Namenmonument voor omgebrachte Joden uit Leeuwarden

 

PREMIUM

Het beste van De Telegraaf

Namenmonument voor omgebrachte Joden uit Leeuwarden

Opperrabbijn Binyomin Jacobs gruwt van Jodenster bij coronaprotest: ’Onderduikers kwamen jaren niet naar buiten’

Door MAARTEN PENNEWAARD

Updated Gisteren, 16:28Gisteren, 15:01 in BINNENLAND

LEEUWARDEN – Optimistisch of somber? Opperrabbijn Binyomin Jacobs laat zich niet uit in zulke termen. „Ik ben alert. Ik zie een toenemend antisemitisme in de samenleving, maar ik peins er niet over om Nederland te verlaten.”

 

Wordt komende donderdag een mooie dag, als hij in Leeuwarden de onthulling bijwoont van het namenmonument voor de 544 in de oorlog omgebrachte Joden uit de stad?

Mooi? Feestelijk? Alweer woorden waar hij niets mee kan. „Het is een tragedie, er is níets feestelijks aan zo’n monument. De aanleiding van de onthulling is immers een drama”, zegt de orthodox-joodse opperrabbijn Binyomin Jacobs (72). Nou ja, vooruit: „Dát het monument er nu komt, is goed.”

Hij ontvangt thuis, in zijn woning in Amersfoort, waar hij al 47 jaar woont. De doorzonwoonkamer is zijn kantoor. Een gigantische boekenkast van voor tot achter, en meer boeken op andere plekken. „Ik ben mijn huiskamer kwijtgeraakt”, zegt zijn vrouw met een glimlach. „Boven staan nóg meer boeken…”

Jacobs is het gezicht van Joods Nederland. Sinds 1985 vervult hij de functie van opperrabbijn. Hij reist stad en land af, geeft lezingen, voert overleg. En wordt gebeld, veel gebeld. Tijdens het interview gaat geregeld de telefoon en hij beantwoordt iedereen rustig. Hij is een baken waar de Joodse gemeenschap op koerst.

Monument bij school

Leeuwarden kent hij goed, in de jaren tachtig gaf hij er les op de Joodse school, die toen bestond. Donderdag wordt bij de plek waar de school was gevestigd het namenmonument onthuld. Scholieren die onderzoek deden naar de levens van een aantal weggevoerde Joden zijn ook betrokken bij de plechtigheid, net als burgemeester Sybrand Buma.

„Ik heb Friese roots”, zegt Jacobs. Zijn oma kwam uit Sneek, haar vader en broers uit Leeuwarden. De Friese hoofdstad kende, voor de oorlog losbarstte en de Jodenvervolging plaatsvond, een bloeiende Joodse gemeenschap.

Weggevaagd

De tragedie die zich hier voltrok is ongemakkelijk groot. Van de 700 Joden vonden 544 in de oorlog de dood. „Je kunt het niet eens decimeren noemen”, vindt Jacobs. „De gemeenschap is vrijwel volledig weggevaagd.”

Het percentage Joodse oorlogsslachtoffers uit Leeuwarden ligt zelfs nog boven het Nederlandse gemiddelde: van de 140.000 Nederlandse Joden in 1940 waren er in 1945 nog 38.000 over.

Namenmonumenten zijn meer dan 75 jaar na het einde van de oorlog nog steeds van groot belang, zegt de opperrabbijn. „Ze geven de mensen die vermoord zijn en nooit een graf hebben gekend omdat ze verbrand zijn, in zekere zin toch hun graf. De plek op de Joodse begraafplaats waar ze ooit zouden liggen blijft altijd leeg, maar zo’n monument geeft ze letterlijk hun naam terug. Ze hebben bestaan.”

Maar het monument moet nog wat doen: „Het is een waarschuwing, met een educatief doel. Kijk wat er kan gebeuren. Ik bedoel: het is in zekere zin makkelijk om Auschwitz te veroordelen. Maar als het dichterbij komt…”

De afgelopen jaren zijn in tal van plaatsen monumenten geplaatst en recent opende Amsterdam het Holocaust Namenmonument met de namen van alle 102.000 door de oorlog omgekomen Joden uit Nederland. „En in plaatsen als Nijmegen, Bourtange, Zandvoort, Haarlem en Maastricht zijn ook monumenten opgericht.”

Jacobs vroeg een burgemeester waarom de meeste gedenktekens zo lang na de oorlog verschenen: „Nou, zei hij, mijn voorganger wilde liever niet over de oorlog praten.” Begrijpelijk, aldus Jacobs. „Want die voorganger deed waarschijnlijk mee aan de deportaties. Van alle burgemeesters ging 5 procent in het verzet en deed 5 procent fanatiek mee met de Duitsers. 90 procent liet het allemaal gebeuren…”

Jodenhaat

Waarschuwen tegen de verschrikkingen van toen zijn nodig. De rabbijn kreeg zelf al eens een steen door de ruit. „Ik zie het antisemitisme toenemen. Waar ik dat aan merk? Kijk maar naar de camera’s bij mijn woning. Die heb ik niet geplaatst, dat heeft de politie gedaan. Vroeger ging ik gewoon met de trein naar Leeuwarden, nu wordt mij afgeraden het openbaar vervoer te gebruiken.”

Bang zegt Jacobs niet te zijn. „Ik ben alert. Het is mooi dat de overheid voor mij zorgt. De officier van justitie nodigde mij eens uit voor een gesprek.” Gekscherend: „Ik dacht dat ik een boete had gekregen. Maar hij zei: wij willen u beveiligen. Dat geeft een goed gevoel, maar het is niet leuk.”

Nederland is een multiculturele samenleving. „Dat is prachtig, alle mensen die hier komen uit andere landen mogen hun cultuur laten bloeien – mits zij dit ook andere culturen gunnen.” Daar gaat het niet goed, signaleert hij, en hierin valt de overheid iets te verwijten.

„Ik werd ziedend van de discussie over Afghaanse vluchtelingen. Die mensen moeten we opvangen, dat spreekt vanzelf.” Het gekissebis over wie wel en wie niet en hoeveel dan precies – zulk politiek gekrakeel gaat nu juist langs de kern waar het volgens Jacobs om zou moeten draaien.

„Wij hebben als samenleving de taak die mensen op te vangen. Met bed, brood en bad. Maar we moeten ze óók duidelijk maken wat onze basisnormen zijn. Afghanistan is het meest fanatieke, extremistische moslimland dat er is. Het is antisemitisch, anti-vrouw en laten we het maar niet hebben over wat ze ervan vinden als je een andere geaardheid hebt.”

Aartsvijand

Maar, zegt Jacobs: daar kunnen de mensen in dat land niets aan doen. „Zo zijn ze opgevoed, dit hebben ze geleerd. Een vrouw is een gebruiksvoorwerp en een Jood is je aartsvijand. Als wij deze mensen opvangen maar niets doen aan die denkbeelden, zijn zíj dan schuldig als er iets gebeurt? Nee! Wíj zijn dan schuldig.”

Educatie is de sleutel naar succes, doceert Jacobs. „Ouders, school, inburgering – daar moet het gebeuren.” Hij is blij met de betrokkenheid van scholieren bij het namenproject, maar stelt wel de vraag: „Hoeveel hebben hieraan meegedaan en hoeveel zijn er in heel Leeuwarden? Deze leerlingen komen van één school, waar zijn de andere?”

Daarbij komt nog wat anders, zegt hij. „School is niet alleen een instituut voor kennisoverdracht, maar heeft ook als taak mensen te vormen.” Dan gaat het om leven in een pluriforme samenleving, onafhankelijk denken, inzicht in levensbeschouwing en religies.

Angst

Die taak wordt te vaak te beperkt opgepakt, vindt de opperrabbijn. „Uit angst, want als ze het wel doen worden moslims boos. Maar als een school er niet in slaagt kinderen te vormen maar wel kennis overbrengt, kun je misvormde kinderen krijgen. En dat kan rampzalig zijn.”

De maatschappelijke erosie van het denken over de Jodenster is een goed voorbeeld, zegt Jacobs. Dat dit symbool van de Jodenvervolging door tegenstanders van coronamaatregelen wordt gebruikt is „volstrekt onacceptabel.” Tijdens demonstraties dragen betogers de gele ster om uit te dragen dat zij zich door de overheid ernstig beknot voelen in hun vrijheid.

„Gemiddeld kwam een Joodse onderduiker in de oorlog twee jaar en acht maanden niet buiten. Kun je dat vergelijken met de avondklok die we hadden, dat je ’s avonds na tien uur niet naar buiten mocht? Joden konden niet naar buiten, omdat hen daar kwaad werd gedaan.”

Onder de scholieren van christelijk gymnasium Beyers Naudé, die onderzoek deden naar Joodse oorlogsslachtoffers, zijn de opvattingen over het dragen van de ster verdeeld. „Van dat symbool moet je afblijven, het is te groot”, zegt de een. Maar een andere leerling stelt: „Ik kan ergens wel begrijpen dat demonstranten de Jodenster droegen. Want hun wordt ook iets afgenomen.”

Jacobs, lichtelijk verbaasd: „Zeiden ze dat? Dan moet hun docent daar een goed gesprek over gaan voeren.”

Dan, ferm: „Er is maar één antwoord om te voorkomen dat de Holocaust ooit weer gebeurt. Educatie, educatie, educatie!”

bron 9-10-2021

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *