Dagboek van de Opperrabbijn, 17 oktober 2021

Dagelijks een dagboek schrijven is eenvoudiger dan een paar keer per week. Reden? Er gebeurt dagelijks iets dat het vermelden waard is. Maar nu ik nog maar twee keer per week aan het dagboekenieren ben, moet ik selecteren en dat vergt denkwerk met verhoogd risico op moe worden. Donderdag jl. was een bijzondere dag. Eerst in Leeuwarden de onthulling van de Namenwand met de namen van de 544 Joden van de 700 tellende Joodse Gemeente die vermoord werden en daarna Steenwijk. Het was een indrukwekkende onthulling. Onthulling? Het was een dag vullend programma. Eerst ontvangst in de voormalige Joodse School, rondleiding door de voormalige Joodse wijk waarbij voor de diverse panden grote foto’s stonden van de voormalige bewoners, die allen vermoord werden. En toen begon het. De onthulling zou pas om 16:00 uur zijn en het was pas 14:00 uur? Na de rondleiding door de Joodse buurt werden we afgeleverd bij een zaal. In deze zaal had midden in de oorlog de receptie plaatsgevonden van het huwelijk van het echtpaar Boers. Meer dan honderd gasten waren midden in die donkere tijd aanwezig. En daar zaten wij nu, in afwachting van de onthulling van het namenmonument. En toen, geheel onverwachts, begon het. We zaten midden in een toneelstuk. Rondom ons vond de choepa plaats en werd het leven van bruid en bruidegom gespeeld. Maar het bleef niet feestelijk. Hun vlucht uit Nederland, hun trektocht over de Pyreneeën. De diverse personen langs wiens huizen we zojuist hadden gelopen, traden op en vertelden over hun leven en over hun dood in Sobibor, Auschwitz of elders. Deze opvoering had ik eigenlijk liever niet meegemaakt want het hakte er hard op in. Het was een keiharde confrontatie. En toen allen naar buiten voor de onthulling. En daar bij die plechtigheid 3 x 2 studenten die allen een van de vroegere bewoners van de Joodse Gemeente Leeuwarden bespraken: mijn naam is x en op datum y werd ik vermoord in Sobibor. Burgemeester Buma refereerde aan zijn Joodse grootmoeder en het geheim dat rondom haar Jood-zijn aanwezig was. Toen de tante van Buma was overleden, na een natuurlijke dood, nog niet zo lang geleden, werd er een koffertje gevonden en kwam haar Jood-zijn boven water, haar zorgvuldig verborgen identiteit. Omdat de namenwand vele Sandersen kende, en Sanders de meisjesnaam van mijn oma was, had ik meer dan anders het gevoel: wat fijn dat mijn voorouders toch nog een grafzerk kregen, maar dan zonder graf. Hoe het kon gebeuren dat een grote Joodse Gemeente werd afgeslacht, vergast, uitgeroeid? Het was niet alleen de fout van het kleine percentage collaborateurs. Het probleem lag bij de grote stille meute die kuddegedrag vertoonde en de weg koos die hen toentertijd het meest opleverde: voor iedere verraden Jood €7,50 kopgeld. En in beter tijden zelfs €40 pp!

Vanwege die kudde, die in de jaren ’40-’45 met de volledig verkeerde kant optrok, bestond er zoiets als een collectief schuldgevoel bij de gemiddelde Nederlander na de oorlog. Toen enige maanden geleden 18 orthodox-Joodse meisjes uit een KLM vlucht waren gezet (na de landing!), sprak ik een voormalig Minister en gaf aan dat ik voor hen, dankzij mijn netwerk, heb kunnen regelen dat ze sjabbat niet op Schiphol hoefden te blijven. En, zo vervolgde ik, of het terecht of onterecht was dat de meisjes uit het vliegtuig werden gezet, weet ik niet, want wellicht hadden ze het er zelf naar gemaakt. Maar ik werd redelijk bruut gecorrigeerd door de voormalige Staatsman met de woorden: Als Nederlandse samenleving moeten we altijd opkomen voor de Jood, want in de jaren ’40-’45 hebben wij keihard gefaald. Met dat falen ben ik het volledig eens, maar om dan zover te gaan dat er niet meer gekeken mag worden of recht krom is en krom recht, gaat voor mij te ver.

Wat ik niet te ver vind te gaan is: het strafbaar stellen van het ontkennen van de Tweede Wereldoorlog. In en in triest dat aan de ontkenning een straf gekoppeld moet worden. Kennelijk wordt er niet meer gevoeld hoe ingrijpend, mensonwaardig en crimineel het Nazi-regime met hulp van het grootste deel van de Nederlandsche bevolking heeft huisgehouden. Resultaat: 544 vermoorde Joden. Het monument is indrukwekkend en de geschiedenis onacceptabel.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *