Dagboek van de Opperrabbijn 26 febr. 2023

Het is nu zondag, een nieuwe week met uiteraard nieuwe uitdagingen. Maar laat ik eerst terugblikken, want het was me het weekje wel. Een telefoontje van een collega rabbijn uit Bakoe. De ambassadeur van  Azerbeidzjan, zijn  goede vriend, was ambassadeur in Frankrijk, daarvoor in het Vaticaan en sinds kort zit hij in Nederland. Of ik hem s.v.p. kan uitnodigen want hij wil graag kennis maken en bekijken wat Joods-Nederland en hij samen kunnen doen.  Nu moet ik heel eerlijk bekennen dat ik zeer weinig afwist van Azerbeidzjan. Nauwelijks van gehoord en ik weet al helemaal niet met welke landen het zijn grenzen deelt. En of en zo ja met wie het in oorlog is. Gelijk de gemiddelde Amerikaan het verschil tussen Amsterdam en Kopenhagen niet kent, zo zijn voor mij Azerbeidzjan, Armenië, Moldavië, Kazakstan en nog een aantal landen wier namen ik niet eens kan neerschrijven, onbekende grootheden. Inmiddels heb ik hem dus ontmoet en ben ik drie prachtige boeken rijker geworden: een met foto’s over tapijten, een met foto’s van koperen gebruiksvoorwerpen en de derde met foto’s van monumenten. En, voor mij het meest nuttig, een enorme doos met thee uit de diverse streken in Azerbeidzjan. Interessant is dat ik, nadat ik het contact al in een eerder dagboek had vermeld, gewaarschuwd ben dat Azerbeidzjan meewerkt aan het transport van wapens uit Iran naar Rusland. Ik dus meteen gaan onderzoeken met als resultaat dat juist het tegendeel waar blijkt te zijn. Ondertussen kijk ik hoe dit contact gebruikt kan worden ten faveure van onze Joodse Gemeenschap en/of Israël. Interessant is dat deze ambassadeur bereid is om ook naar Brussel te komen en te kijken naar samenwerking op Europees niveau, terwijl normaliter een ambassadeur nooit bereid is om buiten de grenzen van het land waar hij is gestationeerd te gaan werken. Maar, zo heeft men mij uitgelegd, omdat Azerbeidzjan niet echt een democratie is, gelden daar andere regels en is het normaal van hun niet altijd het normaal van ons.

Vorige week zondag was ik in Potsdam voor de inwijding van een nieuwe Thora-rol ter nagedachtenis aan de rabbijn van Potsdam die het afgelopen jaar geheel onverwacht en nog nauwelijks 50 jaar oud, was overleden. De bijeenkomst was perfect georganiseerd en was een samenvloeisel van vreugde, vanwege de nieuwe Thora-rol voor de lokale synagoge, en intens verdriet. Hoewel ik hieraan al in een eerder dagboek aandacht had besteed, vermeld ik het hier nogmaals, omdat het blijft nagonzen in mijn gedachten en de ontmoeting met vele jonge Duitse rabbijnen geleid heeft tot nieuwe contacten en ik als resultaat door drie jonge rabbijnen ben ingeschakeld om hen te assisteren met lokale probleempjes, als een soort opa-rabbijn of iets professioneler geformuleerd: de nestor-rabbijn van de RCE, Rabbinical Center of Europe.

De opening van de tentoonstelling in het Joods Museum zit nog verser in mijn geheugen en mijn eigen ‘hoekje’ heeft tot een aantal WhatsApps geleid met complimenten voor het bereiken van, zoals een van de WhatsApp-schrijvers aangaf, deze mijlpaal in mijn leven. Wat er precies de mijlpaal aan is, weet ik niet. Overigens was/ben ik al op meerdere plaatsen te bekijken! In museum Heilig Land Stichting bij Nijmegen draait al bijna veertig jaar een uitleg op een beeldscherm van mij over de betekenis van een synagoge. Het valt op dat mijn baard toen zwart was. Eigenlijk was mijn baard, zo heeft men mij verteld, donker bruin, maar vanwege mijn kleurenblindheid en omdat het een zwart-wit video was, oogde de baard dus aanzienlijk donkerder dan mijn huidige witgrijze. Op de video in de synagoge van Bourtange, dat zich afgelopen jaar op meer dan 100.000 (!) bezoekers mocht verheugen, ben ik ook weer aan de synagoge-uitleg. Idem in de Sjoel van Elburg en in het Joods Museum zelf draait er ook een filmpje van weleer waarin ik in de sjoel van Amersfoort, die over vier jaar zijn 300ste verjaardag groots gaat vieren, het interieur beschrijf. Op de foto van mijn Joods Museum hoekje ziet u links mijn gedrukte dagboek, dat inmiddels al in de tweede druk zit, mijn hoed in het midden en rechts een klok. En op de achtergrond mijn kantoor. Kantoor klinkt een beetje overdreven, want het is een bescheiden hoekje in onze woonkamer met een dure en pijlsnelle computer, een groot beeldscherm en de nodige telefoons. Jacobs-aan-het dagelijks/nachtelijks-werk. De drie objecten tonen wie en wat ik ben. Het dagboek staat voor communicatie, mijn hoed voor representatie en die klok geeft mijn band weer met mijn Nederlands-Joodse verleden. Die klok was namelijk een geschenk aan de grootvader van mijn oma die de Opperrabbijn was van Overijssel en waarnemend Opperrabbijn van Brabant. Hij had die klok gekregen ter gelegenheid van zijn vijfentwintigste jubileum. Opperrabbijn Dr. Jacob Fränkel was een bron van inspiratie voor mij. Mijn oma, die ik goed heb gekend, heeft haar opa, de Opperrabbijn, op haar beurt ook weer goed gekend en heeft mij regelmatig over hem verteld. En zo werd hij mijn bron van inspiratie.

Overigens miste ik de opening van de tentoonstelling doordat ik in een ongekend lange file tussen Den Haag en Amsterdam was beland. Maar voor de ontvangst, na afloop van de officiële opening, was ik nog wel op tijd. Wat ik in Den Haag deed? Mijn vriend Awraham Soetendorp vierde daar zijn 80ste verjaardag. Hoewel ik maar kortstondig aanwezig kon zijn, vanwege die opening van de tentoonstelling in het Joods Museum, vond ik toch dat ik niet mocht ontbreken en dus waren we er. We, is dus mijn eigen persoontje en mijn Blouma. Onze aanwezigheid werd buitengewoon gewaardeerd en was het resultaat van een persoonlijke vriendschap die in de loop der jaren was ontstaan.

Ondertussen stopte het gewone rabbinale werk uiteraard niet en was ik vandaag echt ‘gewoon’ bezig. Gewoon is voor mij het beantwoorden van e-mails, het plegen van telefoontjes en vooral het afleggen van een pastoraal bezoek. Pastoraal vind ik overigens een naar woord, klinkt niet erg Joods, maar u begrijpt wat ik bedoel. Gewoon contact houden. Bezoeken, niet met een bepaald doel voor ogen, maar gewoon om te zien hoe het met mijn schaapjes gaat en tegelijkertijd om te tonen dat ik ze niet vergeten ben. Naar buiten treden is noodzakelijk, maar intern actief zijn is mijns inziens nog veel noodzakelijker.

 

 

Gedurende de coronatijd begon

Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

RSS
Follow by Email