Welkom op de website van IPOR!

Het IPOR is het samenwerkingsorgaan van de Kehillot in de mediene.  Het samenwerkingsverband is een organisatie waarin de deelnemende kehillot  verenigd zijn op basis van vrijwilligheid. Het doel van het samenwerkingsverband is de bevordering van joods leven in de provincie. De organisatorische vormgeving zal in de loop der tijd een nieuwe vorm krijgen.

Betrapt met pet! Dagboek van een Opperrabbijn 2 december

Het is lastig om het midden te vinden tussen overdrijven en naïviteit. De gulden middenweg is de juiste weg om te bewandelen, dat moge duidelijk zijn. Maar waar ligt die gulden middenweg? Van een oudere intelligente dame, een moedige vrouw, had ik al enige weken niet meer vernomen. En dus belde ik haar op en bleek ze al een tijdje een beetje te sukkelen met haar gezondheid. Goed dat ik haar had gebeld, maar ik voel me wel schuldig dat ik nu pas, na een paar weken, haar afwezigheid had bemerkt. Ondertussen, omdat ik haar had gebeld, is ze een paar van mijn dagboeken gaan lezen en stuurt me de volgende reactie: “Beste rabbijn Jacobs. Ik lees uit uw dagboeken dat u veel mensen ontmoet met persoonlijke problemen en dat u zich ernstige zorgen maakt over het opkomend antisemitisme. Dat lijkt me erg zwaar. Ikzelf vind het verschrikkelijk die ervaringen te lezen. Het is me te veel. Ikzelf ben groot geworden met de woorden ‘mag niet, anders maken ze je dood’ gedurende de oorlog. En na de oorlog moest ik in geuren en kleuren alle verschrikkingen aanhoren van overlevenden van de kampen. Voor mij begon de oorlog na 5 mei ’45. Ik wil al die ellende die u moet aanhoren liever niet lezen.” En dus, na deze reactie, vraag ik me af wat de gulden middenweg is. Ik probeer te waarschuwen voor het opkomend antisemitisme, maar ik moet, mag en wil absoluut geen paniek zaaien en zeker niemand die al pijn heeft, nog meer pijn bezorgen. Heel veel WhatsApps ontvangen om ‘het Joodse geluid’ te laten horen over de rel rondom Forum voor Democratie. Maar wat is ‘het Joodse geluid’? En ben ik dan ‘het Joodse geluid’? Maar zwijgen? Een goede vriend van mij, een niet-joodse psychiater, heb ik mijn probleem voorgelegd. Als ik m’n mond open doe gaan sommigen gillen of doe ik, bijvoorbeeld deze moedige vrouw, onnodig pijn. En als ik zwijg krijg ik klachten dat ik niets laat horen. Zijn reactie was heel duidelijk: “Als je nu je mond niet opendoet, ben je voor mij geen rabbijn meer. En als mensen door jouw opmerkingen verdrietig worden, help ze. Dat is toch jouw primaire taak als rabbijn.” Maar naast zorgen over het opkomend antisemitisme en alle daaraan gekoppelde spanningen, begint Chanoeka erg dichtbij te komen. Vandaag een telefoontje uit Jeruzalem om tijdens het aansteken van de menora bij mij thuis, zonder gasten, een filmpje te maken met een oproep om ook als het buiten niet mogelijk is vanwege corona de menora aan te steken, het vooral wel binnen te doen. De oproep moet in het Nederlands na het aansteken van het derde lichtje. Een tweede telefoontje, ook vandaag dus, uit Brussel om, ook na het aansteken van het derde lichtje, een boodschap in het Engels over een niet-religieus onderwerp, maar wel over Chanoeka. En de derde opdracht/verzoek kwam uit Zuid-Amerika om een toespraak te houden in het Nederlands van 25 minuten. Dat zal aan nog zeven opperrabbijnen gevraagd worden. Iedere avond zal een rabbijn uit een ander land spreken en voor ondertiteling zal gezorgd worden. Los hiervan heb ik komende week ook nog drie tv-opnames over…Chanoeka! Na al die telefonische verzoeken voor TV, zoom, video’s, Whatsapps en YouTube vraag ik mezelf af of ik wellicht beter regisseur kan worden. Maar ondertussen zal ik de komende week keihard aan de voorbereiding moeten werken. Voor het opnemen van de video’s heb ik al een vrijwillige professional gevonden. Maar aan mij de teksten! Dat is ook een spanning, maar wel fijn. Maar toch geven al die problemen spanning, verdriet en teleurstelling. Het werd me een beetje te veel. En dus heb ik vanavond gespijbeld. Blouma en ik hebben de auto genomen, naar het strand gegaan. Uiteraard ging ik niet met mijn hoed op, maar met een pet. Even incognito. Uitwaaien. Heerlijk! We lopen nog geen twintig minuten op de boulevard, ruiken het water, voelen de wind of plotseling roept iemand achter mij: rabbijn Jacobs! Waarom draagt u geen hoed. U zegt toch altijd dat we niet moeten zwichten voor het antisemitisme en onze Joodse kleding moeten behouden gelijk onze voorouders in Egypte. U zegt toch altijd dat u niet bereid bent uw hoed in te wisselen voor een baseball-cap! Ik wist even niet wat te antwoorden, ik voelde me betrapt met mijn pet, maar de wandeling was wel erg verfrissend.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

“De arts belandt in de hel” Dagboek van een Opperrabbijn 1 December 2020,

Een bezoek aan iemand die ziek is neemt volgens het Jodendom een deel van zijn ziekte weg. Vandaar dat we dagelijks in het begin van het ochtendgebed vermelden dat het gebod om zieken te bezoeken vruchten afwerpt tijdens het aardse bestaan, maar de echte beloning wordt pas verkregen na dit aardse bestaan. Dit is mij natuurlijk al vele decennia bekend. En ik beken dat ik even zo lang tegen mezelf twijfelend zei: als een zieke maar genoeg bezoek krijgt, zou hij in principe gezond moeten worden. Daar heb je dus geen arts voor nodig! En het antwoord dat ik mezelf gaf was dan dat het natuurlijk niet zo letterlijk is als het er staat. Het is meer een beeldspraak. Met dat antwoord heb ik het al die jaren gedaan. Maar enige dagen geleden heb ik een passender antwoord gevonden, naar aanleiding van een ‘medisch’ advies dat ik aan iemand min of meer ongevraagd had gegeven. En ook naar aanleiding van een recent artikel in de weekend bijdrage van het RD.
In de Talmoed staat geschreven: “de beste der artsen belandt in de hel”. Het woord dat hier wordt gebruikt voor “de beste” is het Hebreeuwse woord “tov”. Ook als u het Hebreeuws niet beheerst dan nog kent u dit woord van bijvoorbeeld “mazzeltov” of van “een toffe jongen”. “Tov” betekent “goed”. Maar als dat zo is, wat vertelt ons dan de Talmoed met de bemerking dat “de beste der artsen belandt in de hel”? “Tov” is in numerieke waarde zeventien. Het hoofdgebed dat wij drie keer per dag uitspreken is het achttien gebed. Dit gebed wordt het achttien-gebed genoemd omdat er achttien lofzeggingen in voorkomen. Welke arts maakt een goede kans om na dit aardse bestaan in de hel te eindigen? Die artsen die weigeren om alle achttien lofzeggingen uit te spreken. Ze zijn bereid om er zeventien te vermelden. Zeventien keer G’d te danken. Maar de achttiende weigeren ze te zeggen, in die achttiende geloven ze niet: “Geprezen bent U onze G’d, die de zieken geneest”. Ze denken namelijk dat zij de zieken genezen! Vol hoogmoed benaderen zij hun patiënten, want zij, de dokteren, zijn immers de beslissers over leven en dood, over ziek en gezond. Artsen met zo’n opstelling belanden uiteindelijk in de hel.
Maar andersom werkt het ook. De arts die bescheidenheid uitstraalt, naar de patiënt luistert, meeleeft. Zo’n arts zal na dit aardse bestaan rijkelijk beloond worden. Maar dat niet alleen. Zijn begripvolle opstelling, zijn oprecht meeleven is voor de patiënten van wezenlijk belang. Ook bij een hopeloze medische diagnose zal de patiënt zich aanzienlijk minder gestresst voelen, want de arts leeft met hem mee. En daarover ging dat artikel in de bijlage van het RD. De genezende of op z’n minst de kalmerende werking die uitgaat van het woord van medeleven. De arts moet dus ook een beetje rabbijn zijn, zoals de rabbijn ook een beetje arts. Recentelijk had ik contact met een redelijk depressieve jonge vrouw. De pilletjes van de dokter nam ze niet, want ze had geen vertrouwen in het pilletje en al helemaal niet in de behandelend arts. Door goed naar haar te luisteren, door haar aandacht te geven, door oprecht begrip en medeleven te tonen, heb ik haar langzaam aan de medicatie gekregen en voelt ze zich recentelijk aanzienlijk beter. Pillen werken, maar woorden ook. En soms is medicatie de primaire genezer en het woord en begrip zijn slechts de hulptroepen. Maar vaak ook heeft het medicijn slechts een placebo werking en doet het woord de hoofdzaak. Toen het beroep “arts” nog niet bestond waren de rabbijnen vaak de artsen en de artsen de rabbijnen. De arts moet ervan doordrongen zijn dat hem door de Eeuwige de taak is gegeven om te genezen, maar dat alleen pilletjes niet voldoende zijn. En tegen mezelf zeg ik: wees er steeds van doordrongen hoe waardevol aandacht en begrip van de rabbijn kan zijn. Ik moet mezelf niet onderschatten en vooral in deze niet denken: wie ben ik? Hoogmoed: neen! Maar met valse bescheidenheid wordt ook niemand geholpen. Ja zeker, over het leven wordt uiteindelijk Boven beslist. Maar tot die beslissing er is………

Binyomin Jacobs, opperrabbijn

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

Dagboek van een opperrabbijn 30 november 2020

https://collive.com/91st-street-shul-shul-for-a-blossoming-neighborhood/

Klikt u even op deze link. Mijn zoon in New York heeft in zijn basement een sjoel. Waarom deel ik dat met u? Trotse vader? Zeker, maar daarom deel ik het niet. Vorige week mocht ik Amir en Annet Betsalel toespreken via een Zoom-bijeenkomst van de Joodse Gemeente Bussum. Even een uitleg: Amir is de chazan van deze bloeiende Joodse Gemeente. Ze zijn al vijfentwintig jaar in dienst van deze bloeiende  Joodse Gemeente. Ik schrijf heel duidelijk ‘ze’, want Annet is niet bepaald het type dat in de schaduw van Amir staat. Ze is ook zeer duidelijk aanwezig, zicht- en hoorbaar!  Als een van u, mijn trouwe dagboekeniers, nu denkt dat ik in de aanval ben en haar beticht van te luidruchtig, dan heeft u het mis. Net zoals Amir er altijd is voor zijn kehilla, zo ook is Annet 24/7 bereikbaar en aanwezig. Ze vierden dus beiden hun vijfentwintig-jarige-verbintenis met Joods Bussum. Vanaf deze plaats dus nogmaals: Mazzeltov! Mazzeltov! De nieuwe voorzitter van de Joodse Gemeente Miriam Nir had, met drie medebestuurders, een prachtige corona-proof party georganiseerd. Amir en Annet waren uitgenodigd ten huize van de oud-voorzitter Paul Joseph (Oud? Hoge leeftijd maar verre van oud). Daar stond een koosjer gecaterd diner klaar en na de maaltijd kwam bijna de hele kehilla op bezoek. Maar niet alleen de kehilla, ook kinderen en kleinkinderen vanuit de hele wereld. En ook ik mocht aanwezig zijn en gedurende drie minuten het jubilerende echtpaar toespreken. En dus ging mijn toespraakje over het getal drie. 1: Hashem (G’d), 2: het aardse en 3: de verbintenis leggen tussen Boven en het aardse: en dat is nu precies de taak van Amir en Annet die ze zo voortreffelijk tot uiting brengen, implementeren, om een modern woord te gebruiken. Maar ik heb nog iets gezegd, waarvan ik vermoed dat niet iedereen dat begrepen zal hebben en dat alles te maken heeft met bovenstaande link. Mijn zoon (Dovid) in Brooklyn New York heeft een sjoelgemeenschap opgericht, overigens al jaren geleden. Die sjoel groeide op de vorige locatie uit zijn voegen, is nu alweer enige jaren in zijn basement en dat is ook alweer te klein vanwege de groeiende gemeenschap. En dus gaan ze nu een echte grote sjoel bouwen, zoeken de publiciteit en hopen zo de financiën bijeen te krijgen. Maar daarvoor stuur ik u niet bovenstaande link! De naam van de sjoel is “Awraham Jitschak”. Jitschak was de schoonvader van een van de oprichters van de sjoel. Maar ook was hij een van de Rabbinale rechters van de grote chassidische Joodse gemeenschap van Crown Heights-Brooklyn. Omdat hij geen geld wilde verdienen met zijn rabbijn-schap was hij ook accountant en vanuit die hoedanigheid was hij de oudere collega van mijn zoon, die dus ook accountant is. Deze zeergeleerde rabbijn Yitschak overleed geheel onverwacht en op veel te jonge leeftijd.

Maar de sjoel draagt nog een naam: Awraham. Awremmel was het oudere broertje van Dovid, de oprichter van de sjoel. Onze Awremmel zl. overleed op 15-jarige leeftijd. In die sjoel leeft hij dus ook voort. Annet en Amir hebben ook een zoontje verloren als gevolg van een dramatische gebeurtenis. We delen onze werkzaamheden met Joods Nederland, maar ook delen we een soortgelijk verdriet dat een diepe en hechte band heeft gesmeed, wel en niet helaas. Volgens Blouma, die een ijzeren geheugen heeft, woonden Annet en Amir ten tijde van het drama nog in Oss en was het mijn idee dat Betsalel naar Bussum zou gaan. Ik herinner me dat niet meer, maar mocht dat kloppen (en dat zal haast wel als mijn Blouma dat zegt), dan ben ik erg trots dat ik de koppelaar ben geweest van die verbintenis. Jammer dat ik dan niet ook een persoonlijke mazzeltov heb gekregen van de Joodse Gemeente Bussum. Want als het klopt, had ik dat toch echt wel verdiend! Treur niet, bestuur van de Joods Gemeente. Ik ben bereid om alsnog de mazzeltov’s te ontvangen, want voor een mazzel-tov, (letterlijk: een goed gesternte) een goede wens, is het nooit te laat!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

“Zeer geachte Opperrabbijn”. Dagboek van een opperrabbijn 29 november 2020

“Steeds frequenter en steeds intenser lees ik de volgende aflevering van uw dagboek.

Het is voor mij (vooral) de ethiek, de aanwijzingen daarvan, waar (ook) ik zoveel aan heb. Zo belangrijk (vooral ook) in deze tijd.

Het is vooral ook zo belangrijk dat u ons daarmee richting geeft dat wij (vooral van u) zo nodig hebben.

Ik denk daarbij, om maar iets te noemen, wat dat betreft wat u zegt over de Ysselsteyn-kwestie. Wat mij zo goed doet is dat u uw eerste visie, resultaat van oppervlakkige waarneming, feitelijk gedeeltelijk herroept en nuanceert nadat u zelf in Ysselsteyn bent geweest en u uzelf heeft laten voorlichten en goed heeft geluisterd naar de achterliggende bedoeling, waardoor u de nuance kon aanbrengen.  Zeer gefeliciteerd.”

Bovenstaande geeft mij een goed gevoel, want ik ben mezelf voortdurend aan het afvragen of ik wel goed bezig ben. Ik herinner mij Prof. Hans Bloemendal, de chazan-voorzanger, die na afloop van een uitvoering meestal drijvend nat van het zweet was, zo heeft hij mij persoonlijk verteld. Altijd weer was hij bang niet optimaal te hebben gezongen! Als ik een toespraak houd of een lezing geef, voel en zie ik of het overkwam. Maar een digitaal dagboek dat bij de lezer ergens heel ver weg op een scherm verschijnt, verklapt geen enkele reactie. Ik weet zelfs niet of het wordt gelezen! En als er wel reacties zijn, dan verschijnen die op facebook, waartoe ikzelf geen toegang heb. Maar mijn doel en mijn opdracht als rabbijn is om mensen tot steun te zijn vanuit het Jodendom. En daarom was bovenstaande reactie belangrijk voor mij. Binnen dit kader was het ook fijn dat ik een korte bijdrage mocht leveren aan een vergadering van zakenmensen die bijeenkwamen om te spreken over de ethiek van het zakendoen. Ik heb daar de volgende geschiedenis verteld. Een succesvolle zakenman bracht een bezoek aan zijn Rebbe. Het was de eerste keer dat hij de Rebbe thuis bezocht en wat hem opviel was de armoedige inrichting. Alles wat nodig was, was er, maar meer dan ook niet. Rebbe, vroeg de zakenman, waarom woont u zo armoedig? Een man van uw niveau, met uw contacten en uw invloed behoort in een riante villa te wonen, niet in een armoedig flatje. Mag ik je wat vragen, vroeg de Rebbe op zijn beurt. Waar woon jij dan? Ik, antwoordde de zakenman, ik woon in een paleis van een huis met alle voorstelbare luxe. En, vroeg de Rebbe verder, als je voor inkopen naar Leipzig gaat, waar woon je dan? In Leipzig, waar ik slechts een paar keer per jaar kom, heb ik een flatje. Maar, zo vervolgde de Rebbe, het past toch niet voor een groot zakenman als u om in een eenvoudig flatje te vertoeven! Dat klopt antwoordde de zakenman, en daarom heb ik een schitterende woning in mijn vaste woon- en verblijfplaats, maar in Leipzig ben ik maar tijdelijk. Hetzelfde geldt voor mij ook, reageerde de Rebbe. Mijn vaste woonplaats bevindt zich na dit aardse bestaan en daar hoop ik een riante bungalow te verwerven. Maar mijn verblijf hier op aarde is slechts tijdelijk. Geld is een middel, maar geld is niet het doel, probeerde ik de zakenlui bij te brengen. Of ze het hebben begrepen, weet ik dus niet want niemand was aanwezig.

Omdat ik afgelopen week toch nog even voor een gesprek op mijn Rabbinaat was in Amsterdam, bemerkte ik post die daar al wekenlang op mij lag te wachten. Waarom niemand even de moeite had genomen om de post door te sturen, is mij onduidelijk. Een van de brieven was van meer dan een maand geleden. Een drama wordt beschreven. Een Joodse grootvader die door zijn niet-joodse vrouw wordt verraden en zo in Auschwitz belandt en vergast.  Na de oorlog werd de vrouw door haar kinderen voor het gerecht gedaagd en belandt ze in de gevangenis. Haar kinderen worden op verschillende adressen ondergebracht. Een van hen, die dus volgens de Joodse wet niet-joods is, is nu hoogbejaard en wil graag Joods begraven worden op een Joodse begraafplaats. Haar dochter vraagt mij om te helpen, hoe dat zou moeten weet ik nog niet. Maar zeker is dat ik mijn uiterste best ga doen, maar niet nadat ik eerst mijn excuus zal hebben aangeboden, want een brief van 18 oktober beantwoorden op 26 november, is niet juist, eigenlijk onacceptabel! Welke oplossing het zal zijn, weet ik dus niet, maar ik zal er alles aan doen om een oplossing te vinden. Aan mij om creatief te denken, zonder de halaga ook maar op enigerlei geweld aan te doen, want halaga is halaga. Halaga betekent ‘wet’, maar in het woord halaga zit ook het woord ‘beweging’. Of er bewogen kan worden in dezen en hoe die beweging zal zijn: We gaan het zien. En als het onverhoopt niet gaat lukken, omdat er geen beweging in te krijgen is? Dan heeft dat dan ook zo moeten zijn en gaan we dat accepteren. Maar eerst op zoek naar ruimte om te bewegen!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

Gedoopt ‘met de beste bedoelingen’. Dagboek van deen Opperrabbijn van 26 november 2020

Omdat ik bijna niet op het rabbinaatskantoor kom verstuur ik mijn papieren post, voor zover die nog bestaat, met een papieren enveloppe waarop ik een postzegel moet plakken. Omdat ik door mijn vorige tien postzegels heen was ging ik naar het postkantoor. Het postkantoor bestaat trouwens al heel lang niet meer in onze regio. Het is gewoon een kantoorboekwinkel die ook postzegels verkoopt en waar een doos staat waarin brieven gedeponeerd kunnen worden. Ik geef dus netjes aan dat ik een vel postzegels van €1 wil kopen. De mevrouw achter de balie en dus achter een plastic scherm, toont mij de postzegels en vraagt mij of de afbeeldingen op de postzegels aan mijn wens voldoen of dat ik misschien een ander soort postzegel wil hebben. Vervolgens, nadat ik ingestemd heb met de postzegels zoals ze mij die toonde en ik betaald had, wilde ik een van de postzegels op de enveloppe plakken die ik bij me had en die verstuurd moest worden. Ik had er nog even aan gedacht om de enveloppe op de weegschaal te leggen om te kijken of een postzegel van €1 voldoende was, maar op de weegschaal was een papier geplakt met daarop geschreven: storing. De dame achter de balie begreep kennelijk mijn twijfel en vroeg mij om haar mijn brief te geven opdat ze die kon wegen. En vervolgens legt ze de brief op de weegschaal waarop ‘storing’ stond en liet me weten dat €1 voldoende was. Ik vroeg me toen even af: wie is er gestoord: de weegschaal, de mevrouw achter de balie of ik? Maar na al deze extra service bij de aankoop van 12 postzegels, kwam de aap uit de mouw van de mevrouw achter de balie. ‘Mag ik u wat vragen? Wat vindt u van de hele toestand in de wereld rondom corona? Bent u ook van mening dat we allen in een trechter worden geplaatst?’ Ze heeft dus kennelijk het gevoel dat we door de Overheid of door de corona in een situatie belanden die onomkeerbaar aan het worden is. Ze was duidelijk erg bezorgd. Ik heb haar aangegeven dat uiteindelijk alles van Boven komt en dat we moeten aanvaarden zonder doemdenken en zonder onszelf in een trechter te duwen. Het wegen op de gestoorde weegschaal en de vraag aan mij of de afbeeldingen op de postzegels mij bevielen waren introducties die ze kennelijk nodig had om haar vraag te durven stellen. Ik verliet de winkel en hoop ik dat ik haar heb mogen helpen. Een onbelangrijk voorval, maar wie zegt mij dat deze ontmoeting minder waardevol was dan mijn quotes in het Financieel Dagblad in de krant van heden naar aanleiding van het gedoe rondom het Forum voor Democratie. Wat op onze weg komt moeten we oppakken, daar ligt op dat moment onze opdracht die van Hogerhand wordt aangereikt. Zo ook het gesprek rondom die postegels en zeker ook de ontmoeting die ik had met een overlevende van de oorlog. Als baby hadden zijn ouders hem weggegeven aan een katholieke vriendin. Zijn ouders werden vergast, de baby overleefde. Hij heeft nog wel herinneringen aan zijn onderduiktijd. Zo is hem bijgebleven dat zijn pleegouders hem ‘met de beste bedoelingen’ hebben laten dopen. Een Joods jongetje ‘met de beste bedoelingen’ laten dopen, gonsde het in mijn gedachte. Maar de uitleg volgde meteen. Het kleine Joodse mannetje had zowel hersenvliesontsteking alsook kinderverlamming gekregen, tegelijkertijd. Hij zou het niet overleven. Maar waar zou hij begraven moeten worden? De Joodse begraafplaats was natuurlijk niet aan de orde. Maar de Katholieke begraafplaats kon ook niet want hij was niet gedoopt. En dus hebben ze hem laten dopen opdat hij op z’n minst een graf zou kunnen krijgen. Laconiek reageert hij: ik kan nu dus alle kanten op! Het klinkt leuk, maar toont een tragedie. Hij is al decennialang bestuurder van een van de kleine Joodse gemeenten in ons land, omdat hij zich verbonden voelt met zijn ouders die hij nooit heeft gezien, maar die vermoord werden omdat ze Joden waren. Voor mij is deze man een held! En terwijl ik in het nu leef en vooruitdenk aan hoe we Chanoeka toch nog een beetje Chanoeka kunnen maken en dit jaar juist meer licht in duisternis, ben ik vandaag gebeld door Family7, door Christenen voor Israel en door EO-podcast van Margje Fikse NPO1 met het verzoek om mee te werken aan een oudejaars programma waarin ik met nog een aantal genodigden ga terugblikken op het afgelopen jaar, dat voor mij vandaag, met Chanoeka voor de boeg, nog lang niet voorbij is.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

Omdat het virus blijft: symptoombestrijding.  Dagboek van een Opperrabbijn, 25 november 2020

Ik ben nu officieel auteur! In het Joods Historisch Museum heb ik in aanwezigheid van Emile Schrijver mijn handtekening gezet onder het contract met uitgeverij Scholten. Er werden gedurende de korte ceremonie foto’s genomen en ik moest na afloop nog even wandelen met de uitgever en daar werden we, de uitgever en mijn persoontje, dan ook weer gefotografeerd. Hoe is dat boek tot stand gekomen? Wilde ik een boek? Had ik überhaupt gedacht aan een boek? Helemaal dus niet. Aan het begin van de coronatijd, net na Poerim, toen ik nog maar enige dagen in Montreal was om Pesach bij onze kinderen en kleinkinderen te vieren, kreeg ik een telefoontje van Prof. Emile Schrijver, directeur van het Joods Cultureel Kwartier. Of ik bereid was om een dagboek te schrijven met als titel: Opperrabbijn in coronatijd. Ik heb daar snel over nagedacht en omdat ik altijd met veel liefde “Kuifje in Afrika” had gelezen, trok het me wel “Opperrabbijn in Corona”. En wat zouden ze doen met dit dagboek? Nog niets. Te zijner tijd een tentoonstelling of een uitgave of niets. Ik dus braaf aan het schrijven vanuit het principe dat als iets op mijn weg komt, het wel een doel zal hebben. Maar na een paar weken schrijven met als enige lezer Emile Schrijver en ik inmiddels weer terug was in Nederland, belandde ik bij CIP, Christelijk Informatie Platform die mijn dagboeken erg graag online wilde zetten. Het zou uniek zijn volgens CIP: een opperrabbijn op een Christelijke site! Ondertussen plaatste ook Joods bij de EO drie keer per week mijn dagboek en verscheen het ook op een aantal andere Facebooken. Ik maar trouw en braaf schrijven en er maar op vertrouwen dat ik niet voor dovemans oren mijn tijd aan het verprutsen was/ben. Het dagboek belandde bij de EJA, European Jewish Association, en die lieten het vertalen in het Engels en ook daar wordt het één keer per week geplaatst. En naar ik langzaam begin te vernemen wordt het ook door Nederlanders in Israël gelezen. Maar wat is er nou zo interessant aan mijn dagboek? “Een inkijk in het leven van een rabbijn”, krijg ik steeds te horen. Maar begrijpen doe ik het nog steeds niet. Maar, en dat is een belangrijke regel in mijn leven, ik probeer niet alles te begrijpen.

Ik had een uitgebreid gesprekje (ik zet het maar even in het verkleinwoord omdat het gesprek van bijna een uur slechts vijf minuten had zullen zijn…) met een journalist over Forum voor Democratie. Uiteraard niet over hun politieke opstelling, want daarmee houd ik me niet bezig, maar over antisemitisme in ons land en dan specifiek de emotie rondom dit fenomeen. Welke oplossing ik zie. Heel simpel: ik zie geen oplossing. Antisemitisme was er, is er en zal blijven. Het is een onuitroeibaar virus. Is dat logisch, neen. Kunnen we er iets aan doen? Neen. Maar wel kunnen we werken aan het bestrijden van de symptomen. Het was een fijn gesprek dat voor mij ook erg interessant was. De journalist was namelijk toch wel erg verbaasd en geschrokken over de brede aanwezigheid van antisemitisme in onze huidige samenleving. Het leek nieuw voor hem. Dus het was goed dat ik hem heb gesproken. Hoe moet mijns inziens de symptoombestrijding worden aangepakt? Wat is de grote boosdoener? POLARISATIE.  En dus moet de nadruk liggen op de NUANCE. Maar, en nu ga ik weer terug naar mijn onbegrip over het kennelijke nut van mijn dagboek: hoezo belde de journalist naar mij om mijn mening te horen over Forum voor Democratie? Hoe wist hij van mijn bestaan? Hij had mijn dagboek een paar keer gelezen!

Ondertussen ligt Nijmegen nu definitief vast. De Menora wordt publiekelijk aangestoken op 15 december. Burgemeester zal spreken, de Nijmeegse rabbijn Mendel Levine steekt aan, muziek van mijn tandarts en daarna spreek ik. Even een korte uitleg over ‘muziek van mijn tandarts’. Hij is Joods, afkomstig uit Armenië (vluchteling), heeft in Israël gewoond, nu woonachtig in Nijmegen en heeft een tandartsenpraktijk genaamd Welcome in Arnhem. Klinkt dus erg Joods! Joden leven nu eenmaal erg verspreid over de wereld als gevolg van vluchten door de eeuwen heen. Op vliegvelden tref je, althans in mijn beleving, veel Joden. Als een kind uit een gezin in Bunschoten gaat verhuizen na zijn huwelijk naar bijvoorbeeld Amersfoort, is dat al heel wat, bijna een traumatische ervaring voor de ouders vanwege de afstand. Als wij onze kinderen willen zien, moeten wij per KLM en niet met de lokale bus of trein. Dat is ons normaal.  Als ik bij ‘mijn muzikale tandarts’ in de stoel zit is de helft van de tijd het gezeur in mijn mond en de andere helft kletsen we bij in het Ivriet over de situatie van Joods Nederland en in de rest van de wereld. Ook hij leest mijn dagboek, af en toe, zoals hij me vertelde. Ik denk trouwens dat het meer af is dan toe. Maar los hiervan ben ik benieuwd hoe de muziek van mijn tandarts, na het ontsteken van de Menora, zal klinken. Ik hoop beter dan het geluid van zijn boor.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

Zegt u maar jij. Dagboek van een Opperrabbijn 24 november 2020

Een voormalig leerling van mij ging solliciteren bij een niet nader te noemen instantie. Om die baan te krijgen moest er eerst een sollicitatiegesprek zijn. Twee weken geleden had dat plaatsgevonden. Voordien had hij mij advies gevraagd wat wel te vermelden en wat achterwege te laten. Onwaarheden vermelden, liegen dus, is absoluut niet toegestaan, maar het is niet altijd noodzakelijk en verstandig om ongevraagd alles ter sprake te brengen. Ik legde hem uit hoe mijns inziens het best zo’n gesprek in te gaan en om voor het begin van het gesprek aan de personeelschef, die ik toevallig kende, mijn hartelijke groeten over te brengen. Zogezegd, zo gedaan. Na een goed kwartier stond hij alweer op straat, terwijl voor zo’n gesprek een uur is uitgetrokken. Uitslag zou per e-mail worden bekend gemaakt. Vandaag ontving hij per e-mail de mededeling: aangenomen! En dus kreeg ik, meteen vandaag nog, per e-mail achter in mijn auto het mooie bericht met de toevoeging: dankzij uw groeten heb ik de baan gekregen. Zo’n e-mail achter in mijn auto ontvangen doet me goed. Ik heb van tijd tot tijd bevestiging nodig. Wat me niet goed doet is het achter in de auto zitten. Ik vind dat gewoonweg gênant. Helaas vanwege corona heb ik geen keus, maar dat als een koning achter in de auto zitten, stuit me tegen de borst. Als ik een taxi neem, ligt dat anders. Zo’n chauffeur wil liever niemand naast zich hebben, automatisch neem je achterin plaats. Maar een onbezoldigde chauffeur die mij rijdt omdat hij dat plezierig vindt, niet naast hem gaan zitten, ervaar ik als gênant. Überhaupt vind ik het lastig om ergens vooraan te gaan zitten, terwijl dat wel van mij verwacht wordt. Vaak, als ik ergens acte de préséance moet geven, word ik opgewacht door een delegatie, word ik naar mijn plaats begeleid, braaf handjes geven en vriendelijk knikken, vooral niemand vergeten. Ik kan daar eigenlijk helemaal niet tegen. Reden? Ik ben van nature verlegen. Misschien ziet u dat niet aan mij af, maar dat is wel de waarheid. Alleen ik besef dat ik vanuit mijn positie vooraan moet staan, ongeacht in welke hoedanigheid ik aanwezig ben, in functie of privé. Er bestaat voor mij nauwelijks een privé, zoals er ook bijna geen in functie bestaat: ik ben altijd en onder bijna alle omstandigheden ‘Rabbijn’. En in het spaarzame geval dat ik even niet als rabbijn herkenbaar aanwezig ben, ben ik toch nog altijd de zichtbare orthodoxe Jood. Je kunt het vergelijken met een rechter in toga die de Rechtbank betreedt als iedereen al zit. “De Rechtbank”, wordt uitgeroepen, waarop iedereen zich verheft. Toen ik pas als jonge en nog onervaren rabbijn in Nederland arriveerde en ik voor de eerste keer in de synagoge aanwezig was, kwam een vriend van mij de sjoel binnen en riep duidelijk hoorbaar, de dienst was nog niet begonnen, gut shabbos Binyomin. De toenmalige voorzitter raakte daarover redelijk geïrriteerd en maakte zeer wel duidelijk aan mijn vriendje: Je noemt de rabbijn niet bij z’n voornaam! En tegen mij: mijnheer Jacobs, u bent rabbijn, u wordt geacht steeds enige afstand te bewaren. Hoewel zo’n opstelling niet echt bij mij past, klopt het wel halagisch. Van de Joodse wet wordt een rabbijn geacht enige afstand te houden. Als ik, bijvoorbeeld in Antwerpen, in orthodox Joodse kringen vertoef, word ik in de derde persoon aangesproken. “Heeft u, mijnheer de rabbijn, een goede reis gehad?” Hoewel dit soort protocollaire beleefdheden mij tegen de borst stuiten, hoewel ik er inmiddels toch wel aan gewend ben en het lijdelijk onderga, is het wel van belang. Ondanks mijn jonge leeftijd werd ik ook door mensen die zelfs ouder waren dan mijn eigen ouders, gevraagd te bemiddelen bij bijvoorbeeld huwelijksconflicten. Een collega van mij die zich vanaf dag één bij de voornaam liet noemen, werd nooit gevraagd voor dit soort problematiek. Gevolg is wel dat hij nog steeds lijdt onder het gevoel niet met respect behandeld te worden en het niet aanvaardbaar vindt dat hij publiekelijk met zijn voornaam wordt aangekondigd. De witte jas van de dokter heeft een functie, gelijk de toga van de rechter. En dus schik ik me al jaren in mijn lot. Dit betekent overigens niet dat bijvoorbeeld de geneesheer-directeur van het Sinai Centrum en ik elkaar met U aanspraken. Absoluut niet. Maar als we over elkaar spraken, bijvoorbeeld bij een toespraak, was het Dr. Lansen en Opperrabbijn Jacobs. Doet me even denken aan: zegt u maar jij, want ik haat u.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

Ben ik rabbijn of predikant? Dagboek van een Opperrabbijn 23 november 2020

Het was vandaag een ouderwetse Mediene-dag. Gewoon om 7:30 uur in de auto, met chauffeur nr. 1 van Amersfoort naar Almere voor de maandagochtend sjoeldienst, snel-ontbijt in Amersfoort en daarna, met chauffeur nr.2 naar Winterswijk, Aalten, Borculo om vervolgens om 19:00 uur weer thuis te zijn in Amersfoort. En daarna, als een soort dagsluiting, een zoom-vergadering. Het was me het dagje dus wel. Onderweg bezig geweest met Chanoeka. Geregeld zijn nu Bourtange, Arnhem, Eindhoven en Kampen. Nijmegen is bijna rond. In deze plaatsen zal ik dus gewoon, gelijk andere jaren, aanwezig zijn. Uiteraard met alle RIVM-restricties. Maar onderweg was ik bezig met het organiseren van de eerste avond, donderdag 10 december om  19:30 uur een life-stream landelijke uitzending. In Winterswijk heb ik naast een paar bezoeken-met-mondkapje alle Thora-rollen in de sjoel gecontroleerd. Zijn ze wel of niet koosjer. En in Borculo een kijkje genomen in de deels gerestaureerde sjoel. Eens was hier een grote orthodox Joodse Gemeente. Nog slechts één Jood telt Borculo. Hij was een van de drie bestuursleden van de Stichting Synagoge Borculo die mij ontvingen. Alle drie gedreven om op z’n minst de herinnering aan wat eens was, levend te houden. Een plaquette met namen van de vermoorde Joden, het mikwa, boeken en relikwieën. Een reliëf plattegrond van Borculo voor de oorlog met lampjes van alle woningen en bedrijven die Joods waren. En terwijl ik dat bekijk vertelt mij de voorzitter dat de Stichting probeert om de sjoelruimte, die nu verhuurd is aan een sociale werkplaats, tot een educatief herinneringscentrum te maken, maar ze hebben het geld van de huur nodig. Ik voel boosheid opkomen. Wat is er gebeurd met alle Joodse huizen? Alle Joodse bankrekeningen? Een van de overlevenden, zo werd mij verteld, woonde na terugkomst in het huis van zijn opa, maar moest wel huur betalen. Neen, niet aan zijn opa, want die was vergast, maar aan de koopjesjager die in de oorlog het huis had overgenomen zonder een cent te betalen aan zijn opa. Ik ben trouwens vergeten of ik dat in Winterswijk heb gehoord vandaag of inderdaad in Borculo, want overal komt de oorlog boven. Maar het zou niet meer dan redelijk zijn als de Gemeente Borculo de sjoel aan de Stichting schenkt. Er is heel wat van ons gestolen.

Het waren fijne bezoekjes vandaag, maar de eenzaamheid is groot. Eens woonden al deze oudere mensen in bloeiende Joodse Gemeenten, nu zijn ze stuk voor stuk de laatste der Mohikanen. In Winterswijk vernam ik van de voorzitter dat haar zus in Israël dagelijks mijn dagboek leest. Dat is nou weer eens leuk. Mooi was ook te horen van de ambassadeur van Duitsland per e-mail dat hij in het NIW had gelezen in mijn dagboek dat ik net voordat ik bij hem kwam, mijn auto in de vangrail had gereden en dat hij daarvan niets had gemerkt in mijn houding. Zo hoort het. Als ik bezig ben met gebed, met een lezing, met een pastoraal gesprek of met een ambassadeur, dan moet ik niet ergens anders met mijn gedachten zijn. De Ba’al Shem Tov heeft ooit gezegd: de mens is waar zijn gedachten zijn. En dus was ik toen ik bij de Duitse Ambassadeur was, in zijn residentie, in gesprek met de ambassadeur en was mijn gedachte niet bij mijn nieuwe auto die ik net van de nodige deuken en krassen had voorzien.

Het slot van mijn werkzame dag was de zoom-vergadering van OJEC met vertegenwoordigers van Christelijke en Joodse organisaties. Een goede vergadering die van de voorzitter, Piet van Midden, een 7½ kreeg. Ik kreeg daar ook iets, wat voor mij volledig nieuw was. Het kan u niet ontgaan zijn in de loop van mijn dagboeken dat een rabbijn met van alles en nog wat bezig is. Maar heden heb ik een functie erbij gekregen die waarschijnlijk uniek in de hele wereld is. Er werd gesproken over de opstelling van de Kerk ten opzichte van Joden. Antisemitisme, antizionisme en bekering. Hoe het precies ter sprake kwam is me niet helemaal duidelijk, maar vanuit de Christelijke hoek kwam er kritiek op Christenen voor Israël. Christenen voor Israël zou als doel hebben het bekeren van Joden. Ik denk niet dat dit soort interne Christelijke meningsverschillen in deze groep aan de orde dienen te komen. Gelijk ook verschil tussen Traditioneel Jodendom en Reform niet in dit gremium thuishoort. Maar de aanval op Christenen voor Israël kwam dus toch ter sprake en aan mij, de rabbijn, werd verzocht om de Christenen voor Israël te hulp te komen en uitleg te geven waarom op grond van het Christelijk denken zending niet past bij Christenen voor Israël. Ik vroeg mezelf bijna af: ben ik rabbijn of predikant?

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

Hij werd uit de trein gegooid. Dagboek van een Opperrabbijn 22 november 2020

Een rustig weekend. Alleen vrijdagavond na de sjoeldienst werden we, toen we braaf voor het stoplicht stonden te wachten, vanuit een voorbijrijdende auto uitgescholden. Ik kon niet zo goed horen wat er precies werd gezegd, en dat was waarschijnlijk maar goed ook. Maar sjabbat ochtend werd er wederom vanuit een auto geroepen. En toen hoorde ik het wel: sjabbat sjalom! Uitzondering? Neen. Het aantal keren dat er door fietsers of vanuit auto’s mij een warm sjalom wordt toegeroepen, en op sjabbat zelfs sjabbat sjalom, overtreft de negatieve verwensingen volledig! Waarbij opgemerkt dat de verwensingen die me naar het hoofd worden geslingerd geen onderscheid maken tussen door-de-week en sjabbat, maar misschien weten de rijdende brullers het onderscheid tussen sjabbat en de andere dagen van de week niet zo goed doordat er op hun school geen aandacht is besteed aan het vak burgerschap. Misschien een idee voor de Inspectie van het Onderwijs om hiernaar eens te kijken! Wellicht kan dan het naschelden (of erger) op een educatieve manier voorkomen worden. En met erger bedoel ik dan het bekladden van een poster die oproept tot het naleven van coronamaatregelen met een davidster en een hakenkruis, gewoon hier in Nederland, in Etten-Leur. In Oekraïne ging het iets harder toe, afgelopen week. Ik kreeg beelden onder ogen van bekladdingen op een Joodse begraafplaats in Zhytomyr, nam meteen contact op met de rabbijn aldaar die ik goed ken en kreeg deze reactie: “We inform you that this happened not in Zhytomyr, but in the Zhytomyr region, in the city of Malin (Korosten district of Zhytomyr region). This event is already being dealt with by the competent authorities.” Goed dat van overheidswege dit wordt aangepakt, want in het verleden is er daar wel e.e.a. fout gegaan, om het even zachtjes uit te drukken. Ik doel op een gesprek dat mijn echtgenote had met een bejaard familielid. Enige weken geleden was het de 100ste sterfdag van de overgrootvader van mijn Blouma, Menachem Mendel Kaplan, de grootvader van haar vader. Op 56-jarige leeftijd was hij door Russische soldaten de trein uitgegooid toen hij onderweg was van Bobroisk naar Rostov en als Jood werd herkend. Enige tijd later is hij aan zijn verwondingen overleden. Nu was er door dat bejaarde familielid, een vitale kleindochter van 85, een zoom bijeenkomst georganiseerd van nazaten: derde, vierde en vijfde generatie. Honderdvijfendertig adressen namen deel vanuit tientallen plaatsen in Israël, Buenos Aires, Melbourne, New York, Montreal, Londen, Nederland, Florida, Detroit, Moskou en ik zal er nog wel een paar vergeten zijn. Indrukwekkend. Wat een éénheid, ondanks de diversiteit. Menachem Mendel Kaplan was een chassidische orthodoxe Jood en dus zijn veel nazaten ook orthodox levend. Maar velen ook niet meer. Door het communisme gedwongen hadden ze het religieuze Jodendom moeten verlaten. Op school was godsdienst een taboe (ik ben dankbaar dat wij in Nederland artikel 23 nog in de grondwet hebben staan!), maar ook was het levensgevaarlijk om thuis iets aan Jodendom, of enige andere vorm van religie, te bedrijven (ik verwacht niet dat dat in ons land kan gebeuren!). Als dat werd bemerkt, werden kinderen naar een communistisch opvoedingsgesticht gebracht en de ouders naar Siberië verbannen. Een van de nazaten, een professor aan de Universiteit van Moskou, wist niets meer van Jodendom en snakte naar informatie over zijn roots. De voormalige burgemeester van Arad (Israël) gaat jaarlijks naar de geboorteplaats van zijn grootvader om daar kadiesj voor hem te zeggen, hoewel hijzelf niet echt religieus levend is. Schrijnend kwam naar voren dat Menachem Mendel Kaplan elf broers en zusters moet hebben gehad. Dertig namen kwamen tijdens de zoom-bijeenkomst naar boven. Aviva, de 85-jarige initiatiefneemster van de virtuele reünie, heeft gepoogd bij Yad Vashem in Jeruzalem uit te vinden of er iets bekend was over hun plaats van overlijden…totaal onbekend! Niet alleen de locatie waar ze vermoord zouden zijn was niet te vinden, maar zelfs hun namen kwamen überhaupt niet voor in geen enkel register! Volledig verdwenen, met hun gezinnen. Ik denk terug aan mijn bezoeken aan Oekraïne, deel van de voormalige USSR. Op honderden plaatsen waren massagraven. Hele Joodse gemeenten werden letterlijk in een paar dagen volledig uitgeroeid. Niemand kent ze meer, niemand weet nog van hun bestaan. Zelfs Yad Vashem heeft nooit van ze gehoord. Ik ontmoette in Mariupol enige jaren geleden een hoogbejaarde vrouw die als meisje van negen jaar dichtbij de moord op 16.000 Joden woonde. Ze herinnerde zich het geschreeuw van de slachtoffers, het gebrul van de Duitse moordenaars. Eén baby hebben ze ’s nachts aangetroffen, weet ze te vertellen, die nog leefde. Een buurvrouw heeft die meegenomen. Die baby moet de enige overlevende zijn geweest. Maar waar die nu is? Of die baby van toen weet wie ze is? Mijn schoonmoeder heeft het beleg van Leningrad overleefd. Rondom Leningrad lagen de Duitsers, binnen de communisten. Haar broertje, zusje, vader en moeder zijn van de honger gestorven. Zij werd als weesmeisje van elf jaar van ziekenhuis naar ziekenhuis, van opvoedingsgesticht naar gesticht gebracht. Dat ze Joods was moest vooral verzwegen worden…Mijn schoonmoeder heeft het overleefd en nieuwe bewust Joodse generaties nagelaten. De grootvader van mijn schoonvader, Menachem Mendel Kaplan idem. Maar het werd wel duidelijk, en wordt steeds duidelijker dat hele Joodse gemeenten zijn weggevaagd zonder enig teken na te laten. Geen graf, geen geschiedenis, geen naam. Des te warmer klinkt dat sjabbat sjalom van gisteren nog na in mijn hoofd en ben ik dankbaar voor de vele warme contacten en vriendschappen die ik in de niet-joodse wereld heb mogen opbouwen. En voor nu: een goede week!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

 Ik voelde me gediscrimineerd. Dagboek van een Opperrabbijn 19 november 2020

De dag begon niet goed. Een gescheiden man uit Israël wil zijn jonge kinderen bezoeken die bij zijn ex in Nederland wonen. Dat deed hij twee keer per jaar, maar nu moet hij een visum hebben vanwege corona. En om dat visum te kunnen krijgen heeft hij mij gevraagd om een brief waarin ik verklaar dat ik hem ken en dat hij wat mij betreft meer dan welkom is in ons land, althans zo had ik het begrepen. Maar omdat hij zich per WhatsApp tot mij had gewend en de Whatsapp ‘naar beneden schuift’ en daardoor uit het zicht verdwijnt, was ik het vergeten. Ik verwijt mezelf deze omissie. Want juist dit soort hulp, achter de schermen, bij persoonlijke individuele drama’s helpen, daarvoor ben ik rabbijn. Ik dus alsnog in de telefoon, WhatsApp en email om deze vader te helpen. En terwijl ik mijn verklaring aan het typen was, kreeg ik een verzoek van een jonge joodse vrouw, die in Israel al meer dan vijf jaar woonachtig is, om iets op te lossen. Het Jood-zijn van haar man hebben ze nooit kunnen aantonen waardoor ze nooit een choepa hebben gehad en dat zit ze beiden dwars. Aan mij dus om te helpen zoeken naar bewijs van zijn Jood-zijn. Ik kan me voorstellen dat sommige van mijn dagboekeniers zich zullen afvragen waarom dit nagezocht moet worden. Je bent wie je bent! Maar zo eenvoudig is het niet. Ik ben momenteel met vier mensen in contact die willen weten of ze wel of niet Joods zijn. Het betreft nazaten van voorouders uit de voormalige USSR en uit Polen. De voorouders zijn gevlucht en om te voorkomen dat hun nazaten ook in Auschwitz zouden belanden, hebben ze hun Jood-zijn geheim gehouden. Bij vele nazaten zal hun Jood-zijn nooit aandacht krijgen omdat het geheel onbekend is. Maar vaak ook sijpelt er wel wat door en zitten nazaten, meestal kleinkinderen, met een emotioneel probleem. Dit kan zeker ook nazaten betreffen die misschien alleen maar één Joodse opa hadden en dus, halagisch beschouwd, niet Joods zijn. Maar toch willen ze weten of die opa wel/niet Joods was. Een van die vier is speciaal naar Oekraïne afgereisd op zoek naar haar Joodse wortels, hetgeen duidelijk aangeeft hoe gevoelig en belangrijk dit voor de betrokkene is en dus hoe dankbaar ik ben om hierin te begeleiden. Maar ik kan me voorstellen dat u zich afvraagt of ik me met dit soort problematiek moet bezighouden, speciaal dat als die ene opa inderdaad Joods zou zijn, dat kleinkind toch niet Joods is. Het antwoord op deze vraag las ik vandaag in een soort ‘gedachte van de dag’ chassidisch boekwerkje: “Waar een mens zich bevindt, daar is zijn plaats. Daar wordt van hem verlangd dat hij akkert, zaait om uiteindelijk te oogsten.” En dus hoor ik wat op mijn weg komt op te pakken, ongeacht of de nazaten uiteindelijk wel of niet Joods zijn! En dus heb ik ook de twee telefoontjes, een uit België en een uit Engeland, nauwkeurig aangehoord. Beide telefoontjes waren van mensen eind twintig op zoek naar een Joodse partner. Waarom ze mij bellen? Geen idee, maar als ze bellen, als het op mijn weg komt, moet ik luisteren en kijken wat ik kan doen. En wat heb ik dan hiermee gedaan? Ik gaf de telefoon aan mij echtgenote. Die heeft een soort fotografisch geheugen voor namen, gezichten en geschiedenis. Luistert de kandidaat aan en gaat meteen op zoek. Lukt het dan altijd? Helaas meestal niet, maar soms ook wel. En ook als het niet lukt, heeft de kandidaat een luisterend oor gekregen en ook dat is belangrijk. Maar soms moet ik ook afhaken, niet ingaan op een verzoek. Bijvoorbeeld een verzoek van iemand die een gioer zou hebben gedaan en die door het Opperrabbinaat van Londen, een gerenommeerd collega, niet erkend wordt en vervolgens bijval verzoekt van mij. Daar doe ik dus niet aan mee, ik laat me niet uitspelen. Indien de persoon mijn hulp zou hebben gevraagd, advies hoe te handelen, akkoord. Maar een epistel naar mij waarin de vloer wordt aangeveegd met collega’s, terwijl ik de persoon nog nooit heb ontmoet, niet ken en hij geen enkele connectie heeft met Nederland, dan verdwijnt de e-mail in de Prullenbak.  Na nog een aantal van dit soort e-mails te hebben verwerkt, was er een vergadering van OJEC, Overlegorgaan Joden-Christenen. Prima bijeenkomst waar uiteraard ook de Schuldverklaring vanuit de Kerken werd behandeld. En voordat ik mijn computer sluit en me richting nachtrust begeef, blik ik terug op een volle dag. Wat viel me vandaag op? Wat was anders dan andere dagen? Ik voelde me gediscrimineerd! Ik heb gisteren mijn nieuwe baan als ROVA-medewerker bekend gemaakt. Voor hen die mijn dagboek van gisteren niet hebben gelezen: we kregen een nieuwe vorm van inzamelen van afval. Het gaat over een stuk of vijf separate containers waarvan een met een pasje werkt, drie worden afgehaald van huis via drie anders gekleurde kliko’s en twee andere soorten moeten worden afgeleverd aan het eind van onze straat. En daar werd ik gediscrimineerd! Bij de glasafvalcontainer kan ik niet zomaar het glas erin stoppen, maar moet ik onderscheid maken tussen wit, groen en bruin glas. Wit lukt me, daarmee kan ik leven. Maar groen en bruin is voor mij een crime: ik ben namelijk kleurenblind.  Het verschil tussen groen en bruin wordt door mij niet (h)erkend, gelijk het verschil tussen geel en oranje, blauw en paars, donkerrood en zwart……Ik voelde me dus daar voor die glasbak redelijk onnozel en zelfs een beetje gediscrimineerd!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/