Niet meegaan, maar wel helpen! Dagboek van de Opperrabbijn 22 mei 2022

Op 6 mei was ik in Muiderberg voor de lewaja van Hans van Dam zl.  Hij behoorde tot mijn bestuurders van het eerste uur. Mijn eerste uur als rabbijn wel te verstaan.  Eerst als voorzitter van de Joodse Gemeente Apeldoorn, later trad hij toe tot het bestuur van het IPOR en weer later werd hij lid van de Permanente Commissie van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap.  Met hem verdween een van de laatste nog in leven zijnde bestuurders van Joods Nederland die overlevenden waren van de oorlog.

Zijn echtgenote, Bep van Dam-Gokkes, kwam uit Steenwijk, de geboorteplaats van mijn moeder. Die gezamenlijkheid heeft door de jaren heen een speciale band gecreëerd. De families Gokkes, de Leeuw (mijn moeder), Ten Brink, de Groot, Slager. Dat waren de namen van de families die met elkaar samen Joods Steenwijk vormden. Uiteraard heb ik mevrouw van Dam een bezoek gebracht om haar te condoleren. Met haar 93 jaar, als ik me niet vergis, een nog steeds zeer intelligente aanwezige en betrokken persoonlijkheid. Tijdens ons gesprek spraken we uiteraard over haar man, maar ook over mijn moeder. En toen kwam het volgende naar voren. Mijn moeder, inmiddels al vele jaren geleden overleden, bracht haar oude-dag door in Beth Shalom. Ze had buikpijn, kreeg een psychologische test en belandde uiteindelijk bij een internist. Daar werd toevallig geconstateerd dat ze een zeer agressieve vorm van lonkanker had, ze zou nog maar een paar weken te leven hebben. Waarom ik dit vertel? Mijn moeder heeft nog acht jaar na en met de diagnose geleefd, maar haar geest ging meer en meer achterruit vanwege de morfine. Toen ik een Joodse arts, van wie de vader ook uit Steenwijk kwam, vertelde over mijn moeders toestand, attendeerde zij mij erop dat velen uit Steenwijk zonder dat ze dat wisten, besmet waren geweest met Tuberculose en dat dat een röntgenbeeld oplevert dat lijkt op longkanker. Ik meteen naar de internist van mijn moeder, maar dit werd als alternatieve kletskoek van de hand gedaan. Nog voor de zekerheid een second opinion…om een lang verhaal kort te maken: mijn moeder belandde in de Sinai en binnen een week at en liep ze weer en kreeg ik een telefoontje van de oncoloog met de mededeling dat haar long volledig schoon was en ik mocht kiezen: of een wonder of een verkeerde diagnose! Toen ik het verhaal van mijn moeder aan mevrouw van Dam vertelde zei ze spontaan: ik weet het van die Steenwijkse tuberculose. Ook ik heb zo’n litteken op mijn long!

De les: zorgvuldigheid is geboden. Artsen moeten niet zomaar iets afwimpelen als zijnde onzin.

Maar dit geldt voor ieder van ons. Zeker ook voor mij.

Deze week een telefoontje over een vluchteling die Joods zou zijn en die daarom gediscrimineerd wordt in een AZC. Klopt het? Is de man inderdaad Joods? En is de vluchteling gek of noemen ze hem knetter, terwijl hij gelijk heeft…? Een vader en moeder die uit de ouderlijke macht zijn gezet. Vader geeft aan zeer orthodox te zijn en de kinderbescherming discrimineert…Het kan waar zijn, maar het kan ook puur verzinsel zijn.

Naar ieder luisteren, ook de keerzijde van de medaille bekijken, geen oordeel vellen zonder hoor en wederhoor. En dan, ongeacht of de vluchteling knetter is of de waarheid spreekt en ongeacht of de discriminatie door de kinderbescherming verzonnen is of op waarheid berust: hulpverlenen en tot steun zijn, ook als de vluchteling inderdaad knetter is en de kinderbescherming van geen kant discrimineert. Maar mijn steun en hulp moet wel gebaseerd zijn op waarheid, want als ik ten onrechte meega in niet aanwezige discriminatie en verzonnen antireligieuze kinderbescherming, wordt mijn steun uiteindelijk geen steun en zal mijn hulp niets kunnen opleveren.

Het is zondagmiddag. Ik moet twee toespraken voorbereiden en twee lezingen.  Aan de slag!

 

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

 

 

 

Maar de Jom Ha’atsmaoet receptie was geweldig, hoopgevend. Dagboek van de Opperrabbijn 18 mei 2022

Er loopt weer van alles door mekaar de laatste dagen. De receptie t.g.v. Jom Ha’atsmaoet, de 74ste Onafhankelijkheids dag van Israël, gisteravond, was geweldig. Een enorm grote opkomst. Vele ambassadeurs, niet-joodse en Joodse prominenten. Een plaats om te ontmoeten, contacten te leggen, afspraken te maken, Israël positief in de schijnwerper te plaatsen, kortom: vieren en netwerken! Het is natuurlijk wel zo dat de aanwezigen in principe allen behoren tot de vriendengroep van Israël en er helaas een veel grotere groep bestaat die zich expliciet hiertoe niet rekent. In mijn gedachten komt boven de leerling die na zijn VO een officieel erkende en door de overheid gesubsidieerde opleiding wil gaan volgen in de sociale sector. Hij wordt aangenomen, ondanks zijn Jood-zijn, maar wordt vervolgens afgewezen omdat hij op vakantie was geweest in Israël en dus zionist is “en dat konden ze daar echt niet hebben”. De Joodse jongeman volgt nu alweer een tijdje zijn opleiding aan een Christelijk opleidingsinstituut. Welkom in ons tolerante Nederland! Maar die receptie was dus alom een groot succes. De locatie was ook uit de kunst: Madurodam! De laatste keer dat ik daar was geweest was meer dan 60 jaar geleden, als het toen al bestond.

Ik ben nu bezig met individuele hulpverlening aan een paar vluchtelingen uit Oekraïne en met een van de gevluchte rabbijnen die het helemaal niet meer zien zitten. Het vluchten uit Oekraïne was uiterst complex en dramatisch. En daarna: eindelijk gered! Maar nu komt de psychische problematiek, helaas volkomen begrijpelijk. De rabbijn, die nu in Israël is, heeft alles wat hij had opgebouwd zien verdwijnen. Alles kapot gebombardeerd. Zijn huis, zijn pas nieuwe sjoel, zijn werk en zijn toekomst. De eerste weken na de vlucht heerste het dankbare gevoel van ontsnapping en was hij dag en nacht 24/7 en dus ook op sjabbat, bezig om zijn gemeenteleden te redden, maar nu begint het terugkijken en het vooruitblikken. De eerste weken kon de rabbijn overal zijn verhaal kwijt en werd hij als een held binnengehaald, meer nog dan de gewone vluchtelingen. Maar nu begint bij allen de dramatische realiteit te voelen. Wel terug, niet terug? Hoe verder? Is er een verder? In één woord uitgedrukt: totale geestelijke en fysieke ontreddering.

Maar is die ontreddering iets nieuws? We hadden vorige week een prachtige bijeenkomst in Brabant voor de leden van de chevre kadiesje, de vrijwillige dames en heren die de rituele reiniging van de overledenen geheel belangeloos verzorgen. Geweldig hun inzet. Het was een soort opfriscursus om de diverse wetten, gebruiken en de problemen die kunnen ontstaan, te bespreken. En plotseling kwam in mijn gedachten Opperrabbijn Dr. Jacob Fränkel zl. Hij was de opperrabbijn van Overijssel en waarnemend opperrabbijn van Brabant. Hij was de grootvader van mijn oma. Het klinkt ver weg, maar gelijk ik mijn oma goed heb gekend, heeft mijn oma haar grootvader uitgebreid meegemaakt. Wat dit van doen heeft met dit dagboek? Hij was ook een vluchteling. Zijn ouders hadden een bierfabriek in Polen/Rusland/Oekraïne. En toen die bierfabriek door de Tartaren onverwacht was aangevallen en volledig vernietigd, begrepen zijn ouders dat vluchten de enige uitweg was. En zo was hij in Nederland beland, berooid, fysiek zwak, alles achtergelaten en geen zicht op de toekomst. Mijn oma heeft mij als klein kind erover verteld, maar over de Tweede Wereldoorlog werd gezwegen. Wat mijn moeder mij wel vertelde, en dat is me steeds bijgebleven, dat toen op 10 mei 1940 de Nazi vliegtuigen overvlogen, mijn opa uitriep: Oh, G’d, we gaan eraan!

Maar mijn beide opa’s en oma’s hebben het overleefd dankzij niet-joden die met gevaar voor eigen leven mijn grootouders en al hun kinderen, die toen al allen volwassen waren, te verbergen. En daarom, zo vernam ik, heeft een oud-leerlinge van mij nu Oekraïense vluchtelingen in huis genomen, want, zoals ze zegt, als niet-joodse Nederlanders toen niet hun huis hadden opengesteld, had ik niet bestaan. En zo beleef ik dat ook. Hoewel het geen sinecure is om vluchtelingen met al hun verdriet en daardoor vaak moeizaam gedrag de hele dag om je heen te hebben. Maar er is toch nog een verschil, want mijn ouders konden niet naar buiten, verraad lag op de loer en ze werden actief gezocht. Onze Oekraïense vluchtelingen zij hier GZD vrij, hebben fysiek niets te vrezen en hoeven geen honger te lijden. Maar de onzekerheid kan gigantisch knagen, hun werelden zijn ingestort en het lot van hun naasten en bekenden is dramatisch onbekend. Ze zijn de gruwelijkheden ontvlucht, maar de gruwelijkheden hebben hen nog lang niet ontvlucht.

Maar de Jom Ha’atsmaoet receptie was geweldig, hoopgevend.

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

 

 

Een grote kei, opperrabbijn Berlinger en het begin van sjabbat. Dagboek van de Opperrabbijn, 15 mei 2022.

Mijn dagboek wordt vandaag in de lucht geschreven. Klinkt heel spiritueel, maar ik bedoel het gewoon letterlijk. Vanochtend opgestaan om 4 uur, gedawend (ochtendgebed), naar Schiphol en om 8:40 uur stond ik op vliegveld Kopenhagen.  Ik zou dus afgehaald worden door de lokale rabbijn, maar dat mislukte want het centrum was hermetisch afgesloten vanwege een marathon. En dus, omdat er ook geen taxi’s reden, heb ik de Metro genomen. Dat was wel even wennen, want al 12 jaar, als ik me goed herinner, maak ik op verzoek van de politie geen gebruik meer van openbaar vervoer. Maar gezien de Nederlandse politie over mijn veiligheid waakt in Nederland, maar Nederland geen Denemarken is, heb ik dus officieel niet gezondigd! Wat ik daar precies moest doen in de drie uur dat ik er was, is niet zo interessant voor u om te vernemen, maar onverwacht maakte ik iets emotioneel mee. De persoon die ik moest spreken gaf me een piepkleine toer door Joods Kopenhagen. En zo stond ik op het Israel’s ’ Plads (het Israël Plein) naast een grote kei. Nou heb ik natuurlijk wat met keien want Amersfoort heeft als bijnaam de Keistad, maar dat was niet wat mij raakte. Denemarken heeft in de oorlog, oktober 1943, zijn Joodse inwoners georganiseerd met vissersboten overgebracht naar Zweden, om precies te zijn naar Malmö. Als dank voor deze redding heeft Israël deze grote kei, voorzien van inscriptie in zowel het Deens als in het Hebreeuws, aan Kopenhagen geschonken. Maar wat mij emotioneel raakte was dat toentertijd mijn voorganger en leermeester Opperrabbijn Berlinger de rabbijn was van Malmö en hij een van de organisatoren was van deze reddingsoperatie.  Mijn bezoek aan Kopenhagen had niets met politiek te maken, niets met algemeen Joods belang, maar met hulp aan een mede-jood, een medemens, die in de problemen zat.

 En terwijl ik daar bij die kei stond, kreeg ik een telefoontje uit België met het verzoek om iemand die in Nederland in de misère zit te helpen. Na aankomst zal ik bellen naar de Belgische collega die mijn hulp inriep. En morgen, voor u geachte lezer dus vandaag, heb ik een aantal pastorale bezoeken in mijn agenda staan. Natuurlijk valt met dit soort zogenaamde pastorale hulpverlening geen eer te behalen, maar, mijns inziens, is dit de belangrijkste taak van een rabbijn van een Joodse Gemeente, althans dit zou de belangrijkste taak moeten zijn. De hulpverlening moet wel vanuit het Joodse Halagische en filosofische denken zijn. Zo niet, dan is de rabbijn een maatschappelijk werker in een andere salarisschaal. Maar als de rabbijn wel sterk is op het Joods pastorale vlak, dan wordt dat weliswaar gewaardeerd, maar toch ook weer niet. Bestuurders beoordelen mijns inziens te veel op de zichtbaarheid van de rabbijn voor het brede publiek. Natuurlijk is representatie van groot belang en zijn contacten met ’s-Lands Overheid essentieel, maar dit mag niet ten koste gaan van geestelijke bijstand en versterking van de Joodse identiteit door middel van cursussen aan volwassenen en Joodse les aan de jeugd.

Rabbijn Moshe Feinstein zl, een van de allergrootste Halagische autoriteiten van onze huidige tijd, zat uiteraard dag en nacht in de boeken. Vanuit de hele wereld werden hem Halagische vragen voorgelegd. Van zo’n kopstuk kun je geen pastoraal werk verwachten. Je kunt hem vergelijken met een grote professor aan een topuniversiteit. Hij is de theoreticus die de specialisten opleidt die het veldwerk moeten gaan doen.

Maar toch: een oudere dame belde naar het huis van Reb Moshe Feinstein op een vrijdagmiddag. De secretaris van Reb Moshe beantwoordde de telefoon en vertelde aan de dame dat Reb Moshe heel erg druk bezig was en eigenlijk niet gestoord kon worden, maar, zo sprak de secretaris, misschien kan ik u helpen. De vrouw vroeg daarop hoe laat deze week de sjabbat begint.  Ze kreeg het antwoord maar ook een advies. Beste mevrouw, voor dit soort vragen hoeft u eigenlijk Reb Moshe niet te bellen want er bestaan kalenders en Loechot waarop duidelijk staat hoe laat sjabbat begint en eindigt. Hierop reageerde de vrouw verbaasd: “ik bel Reb Moshe al meer dan 25 jaar ieder vrijdag middag met dezelfde vraag. Nog nooit heeft hij mij geattendeerd op kalenders, maar altijd heeft hij mij gewoon gezegd hoe laat de sjabbat kaarsjes moeten worden aangestoken.

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

 

 

Over een bar mitswa, een monument en een idioot. Dagboek van de Opperrabbijn 11 mei 2022

Op 3 mei, ik was nog maar nauwelijks terug uit New York waar ik was vanwege de bat-mitswa van een kleindochter, en zat ik ’s middags al in een bioscoop. Nou ben ik niet bepaald een frequente bezoeker van bioscopen, sterker nog, de laatste keer dat ik in een bioscoop was, zal zo’n zestig jaar geleden zijn. Maar nu dus weer. En het was zeker de moeite waard. In Den Helder werd een monument onthuld ter nagedachtenis aan de 118 vermoorde Helderse Joden. Dat is op zichzelf niet zo bijzonder, omdat dat op vele plaatsen gelukkig/helaas is gebeurd of nog gaat gebeuren. Neen, het bijzondere was de film die gekoppeld was aan deze onthulling en die speciaal was gemaakt om op de scholen vertoond te worden en dus de jeugd te confronteren en te waarschuwen voor opkomend antisemitisme, rassenhaat en discriminatie.

En of die waarschuwing nog nodig is? Beste lezer. U hoeft niet eens alleen naar Rusland/Oekraïne te kijken, maar luister even wat mij in Den Helder werd verteld door een bewoner van Texel die zelf een van de organisatoren was van deze indrukwekkende 3 mei in Den Helder

 

“Bijna 20 jaar geleden hing ik de Israëlische vlag aan de gevel, dit tijdens Onafhankelijkheidsdag, Jom Ha’atsmaoet. Ik ging boodschappen doen en toen ik terugkwam bleken er ongeveer 10 eieren tegen de (witte) gevel van mijn woning te zijn gegooid. Op mijn tuinmuurtje waren diverse tekeningen aangebracht, op A4 formaat. Afbeeldingen van kinderen zwaaiend met Palestijnse vlaggen Ik heb geen aangifte gedaan, maar wel een melding gedaan bij de politie. Mijn werkgever, een overheidsinstantie, die van het incident had vernomen, gaf aan dat ik mij verre van politieke uitlatingen moest houden. Helaas geen woord van afkeur!”

Den Helder
“Tijdens de recentelijke Holocaust Herdenkingsdag, hing ik de Israëlische vlag halfstok in de vlaggenmast van mijn huis. Op dat moment reden er fietsers (toeristen) voorbij en één van hen riep: Wat doe jij nou idioot!”

En daarom is dat monument in Den Helder met het daaraan gekoppelde educatieve project van essentieel belang. Gisteren was ik met mijn gewaardeerde collega rabbijn Shimon Evers op het Stadhuis van Amersfoort om te spreken over een monument ter nagedachtenis aan de in Amersfoort vermoorde Joden. De zorgvuldigheid waarmee dit project wordt omringd is geweldig. Ook hier wordt druk nagedacht over de educatieve ‘bijvangst’. Hoe kunnen we alle scholen erbij betrekken, wat is een waardige locatie en waar is het ’t meest zichtbaar?

Maar er was meer te doen in Amersfoort. Een Bar Mitswa! En niet zomaar van een jongetje, maar van een vaste bezoeker van de sjoeldiensten die vanaf nu dus meetelt in het minjan, het quorum van de tien volwassen mannen die nodig zijn om de sjoeldiensten te kunnen houden. En die aanvulling kunnen we best gebruiken. Want het moge dan zo zijn dat zelfs in Corona-tijd de sjoelgang niet onderbroken is geweest, als een van de weinige plaatsen in Joods Nederland, toch kan Joods Amersfoort deze aanvulling zeer goed gebruiken omdat twee andere vaste sjoelbezoekers, vaste minjan-mannen, binnen afzienbare tijd vertrekken. Dat is erg fijn, want ze gaan naar Israël, maar is wel een aanslag op de vaste sjoel-gang-kern. Maar met Ber, de nieuwe minjeman, moet het verder blijven lukken. Het feest was geweldig. Ber heeft prima uit de Thora gelaajnd, zowel op de dag van zijn Bar Mitswa op donderdag, alsook op sjabbat. Een prachtige Kidoesj na afloop van de sjoeldienst op sjabbat en een brunch na de donderdagochtend-dienst. Dan was er ook nog op zondag een feest voor genodigden. Ber: Bar Mitswa is geen afsluiting, maar een begin. En het is dan ook fijn te mogen horen dat hij, zoals rabbijn Evers in zijn toespraak aangaf, gewoon verder gaat met de Joodse lessen. Succes! Het was een Bar Mitswa die rijk was. Niet rijk aan verkwist geld, maar rijk aan Jodendom. De toespraak van je lieve ouders hadden inhoud, Joodse inhoud!

En nu: op naar Eindhoven. Blouma en ik gaan daar de leden van de begrafenisvereniging, zij die de taharoth, de wassingen van de overledenen, bijscholen. Weer even uitleggen hoe zo’n wassing hoort te geschieden. Hoe om te gaan met een stervende in zijn laatste uren. Natuurlijk is dat bekend, maar opfrissen kan geen kwaad, temeer omdat er ook weer nieuwe leden zijn bijgekomen.

En zo gaat het Joodse leven verder, ook in de Mediene, waar we juist zien, omdat het allemaal klein is qua aantal, dat de inzet en motivatie geweldig is.

Am Jisraeel Chaj, het Joodse Volk leeft, ook in de kleine Joodse gemeenschappen.

                    

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

 

 

Maar als bovenaan die top de afgod IK staat verheven. Dagboek van de Opperrabbijn 8 mei 2022

Ik ben aan het bijkomen. Nou ja, bijkomen? Vandaag de hele dag zitten schrijven en afspraken gemaakt voor het afleggen van pastorale bezoekjes de komende week.

4 Mei heeft nogal wat los gemaakt. Mijn aanwezigheid bij de herdenking ’s middags op het Ereveld te Loenen, mijn toespraak en het leggen van een krans samen met de ambassadeur van Duitsland, is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Naast de aandacht in het NOS Journaal, de Nederlandse pers, ook  de internationale Joodse pers. Interessant te zien hoe de pers de gebeurtenis naar zijn lezerspubliek toeschrijft.  Het was zeer indrukwekkend dat tijdens het muzikaal intermezzo plotseling voor mij geheel onverwachts het Hatikwa als onderdeel van het intermezzo weerklonk. Ik ben niet zo emotioneel van nature, maar ik had het echt even niet meer. De organisatie had bewust voor mijn inbreng, mijn toespraak, dit als opdracht meegegeven aan de musici. Ontroerend en zeer gevoelig en begripvol van de organisatoren van deze bijzondere plechtigheid. Ze wilden mij een riem onder het hart steken. Want het was dus voor het eerst in onze vaderlandse geschiedenis dat bij een nationale herdenking de ambassadeur van Duistland aanwezig was en samen met mij een krans zou leggen.

En als ik dan de diverse buitenlandse Joodse media bekijk dan zie ik dat ook bij hen het Hatikwa de meeste aandacht krijgt. Zeker vermelden ze ook de gezamenlijke kranslegging, maar dat Hatikwa won het in de Joodse media. Een van mijn kinderen is een financiële professional is (vraag me niet precies wat hij doet, want ik weet het echt niet) en heeft dus een LinkedIn. Op die LinkedIn heeft hij de foto van de ambassadeur van Duitsland en van mij geplaatst en als tekst een uitleg bijgevoegd van ons gezamenlijke optreden. Bijna 3500 reacties heeft hij ontvangen, hetgeen voor LinkedIn erg veel schijnt te zijn.

Maar ook bij de diverse ontmoetingen heb ik bijna uitsluitend positieve reacties ontvangen. Ik had kritiek verwacht, speciaal van overlevenden van de Sjoa en daarom had ik eerst voordat ik de idee te berde bracht, overlegd met mijn Advisory Board. Ontroerend was de reactie van een oude dame, jong van geest, maar qua leeftijd niet meer tot de jonkies behorend. Toen zij mij tegenkwam was haar opmerking: ik zag uw foto met de Duitse Ambassadeur. Heel goed, eindelijk!

Mijn dagboek van vandaag dreigt nu een beetje te lang te worden dus daarom in het komende dagboek aandacht voor het geweldige Bar Mitswa feest in Amersfoort van de zoon van mijn Rabbinale Archeoloog en zijn echtgenote. En vrijdag, net voor de sjabbat, de lewaja, begrafenis, van een voormalig bestuurder van mijn IPOR en van het NIK.

Maar nu dan, op veler verzoek, het gedicht dat ik heb voorgedragen in Loenen. Behalve dit gedicht heb ik een gebed uitgesproken en voor het gedicht nog een korte toespraak waarin ik aangaf dat een oorlog niet zwart-wit is en dat ongenuanceerdheid de tegenpool is van vrijheid en vrede.

Voor vrijheid werd gestreden

Toen, morgen en ook heden

  •  

Maar als vrijheid betekent, alles kan en alles mag

En respect verdwijnt voor Overheid en voor gezag

  •  

Als waarden en normen vervagen en verdwijnen

Als mensen alleen denken aan zichzelf en aan de zijnen

  •  

En voor de ander is geen plaats en is geen oord

Als het gewoon is te denken dat dat zo hoort

  •  

Dan is dit geen vrijheid niet voor toen en niet voor het heden

Is het niet de vrijheid waarvoor in de jaren ’40-’45 werd gestreden.

  •  

Laten wij bescheidenheid en rechtvaardigheid beschermen en eren

Door antisemitisme, discriminatie en rassenhaat niet te tolereren

  •  

En besef: alles kan en alles mag

Brengt geen vrede, want ook dat ondermijnt uiteindelijke het goede gezag

  •  

Maar als bovenaan die top de afgod IK staat verheven

En die IK in ook de lagere niveaus is gebleven

  •  

Dan is vrede ver van ons vandaan

En zal helaas oorlog blijven bestaan

  •  

Wij zijn hier bijeen om te bidden en te gedenken

We smeken de Eeuwige om ons de echte sjalom te schenken

                     

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

 

 

Rond 4 mei komen sommige vragen verkeerd over. Dagboek van de Opperrabbijn 3 mei 2022

Op 3 mei ’s ochtends, gisteren dus,  arriveerden we op Schiphol uit New York en, na een hele nacht vliegen en nauwelijks slapen, waren we weer thuis. Maar voor mij was dat thuis van korte duur want om 12:30 uur werd ik afgehaald om naar Den Helder te vertrekken voor de première van een film over de Joden van Den Helder , waaraan ik heb meegewerkt, bestemd voor de scholen in Den helder en omgeving. Na de vertoning van de film, waarbij zo’n 200 mensen aanwezig waren, gingen we naar het nieuwe monument ter nagedachtenis aan de Joodse inwoners van Den Helder voor de officiële (tweede) onthulling. Nadat er al een onthulling had plaatsgevonden gedurende coronatijd, met nagenoeg geen publiek, nu dus de echte plechtigheid.

Maar toen ik nog net in de USA was en achter mijn computer zat bereikte mij online de vraag  waarom wij Joden het Nieuwe testament niet erkennen. Omdat ik nogal moe was, en dus sneller geïrriteerd raak (hetgeen niet juist is), heb ik ze nogal scherp geantwoord: “Moet ik gaan antwoorden waarom wij het NT niet erkennen? Vraagt u uw predikant waarom hij het wel erkent! En  los hiervan:  door de eeuwen heen zijn honderdduizenden en honderdduizenden van mijn geloofsgenoten dankzij het NT vermoord!” Gelukkig zijn er heel veel Christenen die doordrongen zijn van de gevoeligheid en begrijpen dat zo’n vraag aan mij niet gesteld kan worden. Tenzij er sprake is van een oprechte en diepe wederzijdse vriendschap en dan kan alles gevaagd worden. En dat gebeurt ook, vanuit wederzijds respect en tolerantie. Maar een vraag van iemand die ik geheel niet ken in de dagen voor 4 mei…komt verkeerd over en raakt een (over)gevoelige snaar. Special ook toen ik net had gelezen dat de Minister van Buitenlandse Zaken van Rusland aangaf dat de moordenaar van 80% van mijn familie ‘ook Joods bloed in zich had’.

Het is inmiddels 4 mei in de vroege ochtend en ik ga me voorbereiden voor de herdenking op het ereveld in Loenen waar ik een korte toespraak zal houden om 15:00 uur vanmiddag om daarna, ja u leest het goed, met de ambassadeur van Duitsland een krans te leggen. En daarna naar de Dam voor de Nationale Herdenking. De Oorlogsgravenstichting komt ons van huis ophalen. Ons, want Blouma gaat mee omdat haar aanwezigheid functioneel zal zijn. Ook zij kent de bestuurders van de Oorlogsgravenstichting, los van haar geïnteresseerdheid is alles  wat met geschiedenis van doen heeft. Na de plechtigheid is er tijd ingeruimd voor interviews en dan naar  de Dam.

Maar nu zit ik nog met mijn gedachten bij gisteren: Den Helder! Een indrukwekkende plechtigheid. Een film opgezet om het “We mogen ze niet vergeten” speciaal onder de schooljeugd te verspreiden. De officiële onthulling van het monument ter nagedachtenis aan de 118 Joodse inwoners van Den Helder. Rond 19:00 uur was ik eindelijk weer thuis, na de nacht van maandag op dinsdag maar 2 uur te hebben geslapen en het 6 uur tijdsverschil nog niet te hebben verwerkt. Maar Den Helder was zo goed! De inzet van de burgemeester en ook van de vorige burgemeester, die nu de burgervader is van Groningen, maar die deze onthulling en de première van de film niet wilde missen.

Ik moet me nu gaan voorbereiden, me aan me dagelijkse Thorastudie gaan wijden, ontbijt, m’n nette pak aandoen, zorgen dat m’n stropdas netjes zit. Maar toch wilde ik u even deelgenoot maken van Den Helder en u verzoeken om even hiernaar te kijken, als voorbereiding voor de twee minuten stilte van dadelijk:  klikt u maar: https://www.youtube.com/watch?v=PyVeYq32UiU  

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

 

“Hoe” kunnen we antisemitisme effectief bestrijden? Dagboek van de Opperrabbijn, 1 mei 2022

Onder bovenstaande titel werd mij verzocht een column te schrijven. Maar met grote aarzeling accepteerde ik die uitnodiging, omdat mijns inziens voordat we gaan nadenken over “Hoe” we eerst ons moeten afvragen “Of”?  Kan antisemitisme überhaupt bestreden worden? Ik herinner mij hoe ik ooit werkzaam was aan een educatief project, gesubsidieerd door het Ministerie van OCW, dat onder andere tot doel had om het antisemitisme te bestrijden. Na een jaar werden we bezocht door een ambtenaar van het Ministerie en werd ons gevraagd of we er al in waren geslaagd om het antisemitisme te verdrijven en indien nog niet volledig, hoeveel procent vermindering er was ontstaan door onze educatieve materialen en cursussen. Voor mijn gevoel snapte de ambtenaar er totaal niets van omdat hij dacht dat antisemitisme verdrongen kan worden door de oorzaak weg te nemen. Als de haat echter een haat is zonder oorzaak, dan is uitschakelen onmogelijk. Amalek staat in de Thora symbool voor de haat zonder reden en dus is Amalek niet te vernietigen, laat staan te transformeren van haat in liefde. Als de Thora mij aangeeft om Amalek nooit te vergeten, bedoelt G’d uiteraard niet dat ik mezelf in een soort angst cocon moet terugtrekken. Absoluut niet! Maar wel dient er bij mij, het Joodse Volk, steeds een vorm van alertheid aanwezig te zijn, want steeds weer zal Amalek opduiken in verschillende gedaanten. Andere namen voor Amalek door de eeuwen heen en ook vandaag kunt u zelf invullen!

Iets concreter: de reden dat er antisemitisme bestaat is omdat de Joden rijk zijn!? Maar kijk dan even naar Polen voor de Tweede Wereldoorlog en zie dat het antisemitisme weelderig aanwezig was en de Joden straatarm! Joden zonderen zich af!?  Kijk naar Duitsland en ook Nederland waar de Joden volledig waren geïntegreerd en desondanks… Joden zijn intelligent!? Er zullen zeker intelligente Joden zijn, maar evenzovele Joden beschikken over beperkt verstandelijke capaciteiten. Joden zijn muzikaal, Joden zijn oplichters en sjoemelaars, Joden zijn …en zijn…!? En natuurlijk: Joden hebben alle macht in handen.

Deed me denken aan Moos. Moos zit tijdens de oorlog, in 1942, in het park een SS-krant te lezen. Een SS’er loopt langs en brult tegen Moos: Jij vuile rotjood. Waarom lees jij onze SS-krant? Waarop Moos antwoordt: als ik de Joodse krant lees word ik helemaal gedeprimeerd want ik zie dat Joden hun geld moeten inleveren, hun radio’s, hun fietsen. Ik lees dat Joden niet meer naar bioscopen mogen en langzaam maar zeker de hele wereld zich om hen heen sluit. Als ik daarentegen in de SS-krant kijk, staat er dat Joden alle macht van de wereld hebben en schatrijk zijn! Als ik dat lees voel ik me helemaal opgelucht en gelukkig!

Tijdens de Kruistochten mochten wij vermoord worden en werden we ook daadwerkelijk vermoord omdat wij de stichter van het Christendom hadden gekruisigd. In de Middeleeuwen veroorzaakten wij de pest, mijn ouders hadden in WO II het verkeerde ras. En ik, kind van na de oorlog, ben een zionist. Of ik mezelf wel of niet als zionist beschouw en of ik dat nou wel of niet ben: Jacobs = Zionist! Antisemitisme en antizionisme zijn een onafscheidelijke eenheid gaan vormen, synoniemen, hoewel zionisme en antisemitisme in theorie volledig naast elkaar kunnen staan.

Wat dan wel de reden zou kunnen zijn van de ziekte die antisemitisme heet? In de geneeskunde accepteren we dat er ziekten zijn waarvan de oorzaak onbekend is. De arts zal zich dan moeten beperken tot symptoombestrijding zoals koorts en pijnverlichting. Gelijk paracetamol slechts bij machte is om de pijn te verlichten, maar niet in staat is om de oorzaak te bestrijden, zo ook kan antisemitisme niet worden uitgeroeid. Antisemitisme is een diepgewortelde kwaal die even oud is als het Joodse volk. Want met het ontstaan van het Joodse volk bij de berg Sinai is ook die ongeneeslijke ziekte ontstaan. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in het woord Sinai taalkundig het woord “Siena” dat “haat” betekent, verborgen zit. Met andere woorden: met het ontstaan van het Joodse Volk ontstond het antisemitisme.

Is de conclusie nu dat ik moet achteroverleunen? Het antisemitisme maar op z’n beloop moet laten? Stelt mijn voorzitterschap van “the Comite Combatting Antisemitisme of the European Jewish Association” dan niets voor als het antisemitisme toch niet te “combatten” valt!?

Zeker moet er tegen antisemitisme en iedere andere vorm van zinloos geweld worden opgetreden, maar wel met een beperkt verwachtingspatroon om teleurstelling tegen te gaan.

Het kernwoord in de strijd tegen antisemitisme luidt: educatie, educatie, educatie!

Op school; Bij de inburgeringscursussen; Tijdens bijeenkomsten.

Als in een stekje een inkerving wordt gemaakt ontstaat een kreupele boom. Onderwijs in de prille jaren vormt de mens. Voordat de inkerving ontstaat, moet worden ingegrepen en aan het kind worden uitgelegd dat antisemitisme niet mag bestaan. Tolerantie en wederzijds respect moet de basis van opvoeding zijn. Voor antisemitisme mag geen plaats zijn.

Vluchtelingen uit bijvoorbeeld Afghanistan komen hier aan met een rugzak, ook een spirituele. En in die rugzak zit ook de wetenschap dat vrouwen gebruiksvoorwerpen zijn en Joden moeten worden uitgeroeid, zoals deze week nog een Iman op de officiële Palestijnse Televisie heeft verkondigd. Zijn de Afghaanse vluchtelingen schuldig aan deze kromme visies? Neen! Zo zijn ze opgevoed. Opgevoed met een schadelijke inkerving. Maar de vraag is: wat doen wij Nederlanders eraan om deze ziekelijke en schadelijke opvoeding recht te zetten?

Ook in en door kerken worden mensen gevormd. De kerk kent helaas een lange geschiedenis van antisemitisme. Het is verheugend dat de meeste kerken duidelijk afstand hebben genomen van Jodenvervolging door de eeuwen heen. Terecht! En ik ben daarvoor innig dankbaar. Maar: blijft het bij een publiekelijk excuus? Of is deze spijtbetuiging ook geïntegreerd opgenomen in preken, in geschriften en onderwijs aan de jeugd?

Samen dienen we te strijden tegen antisemitisme, rassenhaat en intolerantie. En samen dienen we ervan doordrongen te zijn dat in de Tweede Wereldoorlog niet alleen 6 miljoen Joden werden vermoord, maar dat meer dan 55 miljoen medemensen het leven lieten.

 

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

 

 

Antisemitisme is gelijk het Joodse volk: onuitroeibaar. Dagboek van de Opperrabbijn, 27 april 2022

Mijn vorige dagboek eindigde ik met een probleem: ik zat klem met mijn dagboek vanwege reacties die veel pastorale aandacht vragen en waardoor ik in tijdnood kom! Voor mijn gevoel dus een beetje onoplosbaar.

Maar gelukkig zijn niet alle problemen onoplosbaar. Zojuist kreeg ik te maken met een  elektrische waterketel die maar niet warm werd op het moment dat ik een bijna chronische behoefte had aan een kop koffie. Wat ik ook probeerde met de ketel, het kreng weigerde z’n taak uit te voeren en mij van heet water te voorzien. Ten einde raad vroeg ik aan Blouma, wiens gevoel voor elektrotechniek niet hoger scoort dan een zes min (tegenover een briljante talenknobbel) of zij wellicht ook gezeur had gehad met onze doorgaans trouwe waterkoker en of we wellicht onze waterkoker moesten vervangen. Ook waterkokers hebben, gelijk de mens, namelijk een beperkte levensduur. Op haar vraag wat er mis was legde ik haar netjes uit dat er wel voldoende water in de ketel zat, maar hoe ik ook het knopje indrukte: het water bleef koud! Omdat ze weet hoe belangrijk voor mij een kop koffie is, schoot ze meteen te hulp en constateerde dat de stekker niet in het stopcontact zat!

Na enig denkwerk begreep ik de aanwijzing: ga niet meteen op zoek naar allerlei ingewikkelde trauma’s en psychologische theorieën wanneer zich een probleem voordoet, maar kijk eerst gewoon naar de meest voor de hand liggende oplossing.

Wat betreft mijn klem zitten met mijn dagboek, kreeg ik een oplossing van een trouwe lezer aangereikt: “was het niet zo dat uw voorganger, ene Moshe Rabeenoe, door zijn schoonvader werd geadviseerd om rechters aan te stellen op verschillende niveaus die van Moshe  de minder ingewikkelde zaken moesten overnemen zodat alleen de meest gecompliceerde kwesties bij Moshe zelf hoefden te komen.

Het advies klinkt logisch, maar toch werkt het niet zo. Natuurlijk stuur ik regelmatig door naar collega’s, maar als iemand zich persoonlijk tot mij richt, is doorverwijzen met een persoonlijk probleem mijns inziens geen oplossing, waarmee mijn probleem gewoon probleem blijft!

Dit neemt overigens niet weg dat ik waar nodig bij collega’s rabbijnen, ook elders in de wereld, te rade ga. Neem bijvoorbeeld het volgende probleem. Op 4 mei aanstaande ben ik uitgenodigd bij een belangrijke herdenking en word ik verzocht om een krans te leggen. Maar is het juist dat ik voor het gezicht van de camera zoiets doe? Bij een Joodse begrafenis worden juist geen bloemen gelegd, maar een steentje. De reden? Bloemen verwelken, steentjes niet! Waarmee we willen aangeven dat gelijk steen niet vergaat, ook de ziel van de overledene onvergankelijk is en ook de nagedachtenis aan de overledene bij ons niet zal vergaan. En dus de vraag: is het juist dat ik een krans leg? Ik meen zelf het antwoord te kennen, maar omdat ik naar mezelf toe partijdig ben, raadpleeg ik een deskundige rabbijn die van een afstand mijn vraag kan overzien zonder door eigenbelang beïnvloed te worden. Het resultaat is dat ik 4 mei aanstaande voor het eerst in mijn rabbinale carrière een krans leg bij een monument. De reden? Respect voor allen die vermoord werden en halagisch, Joods wettelijk, geen bezwaar.  

En toen kwam naadloos volgend de tweede vraag: wat komt er op het lint te staan? Nie wieder, leek me een goed idee. Maar, zo vroeg ik me af, is het verstandig om te herdenken met twee Duitse woorden? En dus kwam mijn tekstvoorstel: “om te voorkomen.”

Dat 4 mei nadert merk ik ook aan verzoeken om artikelen te schrijven. Zo werd ik gevraagd om voor  een christelijke website een column te schrijven met als titel “Hoe kunnen we antisemitisme  voorkomen?” Een schier onmogelijke titel omdat antisemitisme niet voorkomen kan worden. Antisemitisme is gelijk het Joodse volk: onuitroeibaar.

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

Ik zit klem met mijn dagboek! Dagboek van de Opperrabbijn, 25 april 2022

Pesach is weer afgelopen! Geeft me dat een fijn gevoel zo van: we hebben het weer zonder al te veel kleerscheuren overleefd. We zijn toch wel een bijzonder volkje! Als malloten poetsen we alles dat poetsbaar is en verwijderen ieder kruimeltje chameets uit ons huis. Zelfs onze auto (die vaak lijkt op een combinatie van de papier-, groen- en plastic kliko) ondergaat net voor Pesach een metamorfose. En vervolgens, acht dagen later, gaat alles weer terug naar het gewone dagelijks leven.

Het zal u, trouwe dagboekenier, opgevallen zijn dat ik gedurende deze Pesach-periode wat onregelmatig was met het schrijven van mijn dagboeken. De reden is: ik was in Canada om samen met mijn dochters en hun aanhang Pesach te vieren. Dat levert uiteraard vertraging op, reistijd, andere klok en uiteraard de Jom Tov dagen zelf die een ‘werkverbod’ kennen en dus: computer-stilte.

Los hiervan blijf ik als rabbijn toch altijd de klos, ongeacht Pesach.  Want rabbijn ben ik, was ik en zal ik blijven. En zo zien anderen dat ook. En daarom heb ik in Montreal gedurende de Jom Tov dagen in verschillenden sjoels toespraken mogen houden en lern-bijeenkomsten mogen leiden. Uiteraard is er altijd genoeg te vertellen, zeker over Pesach, maar het lastige is dat ik het publiek niet ken, de toehoorders. En mijn manier van spreken is erg gericht op de aanwezigen. Ik probeer aan hun gezichten af te lezen hoe te spreken. Niet zozeer wat ik moet gaan vertellen, maar de verpakking waarin ik mijn woorden presenteer! Stel ik koop voor mijn Blouma een mooie gouden ring met diamant en geef haar dat als verrassing in een vunzig, al meerdere keren gebruikt zakje van de Hema, dan oogt die ring niet, hoe mooi die ook is.  Maar als die dure ring in een prachtig verpakt doosje met een strik en de naam van een bekende juwelier is verpakt…Zo ook met een toespraak of een les. De verpakking, de presentatie is van groot belang. En dus is het voor de spreker van immens belang te weten welke verpakking te gebruiken. En wat die verpakking gaat worden hangt dan weer af van de ontvanger van de prachtige ring of van de toehoorders, het publiek. Enfin mijn toespraken zijn goed en vooral inspirerend overgekomen. En dus hebben alle plaatsen waar ik gastspreker mocht zijn mij gevraagd om volgende jaar Pesach weer te komen spreken.

Het moge duidelijk zijn dat deze complimenten mijn gevoel van nederigheid en bescheidenheid (waarvoor de matze symbool staat) niet bevorderd hebben. Maar niet spreken, of niet goed voorbereid zijn qua inhoud of qua verpakking, is ook weer niet goed. Het deed me denken aan een vriend van mij die me vroeg of ik opgelucht was dat Pesach weer voorbij was. Enerzijds niet, want Pesach ben je echt geheel uit het dagelijkse normale doen en laten. Matzes, Jom Tov, een en al spiritualiteit en weg van de seculiere en materiële spanningen.

En toch is het vanuit het Joodse denken niet acceptabel om Pesach te blijven vieren! Ja, we hebben Pesach nodig, eenmaal per jaar, om met de verzamelde Pesach-krachten, nederigheid en bescheidenheid, juist in de wereld met al zijn hunker naar kowed, eer, naar prestatie, naar roem en naar egoïsme, overeind te blijven en niet aan de verleidingen toe te geven.

Zijnde in Canada moest ik terugdenken aan twee jaar geleden, begin van Corona en begin van mijn dagboekschrijverij en begin ook van een heel andere manier van communiceren, pastorale zorg per e-mail en computer.

Dat daaraan behoefte bestaat blijkt. Steeds vaker ontvang ik ellenlange e-mails met hele verhalen. Mensen die ‘even’ willen uitleggen wat ze stoort, hulp vragen of gewoon iets wat ze met mij willen delen. Geweldig dat ze dit doen en ik ben dankbaar naar hen te mogen luisteren of ze ergens mee behulpzaam te mogen zijn. Maar ‘even’ ontaardt al heel snel in vele A4’tjes vol getypt met lettertype 11 zodat het minder pagina’s neemt en dus korter lijkt, maar niet korter is. Ik heb dus een probleem: ik wil zo’n lange e-mail echt helemaal goed lezen, maar ik voel dat het te veel wordt. Lange e-mails aan mijn assistente sturen en haar laten lezen en zo nodig beantwoorden? Is dat juist en moreel acceptabel? Ik zit klem.

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

 

 

Slavernij in Egypte, in Auschwitz, in Mariupol. Dagboek van de Opperrabbijn 19 april 2022

Pesach heeft mij persoonlijk tot nu toe veel rust gegeven. Ik voel me ontspannen. De eerste twee dagen geen e-mail, geen telefoon en zelfs geen Whatsapp. Slaven waren wij bij de Farao in Egypte. Die slavernij speelde niet uitsluitend toen, maar ook nu. Verslaafd zijn aan je werk, aan gokken, aan eigen positie voortdurend versterken, aan…aan…Vult u zelf maar in. En dus voel ik me bevrijd van de dagelijkse sleur en weet me uitgerust.

Maar een mens kan ook verslaafd zijn aan vakantie en de medemens in nood moet maar even wachten, want ik heb geen tijd. In een ziekenhuis, en mijn gedachten dwalen af naar mijn 38 jaar Sinai Centrum, is het normaal dat na diensttijd de dokter geen dienst heeft. Je gaat hem natuurlijk niet thuis bellen. Maar mijns inziens mag dit niet gelden voor een rabbijn of een geestelijke van een andere denominatie. Geestelijke mag volgens mij geen baan zijn, maar moet een roeping blijven. En dus geen ‘uitsluitend bereikbaar tussen 9:00 en 17:00 uur’ of ‘wegens vakantie gesloten’.  

Voor bijscholing moet er natuurlijk wel tijd zijn. En zo beleef ik deze Pesach periode. Opladen. Extra kennis vergaren om daarmee na Pesach er weer beter tegenaan te kunnen. Niet alleen qua kennis om een groter reservoir te hebben voor sjioerim, lezingen en toespraken, maar ook om zelf sterker te zijn, beter te kunnen nadenken en daardoor beter met mijn eigen problemen te kunnen dealen en beter anderen bij te kunnen staan.

Maar ondertussen gaat het gewone toch gewoon door. Zojuist een telefoontje uit het buitenland van een gewaardeerde collega. Hij zit met een probleem waarop hijzelf geen antwoord heeft. En dus heeft hij besloten om drie rabbijnen tegelijk aan de telefoon te krijgen (dat op zichzelf kan al problematisch zijn), zijn probleem voor te leggen en dan de meerderheid te volgen.

Een email uit de Verenigde Staten over een familielid dat in de oorlog in Nederland een natuurlijke dood was gestorven en begraven ligt op de begraafplaats van een Joodse Gemeente. De begraafplaats is inmiddels bekend, maar de precieze plaats van het  graf niet. En nu wil de familie een grafzerk plaatsen, maar de vraag is dan dus: waar?  Onbelangrijk? Inderdaad, de wereld geschiedenis zal door het plaatsen van een grafzerk 80 jaar na overlijden niet veranderen. Met de catastrofe in Mariupol valt het niet te vergelijken, maar toch: ook dit verdient aandacht en kan emotioneel van groot belang zijn voor de nabestaanden die pas nu ermee op de proppen komen (en wellicht ook voor de zielenrust van de overledene). Waarom niet eerder op zoek gegaan naar het graf? Waarom niet eerder wakker geworden?  Die vraag is niet aan mij om te beantwoorden. Mijn taak is: helpen en niet oordelen en al helemaal niet veroordelen.

Mariupol blijft door mijn hoofd gonzen. Waarschijnlijk omdat ik er vele keren ben geweest, de mensen ken en zeer bevriend ben met Mendel Cohen, de rabbijn van wat eens Mariupol was. Ik zie mezelf weer staan bij dat massagraf uit WO II. Tien meter breed en elf en een halve km lang. Ja, u leest het goed.

In het Joodse Museum in Moscou, waar een aantal van mijn Europese collega’s door Poetin persoonlijk werden rondgeleid, werd ruime aandacht besteed aan de massagraven in Oekraïne en de wreedheden van de Oekraïners in de WO II. Toen ik enige dagen voor het uitbreken van de huidige oorlog in Kiev aanwezig was bij de herdenking van Babyn Yar, hoorde ik van de diverse Oekraïense sprekers niets over wreedheden van Oekraïners. Het waren nagenoeg uitsluitend de nazi’s die de honderden massagraven op hun geweten hadden. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen, of misschien ook niet. Oorlog is afschuwelijk. Mariupol komt weer in mijn gedachten. Geen water, geen warmte, geen eten.

In de Hagada van Jonathan Sacks las ik over slavernij een quote van de bekende Joodse schrijver en overlevende van Auschwitz Primo Levi. Toen de nazi’s begrepen dat de Russen dichtbij kwamen hebben ze Auschwitz ontruimd en begon de beruchte Dodenmars. De zieken en nagenoeg gestorvenen bleven achter. Een paar van hen gingen de ramen dichtmaken als bescherming tegen de ijzige kou. Met olie hebben enkelingen, die nog konden lopen, vuur gemaakt om warmte te creëren. En toen gebeurde er iets heel bijzonders. De paar mannen die probeerden de anderen te helpen werden bedankt met een extra stukje brood. Iedereen stond een stukje af van zijn eigen schamele rantsoen. Toen was de bevrijding aangebroken, volgens Primo Levi. Tijdens de slavernij dacht ieder uitsluitend aan zichzelf. En waar mogelijk pakte je, om te overleven, een stukje brood bij de ander weg. Dat was het normaal van de slavernij en de afschuwelijke honger: overleven! Nu anderen van hun eigen stukje brood afstonden aan anderen, nu het normaal weer normaal werd, was het begin van de vrijheid aangebroken…Dit las ik in de Hagada. Dit geschiedde meer dan 3300 jaar geleden, ook tachtig jaar geleden. Hoe zal het nu zijn in de schuilkelders in Mariupol? Ik durf er niet aan te denken.

 

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl

 

RSS
Follow by Email