En toch ben ik happy met mijn baantje. Dagboek van de Opperrrabbijn 24 oktober 2021

We waren het weekend in Londen. Zondag was de sterfdag van mijn schoonvader en tevens vierde een van onze kleindochters haar Bat Mitswa. Voeg dan daaraan toe dat ik door een virus ben getroffen en er heel veel gezeur was rondom de betaling van mijn kantoor, en u zult dus niet verbaasd zijn dat nu een redelijk vermoeide rabbijn zijn dagboek zit te schrijven. Wat het meest vermoeiend is met het gezeur over mijn kamer, is niet het probleem van ‘zoete lieve Gerritje…’, want dat gaat gewoon na enige discussie zeker opgelost worden, want zo ingewikkeld is het niet. En bovendien is het ook niet mijn probleem, maar het probleem van mijn bestuurders. Wat mij stoort is de verhalen die eromheen worden gefabriceerd.

Ik leg het uit: A: Heb je het al gehoord? Reb Moshe heeft gestolen! B: Reb Moshe gestolen, zo’n grote rabbijn en zo’n vrome man? Hoe weet jij dat het klopt? Van wie heb jij het gehoord? A: van Z. B gaat naar Z en vraagt hem: Klopt het dat Reb Moshe gestolen heeft? Z: Dat klopt, maar hij heeft niet zomaar gestolen, hij heeft van sjoel gestolen. B: Maar hoe weet jij dat het klopt? Reb Moshe is zo’n vrome gelovige man. Hoe kan hij nou gaan stelen. Okay, niet zomaar een ordinaire diefstal, maar van sjoel. Dat kan toch niet. Van wie heb jij dat gehoord? Z: Y wist me dat te vertellen. En dus gaat B naar Y: Klopt het dat Reb Moshe van sjoel heeft gestolen? Zo’n vrome man, dat is toch haast ondenkbaar! Waarop Y reageert: het klopt dat hij van sjoel heeft gestolen, maar niet zomaar iets, neen, een Sefer Thora, een Thora-rol. B: Toch begrijp ik dat niet, want een Sefer Thora kost toch al gauw zo’n €60.000! Hoe kon Reb Moshe dat stelen? Van wie heb je dat gehoord? Van X. B gaat vervolgens naar X en vraag aan X: Klopt het dat Reb Moshe een Sefer Thora heeft gestolen? X: Dat klopt! B: Weet je zeker dat Reb Moshe inderdaad een Sefer Thora heeft gestolen en van wie heb je dat dan gehoord? Y: van W!  B gaat vervolgens naar W en vraagt aan W: Klopt het dat Reb Moshe een Sefer Thora uit sjoel heeft gestolen? Neen, antwoordt W, geen Sefer Thora, maar een gewoon sefer (Joods boek) en dat kost maar €25,00. Toch begrijpt B. het niet, want ook een sefer-boek kost geld. Hoe kan Reb Moshe die zo vroom en godvrezend is, gestolen hebben? Van wie heb je dat gehoord? W: Van V! En dus gaat B naar V met de vraag of het klopt dat Reb Moshe een sefer heeft gestolen. Waarop V verbaasd reageert: Reb Moshe heeft niets gestolen. Reb Moshe hield een toespraak en er werd gezegd dat hij zijn toespraak uit een sefer, uit een boek, had gestolen.  En zo wordt er gefantaseerd en wordt van een mug een olifant gemaakt. Wat is er aan de hand met mijn kamer en met de ‘gestolen’ toespraak? Kwaadsprekerij, roddel, achterklap.

En terwijl ik dit dagboek nog niet heb afgeschreven, krijg ik een moeder aan de telefoon. Haar enige zoon is uit zijn baan gezet dankzij lasterpraat die aantoonbaar niet klopt. En vanuit Israël een telefoontje om een Europees Beth Din op te richten die jonge rabbijnen gaat helpen met ingewikkelde vraagstukken over de vraag wie wel of niet Joods is. Wat heeft roddel te maken met het Jood-zijn van iemand vast te stellen? Als de persoon inderdaad Joods is, speelt er geen roddel. Maar als de persoon zegt Joods te zijn maar het volstrekt niet is en de Rabbinale verklaring wil hebben voor een uitkering, dan is natuurlijk de rabbijn schuldig…! En toch ben ik erg happy met mijn baantje!

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 Ik zal u dan benoemen tot: hulp-rabbijn! Dagboek van de Opperrabbijn 20 oktober 2021

Gisteren en eergisteren zat ik de hele dag, vanaf de zeer vroege uurtjes tot diep in de nacht, achter mijn computer. Mijn snelwandelen is er al een paar dagen bij ingeschoten en dat is niet goed. Wat is er zoal de revue gepasseerd? Het NIK stuurde mij een e-mail door die hen bereikte maar meer op mijn weg lag om te beantwoorden.  Een vrouw die mij onbekend is vraagt of het toegestaan is om een urn met as van haar Joodse moeder op een Joodse begraafplaats bij te zetten. Ik denk dat het NIK die e-mail zelf ook had kunnen beantwoorden, want het antwoord is duidelijk: wij doen niet aan crematie en werken daaraan op geen enkele wijze mee. Terecht dat toch de e-mail naar mij werd gestuurd, want bestuurders zijn er om te besturen en rabbijnen zijn er voor rabbinale zaken. Ik heb dus netjes en duidelijk geantwoord dat het bijzetten van een urn op een Joodse begraafplaats niet is toegestaan. Maar ik heb er nog een paar woorden aan toegevoegd: “Geachte mevrouw,  Mocht u hiervoor openstaan dan wil ik graag e.e.a. mondeling toelichten. Mijn telefoonnummer is xxx. Binnen vijf minuten had ik de dochter aan de lijn. Moeder was zwaar getraumatiseerd door de oorlog. Ze had een verhouding gehad in de oorlog met een knappe Duitse soldaat. Na de oorlog zat ze met een gigantisch schuldcomplex, want de Duitse soldaten hadden haar moeder vergast. Haar crematie zat gekoppeld aan de schoorstenen van de crematoria in Auschwitz, Sobibor en andere hellen op aarde. Volgens de halaga moet iemand die suïcide pleegt aan de rand van de begraafplaats worden begraven om te tonen dat suïcide onjuist is, strikt verboden. En toch heb ik nog nooit iemand na een geslaagde suïcidepoging, aan de rand van de begraafplaats een plek laten geven. Allen die zich hebben gesuicideerd, waren ziek. Natuurlijk plaatsen we geen urnen op een Joodse begraafplaats, maar halaga betekent beweging, maar wel beweging binnen door de halaga aangegeven grenzen. En dus staat er in Amersfoort op de Joodse begraafplaats een grote zerk met daarop geschreven: hier ligt de as begraven van in Kamp Amersfoort vermoorde Joden. We spraken een hele tijd. Ze wil nu lid worden van de Joodse Gemeente omdat ze ook Joods begraven wil worden, terug naar haar roots. En ook haar broer wil absoluut Joods begraven worden. Waartoe zo’n urn al niet kan leiden! De vraag in de e-mail was duidelijk, en het antwoord leek vrij simpel: Niet toegestaan! Maar we moeten heel vaak door de tekst heen kijken. Wat zit erachter? Wie is de vraagsteller? Wat kan ik voor hem of haar betekenen? Wat ik met de as wel/niet kan doen, ga ik niet aan het digitale papier toevertrouwen, want crematie is volstrekt onjoods en onaanvaardbaar. Maar iets verbieden is makkelijk, iets toestaan vaak erg ingewikkeld. Ik moet in rust kijken wat haalbaar is en waar een ongeoorloofde grens op een geoorloofde wijze zou kunnen worden overschreden of beter gezegd verlegd. En als er geen oplossing denkbaar is, hetgeen ik verwacht: ik heb er aandacht aan besteed en dat is voor de dochter van groot belang en troost.

Op de middelbare scholen is het werkstukkentijd. Er liggen momenteel zeven aanvragen voor een interview op antwoord te wachten. Het is erg fijn dat er kennelijk op scholen aandacht wordt besteed aan Jodendom, maar ik weet niet waar ik tijd moet vinden voor al die werkstukken.  En dus laat ik ze maar even in mij Inbox staan tot ik een gaatje zie. Of wellicht is een van mijn trouwe Joodse lezers bereid tijd te geven aan de belangstelling hebbende jeugd?  Ik zal u dan benoemen tot: hulp-rabbijn!

Het is nu dinsdagavond. Gewoonlijk schrijf ik mijn dagboek op woensdag, maar dat gaat me morgen niet lukken want eerst een lezing in ’s Heerenberg, dan thuis een sjioer en de avond sluiten met een lezing in Schoonrewoerd. Overigens zit ik nu helemaal vol met Chanoeka! Alle lichtjes, alle avonden dus,  zijn bezet en soms steek ik op een avond op twee plaatsen aan. Dat ik nu al volgeboekt ben, geef niet alleen licht aan toeschouwers , maar ook moed aan uw vermoeide opperrabbijn!

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

 

Dagboek van de Opperrabbijn, 17 oktober 2021

Dagelijks een dagboek schrijven is eenvoudiger dan een paar keer per week. Reden? Er gebeurt dagelijks iets dat het vermelden waard is. Maar nu ik nog maar twee keer per week aan het dagboekenieren ben, moet ik selecteren en dat vergt denkwerk met verhoogd risico op moe worden. Donderdag jl. was een bijzondere dag. Eerst in Leeuwarden de onthulling van de Namenwand met de namen van de 544 Joden van de 700 tellende Joodse Gemeente die vermoord werden en daarna Steenwijk. Het was een indrukwekkende onthulling. Onthulling? Het was een dag vullend programma. Eerst ontvangst in de voormalige Joodse School, rondleiding door de voormalige Joodse wijk waarbij voor de diverse panden grote foto’s stonden van de voormalige bewoners, die allen vermoord werden. En toen begon het. De onthulling zou pas om 16:00 uur zijn en het was pas 14:00 uur? Na de rondleiding door de Joodse buurt werden we afgeleverd bij een zaal. In deze zaal had midden in de oorlog de receptie plaatsgevonden van het huwelijk van het echtpaar Boers. Meer dan honderd gasten waren midden in die donkere tijd aanwezig. En daar zaten wij nu, in afwachting van de onthulling van het namenmonument. En toen, geheel onverwachts, begon het. We zaten midden in een toneelstuk. Rondom ons vond de choepa plaats en werd het leven van bruid en bruidegom gespeeld. Maar het bleef niet feestelijk. Hun vlucht uit Nederland, hun trektocht over de Pyreneeën. De diverse personen langs wiens huizen we zojuist hadden gelopen, traden op en vertelden over hun leven en over hun dood in Sobibor, Auschwitz of elders. Deze opvoering had ik eigenlijk liever niet meegemaakt want het hakte er hard op in. Het was een keiharde confrontatie. En toen allen naar buiten voor de onthulling. En daar bij die plechtigheid 3 x 2 studenten die allen een van de vroegere bewoners van de Joodse Gemeente Leeuwarden bespraken: mijn naam is x en op datum y werd ik vermoord in Sobibor. Burgemeester Buma refereerde aan zijn Joodse grootmoeder en het geheim dat rondom haar Jood-zijn aanwezig was. Toen de tante van Buma was overleden, na een natuurlijke dood, nog niet zo lang geleden, werd er een koffertje gevonden en kwam haar Jood-zijn boven water, haar zorgvuldig verborgen identiteit. Omdat de namenwand vele Sandersen kende, en Sanders de meisjesnaam van mijn oma was, had ik meer dan anders het gevoel: wat fijn dat mijn voorouders toch nog een grafzerk kregen, maar dan zonder graf. Hoe het kon gebeuren dat een grote Joodse Gemeente werd afgeslacht, vergast, uitgeroeid? Het was niet alleen de fout van het kleine percentage collaborateurs. Het probleem lag bij de grote stille meute die kuddegedrag vertoonde en de weg koos die hen toentertijd het meest opleverde: voor iedere verraden Jood €7,50 kopgeld. En in beter tijden zelfs €40 pp!

Vanwege die kudde, die in de jaren ’40-’45 met de volledig verkeerde kant optrok, bestond er zoiets als een collectief schuldgevoel bij de gemiddelde Nederlander na de oorlog. Toen enige maanden geleden 18 orthodox-Joodse meisjes uit een KLM vlucht waren gezet (na de landing!), sprak ik een voormalig Minister en gaf aan dat ik voor hen, dankzij mijn netwerk, heb kunnen regelen dat ze sjabbat niet op Schiphol hoefden te blijven. En, zo vervolgde ik, of het terecht of onterecht was dat de meisjes uit het vliegtuig werden gezet, weet ik niet, want wellicht hadden ze het er zelf naar gemaakt. Maar ik werd redelijk bruut gecorrigeerd door de voormalige Staatsman met de woorden: Als Nederlandse samenleving moeten we altijd opkomen voor de Jood, want in de jaren ’40-’45 hebben wij keihard gefaald. Met dat falen ben ik het volledig eens, maar om dan zover te gaan dat er niet meer gekeken mag worden of recht krom is en krom recht, gaat voor mij te ver.

Wat ik niet te ver vind te gaan is: het strafbaar stellen van het ontkennen van de Tweede Wereldoorlog. In en in triest dat aan de ontkenning een straf gekoppeld moet worden. Kennelijk wordt er niet meer gevoeld hoe ingrijpend, mensonwaardig en crimineel het Nazi-regime met hulp van het grootste deel van de Nederlandsche bevolking heeft huisgehouden. Resultaat: 544 vermoorde Joden. Het monument is indrukwekkend en de geschiedenis onacceptabel.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

De ftp-locatie om de IDR-bestanden op te zetten! Dagboek van de Opperrabbijn, 13 oktober 2021

Woensdagavond: ik ben gevloerd na drie dagen Brussel. Maandagmiddag gewerkt voor de RCE, Rabbinical Center of Europe. Uit verschillende landen kwamen kandidaten voor gioer, toetreding tot het Jodendom, en daarna een lezing gegeven online voor een kleine Joodse Gemeente ergens in Engeland. Pas wel even op, met het woord “kleine”, want wat in Engeland “klein” heet als we spreken over een Joodse Gemeente, wordt voor ons in Nederland gezien als “groot”.  De bedoeling van de lezing was dat ik 45 minuten zou spreken over een door mijzelf te bepalen onderwerp en daarna een kwartier vragen beantwoorden. Maar toen ik na de drie kwartier ging afronden wilde men liever de vragen de vragen laten en of ik dan gewoon verder wilde gaan met mijn lezing. En dus kwam er nog een toegift van een half uur en dacht toen klaar te zijn, maar toen kwamen de vragen. Leuk dus, boeiend, maar wel erg vermoeiend als een soort nagerecht nadat ik dus ’s morgens naar Brussel was gereden en de rest van de dag keihard bezig was geweest. Dinsdagochtend weer aan de rabbinale slag voor de RCE en daarna : het congres! Tot en met vanmiddag het congres over het opkomend antisemitisme. Vertegenwoordigers van de grote Joodse centra, maar ook van de piep kleine Joodse gemeenschappen. Twee volle dagen met als enige agendapunt: antisemitisme! Op de terugweg hebben we via Apeldoorn gereden om mijn zondag gestrande auto op te halen bij de garage. Ik rijd nu dus weer in mijn vertrouwde vehikel. Maar de stiekem leeglopende laptop is weliswaar in behandeling bij de HP Helpdesk, maar lijdt nog steeds aan leegloop.

De EJA (European Jewish Association) conferentie was geweldig. Perfecte organisatie. Enorme opkomst. Maar wel triest. Ik hoop dat volgend jaar de conferentie, met als onderwerp antisemitisme, niet meer nodig zal zijn. Maar geloven doe ik dat eigenlijk niet want het antisemitische resistente virus is niet te elimineren. Ik heb me wel een beetje misdragen want toen een EU-commissionair uitgebreid een plan beschreef hoe vanaf heden tot 2024 het virus bestreden gaat worden, zag ik even een onoverbrugbaar verschil tussen theorie en praktijk. Een wereld van plannen van aanpak, papieren vol theorie en peperduur denkwerk. Maar het gaat natuurlijk om de praktijk, en niet om de prachtige theorie. En dus werd ik een beetje stout en gaf publiekelijk de commissionair een compliment voor haar geweldige theoretische betoog, maar sprak mijn gerede twijfels uit over de implementatie. Toen de commissionair aangaf dat het bestrijden van het antisemitisme in overleg zou gaan met de Verenigde Naties, was het voor mij duidelijk dat de anti-antisemitistische theorie zeker theorie zou blijven

Genoeg over antisemitisme! Van mijn contact met de helpdesk van mijn leeglopende laptop heb ik iets heel belangrijks geleerd. Hoewel mijn beheersing van het Nederlands zeker niet slecht is en ik veel en vaak schrijf en spreek, luister ik onbewust ook naar het taalgebruik van collega’s of andere sprekers en schrijvers. Het probleem met mijn laptop is eenvoudig. Als ik de computer niet heb aangesloten aan het stopcontact, loopt de batterij veel te snel leeg. De vraag aan de helpdesk is dus kinderlijk eenvoudig. Maar nu de reactie: “Wij verzoeken u vriendelijk ons te voorzien van uw ‘IDR-logbestand’.” Geen idee wat hiermee wordt bedoeld. Op mijn vraag wat dat is, krijg ik als reactie: “Hierbij de FTP locatie om de IDR bestanden op te zetten: SFTP Access :  sftp -o Port=2222 im692546@ftp.usa.hp.com  sftp -P 2222 im692546@ftp.usa.hp.com  HTTPS access:     https://ftp.usa.hp.com/hprc   Drop Box Host:    ftp.usa.hp.com  (15.73.40.56, Failover: 15.73.244.52)     Login:  ip682346” Na enige pogingen per telefoon om aan te geven dat ik er geen touw aan kan vastknopen, heb ik de moed opgegeven en de helpdesk verzocht of met mij in gewoon ABN te communiceren of een reparateur te laten langskomen. Wat is de les die ik hieruit mag halen: spreek altijd de taal van de toehoorder! Geldt voor artsen die je de stuipen of het lijf kunnen jagen met Latijnse diagnoses en geldt ook voor rabbijnen. En dus probeer ik steevast zo min mogelijk Hebreeuwse woorden, Talmoedische terminologieën of verwijzingen te gebruiken.

Ik stop, want morgen Leeuwarden en Steenwijk en voor beide plaatsen (toespraak en lezing) heb ik nog niets voorbereid. Overigens scoren mijn niet-voorbereide lezingen en toespraken het best, omdat die dan niet van het papier komen, maar uit het hart en zonder onbegrijpelijke terminologieën.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

Publiciteit is een middel, geen doel! Dagboek van de Opperrabbijn 10 oktober 2021

Dagboek 10 oktober 2021

Publiciteit is een middel, geen doel!

De laatste dagen liep e.e.a. goed mis en onverwacht goed.  De vraag komt in me op: Wat wilt u eerst horen? Het positieve of het negatieve? Doet me denken aan die vrouw die thuiskomt nadat ze met de peperdure auto van haar man was wezen winkelen en aan haar man zegt dat ze  goed en slecht nieuws heeft en dat hij mag aangeven wat ze eerst gaat vertellen.  Omdat haar man een positief karakter heeft wil hij eerst het goede nieuws horen. Waarop de vrouw zei: “de airbags van je nieuwe auto werkten erg goed.”

Om dan maar te beginnen met mijn negatieve ervaringen: mijn peperdure laptop, die mij braaf door de coronaperiode heen heeft geholpen, heeft dezelfde kwaal als ik: de slaapstand werkt niet goed! Als jij op slaapstand staat hoort hij geheel in rust te vertoeven en mag er geen energie verloren gaan. Maar dat gebeurt dus wel. Op de elektriciteit aangesloten loopt alles perfect, maar slapen gaat niet goed. Verder had ik vanmiddag in Winterswijk aanwezig willen zijn bij de overdracht van de synagoge naar een stichting die het beheer van de Joodse Gemeente gaat overnemen, maar bij een benzinestation in Zutphen waar ik mijn bandenspanning even wilde laten controleren, brak het ventiel van een van de banden af. En dus moest mijn auto naar Apeldoorn worden gesleept, zit ik nu met een huurauto en moet ik maar zien hoe ik mijn eigen auto weer terug kan krijgen. Bovendien moet ik morgen naar Brussel voor enige rabbinale zaken op maandagmiddag en dinsdagochtend betreffende o.a. gioer – toetreding – en dan dinsdagmiddag en woensdag een conferentie met bestuurders van Joodse Gemeenten uit geheel Europa. Hopelijk zal mijn computerprobleem en autopech niet te veel roet in mijn geest gooien, want van dit soort technische stoorzenders krijg ik een redelijk ontregeld gevoel. Negatief was ook de positief bedoelde inzet van parlementariërs om ook in ons land ontkenning van de Holocaust strafbaar te stellen en er wordt ook al gedacht, zo is mij medegedeeld, dat eraan wordt gedacht om het misbruiken van de gele Jodenster meteen mee te nemen in die wet. Het initiatief is zeker erg positief, maar dat het nodig is om zo’n wet te maken, is meer dan triest. Tot zover mijn negatieve belevenissen.

Positief was de indrukwekkende plechtigheid in Epe rondom het plaatsen van acht Stolpersteine. De organisatie had een imposant programma gemaakt rondom deze herdenking. Kol hakawod, zeggen we in het Hebreeuws. Als positief heb ik ook ervaren de discussie over het getal van de 102.000 slachtoffers van de WO II. In dit getal van 102.000 Joodse slachtoffers zitten ook Roma en Sinti. Maar niet zijn in dit getal opgenomen de honderden die direct na de bezetting de dood zijn ingevlucht en dus wel een graf op een Nederlands Joodse begraafplaats hebben gekregen, maar niet vallen onder de Joodse slachtoffers van het Nazi regime! En ook de honderden die direct na de bevrijding alsnog stierven als gevolg van het lijden in het concentratiekamp, zitten niet in het getal van de 102.000 vermoorde Nederlandse Joden. Ook Joden die vermoord werden in kamp Vught, kamp Amersfoort, Ellecom of in Nederlandse gevangenissen die door de Nazi’s waren overgenomen, tellen niet mee omdat ze wel een graf op een Joodse begraafplaats hebben gekregen. Ook Joden die tijdens vluchtpogingen naar Zwitserland omkwamen, de barre tocht over de Pyreneeën naar Spanje niet overleefden of tijdens de onderduik stierven, vallen buiten de 102.000!

Positief heb ik persoonlijk ervaren dat het interview dat ik donderdag bij ons thuis had met een journalist van de Leeuwarder Courant, niet alleen twee pagina’s kreeg toebedeeld in de Leeuwarder Courant, maar ook in De Telegraaf breed stond uitgemeten in de zaterdageditie. Het was een goed interview en heeft hopelijk een bijdrage kunnen leveren in de strijd tegen antisemitisme en iedere andere vorm van discriminatie! Want het moge dan zijn dat het mij een goed gevoel geeft om in de publiciteit te staan, publiciteit is een middel en mag nooit verworden tot een doel!

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

Namenmonument voor omgebrachte Joden uit Leeuwarden

 

PREMIUM

Het beste van De Telegraaf

Namenmonument voor omgebrachte Joden uit Leeuwarden

Opperrabbijn Binyomin Jacobs gruwt van Jodenster bij coronaprotest: ’Onderduikers kwamen jaren niet naar buiten’

Door MAARTEN PENNEWAARD

Updated Gisteren, 16:28Gisteren, 15:01 in BINNENLAND

LEEUWARDEN – Optimistisch of somber? Opperrabbijn Binyomin Jacobs laat zich niet uit in zulke termen. „Ik ben alert. Ik zie een toenemend antisemitisme in de samenleving, maar ik peins er niet over om Nederland te verlaten.”

 

Wordt komende donderdag een mooie dag, als hij in Leeuwarden de onthulling bijwoont van het namenmonument voor de 544 in de oorlog omgebrachte Joden uit de stad?

Mooi? Feestelijk? Alweer woorden waar hij niets mee kan. „Het is een tragedie, er is níets feestelijks aan zo’n monument. De aanleiding van de onthulling is immers een drama”, zegt de orthodox-joodse opperrabbijn Binyomin Jacobs (72). Nou ja, vooruit: „Dát het monument er nu komt, is goed.”

Hij ontvangt thuis, in zijn woning in Amersfoort, waar hij al 47 jaar woont. De doorzonwoonkamer is zijn kantoor. Een gigantische boekenkast van voor tot achter, en meer boeken op andere plekken. „Ik ben mijn huiskamer kwijtgeraakt”, zegt zijn vrouw met een glimlach. „Boven staan nóg meer boeken…”

Jacobs is het gezicht van Joods Nederland. Sinds 1985 vervult hij de functie van opperrabbijn. Hij reist stad en land af, geeft lezingen, voert overleg. En wordt gebeld, veel gebeld. Tijdens het interview gaat geregeld de telefoon en hij beantwoordt iedereen rustig. Hij is een baken waar de Joodse gemeenschap op koerst.

Monument bij school

Leeuwarden kent hij goed, in de jaren tachtig gaf hij er les op de Joodse school, die toen bestond. Donderdag wordt bij de plek waar de school was gevestigd het namenmonument onthuld. Scholieren die onderzoek deden naar de levens van een aantal weggevoerde Joden zijn ook betrokken bij de plechtigheid, net als burgemeester Sybrand Buma.

„Ik heb Friese roots”, zegt Jacobs. Zijn oma kwam uit Sneek, haar vader en broers uit Leeuwarden. De Friese hoofdstad kende, voor de oorlog losbarstte en de Jodenvervolging plaatsvond, een bloeiende Joodse gemeenschap.

Weggevaagd

De tragedie die zich hier voltrok is ongemakkelijk groot. Van de 700 Joden vonden 544 in de oorlog de dood. „Je kunt het niet eens decimeren noemen”, vindt Jacobs. „De gemeenschap is vrijwel volledig weggevaagd.”

Het percentage Joodse oorlogsslachtoffers uit Leeuwarden ligt zelfs nog boven het Nederlandse gemiddelde: van de 140.000 Nederlandse Joden in 1940 waren er in 1945 nog 38.000 over.

Namenmonumenten zijn meer dan 75 jaar na het einde van de oorlog nog steeds van groot belang, zegt de opperrabbijn. „Ze geven de mensen die vermoord zijn en nooit een graf hebben gekend omdat ze verbrand zijn, in zekere zin toch hun graf. De plek op de Joodse begraafplaats waar ze ooit zouden liggen blijft altijd leeg, maar zo’n monument geeft ze letterlijk hun naam terug. Ze hebben bestaan.”

Maar het monument moet nog wat doen: „Het is een waarschuwing, met een educatief doel. Kijk wat er kan gebeuren. Ik bedoel: het is in zekere zin makkelijk om Auschwitz te veroordelen. Maar als het dichterbij komt…”

De afgelopen jaren zijn in tal van plaatsen monumenten geplaatst en recent opende Amsterdam het Holocaust Namenmonument met de namen van alle 102.000 door de oorlog omgekomen Joden uit Nederland. „En in plaatsen als Nijmegen, Bourtange, Zandvoort, Haarlem en Maastricht zijn ook monumenten opgericht.”

Jacobs vroeg een burgemeester waarom de meeste gedenktekens zo lang na de oorlog verschenen: „Nou, zei hij, mijn voorganger wilde liever niet over de oorlog praten.” Begrijpelijk, aldus Jacobs. „Want die voorganger deed waarschijnlijk mee aan de deportaties. Van alle burgemeesters ging 5 procent in het verzet en deed 5 procent fanatiek mee met de Duitsers. 90 procent liet het allemaal gebeuren…”

Jodenhaat

Waarschuwen tegen de verschrikkingen van toen zijn nodig. De rabbijn kreeg zelf al eens een steen door de ruit. „Ik zie het antisemitisme toenemen. Waar ik dat aan merk? Kijk maar naar de camera’s bij mijn woning. Die heb ik niet geplaatst, dat heeft de politie gedaan. Vroeger ging ik gewoon met de trein naar Leeuwarden, nu wordt mij afgeraden het openbaar vervoer te gebruiken.”

Bang zegt Jacobs niet te zijn. „Ik ben alert. Het is mooi dat de overheid voor mij zorgt. De officier van justitie nodigde mij eens uit voor een gesprek.” Gekscherend: „Ik dacht dat ik een boete had gekregen. Maar hij zei: wij willen u beveiligen. Dat geeft een goed gevoel, maar het is niet leuk.”

Nederland is een multiculturele samenleving. „Dat is prachtig, alle mensen die hier komen uit andere landen mogen hun cultuur laten bloeien – mits zij dit ook andere culturen gunnen.” Daar gaat het niet goed, signaleert hij, en hierin valt de overheid iets te verwijten.

„Ik werd ziedend van de discussie over Afghaanse vluchtelingen. Die mensen moeten we opvangen, dat spreekt vanzelf.” Het gekissebis over wie wel en wie niet en hoeveel dan precies – zulk politiek gekrakeel gaat nu juist langs de kern waar het volgens Jacobs om zou moeten draaien.

„Wij hebben als samenleving de taak die mensen op te vangen. Met bed, brood en bad. Maar we moeten ze óók duidelijk maken wat onze basisnormen zijn. Afghanistan is het meest fanatieke, extremistische moslimland dat er is. Het is antisemitisch, anti-vrouw en laten we het maar niet hebben over wat ze ervan vinden als je een andere geaardheid hebt.”

Aartsvijand

Maar, zegt Jacobs: daar kunnen de mensen in dat land niets aan doen. „Zo zijn ze opgevoed, dit hebben ze geleerd. Een vrouw is een gebruiksvoorwerp en een Jood is je aartsvijand. Als wij deze mensen opvangen maar niets doen aan die denkbeelden, zijn zíj dan schuldig als er iets gebeurt? Nee! Wíj zijn dan schuldig.”

Educatie is de sleutel naar succes, doceert Jacobs. „Ouders, school, inburgering – daar moet het gebeuren.” Hij is blij met de betrokkenheid van scholieren bij het namenproject, maar stelt wel de vraag: „Hoeveel hebben hieraan meegedaan en hoeveel zijn er in heel Leeuwarden? Deze leerlingen komen van één school, waar zijn de andere?”

Daarbij komt nog wat anders, zegt hij. „School is niet alleen een instituut voor kennisoverdracht, maar heeft ook als taak mensen te vormen.” Dan gaat het om leven in een pluriforme samenleving, onafhankelijk denken, inzicht in levensbeschouwing en religies.

Angst

Die taak wordt te vaak te beperkt opgepakt, vindt de opperrabbijn. „Uit angst, want als ze het wel doen worden moslims boos. Maar als een school er niet in slaagt kinderen te vormen maar wel kennis overbrengt, kun je misvormde kinderen krijgen. En dat kan rampzalig zijn.”

De maatschappelijke erosie van het denken over de Jodenster is een goed voorbeeld, zegt Jacobs. Dat dit symbool van de Jodenvervolging door tegenstanders van coronamaatregelen wordt gebruikt is „volstrekt onacceptabel.” Tijdens demonstraties dragen betogers de gele ster om uit te dragen dat zij zich door de overheid ernstig beknot voelen in hun vrijheid.

„Gemiddeld kwam een Joodse onderduiker in de oorlog twee jaar en acht maanden niet buiten. Kun je dat vergelijken met de avondklok die we hadden, dat je ’s avonds na tien uur niet naar buiten mocht? Joden konden niet naar buiten, omdat hen daar kwaad werd gedaan.”

Onder de scholieren van christelijk gymnasium Beyers Naudé, die onderzoek deden naar Joodse oorlogsslachtoffers, zijn de opvattingen over het dragen van de ster verdeeld. „Van dat symbool moet je afblijven, het is te groot”, zegt de een. Maar een andere leerling stelt: „Ik kan ergens wel begrijpen dat demonstranten de Jodenster droegen. Want hun wordt ook iets afgenomen.”

Jacobs, lichtelijk verbaasd: „Zeiden ze dat? Dan moet hun docent daar een goed gesprek over gaan voeren.”

Dan, ferm: „Er is maar één antwoord om te voorkomen dat de Holocaust ooit weer gebeurt. Educatie, educatie, educatie!”

bron 9-10-2021

Ik ben ontslagen. Dagboek van de Opperrabbijn, 6 oktober 2021

Lieve mensen: ik ben ontslagen! Vandaag had ik het eindgesprek met de bestuurder en de secretaresse had een afscheidscadeau voor me gekocht als teken van dank voor onze samenwerking. Ook ontving ik van het bestuur een prachtig bouquet bloemen. Ik hoop wel dat we nog contact houden en dat ik op een andere manier mijn bijdrage zal mogen blijven leveren. Maar mijn sleutel heb ik ingeleverd. Ik blijf altijd welkom, werd er nadrukkelijk gesteld. Ik zal heel eerlijk zijn: ik vond het afscheid moeilijk, maar het was geen verrassing en mijn werk voelde het laatste half jaar als ‘terug was weggeweest’. Waar heb ik het over, zult u zich afvragen. Het laatste half jaar was ik ingevallen als geestelijk verzorger / rabbijn in het Sinai Centrum en aan dat invallen was nu een eind gekomen. U kent mij waarschijnlijk voornamelijk als een rabbijn die zichtbaar is, naar buiten treedt. Dat klopt, maar mijn passie ligt bij de pastorale zorg, bij het binnen. Mensen met grote problemen helpen of op z’n minst naar hun probleem luisteren. Even mocht ik terug zijn bij het Sinai Centrum waar ik bijna 40 jaar in dienst ben geweest. Wat een voorrecht, wat een dankbaar werk. En dus vond ik het best lastig dat mijn tijdelijke contract als inval-rabbijn voorbij was.

Maar er is ook iets moois te melden. Ik wist het natuurlijk al vele maanden, maar morgen, voor u lezer van mijn dagboek dus vandaag, wordt het publiekelijk: mijn vriend Roger van Oordt, tot voor kort slechts directeur van Christenen voor Israël, wordt benoemd tot Honoraire Consul van Israël. Standplaats: Israel Centrum te Nijkerk. Ik zal hem dus voortaan met Zijne Excellentie moeten aanspreken en de nummerplaat van zijn auto zal voorzien zijn van CC, Corps Consulaire. Ik hoop dat de mosterd-kleurige auto omgeruild kan worden voor een statig donkerblauw of gewoon zwart. Want een Consul in een mosterd-kleurig gedrocht past gewoon niet! 

Nu het gewone werk van voor corona weer is begonnen, de lezingen, lessen en bijeenkomsten, heb ik een probleem. Het corona-schrijven blijft en de kilometers rijden, komen weer terug. En dus ben ik snipverkouden en ben constant tot diep in de nacht bezig. Mooie dingen, gezeur, conflicten, mazzeltov’ s, politiek, ethiek en ga zo maar door. Morgen eerst een directe uitzending voor Groot Nieuws Radio vanuit de studio in Veenendaal, daarna Stolpersteine in Epe, een lezing aldaar en dan, met Blouma, naar Antwerpen. Daar komen we dan bijeen voor de jaarlijkse vergadering van het bestuur van de Joodse gemeente Zeeland en het bestuur van de Stichting die de sjoel beheert. Daar ben ik dan ook jaarlijks bij aanwezig, omdat er zo’n tien jaar geleden een conflict was tussen de Joodse Gemeente en het bestuur van de Stichting. Nadat, mede door mijn toedoen, vrede was gesloten, hebben we afgesproken dat we eventuele spanningen verzamelen en op het jaarlijks overleg bij Hoffy’s Restaurant te Antwerpen zullen bespreken. Tot op heden was er nooit iets te bespreken, maar de maaltijd is iedere keer weer geweldig! Of de andere aanwezigen de reden nog weten waarom we jaarlijks bijeenkomen, betwijfel ik, maar Hoffy’s is altijd weer bijzonder.

Vanmiddag twee en een half uur gedoceerd aan de CHE, Christelijke Hogeschool Ede. Een groep leerlingen die Theologie studeerden, maar ook studenten psychologie. Een grote opkomst en een en al belangstelling. Als onderwerp onder andere of Jeruzalem een positieve invloed kan uitoefenen op de Christelijke, Moslim en Joodse jeugd hier in Nederland. En waarom ik nog niet in Israël woon. Het antwoord op die laatste vraag is duidelijk: omdat ik hier in ons land, waar ik al meer dan tien generaties woon, een bijdrage mag leveren aan de Joodse gemeenschap en aan de brede Nederlandse samenleving. Hier bevind ik me en kennelijk wil de Eeuwige dat ik hier leef.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

Weer aan de Rabbinale Slag. Dagboek van de Opperrabbijn 3 oktober 2021

Vandaag rijden we terug naar huis vanuit Londen, waar we de laatste dagen Soekot hebben doorgebracht bij onze kinderen. Dat wordt nog een heel karwei, want er is geen benzine meer te koop en als een bezinepomp nog wel iets heeft, dan staan er gigantische rijen auto’s te wachten. Maar, georganiseerd als ik ben, denk ik dat ik nog genoeg in mijn tank heb om Dover te bereiken en dan nog een tiental kilometers voor Frankrijk om bij een non-Brexit bezinepomp te komen. Maar voordat ik de auto ga inladen, wil ik toch eerst mijn dagboek neergeschreven hebben en verstuurd naar mijn trouwe assistente/secretaresse die eventuele taalfouten er uitvist alvorens mijn dagboek de wereld ingaat. ‘De wereld?” hoor ik u denken. Ja, “de wereld”. Dat ik in Israël door voormalige Nederlanders wordt gelezen, was me bekend en ook België wist ik. Maar: Engeland? In reactie op een van mijn vorige dagboeken ontving ik via de redactie in het NIW een e-mail uit Cambridge! Mijn Blouma had bij de opening van het imposante Namenmonument de naam Carolina Potsdammer gevonden.  De meisjesnaam van de moeder van mijn opa Siegfried de Leeuw uit Steenwijk luidde: Potsdammer. Een vrij zeldzame achternaam. De voornaam Carolina komt in onze familie regelmatig voor en gezien een kleinzoon van mij vorig  jaar getrouwd is met de dochter van de rabbijn van Potsdam, boeide die naam mij extra. (Ik neem aan dat u een en ander nu even niet kunt volgen, maar dat geeft niet). De e-mail uit Cambridge kwam van een vrijwilligster die voor het NIK werkzaam is bij het digitaliseren van het Stenen Monument. Alle grafzerken van de 243 Joodse begraafplaatsen in ons land worden online geplaatst. En laat deze vrijwilligster, lezer van mijn dagboek, net die naam Carolina Potsdammer online te hebben geplaatst. Hoe het precies in mekaar zit, weet ik nog niet. Hoe deze Carolina familie is, is nog niet helemaal uitgewerkt en of zij dezelfde persoon is die vermeld staat op het Namenmonument weet ik ook nog niet. Zij was in 1941 een natuurlijke dood gestorven en ligt begraven op de Joodse begraafplaats in Groningen en dus zou ze ten onrechte op het Namenmonument vermeld staat. Ik ga het uitzoeken. Maar eerst dus vandaag naar Nederland terug en dan keihard de draad weer oppakken. Een bomvolle agenda: een bespreking in het Haagse, twee keer moet ik naar Antwerpen, een keer gezellig met het bestuur van de Joodse Gemeente Zeeland en het bestuur van de Stichting Behoud Synagoge Middelburg en een tweede keer iets politieks dat verband houdt met Israël.  Verder een aantal lezingen in den lande en dus gaan de kilometers er weer hard tegenaan. Maar dat is geen probleem, want in de EU is er benzine genoeg en ik heb een aantal vrijwilligers ingeschakeld om me te rijden, zodat ik ook in de auto mijn werk gewoon kan doen. Het digitale rabbinale werk is door de covid misère enorm toegenomen, en nu komt het normaal van voor de pandemie weer helemaal op gang. En dus zal het eind van de balans een positief resultaat opleveren: het verlies (fysieke aanwezigheid) verdwijnt en digitaal is erbij en dat is dus de winst. Helaas is het gebruikelijke ‘gezeur’ niet via vaccinatie of groepsimmuniteit verdwenen. Ons IPOR-kantoor in het gebouw van de Joodse Gemeente te Amsterdam gaat (wel of niet) dicht. Door interne bestuurlijke conflicten werd de verschuldigde huur aan het NIK (de koepel van Joodse Gemeenten) niet meer betaald. Ik laat het over me heen komen en sla het vanaf de zijlijn gade en hoop, en verwacht, dat er wel een oplossing zal komen, want ‘ergens’ zal er een plekje moeten zijn waar we ons op z’n minst het rabbinale archief, niet gedigitaliseerd, kunnen inkijken om bijvoorbeeld Rabbinale verklaringen te kunnen afgeven die mensen nodig hebben als ze om de een of andere reden hun Joodse afkomst willen aantonen. Doet me trouwens denken aan mijn vriend, steunpilaar en ex-voorzitter van de Joodse Gemeente Maastricht, Benoit Wesly, die mij vorige week, toen we in Maastricht waren, vertelde dat een niet-joodse katholieke man hem vroeg of hij van Joodse afkomst was. Wesly antwoordde daarop: Ik ben Joods en u, bent van Joodse afkomst. Kijk zo kun je er ook naar kijken.  Mijn Blouma is net opgestaan, ik ga snel een uurtje slaap inhalen, naar sjoel voor het ochtendgebed en koffers pakken, nog wat koosjere producten inslaan en dan met gematigde snelheid, om benzine te besparen, terug naar weggeweest en vanuit mijn eigen NL-stekje weer aan de rabbinale slag na een maand van Jamiem Towiem, Joods Nieuwjaar, Grote Verzoendag, Loofhuttenfeest en Simchat Thora, Vreugde der Wet.

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

 

 

Er staat weer een soeka in Brunssum, Meerssen, Heerlen, Sittard! Dagboek van de Opperrabbijn 26 sept. 2021

Vanwege Soekot ben ik onregelmatig met mijn dagboek, hetgeen mij een gevoel van schuld geeft, want steeds vaker ontmoet ik mensen die me ‘volgen’.  En dus vermoed ik dat ik voor een aantal van hen iets mag betekenen met mijn geschrijf. Daags na de imposante onthulling van het Namenmonument in de voormalige Jodenbuurt van Amsterdam, vertrokken Blouma en ik naar Maastricht om daar de eerste dagen van Soekot, het Loofhuttenfeest, door te brengen in het Crowne Plaza Hotel met een groep van iets meer dan 90 orthodoxe Joden uit België, Engeland, Los Angeles, Zwitserland en Israel. Een Belgische cateraar is de organisator van dit koosjere event, maar hij heeft een hechsjer, een soort Rabbinale Kemakeuring, nodig om gasten te krijgen. En dus waren wij in Maastricht om het kasjroet te controleren, toespraken te houden in de geïmproviseerde Crowne Plaza sjoel. En gezien we toch in Maastricht waren, zijn we uiteraard ook een paar keer in de echte sjoel van Maastricht geweest en bij de lokale rabbijn, Awraham Cohen, thuis. Rabbijn en zijn vrouw Etty werken keihard voor hun gemeente en zijn buitengewoon succesvol. Met Soekot was het in de Maastrichtse sjoel volle bak, ongelofelijk. Na iedere dienst een maaltijd in de soeka van de Joodse Gemeente. Ik vroeg me af waarom hij niet meer bekendheid geeft aan zijn activiteiten, maar kennelijk vindt hij dat niet nodig. En dat herinnert mij aan de onthulling van het Namenmonument. Zoals ik in het (papieren) NIW had geschreven ergerde ik me aan ‘iemand’ die in mijn optiek geen oog had voor de namen van allen die werden vermoord, maar volledig opging in het dansen rondom burgemeester, minister-president en andere belangrijke Nederlanders. ‘Netwerken’ heet zoiets. Nou ben ik de laatste die van mening is dat netwerken onbelangrijk is, maar op zo’n moment, staande voor de namen van onze familieleden die vermoord werden, vind ik het ongepast en eigenlijk onaanvaardbaar. Voor mij is ‘netwerken’’ een middel, want goede contacten met overheden en Vips kunnen gebruikt worden. Maar helaas is voor enkelingen ‘netwerken’ geen middel, maar een doel. En dus moeten er vooral veel foto’s verschijnen waarop x te zien is naast Rutte en andere grootheden. Rabbijn Cohen werkt keihard en is erg succesvol, maar aan PR doet hij dus niet. Overigens was Maastricht één groot terras. Duizenden en duizenden genoten van het prachtige Soekot-weer. Opvallend was hoe vaak we ‘sjalom’ te horen kregen. Israëliërs die in Maastricht wonen of studeren, naar ik aanneem niet echt leven volgens de regels van ons Jodendom, maar bij een ontmoeting met een rabbijn met baard en loelav, toch duidelijk zich verbonden voelen met mij als vertegenwoordiger van hun religie en hun historie. En dat gevoel van verbondenheid is voor mij wederzijds en past geheel binnen de betekenis van Soekot: de eenheid van het Joodse volk, een diepe alles overstijgende verbondenheid.  Wij hadden dus een fijne tijd in Maastricht, maar de arrestatie van veertien potentiële terroristen in Eindhoven baarde me wel zorgen. Geweldig dat de politie kon ingrijpen en zo een ramp heeft weten te voorkomen, maar misschien zijn er andere Jihadisten die iets slimmer te werk gaan en daardoor uit het vizier van de AIVD weten te blijven.  Het kwam wel erg dichtbij, want de afstand Maastricht Eindhoven is maar een uurtje. Inmiddels zijn we in Londen aangekomen om hier de laatste dagen van Soekot met onze in Londen woonachtige kinderen te vieren. In Stamford Hill, een van de orthodox Joodse wijken, heeft bijna ieder huis een eigen soeka en bepaalt Soekot- het Loofhuttenfeest, het straatbeeld. Dat kan van Limburg niet gezegd worden, maar toch: Sinds de oorlog staat er in Meerssen weer een soeka, en in Heerlen zelfs twee, een paar in Maastricht, een in Sittard en ook een in Brunssum! Am Jisraeel Chaj, het Joodse volk leeft! Dankzij rabbijn en mevrouw Cohen in Maastricht en dankzij een voortvarend bestuur van de Joodse Gemeente Limburg die breed en tolerant kan denken, hun rabbijn de ruimte geeft om zich te ontplooien en ieder in sjoel oprecht en van ganser harte verwelkomt.

We hebben een fijne tijd gehad in Maastricht en de Joodse orthodoxe gasten, allen afkomstig uit Joodse centra, waren verbaasd te zien met hoeveel overgave ook buiten de Joodse centra gebouwd wordt aan Joods leven.

 

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/

 

Dagboek van de Opperrabbijn van 19 september 2021

 

In de week voor Rosj Hasjana en de dagen tussen Rosj Hasjana en Jom Kippoer gaan velen naar de graven van ouders en familie. En uiteraard was ik dus ook aanwezig op diverse begraafplaatsen om voor te gaan in de gebeden en woorden van inspiratie te spreken. Bij een van die samenkomsten stonden we met negen man, maar onverwacht verscheen een tiende, de minjeman. Om reden die verder niet relevant is voor mijn dagboek, kwam hij dus uit het niets aanstappen. Na afloop van de plechtigheid vertelde hij mij dat hij meer dan zestig jaar geleden ook gevraagd was om de minjeman te zijn voor de sjoeldienst op Jom Kippoer. Hij was net verloofd en een oom van zijn aanstaande vroeg hem om op Jom Kippoer naar sjoel te komen: hij zou de minjeman zijn. De toenmalige jongeman stemde in op voorwaarde dat de bijna nieuwe oom dan ook zijn bedrijf op Jom Kippoer zou sluiten. Maar dat was net te veel gevraagd. Oom kwam wel naar sjoel op Jom Kippoer en spoorde anderen aan om dat ook te doen, maar vergat dat de ander een dag inkomsten zou verliezen omdat hij een dag niet op zijn werk verscheen, terwijl oom-lief, directeur van een groot bedrijf en zeer vermogend, geen cent minder zou verdienen. Hoe het afliep? Verloofde en oom hielden beiden hun Joodse poot stijf en dus was er dat jaar geen minjan!  In onze vele sjoels anno 5782, was er dit jaar een goede opkomst op Jom Kippoer. Ietsje minder dan voor het corona-tijdperk, maar beduidend beter dan vorig jaar. Er zijn begrijpelijkerwijs toch mensen die extra voorzichtigheid betrachten en de sjoel nog net niet aandurven. In een gesprek met een van mijn trouwe (en ervaren) bestuurders spaken we over het herstel van het sjoelbezoek naar de voor-Coroniaansche tijden. Hoe krijgen we iedereen weer binnenboord? En zo kwam uiteraard ook de sjoeldienst op Simchat Thora (Vreugde der Wet) ter sprake en de daarbij behorende lunch. Op mijn opmerking dat we dan wel op een grote opkomst kunnen rekenen vanwege de maaltijd, regeerde hij met “Als de Joodse Gemeente alleen maar eten en drinken is, noem het dan een kantine.” Ik vond dat wel aardig gevonden van hem, hoewel voor mij geldt “Beter naar een koosjere kantine, dan ontbreken”. Uiteraard heeft het gedoe in Urk mij beziggehouden, maar daarover had ik al geschreven in mijn vorige dagboek. Het was in ieder geval wel verstandig van mij dat ik mijn toespraak, bij hoge uitzondering, op schrift had gezet, want ik werd door een lokaal dagblad volledig verkeerd geciteerd. Ik had aangegeven dat de burgemeester van Urk mij meteen een e-mail had gestuurd om excuus aan te bieden en ik had benadrukt in mijn toespraak dat de jongeren (hopelijk en naar ik aanneem) wellicht geen kwade bedoelingen hadden, maar zich niet realiseerden hoe gevoelig hun ‘spel’ kon overkomen. In dat geval, en überhaupt, moet er veel meer gedaan worden aan “educatie en opvoeding”. Vervolgens waarschuw ik voor het gevaar van vluchtelingen uit landen waar de jeugd met haat jegens Israël en Joden is opgevoed en benadruk dat ook daar in (her)opvoeding geïnvesteerd moet worden, om problemen in de toekomst te voorkomen. Het lokale dagblad had echter ‘gehoord’ in mijn woorden dat ik niet tevreden was met het excuus van de burgemeester. Knap hoor, dat een journalist in mijn woorden kan horen wat ik zeg (logisch!),  maar ook weet wat ik ‘denk’ (briljant!) en dus wist te vertellen dat ik A zei en B bedoelde. Hoe ik hierop ga reageren? Niet dus, want in dit soort situaties roep een reactie dan weer een tegenreactie op en werk ik mee aan verkwisting van mijn eigen tijd en aan het volmaken van de krant.

Dit wat betreft de laatste dagen. Ik vertrek dadelijk naar de Weesperstraat in Amsterdam om aanwezig te zijn bij de onthulling van de Namenwand. Er is veel te doen geweest over die Namenwand. Ik heb dat allemaal niet gevolgd, maar ik denk dat het een goede zaak is. Geen van de slachtoffers, waaronder zeer veel familieleden van mijn lieve ouders, hebben een grafzerk gekregen. Voor mijn gevoel nu dus wel. Maar los hiervan: het monument is een krachtige confrontatie, educatie, waarschuwing. Want, zoals ik tijdens mijn toespraak in Enschede bij de herdenking van de eerste razzia, vermeldde: geschiedenis zou zich zomaar weer kunnen herhalen!

Gedurende de coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op https://niw.nl/category/dagboek/