Men liet het gebeuren en komt nu, dramatisch te laat, in actie omdat het anders wellicht leidt tot een stemmenverlies bij een komende verkiezing want, zoals een bekende Nederlandse onderzoeksjournalist in zijn onlangs uitgekomen boek schreef: journalisten moeten de waarheid verkondigen, maar dan wel de waarheid die “verkoopt” en politici draaien en verdraaien in verband met het behalen van stemmen. Overigens heeft de mijnheer van de beveiliging met grote zorgvuldigheid en begrip mijn etrog bekeken en met bijna devotie weer zorgvuldig de watten er omheen gedaan, in het kartonnen doosje gestopt en mijn koffertje weer netjes gesloten. Aan boord was er een zee van ruimte en dus kon ik mij na de koosjere maaltijd op vier stoelen te ruste leggen. Maar voordien heb ik uitgebreid met de hoofdstewardess gesproken. Waarover? Het gezeur met de 18 orthodox-Joodse meisjes die enige weken uit een Delta toestel werden gezet wegens wangedrag. Of er inderdaad sprake was van wangedrag weet ik natuurlijk niet, maar ik betwijfel het wel want wat mij ter ore is gekomen is dat het keurige meisjes waren. Desalniettemin is mijn ervaring niet dat het KLM-personeel van antisemitisme beschuldigd kan worden, maar vaak niet goed de achtergrond van orthodox Jodendom kan plaatsen met de koosjere vliegtuigmaaltijden die zij niet mogen openen, mannen die niet naast vrouwen willen zitten of een soort aan boord verboden samenscholing vanwege het minjan. Bovendien loopt het ene soort Joden met baard en lange pijpenkrullen en de andere groep met een gehaakt keppeltje en zonder baard. En daarbij komt dan ook nog dat wij Joden af en toe wat luidruchtig zijn. Ze heeft een en ander genoteerd en ik wacht af. Als ik wat duidelijkheid kan aanreiken aan KLM-medewerkers zal dat goed zijn, want onbekend maakt onbemind en kweekt antisemitisme.

Verder schaamde ik me bijna dat ik comfortabel in een vliegtuig zat, terwijl tienduizenden Afghanen hunkeren naar een vlucht, een vlucht naar vrijheid, een vlucht om de niet afwendbare onthoofding te ontlopen. Verontrust, kwaad en vol onbegrip las ik over rellen in Nederland tegen de komst van Afghaanse vluchtelingen naar ons land die hier een veilig heenkomen zoeken. Toen tijdens de oorlog Duitse Joden naar ons land probeerden te vluchten, werden ze ook al niet welkom geheten. Sterker nog: de grens ging op een gegeven moment op slot! En dus denk ik dat de Joodse Gemeenschap als geen ander de deuren voor vluchtelingen wijd open wil hebben. Maar terwijl ik dit denk en hierover filosofeer voel ik wel een probleem in mezelf opkomen. Want met het binnenhalen van Afghaanse vluchtelingen, wordt ook het antisemitisme binnengehaald. Want, voor zover ik dat kan inschatten, zullen de meeste Afghaanse vluchtelingen geen grote genegenheid richting Joden en Israël hebben. Dat zij zo denken begrijp ik, zo zijn ze in Afghanistan opgevoed,  maar wat doet de Overheid eraan om hen van het ingepalmde antisemitisme pad te krijgen? Het antwoord is me wel duidelijk: rustig achteroverleunen tot er Kamervragen komen en dan wordt onze Overheid wakker en gaat over tot het debat, wordt er een commissie in het leven geroepen en zal er een diepgaand onderzoek worden ingesteld , terwijl het antisemitisme verder en verder groeit, omdat we het laten groeien.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op
https://niw.nl/category/dagboek/

 

Ontving mijn familie ook een waarschuwingsbericht voor de reis naar Auschwitz? Dagboek van de Opperrabbijn 22 augustus 2021

Hadden en hebben we te doen met corona, nu wordt er roet in ons programma gestuurd door Henri. Henri is de orkaan die gisteren, net voor het eind van de sjabbat, begon te loeien. Zware stortregen en, naar ik begrijp, werd de noodtoestand afgekondigd. We gaan dus verder ons verblijf ik New York vieren met een aangepast programma. Maar wel of niet aangepast: ik moet vanavond naar Monroe. Mijn vader heeft mij vaak verteld dat er van de Jacobs familie, die nagenoeg geheel vermoord is, nog één nichtje in leven moet zijn. Haar naam: Claire. Haar vader heette Sampe en was een leerling van het Nederlands Israëlitisch Seminarium. Na zijn studie te hebben voltooid is hij getrouwd en kreeg drie kinderen. Alleen hij heeft het overleefd en was de enige van de Jacobs kant bij de choepa van mijn ouders in 1948. Nadien is hij hertrouwd met een Joodse vrouw uit Manchester, er is een dochtertje geboren, genaamd Claire, en spoedig na de geboorte is Sampe, die zwaar depressief was, overleden. De moeder van Claire was hertrouwd en omdat mijn vader geen achternaam wist, kon hij haar niet vinden. Pas een jaar voordat mijn vader is overleden hebben we Claire gevonden. Zij woonde in Melbourne Australië, is toentertijd meteen naar Nederland gevlogen om mijn vader, die haar oma, mijn vaders tante, goed heeft gekend, nog te kunnen zien. We zijn samen naar Muiderberg gegaan en stonden daar, met tranen van ontroering in de ogen, bij de graven van onze gezamenlijke overgrootouders. Inmiddels is Claire verhuisd naar Monroe en hoop ik dat Henri te trotseren zal zijn en Blouma en ik haar vanavond kunnen ontmoeten, kennismaken met haar echtgenoot en misschien een paar van haar kinderen te zien. Ondertussen ben ik begonnen om de toespraken voor te bereiden voor de Hoge Feestdagen en een paar lezingen die ik nog mag geven voor Rosj Hasjana. Sjabbat was geweldig. De sjoel, die in de benedenverdieping is van de woning van onze zoon, was helemaal vol. Iedereen doet mee. Allemaal jonge mensen. Het wemelde van de kleine kinderen. Het leeft! Nog niet te vergelijken met Nederland, helaas. Maar we blijven geloven in het ongelofelijke! En toch verlang ik om weer voet op vaderlands bodem te mogen zetten. Nog een paar daagjes. Natuurlijk ben ik in voortdurend contact met mijn rabbinale thuisfront, maak afspraken, stuur e-mails, telefoneer, probeer vetes te beslechten en geef gewoon mijn cursussen per zoom. Maar toch! Mijn plaats ligt in Nederland.

Inmiddels is het zondagavond. Henri maakt het ons toch onmogelijk om Claire vandaag nog te bezoeken want Henri gaat nog flink tekeer. Emmers water vallen uit de hemel en met de auto een lange afstand afleggen op de highway is onverantwoord en dus ga ik maar achter de computer om mijn toespraken verder te fabriceren voor de aanstaande feestdagen, diverse lezingen,  het voorwoord te schrijven voor De Nederlands-Israëlitische Gemeente Utrecht 1789-1960 en drie verjaardagbrieven te versturen. Ondertussen zijn de geboortebewijzen binnen van die mevrouw die haar hele leven voelde dat ze Joods was en die ik heb mogen helpen om haar Joodse roots boven water te krijgen. Alleen ontbraken nog de bewijzen dat ze inderdaad de dochter is van haar moeder en haar moeder de dochter van haar oma. Geloofde ik haar dan niet op haar woord? Absoluut wel. Maar om e.e.a. ook voor komende generaties goed vast te leggen, moet haar bewijs niet gebaseerd zijn op het ‘goede geloof van Jacobs’, maar op aantoonbare feiten. En los hiervan gebeurt het heel soms dat de moeder niet de biologische moeder is. Heel veel reacties heb ik ontvangen op mijn geïrriteerde dagboek dat Nederland veel en veel te weinig doet om de Nederlanders uit Afghanistan te redden. Ik ben zondermeer een trotse Nederlander, maar erger me wel blauw over het eeuwige gepolder, overleg, middenweg, vergaderen, terwijl landgenoten zich in een uitzichtloze levensgevaarlijke situatie bevinden. Als ik dan lees dat onze onderdanen in Afghanistan een aanbeveling ontvingen van onze Ambassade in Afghanistan om vooral voorzichtig te zijn, dan vroeg ik me af, stout als ik soms ben, of mijn familieleden voor ze de trein van de Nederlandse Spoorwegen instapten op weg naar Auschwitz of Sobibor, ook zo’n meelevend waarschuwingsbericht hebben mogen ontvangen. Of lag dat anders?

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op
https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

orgaandonaties

 

ב”ה

 Schoenmaker houd je bij je leest en dus, gezien ik geen medicus ben, bemoei ik me niet met medische techniek. Maar als iemand overleden is, moet ik er zijn voor de begrafenis en voor mentale steun aan de nabestaanden. En als er iets zich afspeelt tussen leven en dood, het stervensproces, dan lijkt mij dat zowel de arts als de rabbijn in gezamenlijkheid mogen opereren, uiteraard in de figuurlijke zin van het woord. Waar doel ik op? Orgaandonaties. Niet orgaandonaties van een gezond mens die een nier afstaat aan een medemens en daarmee een leven redt. Ook spreek ik niet over het afstaan van organen na het definitieve overlijden, of dat wel/niet moet of mag. Neen, ik zit in m’n maag met een donor die wettelijk dood is verklaard, maar kunstmatig in leven wordt gehouden en nu wordt gebruikt als leverancier van organen. Hij is dus hersendood verklaard, maar is nog in de stervensfase. Vroeger was een mens dood, levend of stervende. Van ons wordt respect verwacht voor het leven, voor de dood, maar ook respect voor die tussenfase. Ik herinner mij verpleegkundigen op de gerontopsychiatrische afdeling van het Sinai Centrum. “Mevrouw Cohen, lukt het nog een beetje? Uw kinderen zijn zojuist gekomen.” Vol liefde spraken ze tot de stervende, die aan de beademing lag, hoewel ze misschien wel al hersendood zou zijn verklaard als ze donor zou zijn geweest.  Maar was mevrouw Cohen dan al een stoffelijk overschot? Haar lichaam had nog temperatuur, haar hart klopte, alle orgaanfuncties waren intact en zij kreeg medicijnen toegediend. Als iemand het predicaat hersendood heeft verkregen, kan hij donor worden, want als we zeggen dat hij nog leeft… Weet u dat de donor medicatie krijgt tijdens de orgaandonatie procedure?  Medicatie geven aan en beademing van een stoffelijk overschot, is dat wel mogelijk?  Om tegenstribbelen tegen te gaan werd de donor aanvankelijk vastgebonden, maar nu krijgt hij spierverslappende middelen toegediend door de anesthesist. De indruk dat de donor actief verzet pleegt, wordt afgedaan als reflexen!

Genoeg over orgaandonaties. Een ander (gezelliger?) onderwerp: de koosjere slacht. Volgens de tegenstanders leeft de koe nog na de koosjere slacht, want er zijn reflexen. Hoort u het?  Reflexen van de koe zijn tekenen van leven, reflexen van de donor tekenen van dood?

En omdat er op z’n zachtst uitgedrukt twijfel bestaat over de status van de donor in de sterffase tussen leven en dood, is mijn mening: bij twijfel niet inhalen!

 

 

Column NIW 40

 

 

 

Inter Provinciaal Opper Rabbinaat

Postbus 7967, 1008 AD Amsterdam T 020 3018495 E rabbi.jacobs@ipor.nl

Het Rabbinaat omvat: Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Flevoland,

Noord-Holland (m.u.v. Amsterdam), Utrecht, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg