Dagboek van de opperrabbijn 26 april 2026

Dagboek van de opperrabbijn, 26 april 2026

Het Gouvernement aan de Maas (wij gewone Nederlanders noemen dat het Provinciehuis) bestaat veertig jaar en de Gouverneur, de Commissaris van de Koning de heer Roemers, grijpt deze gelegenheid aan om een jaar lang te vieren (daar zijn ze in Limburg erg goed in!) en aandacht te vragen voor de democratie, dus het aangename met het nuttige te combineren. Ik had de eer om bij de opening van het feestjaar uitgenodigd te zijn en zitting te nemen in een panel onder de zeer professionele leiding van niemand minder dan Twan Huys. Hoewel ik uiteraard het belang van een democratie onderschrijf, moeten we ook ervoor waken om de democratie te verheerlijken en idealiseren. Ook een democratie moet alert blijven en voorkomen dat er geen verkeerde leiders democratisch worden gekozen die vervolgens op democratische wijze de democratie de das omdoen. Speciaal voor mij en Blouma was er een koosjere lunch verzorgd, hetgeen een erg warm gevoel gaf. Natuurlijk had ik ook zelf mijn boterhammetje kunnen meenemen, maar dat was voor Gouverneur en organisatie onacceptabel. Hopelijk was mijn bijdrage aan de paneldiscussie waardevol, maar zelfs als die niet veel voorstelde was mijn aanwezigheid met hoed en baard voor mijn gevoel belangrijk. We zijn er nog, zelfs in Limburg! Hoewel, de heer Benoit Wesly, tot voor kort nog de honorair-consul van Israël in Maastricht en voorzitter van de Joodse Gemeente Limburg, heeft de aanwezigheid door de jaren heen wel goed en positief zichtbaar gemaakt. Overigens doet de huidige voorzitter van de Joodse Gemeente, Ernst de Reus, het ook fantastisch. Maar desondanks zijn we piepklein achtergebleven, ook in Limburg.
Het panel discussieerde over democratie, een politiek onderwerp. Maar, achteraf bezien, was het juist dat ik me met de politiek inliet? Een rabbijn is een geestelijke en dient zich van politieke uitspraken te onthouden. Hij is er voor de mensen van de Joodse gemeenschap, ook voor degenen die wellicht een andere politieke opvatting hebben dan de rabbijn. En terwijl ik daarover aan het peinzen was, ontving ik onderstaande e-mail:
Ik ben een trouw lezer van uw dagboek en zou graag in contact komen met u. U schreef een stuk over de verschillen tussen antisemitisme en antizionisme. Op zichzelf wel boeiend. Vervolgens schreef u zonder duiding dat u aanhanger bent van Netanyahu. Ik vroeg me af waarom u uw politieke voorkeur in uw stuk betrok. Ik heb deze korte zin als polariserend ervaren maar vraag me af of dit zo is bedoeld. Ik weet ook niet of anderen dit zo hebben gelezen. Ik denk dat veel van uw dagboek-lezers politiek ambivalent zijn. Het is daarom mooi deze ambivalentie te bespreken. Dit zal velen aanspreken. Zeker in de aanloop naar 4 en 5 mei is dit wat we nodig hebben. Ongetwijfeld is bovenstaande niet volledig of niet volledig duidelijk. Daarom zou ik graag eens in een gesprek met u van gedachten wisselen.
Als u mij een beetje kent zal het u niet verbazen dat ik binnen een mum van tijd in de telefoon ben geklommen, een afspraak heb gemaakt en ondertussen zit ik te peinzen. Ja, ik ben voor Netanyahu, vandaag en gisteren. Maar zal ik ook morgen pro zijn? En los van mijn pro of contra, mijn mening heeft weinig waarde, alleen in Nederland heb ik stemrecht. Maar waarom schreef ik zo uitdagend dat ik pro-Netanyahu ben? Ik denk dat half Israël voor is en half tegen, niets mis mee. Ik laat me daarover ook duidelijk niet uit. Maar of ik voor of tegen Netanyahu ben wens ik zelf te bepalen en ik weiger mee te doen aan de anti-Israël stemming die van ons eist om tegen Netanyahu te zijn! Ik bepaal mijn mening over zionisme en ik weiger mijn mening te laten bepalen door media, als bijvoorbeeld de N…!
Donderdag was een landelijke bijeenkomst van het OJEC, het overlegorgaan Joden- Christenen in de Portugese Synagoge. Een boeiende rondleiding, een buitengewoon interessante lezing door Prof. Emile Schrijver, mijn vriendje, en tenslotte afscheid van Piet van Midden die zich tientallen jaren als voorzitter van het OJEC heeft ingezet om binnen de Christelijke samenleving begrip te kweken voor het Jodendom en voor Israël.
Beste dagboekenier, ziet u wat er gebeurt? Jodendom, religie, en Israël, politiek. Het is onafscheidelijk. En dus, hoewel ik me verre van politiek houd, lopen politiek en religie vaak sterk door elkaar. In ieder geval: Beste Piet, dank voor je geweldige inzet voor het Ojec, de verhouding Joden-Christenen en vooral: blijf gezond en blijf pro-Israël en anti-antisemitisme columns schrijven.
In de pauze van de Ojec-Snoge-middag, het weer was schitterend, mochten we van de nieuwe voorzitter in de binnenplaats van het Synagoge-complex een luchtje scheppen. En toen overkwam me iets vreemds. Gelijk ik vanaf dag één van mijn rabbijn-schap in Nederland me had voorgenomen om na mijn pensionering Nederland in te ruilen voor Israël als woonplaats, had ik zo rond mijn 65ste besloten om gids te worden bij de Snoge en met de oprichting van het Holocaust Museum had ik me voorgenomen om als vrijwilliger een dag per week zichtbaar aanwezig te zijn in het museum om met toeristen te spreken en te vertellen over eeuwen Joods leven in mijn Nederland. Waarom welden die pensioneringsgedachten in me op, terwijl ik tot geen pensioen te bewegen breng? Een Amerikaanse toerist die ik tijdens mijn frisse luchtje op de binnenplaats trof, begon een gesprek. Hij wist dat alle Joden in Nederland de Holocaust hadden overleefd en dat onze koningin Wilhelmina in de oorlog met een Jodenster rondliep als protest tegen de Jodenvervolging. Ondertussen was de Amerikaanse toerist, hij was Joods, verheugd om met een Nederlandse rabbijn te spreken. In zijn woonplaats had hij geen contact met rabbijnen.
En zo zie je maar weer dat wat de Ba’al Sjem Tov heeft gezegd geen theorie is, maar praktijk. Van alles wat een mens in het leven tegenkomt dient geleerd te worden, toeval bestaat niet, niets is zinloos, Dat luchtje scheppen, was niet alleen voor het luchtje, maar ook voor die Amerikaanse toerist die kennelijk dat rabbinale contact nodig had.
Vandaag, zondag, was ik in Kopenhagen. Ik mocht een gezin helpen met een probleem en ik denk dat ik ze inderdaad heb geholpen. Ik heb met ze gesproken van drie tot vijf, slechts twee uur. Als ik dadelijk thuis ben gaat de mevrouw nog even met Blouma spreken via zoom en dan denk ik dat het probleem is opgelost. Nou, niet helemaal opgelost, maar ze weten nu hoe ze het probleem kunnen hanteren en als een mens weet hoe met zijn probleem om te gaan, dan is het probleem geen echt probleem meer, maar een uitdaging.
Mijn dagboek is klaar en mijn vliegtuig, vlucht KL1276, gaat landen. Mijn auto staat op Schiphol en mijn dag zit er weer op.

Dagboek van de opperrabbijn 22 april 2026

Dagboek van de opperrabbijn 22 april 2026

Een trouwe lezer van mijn dagboeken, die ik toevallig ontmoette en aangaf dat hij met veel belangstelling mijn dagboeken leest, verzocht mij om mijn dagboeken iets korter te maken, want hij vond ze aan de lange kant. Wat moet ik daar nu mee, vroeg ik mezelf af. Inkorten kan natuurlijk, maar klinkt eenvoudiger dan het is. Mijn wekelijkse column in het papieren NIW moet precies vierhonderd woorden tellen en dat is lastiger dan u denkt. Ik wil namelijk een bepaalde gedachte overbrengen, kom dan al schrijvend op te veel woorden uit en dan is inkorten, zonder afbreuk te doen aan de boodschap die ik wilde overbrengen, lastig en vooral tijdrovend. Dus ik zou allen die vinden dat mijn dagboek te lang is adviseren: lees eerst de eerste helft en een dag later de rest. Gezien mijn dagboek twee keer per week verschijnt, treffen we elkaar dan dus vier keer per week en wordt mijn dagboek dan dus bijna een echt iedere-dag-boek, waarbij ik uitga van een vijfdaagse werkweek, ook voor een rabbijn van wie 24/7 inzet wordt verwacht.

Het waren emotionele dagen. Zondagavond in Amos de Jom Hazikaron – herdenking van de gesneuvelde Israëlische soldaten, omgekomen in de strijd om het (voort)bestaan van de Staat Israël. Het concept van de plechtige herdenking was gelijk vorige jaren, alleen weer meer soldaten die herdacht moesten worden. Speciale indruk maakte op mij de toespraak van Zvi Aviner Vapni, de nieuwe ambassadeur van Israël in ons land. Als kind was zijn vader gesneuveld. Met deze kennis kijk ik plotseling anders tegen hem aan. Hij is nu niet meer voor mij een gewone beroepsambassadeur, maar met zijn geschiedenis is hij echt geworden, niet meer een ambassadeur van politiek-Israël, maar van Israël-zelf.
Maandag een lezing tijdens de Landelijke Ontmoetingsdag van Kerk en Israël in Nijkerk. In Nijkerk en niet in het gebouw van het Israël Producten Centrum? Ik kon me er niets bij voorstellen, ik wist niet goed wat ik ervan moest verwachten, maar het viel enorm mee. Enorm mee? Het was geweldig, een kleine honderdvijftig toehoorders. Het is me nog niet helemaal duidelijk wat en of er verschil is met Christenen voor Israël. Het onderwerp wat mij was gegeven luidde: Geboden samengevat in Tenach en Talmoed. Geen idee wat ik daarover moest vertellen en dus ben ik mijn inleiding begonnen met een parabel van de Maggid van Dubno. Hij sprak altijd in parabels maar eens was hij in een sjoel waar hij een toespraak had zullen houden, maar de voorzitter van de Joodse gemeente liet hem spreken op voorwaarde dat hij geen parabel zou gebruiken. De Maggid beloofde dat en begon zijn toespraak met… een parabel: ik was te voet op weg van Lemberg naar Lodz. De weg was uiterst modderig en het was moeizaam lopen. Tot mijn verbazing komt mij een paard zonder berijder tegemoet. Ik vraag het paard vanwaar hij komt en waarheen hij gaat en het paard antwoordt dat hij onderweg is van Lodz naar Lemberg, maar de juiste weg niet kan vinden (Er bestond nog een GPS!). Als ik nou jouw berijder word en we naar Lodz (terug)gaan, ga je daarmee akkoord? Zeker niet, antwoordde het paard, daar kom ik net vandaan. Okay, zeg ik, als ik op je rug mag zitten gaan we samen naar Lemberg. Na een paar uur wordt de bewoonde wereld zichtbaar en roept het paard uit: we komen uit in Lodz. Je had me beloofd dat we naar Lemberg zouden gaan. Dat klopt, antwoordde ik hem, maar die belofte deed ik voordat ik de teugels in handen had, maar toen ik eenmaal op je rug zat heb ik mijn eigen richting gekozen. Beste mensen, sprak de Maggid van Dubno, ik heb beloofd om geen parabels te brengen, maar dat was voordat ik op het spreekgestoelte stond… en toen begon hij zijn toespraak met een parabel.
Zo ook geachte toehoorders, sprak ik de zaal toe, heb ik toegezegd om met u te spreken over Geboden samengevat in Tenach en Talmoed, maar dat was voordat u mij de microfoon had gegeven. En toen heb ik een lezing gegeven waarin de oorsprong van Tenach en Talmoed wordt teruggebracht tot de eerste twee van de Tien Geboden. Precies het onderwerp dat gevraagd was, maar dan op z’n kop.
Maar rabbijnen houden niet alleen toespraken, ook de pastorale zorg is des rabbijns en heb ik daaraan ook enige uurtjes besteed om vervolgens ook nog een Europese jongere collega-rabbijn in de Halagische problemen te hebben mogen helpen.

Inmiddels is het gisteren geworden, ben ik in de ochtend enige uren bezig geweest met een kanjer van een huwelijksprobleem en toen was het richting Barneveld. Meer dan veertienhonderd vrienden van Israël waren naar de christelijke studio Het Kruispunt getogen om samen met de Joodse Gemeenschap Jom Ha’atsmaoet te vieren. Ik had min of meer dezelfde toespraak willen gebruiken die ik de dag tevoren had gegeven in de vorm van een lezing. Met een beetje taalkundige handigheid verandert een lezing van driekwartier in een toespraak van vijftien minuten. Mais non! Ik bemerkte nog net op tijd dat een aantal van Nijkerks toehoorders ook hier waren komen luisteren. En dus, ik had de microfoon reeds in mijn hand, moest ik mijn rede aanpassen. De bijeenkomst was geweldig. Zo professioneel georganiseerd. Schitterende muziek. Indrukwekkend gezang. Geweldige presentatie. De manifestatie was een grote pro-Israël demonstratie die keihard uitriep: Am Jisraeel Chaj-het Joodse volk leeft en overleeft, dankzij de Eeuwige, de Schepper van de wereld, en met een ongelofelijke steun van christenen die weigeren ons te bekeren, maar alles doen om ons te helpen. Met geld, met liefde en met een door en door oprechte overgave. Dank christenen voor Israël! Jullie zijn zo voor Israël dat zelfs de anti-Joodse media de aanslag op jullie christelijke Israël centrum gedoopt hebben tot het Joodse Israël Centrum in Nijkerk.

Inmiddels ben ik net terug uit Maastricht, maar te vermoeid om daar nu over te schrijven en bovendien wilde ik, op verzoek, mijn dagboek iets inkorten.

Dagboek van de opperrabbijn 19 april 2026

Het was een geweldige conferentie, perfect georganiseerd en ongeveer 150 deelnemers. En toch was ik niet erg gelukkig met het programma in vergelijking met het programma van zo’n dikke tien jaar geleden. De EJA-Jewish European Association is bedoeld voor bestuurders van Joodse gemeenten, verenigingen en organisaties. En ook voor niet-Joden die ‘iets hebben met Joden’, zoals politici, lokale en landelijke overheden en belangenorganisaties. En dus stond er tot enige jaren geleden op het programma workshops hoe met bepaalde leeftijden om te gaan, lezingen door deskundigen over opvoeding, hoe het publiek te binden, antwoorden op moderne vraagstukken, ethiek… kortom alles wat de Joodse gemeenschap nodig heeft en/of betreft. Daarnaast was er misschien wel enige aandacht voor het toen nog opkomend antisemitisme, maar als er al een spreker over antisemitisme het woord mocht voeren dan was de participatie niet erg groot. Bijna niemand kon toen bevroeden dat nu anno 2026 antisemitisme en antizionisme nagenoeg het hele programma zouden vullen. Maar niet alleen op het gedrukte programma, ook in de wandelgangen was antisemitisme=antizionisme het onderwerp van gesprek. En dus, hoor ik u denken, hebben al die gesprekken, panels en verklaringen van vooraanstaande deskundige politici het tij doen keren? En zo niet, wat is dan het nut van ‘spreken over’?
En toch kwam ik terug van de conferentie, en ik ben ervan overtuigd dat ik niet de enige ben, met een goed gevoel, want alle deelnemers waren van mening: we laten ons niet wegpesten. Wij steunen Israël onvoorwaardelijk, maar wij laten ons niet verdrijven uit ons Europese land van inwoning. Velen van ons wonen al vele generaties in ons Europese geboorteland. Wij gaan verhuizen als wij dat willen en als het onze eigen vrijwillige beslissing is gebaseerd op van alles en nog wat, maar niet opgedrongen door angst. Want als angst onze keuze gaat bepalen, worden we gechanteerd. En aan chantage mag nooit worden toegegeven, ook niet als het niet-toegeven mijn positie of mijn privéleven kan schaden… want als het niet zwichten geen nadeel zou opleveren, is het geen chantage!
Maar ook de aanwezigheid van niet-Joodse autoriteiten en niet-Joodse politici kwam warm over. Er zijn G.Z.D nog vele niet-joden die Israël niet laten stikken en hun kop uitsteken in de strijd tegen antisemitisme en antizionisme. Neem nou ons eigen Christenen voor Israël. Vooraan staan ze in de strijd voor Israël, geen risico is hun te groot en geen pro-Israël project te klein. Zelfs hun eigen privéleven brengen ze vrijwillig en geheel belangeloos in gevaar. Aan concessies hebben ze geen boodschap, duivelse filosofieën die Israël in het verdomhoekje duwen bestaan bij hun niet en hoe meer ze door de brede samenleving worden ‘vervolgd’, des te sterker stellen ze zich op. Het was daarom ook geweldig dat tijdens de conferentie onder luid applaus een oorkonde werd uitgereikt aan Frank van Oordt, directeur van Christenen voor Israël Nederland en aan David Vandeputte, directeur van de Belgische Christenen voor Israël. Op het prachtig ingelijste certificaat, dat hopelijk een zichtbare plaats zal krijgen in het Israël Producten Centrum in Nijkerk, lezen we:
For their unwavering courage and moral clarity
in standing with the Jewish people and the State of Israel,
even in the face of intimidation, hostility and violence,
Christians for Israel embody the true meaning of a mensch.
At a time when support too often comes at a cost,
they have chosen principle over pressure,
conviction over convenience, and solidarity over silence.
In honoring them, we recognize not only their steadfast friendship, but also
the enduring values of decency, integrity and shared responsibility that
binds us together.

Ik ben trots dat mijn Blouma op het podium het certificaat mocht uitreiken en ik ben dankbaar dat ik door velen gezien word als de opperrabbijn van de Christenen voor Israël, zowel in Christelijke kringen als binnen Joods Nederland.
Maar, pas op: niet alle christelijke kringen kunnen mijn hechte vriendschap met C4I waarderen en ook in mijn eigen Joodse gemeenschap vindt niet iedereen het juist dat ik me bezighoud met niet-rabbinale zaken en dus indirect niet-rabbinale-zaken verhef (of degradeer) tot rabbinale-taken (een doordenkertje!).
Zo was er een bevriende collega die elders zijn ongenoegen is gaan spuien dat ik onlangs was uitgenodigd door minister-president Jetten naar aanleiding van de aanslag op het Cheider. Ik vond het jammer dat hij mij niet persoonlijk heeft benaderd met zijn klacht, verdenk hem zeker niet van primitieve jaloezie, maar vermoed dat zijns inziens dit soort politieke ontmoetingen niet des-rabbijns behoren te zijn. Ik zou tot hem willen zeggen: neem contact op met rabbijn Yehuda Kaploun. President Donald Trump heeft hem namelijk in april 2025 aangesteld als speciale gezant voor het monitoren en bestrijden van antisemitisme, een positie met de rang van ambassadeur. Rabbi Kaploun was een van de eregasten in Brussel en is een toonbeeld van de combinatie van ambassadeur en rabbijn, rabbijn en ambassadeur. Natuurlijk moet een rabbijn onder alle omstandigheden rabbijn blijven, maar dat impliceert niet dat een rabbijn uitsluitend binnen moet blijven en het buiten vooral buiten houdt. Mijns inziens behoort iedere rabbijn, als de gelegenheid zich voordoet, ook een ambassadeur te zijn.
Aan het begin van Sanhedrin (een van de traktaten van de Talmoed) wordt gesproken over de samenstelling van een Beth Din, een Joodse rechtbank. Zo’n Beth Din kan uit drie dayanim, rechters, bestaan of uit eenenzeventig, afhankelijk van de kwestie waarin een uitspraak moet worden gedaan. De uit eenenzeventig dayanim bestaande rechtbank heet het Sandedrin en is lokaal gebonden aan de Tempelberg en aan een functionerende Tempel. Momenteel is er dus geen Sanhedrin en zal er pas een Sanhedrin zijn met de komst van de Mosjiach. De dayanim die deel uit maakten waren allen Joods-juridische toppers van het allerhoogste niveau. Aan het eind van het traktaat Sanhedrin wordt gesproken over de aanwezigheid van het kwaad in de wereld, dus niet alleen in Israël en zeker niet uitsluitend in Jeruzalem. Het begin van een traktaat en het eind hebben altijd een bepaalde verbintenis, maar die verbintenis lijkt hier volledig zoek. De eenenzeventig dayanim van het Sanhedrin waren geleerden die zich bezighielden met de meest ingewikkelde juridische kwesties en voor de gewone beslommeringen, vetes en gezeur waren kleinere rechtbanken en lokale rabbijnen. Maar toch werd ook van de Halagische toppers verwacht dat ze van tijd tot tijd Jeruzalem verlaten en eropuit trekken om ook in de wereld van het dagelijkse gezeur te strijden tegen het kwaad. En dus, als dat erop uittrekken al gold voor de top van de rechtsgeleerden, hoeveel te meer geldt dat voor mij als eenvoudige rabbijn. Het is goed te lernen, kennis te blijven verrijken, binnen te blijven. Maar ook de Joodse kamergeleerde rabbijn dient zich te begeven in het buiten. En was voor mijn gevoel het juist dat ik de uitnodiging van Jetten heb aanvaard.

Dagboek van de opperrabbijn 15 april 2026

Plotseling valt het me op dat mijn spierpijn in mijn nek verdwenen is na de acht dagen matses. Een van de onverwachte fysieke bijwerkingen van de matse? Of misschien toch psychisch, en doordat ik Pesach (bijna) helemaal weg was van de dagelijkse rabbinale beslommeringen en lichaam en geest nauw met elkaar verbonden zijn, hebben die spieren kennelijk rust gevonden en besloten om mij (tijdelijk?) met rust te laten.
Maar na Pesach was het weer: alle hens aan dek. Een scala aan e-mails, besprekingen, interne en externe politiek, mensen met problemen, uitnodigingen om lezingen te geven en natuurlijk ook mooie en bemoedigende ontmoetingen.
Vandaag zijn Blouma en ik afgereisd naar Brussel voor de jaarlijkse conferentie (die voor mijn gevoel vaker dan eens per jaar wordt gehouden) van de EJA, European Jewish Association. Onderwerp? Antisemitisme, want dat is helaas de grote zorg van alle Joodse Gemeenten in Europa. Maar gelukkig is zo’n conferentie veel meer dan alleen het onderwerp. Er vinden ontmoetingen plaats, bestuurders (want EJA is bedoeld voor bestuurders van Joodse Gemeenten) leren elkaar kennen en bespreken hun successen en moeilijkheden en wellicht ook hun rabbijnen.
Maar voor dag-één-Brussel had ik dinsdag, gisteren dus, een dagje Den Haag. Eerst een kop koffie met onze nieuwe Minister van Defensie Yesilgöz en daarna in de Tweede Kamer met CDA-fractievoorzitter Bontenbal en Tijs van den Brink, die de portefeuille antisemitisme beheert. Wel grappig om Van den Brink regelmatig tegenover me te hebben gehad hebben als interviewer bij o.a. Dit is de Dag en nu dus als CDA-portefeuilledrager. De boodschap die ik wilde overbrengen was dat beveiliging van Joodse gebouwen en personen valt onder de categorie symptoombestrijding, maar paracetamol neemt de kwaal niet weg. De enige manier om de kwaal te elimineren is door middel van educatie, educatie, educatie… op onze scholen, universiteiten, in de thuis-entourage en in de AZC’s. Ik was om 16:00 uur thuis en toen om 18:00 uur naar de Hollandsche Schouwburg voor de jaarlijkse herdenking van de Holocaust.
Ook dit jaar weer een indrukwekkend gebeuren, hoewel een van de zeer goede sprekers aan het eind van haar sterke en indrukwekkende persoonlijke oorlogsgeschiedenis kennelijk even was vergeten dat de jaarlijkse herdenking een herdenking van de moord op honderdtweeduizend Nederlandse Joden was en niet bedoeld om een uitgesproken mening te laten horen over de politiek in het Midden-Oosten. Jammer, want wat kan ik nu nog als verweer gebruiken als op een school tijdens de educatie over de Holocaust de Midden-Oosten problematiek wordt geïmporteerd en de herdenking van wat onze samenleving liet gebeuren wordt gekaapt door huidige Jodenhaat. Maar verder was het indrukwekkend en weer geweldig georganiseerd en daarom had ik bovenstaande wanklank beter niet moeten vermelden, maar wat staat, staat en uitgummen lukt niet zo goed op het digitale papier.
Donderdag, dag twee dus van de EJA-conferentie, komen twee medewerkers van de Gouverneur van Limburg naar Brussel. Niet voor de EJA-conferentie, maar om met mij voor te bespreken “40-jaar Gouvernement aan de Maas”. Tijdens die viering op 22 april zal er namelijk een panelgesprek zijn in de Feestzaal van het Gouvernement voor een publiek van ca. 250 personen in de stijl van college tour, met als gespreksleider Twan Huys. Het thema waarover gesproken en gevraagd zal worden is democratie, ethiek en nog een aantal randvoorwaarden waaraan een samenleving dient te voldoen om als vredige en tolerante maatschappij te kunnen bestaan, zonder chaos en polarisatie. Mede omdat er voorkomen moet worden dat de Midden-Oosten problematiek wordt geïmporteerd in het Limburgse, willen de organisatoren vooraf met mij, en naar ik verwacht ook met de andere panelleden, een voorgesprek. Omdat mijn agenda de komende week propvol zit en dus even naar Maastricht vanuit het verre Westen er niet inzit, treffen we elkaar in Brussel tijdens de EJA-sluitings-lunch. Reden dat ik dit vermeld, terwijl de viering pas volgende week is, omdat de organisatie de 40-jaar wil vieren en een kaping van de viering door het importeren van Iran, Libanon of Gaza wil voorkomen. Voelt u waarom dit plotseling al schrijvende over de herdenking in de Hollandsche Schouwburg in mijn gedachten opkomt?
De conferentie is geweldig. Op de vraag of je als Jood bang bent om anno 2026 zichtbaar Joods op straat te lopen, was de uitslag (stemming met de mobile telefoons) 50% – 50% en op de vraag of de Joodse gemeenten zich na 7 oktober in de steek gelaten voelden door hun lokale en nationale overheden gaf 72% van de Joodse bestuurders aan dat ze zich niet gesteund wisten. Maar desondanks gaf de overgrote meerderheid duidelijk te kennen dat ze er niet over peinzen om hun Europese geboorteland te verlaten. Alleen de vertegenwoordiger van Ierland, woonachtig in Dublin, wil haar kinderen niet in haar geboorteland zien opgroeien. De reden: in Ierland wordt er van overheidswege geen enkele vorm van beveiliging geboden. De Joodse gemeenschap moet dat zelf verzorgen en bekostigen.
Terwijl ik zit te luisteren naar een paneldiscussie, moet ik dit dagboek afronden om het op tijd bij u, mijn trouwe volgers, te krijgen. Er wordt nu gesproken over de vraag of er voor de bescherming van de Europese Joden een aparte legale status moet worden gecreëerd om Joden te beschermen, maar wel of geen status apartus, allen zijn het erover eens dat in een situatie waarin Joden niet meer zichtbaar als Joden kunnen leven, dat het dan een legale verplichting van de overheid is om ons te beschermen, geen gunst!
Achter het spreekgestoelte neemt nu plaats ambassadeur rabbi Yehuda Kaploun, aangesteld door president Trump als speciale gezant voor het monitoren en bestrijden van antisemitisme. Hoe meet hij zijn succes, vraagt hij zichzelf af. Hoe weet hij of hij iets heeft bereikt? En het antwoord dat hij zichzelf geeft luidt: als ik wakker word in de ochtend en er was die nacht/dag geen aanslag gepleegd, heb ik iets bereikt. Hij, reeds dertig jaar bevriend met Trump, benadrukte de inzet van Trump om antisemitisme te bestrijden en zijn vriendschap met Israël en het Joodse volk.
Ondertussen is ook Frank van Oordt aangekomen en gaf David Vandeputte een uiteenzetting over de inzet van Christenen voor Israël. Ik was daarvan niet onder de indruk, want ik ken Christenen voor Israël als mijn eigen broekzak. Maar alle anderen waren diep onder de indruk. Dat wij Joden lijden onder antisemitisme, is inmiddels normaal, want we zijn Joods. Maar dat Christenen door zich keihard in te zetten voor Israël en tegen antisemitisme strijden en dan ook de volle laag over zich heen krijgen, creëerde respect en misschien wel verbazing.


Dagboek van de Opperrabbijn 6 april 2026

Aanslag op Joods Israel-Centrum in Nijkerk.

Eigenlijk had ik vanwege de tussendagen van Pesach geen dagboek willen schrijven. Even helemaal weg, geen nieuws volgen en moeten constateren dat mijn wel of niet geïnformeerd zijn over wat zich in de grote wereld afspeelt, zelfs in het Midden-Oosten, totaal niet wordt beïnvloed door mijn ‘op de hoogte blijven’.

Maar na het begin van de Hagada te hebben gelezen op de Seideravond (en na de aanslag op het IPC-Israel Producten Centrum in Nijkerk), ben ik toch maar weer achter mijn laptop gaan zitten om mijn gedachten met u te delen.

Dit is het brood der ellende dat onze voorouders in Egypte hebben gegeten. En vervolgens nodigen we iedereen uit die hongerig is om onze gast te zijn. Een vreemd begin van de vertelling van de geschiedenis van meer dan drieëndertighonderd jaar geleden, de geschiedenis van de Uittocht uit Egypte, het einde van de vierhonderd jaar durende slavernij. Dit is het brood der ellende dat onze voorouders in Egypte hebben gegeten. En, zo vervolgt de Hagada, als onze voorouders toen niet uit Egypte zouden zijn bevrijd, zouden wij nog steeds slaven zijn van de Farao in Egypte.

Als we een beetje nadenken moeten we tot de conclusie komen dat deze introductie op z’n zachtst uitgedrukt vreemd is. Want de matse die we nu voor ons op tafel hebben liggen, is echt geen drieëndertighonderd jaar oud. En los hiervan, hebben onze voorouders bij de Uittocht uit Egypte inderdaad matses gegeten, maar niets wijst erop dat ze ook gedurende de slavernij zelf matses zouden hebben moeten eten. En de bewering dat als we toen niet zouden zijn bevrijd we nog steeds in Egypte zouden zijn, terwijl G’d nadrukkelijk aan onze aartsvader Abraham had aangegeven dat de slavernij niet langer zou duren dan vierhonderd jaar, klopt dus ook van geen kant.

Omdat u mij nu leest omdat ik een dagboek ben en geen Joods-filosofische les, zal ik u een uitgebreid antwoord besparen, maar heel in het kort:
De volledige bevrijding uit de slavernij heeft nooit plaatsgevonden. Nog steeds bevindt het Joodse volk zich in ballingschap, zelfs in het Heilige Land Israel. De Uittocht uit Egypte heeft ons weliswaar uit de toenmalige slavernij bevrijd, maar het fenomeen slavernij is gebleven en blijft tot de uiteindelijke verlossing zal komen, de Tempel in Jeruzalem weer zal functioneren en er echte Sjalom zal heersen voor alle volkeren van G’ds aarde.

Toen ik na de eerste twee dagen Pesach mijn zorgvuldig weggestopte laptop weer opende om te zien hoe het klimaat in onze wereld ervoor stond, las ik tot mijn schrik en verbazing: “Politie onderzoekt explosie bij Israëlcentrum in Nijkerk. Dit is het vierde incident bij een Joodse instelling in Nederland in een maand tijd.”

Natuurlijk mag eenieder het oneens zijn met de politiek van Netanyahu. Ik vermoed dat de helft van de Israëliërs tegen Netanyahu is. Maar hun tegen-zijn betekent niet dat ze vinden dat de Staat Israël van de kaart geveegd moet worden en dat Joden, waar ze zich ook bevinden, vervolgd mogen worden, louter en alleen vanwege hun Jood-zijn. Ook kan ik me nog voorstellen dat iemand tegen de oprichting van de Staat Israël was in 1948, maar absoluut geen Jodenhater. Antizionisme was dus niet het synoniem van antisemitisme. Maar als we de mening zijn toegedaan dat een antizionist niet per definitie een antisemiet is, dan zouden er ook antisemieten moeten bestaan die weliswaar vervuld zijn met Jodenhaat, maar desondanks pro-Israël! En dit soort zionistische antisemieten heb ik in Nederland nog niet ontmoet.

En daarom verbaast het me niet dat Christenen voor Israël op de website van een gerenommeerd Nederlands dagblad een Joodse instelling wordt genoemd: een antisemiet is namelijk niet te onderscheiden van een antizionist en antisemitisme en antizionisme zijn in de loop der jaren synoniemen geworden: antisemitisme = antizionisme.

Nog steeds bevinden we ons in de toenmalige slavernij en is dus de aanslag op het gebouw van Christenen voor Israël niet verbazingwekkend. Maar met de toenmalige Uittocht uit die slavernij hebben we de kracht gekregen om uiteindelijk tot de ultieme sjalom te komen, de definitieve uittocht uit een ballingschap waarin we ons nog steeds bevinden. Gelijk toentertijd de Uittocht gepaard ging met beproevingen en wonderen, zo vergaat het ons ook nu.

Maar we gaan de goede kant op als zelfs dat gerenommeerde dagblad, dat gewoonlijk niet verdacht kan worden van pro-Israëlische denkbeelden, al volmondig toegeeft dat antisemitisme en antizionisme hetzelfde is en daarom het Christelijke Israël Producten Centrum te Nijkerk niet meer christelijk is, maar gewoon Joods, en ik dus terecht regelmatig in bepaalde Christelijke kringen, die niet zo pro-Israël zijn, word gezien als de Opperrabbijn van Christenen voor Israël!

dagboek van de opperrabbijn 30 maart 2026

Dagboek van de Opperrabbijn, 30 maart 2026
Donderdag jl. was ik aanwezig in de ambtswoning van de Israëlische ambassadeur vanwege het afscheid van Arjan Lont als honorair-consul van Israel voor de noordelijke provincies van Nederland. Maar het klopt niet helemaal, zijn vertrek, want Lont moge dan officieel afscheid hebben genomen, zijn strijd voor Israel, tegen antizionisme en tegen antisemitisme gaat gewoon door en wellicht met nog meer overgave (haast niet voorstelbaar!). Nou had ik hem willen toespreken bij die receptie, maar soms is zwijgen verstandiger dan spreken, speciaal als er al een aantal toespraken zijn geweest en mensen ook met elkaar willen spreken. Maar, toch was er min of meer wel een toespraak van mij. De scheidende honorair-consul vermeldde namelijk uitgebreid in zijn toespraak onze bijzondere verhouding en bracht in herinnering een toespraak van mij van zo’n tien jaar geleden bij een reünie van nazaten van… Ja, van wie weet ik niet meer en ik denk dat ook Lont dat was vergeten. Maar mijn toespraak aan het graf van die voorouder van een paar honderd Joodse bijeengekomen nazaten, herinnerde hij zich nog wel. Dat wil zeggen, de inhoud was hij kwijt, maar de grap die ik ter inleiding vertelde was hem bijgebleven. Of mij dat een goed of een minder goed gevoel moet geven, weet ik even niet.
Een dominee spreekt aan het graf van een overledene en eindigt zijn toespraak met het leggen van honderd euro op de baar en spreekt daarbij de wens uit dat de overledene dit bedrag in het leven na het aardse bestaan zal kunnen gebruiken. De pastoor spreekt ook een treurrede uit en geeft de overledene ook honderd euro mee voor het toekomstige bestaan. Daarna komt de rabbijn. Ook hij spreekt over het vele goede dat de overledene heeft verricht tijdens zijn aardse bestaan, zegt ook honderd euro toe, schrijft een check uit van driehonderd euro, legt die check op de grafkist en neemt de tweehonderd van de pastoor en de dominee als wisselgeld. Wel grap, geen grap: onze geweldige verhouding werd voor alle aanwezigen meer dan duidelijk.
Woensdag was ik ook al in Den Haag. Maar nu niet voor een afscheid, maar voor een première: de eerste Loe de Jong-lezing. Door de coördinator antisemitismebestrijding, Eddo Verdoner, en zijn team, was een hele dag georganiseerd met workshops over de bestrijding van antisemitisme. En aan het eind van de middag, ter afsluiting, was er een soort gala-receptie met een inloop en een uitloop (heet dat zo?) met als hoogtepunt de eerste Loe de Jong-lezing, uitgesproken door Adriaan van Dis. Een geweldige spreker, voorzien van een indrukwekkende feitenkennis, die de toehoorder geboeid liet luisteren. Onderwerp was uiteraard antisemitisme en het conflict in het Midden-Oosten. Wat ik jammer vond was dat hij voor mijn gevoel te neutraal sprak en daardoor de noodzaak dat Israel vecht om te overleven en de tegenstanders uit zijn op de vernietiging van Israel en oproepen tot Jodenhaat in de gehele wereld, niet voldoende werd benadrukt. Maar de bijeenkomst en de Loe de Jong-Lezing waren in z’n geheel buitengewoon succesvol, zeker ook voor mii persoonlijk. Er bestond ruim de gelegenheid om te ontmoeten, netwerken, nieuwe contacten maken, oude contacten versterken. Ik heb daar een Islamitische wethouder uit Schiedam ontmoet en een Islamitische wethoudster (heet dit zo?) uit nota bene Amersfoort, mijn woonplaats. We gaan kijken hoe we bruggen kunnen bouwen. Met deze twee en met mij zal er aan weerskanten een kade zijn, dus is overbrugging denkbaar en kan er op z’n minst gepoogd worden om die brug, zelfs als het maar een fragile bruggetje zal zijn, van de grond te krijgen.
Sjabbat hadden we een moeder met haar twee kinderen te logeren. Het was een fijne sjabbat en mooi te zien hoe dit gezin dat woonachtig is in een plaats waar ze naar alle waarschijnlijkheid de enige Joden zijn, toch heel bewust en religieus met hun Jodendom bezig zijn. Knap! Maar nog knapper: beide kinderen gaan het komende schooljaar hun huidige middelbare school verlaten en hun verdere opleiding aan het Maimonides-Lyceum in Amsterdam vervolgen. Geweldig, maar ook triest, want hun openbare huidige school verlaten ze vanwege antisemitisch gepest! Welkom bij het door onze Overheid gesubsidieerde onderwijs. Waar is de Inspectie?? Of valt dit onder vrijheid van meningsuiting of misschien vrijheid van godsdienst?
Een jongere collega benaderde mij met de vraag over een vrouw van middelbare leeftijd die meent Joods te zijn omdat de moeder van haar moeder via de moederslijn via haar bet, bet, betovergrootmoeder Joods zou zijn. Een van haar voorouders heette Schenker en dat zou een verbastering zijn van Schonker, een Joodse familienaam. Weer een andere familienaam was Rast, en dat zou Kats zijn geweest. Bovendien zou een DNA test ook haar Joodse afkomst gedeeltelijk aantonen. Deze vrouw heeft een uitgebreide stamboom gestuurd met daarop haar bewijzen. Omdat al haar voorouders uit dezelfde stad kwamen en ik toevallig met die stad al vele jaren bemoeienis heb, heb ik contact opgenomen met de historicus die alle inns en outs kent van de Joden uit die plaats en er zelfs een boek over heeft geschreven. En zie hier zijn reactie:
Dit verhaal rammelt aan alle kanten. Het is een zeer verwarrend en historisch gezien uitermate zwak en onbetrouwbaar. Alles wordt er bijgehaald. En veel namen en beweringen zijn onjuist. Het lijkt alsof er gebruik is gemaakt van AI (kunstmatige intelligentie). Dit verhaal overtuigt totaal niet. Ook de feiten met betrekking tot de Joodse geschiedenis van deze stad kloppen niet. Het verhaal van de familie Schenker gaat naar mijn overtuiging uit van ongefundamenteerde veronderstellingen en aannames.
Ik zal haar uitnodigen voor een gesprek en kijken hoe en of ik haar kan helpen, want wel of niet Joods: hulp heeft ze nodig!
Pesach staat voor de deur, woensdagavond de eerste Seideravond. Per e-mail en ook telefonisch word ik benaderd met vragen over wat wel en wat niet gekasjerd kan worden. Mensen met speciale diëten zoeken vervanging voor matses. Hoe groot moet de beker zijn voor de vier bekers wijn? Is eigen gemaakte wijn van rozijnen ook goed voor de vier bekers? En waar kan ik een seiderviering bijwonen?
Mooi dat zovelen Pesach niet zomaar voorbij laten gaan. Maar ook heerst er bezorgdheid. Is het verantwoord om dit jaar een gezamenlijke Seider te vieren? En zullen de IDF-soldaten dit jaar überhaupt thuis de Seider kunnen vieren? We weten het niet en kunnen slechts bidden-dawenen dat er spoedig een einde zal komen aan de oorlog en aan de tientallen andere oorlogen op onze soms onbegrijpelijke aardbol.
De matses, de vier bekers wijn, de maror, de charoseth, het leunen als teken van vrijheid. Het is weliswaar geen oorlogswapen, maar ligt wel ten grondslag aan het overleven van het Joodse volk, want het traditionele Jodendom is het geheim van ons bestaan. Am Jisrael Chaj- we leven en overleven, ondanks Iran, Houties en allerlei soorten Hamas.
Het Joodse volk wordt gezien in onze heilige geschriften als een lichaam met ledematen, bloedvaten, organen, spieren. In een lichaam is alles met elkaar verbonden, op elkaar van invloed en op elkaar afgestemd.
De matses die wij dit jaar eten en de wijn die wij drinken, ons samenzijn, ons samen eten, ons samen zingen en vertellen, is niet alleen van belang voor de versterking van onze eigen identiteit, ons eigen Jood-zijn, onze nesjomme, maar het heeft ook invloed op onze soldaten die op de fronten vechten voor het voortbestaan van de Staat Israel en dus ook voor het overleven van de Joden, waar ook ter wereld.
Namens Blouma en mij:
Een koosjere Pesach en Lesjana Haba’a Bieroesjalajim, met de komst van de ultieme sjalom voor alle volkeren van Uw aarde.

Dagboek van de opperrabbijn 25 maart 2026

Er is de laatste dagen zoveel opeenvolgend gebeurd, dat ik letterlijk mijn agenda moest gaan raadplegen om te kijken wanneer wat zich precies afspeelde, want in mijn gedachten is alles door mekaar gaan lopen. Mijn vorige dagboek heb ik grotendeels zondag geschreven in het vliegtuig van Amsterdam naar Belgrado en maandagmiddag mocht ik alweer voet op vaderlandse bodem zetten. Waarvoor ik in Servië moest zijn had ik al aangegeven in mijn vorige dagboek en gezien het me meer en meer duidelijk wordt dat de meeste van mijn trouwe dagboekeniers mij van dagboek naar dagboek volgen, ga ik de reden van mijn flitsbezoek aan Servië niet nogmaals uit de doeken doen om doublures te voorkomen. Nog in Belgrado zijnde ontving ik maandagochtend in de zeer vroege uurtjes een whatsapp van mijn zoon uit Londen waarin hij mij liet weten dat vier van zijn ambulances in brand waren gestoken en dat de Metropolitan Police spreekt van een antisemitisch haatmisdrijf. Onze zoon woont in de traditioneel door veel Joden bewoonde wijk Golders Green in het noorden van de Britse hoofdstad. Met zijn ambulances bedoel ik de ambulances van de Joodse vrijwilligersorganisatie Hatzola, waarvoor hij, met nog zo’n veertig anderen, als vrijwilliger geheel belangeloos 24/7 inzetbaar is. Ik dus meteen naar Londen gebeld met de vraag hoe ze financieel die vier ambulances gaan vervangen, maar die vraag werd nog voor ik hem had kunnen stellen afgewimpeld. Geld, zo gaf mijn zoon aan, is van later zorg. Wat nu? Van hun zeven ambulances waren er nog maar drie over. Wat als ze dadelijk meer dan drie nodig hebben… dat was zijn primaire zorg!
Toen we gingen landen en verzocht werden om onze stoelriemen vast te maken, schrok ik wakker en moest ik even diep nadenken om me te oriënteren. Was ik op de heen- of op de terugweg en waarheen en vanwaar ook alweer. Zoals u zeker bekend is, zijn de Christenen voor Israel, ondanks de barre omstandigheden, nog steeds keihard bezig in Oekraïne met hun ‘Breng de Joden thuis’. En dus onder het mom van dit motto werd ik afgehaald door een van de vrijwilligers van Christenen voor Israel en was ik om vier uur ’s middags weer thuis, terug van weggeweest. De meeste tijd ging naar binnen- en buitenlandse e-mails en telefoontjes over de aanslagen in Luik, bij de Rotterdamse synagoge, het Cheider en nu dus ook de Londense ambulances. Mensen zijn bezorgd. Wanneer zal het ophouden? Kan de geweldspiraal nog stoppen? Kan de geest nog terug in de fles? Allemaal vragen die zinloos zijn. Kan dit? Kan dat? Alertheid is geboden, maar groter maken dan het is, is ongezond. Am Jisraeel Chaj – het Joodse volk leeft en overleeft, daarvan mogen we doordrongen zijn.
En om de daad bij het woord te voegen had ik maandagavond een aanstaand bruidspaar op bezoek om hun choepa te bespreken. Geweldig toch! Am Jisraeel Chaj.
Waar een ‘normale’ rabbijn deze dagen non-stop met de komende Pesach bezig is, gaat mijn meeste tijd naar het gezeur rondom geestelijke en fysieke beveiliging. En dus kreeg ik dinsdag bezoek uit de hogere politiekringen die vanuit het veld, dat ben ik dus, direct wilden vernemen hoe het gaat met Joods-Nederland. Overigens kreeg ik maandagmiddag, een half uur na mijn thuis-landing, uitgebreid bezoek van onze wijkagent. Dat voelde goed. Speciaal nadat ik n.a.v. een online interview was bekogeld met de meest afschuwelijke verwensingen waarvan de journalist me deelgenoot had gemaakt. Nou ja, ook weer niet helemaal deelgenoot. Want, zo liet hij me weten, hij was drie uur bezig geweest om vervloekingen en bedreigingen van het allerlaagste allooi te verwijderen. Zoveel haat had hij niet verwacht.
En toen mochten we vereerd worden met de vijf vrijwillige bestuursleden van een fonds dat als doel heeft: Joods Nederland tot steun te zijn en niet te potten. Er schijnen vele fondsen binnen Joods Nederland te bestaan die zich voornamelijk inzetten om het fonds in stand te houden omwille van het fonds. Dit fonds dus helemaal niet en daarom kwamen ze bij ons, bij Blouma en mij. Hoe kunnen ze de gelden zo effectief mogelijk inzetten en ook hoe het kaf van het koren te scheiden. Want overal, en dus zelfs in Joods Nederland, bestaat er kaf en koren! Het was inmiddels al over tienen en langzaam toog ik richting bed. De volgende ochtend, vandaag dus, om elf uur, zo las ik nu in mijn agenda, werd ik verwacht in een bekend Wegrestaurant aan de A1. Een tweegesprek voor een van onze landelijke dagbladen. Rabbijn van de Kamp en ondergetekende kregen een tiental stellingen voorgelegd en werden daarover bevraagd. De bedoeling was uiteraard niet dat we met elkaar zouden instemmen en eensluidende meningen verkondigen en dat gebeurde dan ook niet. Waar van de Kamp erg gelooft in het gesprek met de Moslimgemeenschap en ervan overtuigd is dat dat mogelijk is, zit ik er kritischer in. Ik wil dolgraag bruggen bouwen, doe, naar ik meen, erg mijn best, maar een brug vereist aan weerskanten een kade.
En terwijl we een boeiend en interessant gesprek voerden, in dat Wegrestaurant aan de A1, kwam een medewerker ons vertellen dat het niet was toegestaan om te fotograferen. Ons gezelschap bestond uit twee Joods-ogende rabbijnen, twee journalisten en een fotograaf. Die fotograaf fotografeerde uitsluitend ons beiden met als achtergrond een muur die geen enkel beeld vertoonde dat de locatie herkenbaar maakte. De journalisten antwoordden dat ze daags vooraf een tafel hadden gereserveerd en toestemming hadden gevraagd om te fotograferen. De medewerker reageerde daarop nauwelijks tot niet en wilde de foto’s zien die genomen waren. Die kreeg ze te zien en, na nogmaals duidelijk gesteld te hebben dat er niet gefotografeerd mocht worden, verliet ze ons tafeltje. Inmiddels was de fotograaf vertrokken en kwam de manager van het Wegrestaurant aan de A1 ons vragen of we hadden gefotografeerd en dat dat niet was toegestaan… Ons interview ging over antisemitisme in ons land. Dit fotografie-tafereel vormde voor mij een prachtige illustratie. Na afloop van het gesprek heb ik me tot de receptie van het Wegrestaurant aan de A1 gewend en aangegeven dat ik de bewuste manager wilde spreken. Hij kwam meteen opdagen en begreep mijn ongenoegen, mijn zorg, maar, zo gaf hij mij aan, hij had een bericht gekregen van de medewerker die ons in eerste instantie had gesommeerd om te stoppen met fotograferen, had de twee Joods-ogende rabbijnen nog helemaal niet gezien en wist dus niet dat het iets met Joden van doen had. Ik ben zo vrij geweest hem uit te leggen dat Joodse gezelschappen bijna geen zalen meer kunnen huren en dat het antisemitisme weelderig bloeit. Hij verzekerde mij dat dit bij hem niet speelde. Hij begeleidde mij naar mijn auto terwijl hij nogmaals zijn excuus aanbood. Ik geloof hem, ben nog niet overtuigd van de goede bedoeling van zijn medewerker, maar mijn negatieve beoordeling van hem, de manager, was onterecht. Niet achter iedere boom staat een antisemiet. Ik voelde me een beetje richting rabbijn van de Kamp nijgen, maar het interview was al geweest.
Ik word dadelijk afgehaald om naar Den Haag te gaan al waar de eerste Lou de Jong-lezing wordt gehouden. Ik ben benieuwd maar weet op voorhand dat het een goede en belangrijke avond zal worden omdat Eddo Verdoner, de nationaal coördinator antisemitisme bestrijding, het heeft georganiseerd en mij persoonlijk heeft uitgenodigd.

Dagboek van de opperrabbijn 22 maart 2026

“Geachte mevrouw de burgemeester, amice, Graag laat ik u weten dat ik de aanvraag voor een onderscheiding voor de heer Willy Lindwer van harte ondersteun. Hij heeft in de afgelopen decennia essentiële bijdragen geleverd aan het levend houden en levend maken van de herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland, in woord, in geschrift, in film en in daad, en met een bijzondere overgave, deskundigheid en betrokkenheid. Toeval bestaat niet en het is dan ook geen coïncidentie dat ik deze aanbevelingsbrief schrijf op de dag dat dadelijk, als het buiten al donker is, de acht lichtjes van de Menora zullen worden aangestoken. De heer Lindwer en ik kennen elkaar al meer dan 50 jaar! En daarom kan ik getuigen dat de persoon Lindwer, los van al zijn erkenningen, documentaires, etc. etc. het best vergeleken kan worden met de Menora. Zijn Jood-zijn, zijn familiegeschiedenis en de oorlog waren 24 /7 bij hem aanwezig. Gelijk Chanoeka herinnert aan de strijd die de Joden moesten voeren tegen een gigantische kwaadwillende overmacht, zo ook heeft Lindwer de jaren ’40–’45 zoveel mogelijk zichtbaar gemaakt. Maar ook heeft hij de zuivere vlammetjes die de eeuwen wisten te trotseren via diverse gremia laten stralen en uit de duisternis van de vergetelheid weten te halen. Juist in deze periode van opkomend antisemitisme is de toekenning van een hoge onderscheiding aan een Joodse man die als een Menora probeert de duisternis te verdrijven door juist de herinnering ook aan de duisternis te benadrukken, van groot belang. Niet alleen voor de persoon Lindwer, maar voor Joods Amsterdam, voor Joods Nederland.” En vrijdag jl. was het dan zover en kreeg Willy de Andreaspenning uitgereikt door de locoburgemeester van Amsterdam. Helaas was Femke Halsema verhinderd, jammer, maar ze werd goed vervangen hoewel ze eigenlijk mijns inziens onvervangbaar was bij deze plechtigheid in hartje voormalige Jodenbuurt. Ik was nog nauwelijks thuis of ik ontving uit het Frieslandse een indrukwekkende bede uit de christelijke Friese samenleving: Laat de sabbat vreugde, bescherming , troost en kracht schenken aan onze Opperrabbijn en aan alle rabbijnen die de Joodse gemeenschap in deze donkere nacht moeten dragen, aan Gerard Cohen, voorzitter van de Joods gemeente Friesland en aan allen om hem heen, aan de gekozen Joodse gemeenteraadsleden die in een vaak vijandige sfeer moeten werken en leiding proberen te geven, aan Joodse docenten op scholen en universiteiten die zich veelal in de steek gelaten voelen en eenzaam zijn en aan middenstanders die producten uit Israël verkopen…
Het is fijn bovenstaand spontane gebed te hebben ontvangen, dat steunt. En die steun kon ik net goed gebruiken want bij hoge uitzondering was ik ook gaan kijken naar reacties op mijn vorige dagboek. De meeste waren positief, en dat geeft de dagboek-schrijvende-burger moed, maar er was ook een sloot en wel bijna een oceaan aan haatdragend discriminerende antisemitische reacties.
Via het secretariaat van een van mijn vele Joodse Gemeenten binnen ons Inter Provinciale Opper Rabbinaat kwam ik in contact met een journalist die bezig was met een studie/verslag van de Joodse populatie in Europa. Dat de journalist geen groot kenner bleek te zijn van de EU en nog bijzonder eigenwijs ook, werd al snel duidelijk want zij bleef hardnekkig volhouden dat Kopenhagen de hoofdstad is van Nederland. Toen we eindelijk ter zake konden gaan spreken en ze inmiddels had aanvaard dat in Nederland niet alle Joden waren gered en koningin Wilhelmina niet demonstatief met een Jodenster liep, heb ik haar uitgelegd dat de geschiedenis van Anne Frank geen zwart-wit verhaal is en de les die door sommigen uit Anne Frank wordt getrokken dat alle moffen fout waren en alle Nederlanders goed, niet klopt. Maar (gelukkig?) leefde ze niet in die veronderstelling, want: ze had nog nooit van Anne Frank gehoord! Het is dat ik wist dat ik sprak met een onderzoeksjournalist uit de Verenigde Staten, anders had ik zomaar kunnen denken dat ik een nieuwe Nederlander sprak die nog geen inburgeringscursus had gevolgd!
Achteroverleunend in mijn vliegtuigstoel ben ik nu dit dagboek aan het schrijven. Ik vlieg naar Servië (en de piloot hopelijk ook!) voor minder dan 24 uur. Dat wil zeggen van vertrek uit Amsterdam tot terug in Amsterdam is iets meer dan een etmaal. En wat mag ik daar nou weer doen? Vanuit de RCE, Rabbinical Center of Europe, ben ik gevraagd om twee jongere rabbijnen te helpen met een echtpaar dat beweert Joods te zijn, maar bewijzen en aanwijzingen schijnen te ontbreken. Maar waarom zou iemand beweren Joods te zijn als ze dat niet zijn, hoor ik u vragen. En mijn antwoord is: geen idee! Maar, recentelijk heb ik van een paar kandidaten kunnen aantonen dat ze professioneel creatief met de waarheid weten om te gaan en proberen op sluwe wijze onze Joodse gemeenschap te penetreren, wellicht met kwade bedoelingen. Als iemand aangeeft piloot te zijn geweest in het leger van Irak en daar diende als piloot van een apache helikopter maar niet (meer?) weet hoe zo’n toestel werkt, dan is dat op z’n zachts uitgedrukt vreemd. En zo kan ik nog wel een paar dagboeken vullen met niet-joden die beweren Joods te zijn met bewijzen die aantoonbaar niet kloppen. En daarom even naar Servië en van een vraagteken echtpaar kunnen bewijzen dat zij niet behoren tot de penetranten, maar beiden Halagisch Joods zijn. Iedereen blij: het echtpaar, de rabbijn, het bestuur van de desbetreffende Joodse Gemeente en ik natuurlijk ook.

Toen ik het vliegtuig vanochtend uitkwam, kwam een Nederlandse man naast me lopen en complimenteerde mij dat ik niet bang was en gewoon met zwarte hoed, baard en tsietsiet uit mijn broek hangend, dus volledig zichtbaar Joods, rondliep en mijn Joodse identiteit van geen kant probeerde te verbergen. Het inspireerde hem.
Aanstaande sjabbat is het sjabbat hagadol – de grote sjabbat. Op de tiende van de maand Nisan moesten de Joden een lammetje in huis nemen, het slachten en het bloed aan hun deurposten smeren zodat God zou zien waar Joden woonden en daar zou de tiende plaag, het sterven van de eerstgeborenen, geen grip krijgen. Het lammetje was de afgod van de Egyptenaren en toen de Egyptenaren aan de Joden vroegen waarom ze hun afgod in hun huizen namen, hebben de Joden onverschrokken geantwoord dat ze het lammetje zullen offeren. Vervolgens zijn de Egyptische eerstgeborenen een burgeroorlog begonnen omdat zij de bui al zagen hangen. Ze vreesden voor hun leven omdat de Farao weigerde de Joden te laten gaan en de Farao daarmee dus de facto hun doodvonnis tekende. Maar, zo wordt de vraag gesteld, wat heeft die interne oorlog te maken met de Joden? Welk voordeel hadden zij hiervan? Ze konden Egypte niet eerder verlaten, het slavenbestaan behoorde al een half jaar tot de verleden tijd, de interne strijd was een Egyptisch gebeuren en had met ons Joden niets van doen. Maar: doordat de Joden een afgod in huis namen en de afgod veranderden in een heilig Pesach-offer, van kwaad maakten ze goed, duisternis veranderden ze in licht, hierdoor hebben zij ongewild de Egyptische samenleving beïnvloed en is de burgeroorlog uitgebroken.

De les: door zichtbaar als Joden te leven beïnvloeden we, vaak zonder dat we dat beseffen, de brede samenleving. En dat is een belangrijke taak die we hebben. We doen niet aan zending en missie, maar een positieve bijdrage aan de ons omringende samenleving is zeker een Joodse verplichting.

Dagboek van de opperrabbijn 18 maart 2026

“Wat moet het moeilijk zijn dat je in een land leeft (waar vroeger zoveel ruimte was voor onze Joodse naaste) waar zó met jullie wordt omgegaan. Waar zo met jullie wordt omgegaan, omdat men ten diepste niet weet waar het om draait, en maar seculiere media/sociale media volgt, die volledig eenzijdig is. De haat en de afkeer die jullie moeten voelen; niet, als Jood herkenbaar, veilig over straat te kunnen gaan. Het is het antisemitisme in haar grondhouding, ten diepste geen ruimte hebben voor het bestaan van de Jood en zijn godsdienst. Ik bewonder de moed en stellingname van u: niet gaan, maar blijven. Maar makkelijker wordt het er niet op, helaas. In Nederland hoort gewoon een Joodse gemeenschap, anders zijn wij niet compleet!! Weet dat we jullie niet vergeten. We bidden de God van Abraham, Izak en Jakob dat Hij de woorden uit Numeri 6:24-26 wil waarheid laten zijn voor u allen”
“Geachte opperrabbijn, beste Binyomin, Vandaag was de Nederlandse RK Bisschoppenvergadering in Den Bosch bijeen voor haar maandelijkse vergadering. Wij hebben een verklaring naar buiten gebracht n.a.v. van de aanslagen op Joodse instellingen. Inmiddels is deze verklaring geplaatst op de website van onze RK Kerkprovincie en in elk geval reeds op die van ons Aartsbisdom Utrecht. Ook de andere bisdommen hebben dat gedaan of zullen dat doen. De verklaring wordt breed verspreid. Hopelijk is deze de Joodse gemeenschap in ons land tot steun! Met vriendelijke groet, Herman W. Woorts”
Bovenstaande twee van de vele bemoedigende e-mails die ik de laatste dagen mocht en mag ontvangen. En weet u wat? Het geeft een erg fijn gevoel, het bemoedigt inderdaad. Vele van dit soort e-mails komen uit de christelijke hoek. Maar ook uit seculiere kringen komen er bemoedigende teksten, telefoontje van ‘mijn’ burgemeester en van de landelijke en lokale politie en politiek. Die spreken niet over bidden, want daarin geloven ze niet en halen geen teksten aan uit de Bijbel, maar toch is hun medeleven en begrip echt welgemeend.
De ontvangst door minister-president Jetten en minister van Justitie en Veiligheid (en van eredienst!) van Weel werd door mij ervaren als bijzonder positief en ondersteunend. Nu dus afwachten waartoe het gaat leiden, maar ik merkte warmte, begrip en medeleven. Ze zullen ons zeker niet in de kou laten staan. Hoewel ik dus een positieve beleving had in ontvangstzaal, de Blauwe Zaal, zal er uiteraard ook kritiek komen. Kritiek op onze minister-president en op onze minister van Justitie en Veiligheid en zeker ook op mijn persoon vanwege mijn opstelling die door menigeen gezien zal worden als naïef en wellicht ook nog ‘ernstig verwijtbaar’. Zij die mijn dagboeken volgen weten dat waar het mijns inziens nodig is, ik redelijk fel kan zijn. Mocht u eraan twijfelen, kijk dan maar even naar de voorganger van dit dagboek en zie!
Ik ben nu rustig aan het bijkomen in de lounge van het vliegveld van Stockholm in afwachting van mijn terugvlucht. Maandagavond heengevlogen en nu, woensdagmiddag, weer terug, nog net op tijd, hopelijk, om te kunnen stemmen. Ik was dus gisteren en eergisteren in Stockholm voor de conferentie van de EJA, de European Jewish Association. Het was goed om leiders van Europese Joodse gemeenten te ontmoeten en te vernemen hoe bij allen het antisemitisme bloeit en groeit, maar ook heeft binnen dat kader toch ieder land zijn eigen specifieke aanpak nodig afhankelijk van lokale en nationale overheden. Wat we allen wel gemeen hadden was educatie, educatie, educatie. Educatie naar onze eigen gemeenschap om onszelf sterk te kunnen blijven houden en vanuit vreugde de Eeuwige te blijven dienen. Maar ook educatie naar de omringende samenleving die weinig tot geen inzicht heeft in Joden, Israël, Holocaust. En onbekendheid en onbegrip, met alle gevolgen van dien, liggen in elkaars verlengde en zijn bijna synoniemen, gelijk antisemitisme en antizionisme.
Maar los van het bespreken van het antisemitisme: Stockholm heeft een gigantisch gemeenschapshuis waarin een koosjere supermarkt, scholen, restaurant, onderwijs en ook een sjoel. Het was opvallend dat de sjoel een ouderwetse en antieke aankleding had, dit in tegenstelling tot het hele gebouw dat een en al moderniteit uitstraalt. Ik waande me in een asjkenazische sjoel van voor de oorlog. En bij navraag bleek dat niet zo vreemd. Het interieur was afkomstig uit Hamburg. Tijdens de Kristallnacht was de sjoel onopgemerkt gebleven omdat de sjoel zich op een bovenverdieping bevond. Na de oorlog zijn alle banken, de Thora-kast, de Thora-rollen, de stoel voor de rabbijn en de biema, de plaats van waar af uit de Thora wordt voorgelezen, overgebracht naar Stockholm en is de oude Hamburger sjoel dadelijks in gebruik! Een mooier monument is niet denkbaar. Op die plaats op dinsdag en op woensdag het ochtendgebed te kunnen uitspreken was bijzonder en emotioneel.
Dat Zweden en überhaupt heel Scandinavië niet tot bekend terrein voor mij zijn, bleek wel toen ik een echtpaar ‘even’ naar me toe liet komen in Stockholm. Ze woonden in Noorwegen op de grens met Zweden ter hoogte van Göteborg. In mijn gedachten was dat zoiets als Den Haag – Amsterdam. De echtgenote van de rabbijn van Göteborg had een Joodse vrouw ontmoet die ook Joods was gehuwd. Alleen waren er geen papieren die zijn Jood-zijn konden bewijzen. En omdat ik toch in Stockholm was en mij dus was gevraagd om de man te ontmoeten, vroeg ik haar om de man en zijn echtgenote gisteren bij mij te laten komen. En aldus geschiedde. Ze kwamen. Maar de afstand van hun woonplaats naar Stockholm was, buiten het spitsuur, zes uur rijden. Gelukkig heb ik ze kunnen helpen en waren ze innig dankbaar en gelukkig. Dat was maar goed ook, want anders had ik me helemaal schuldig gevoeld. Scandinavische topografie was nooit mijn sterkste vak! Lees even hun reactie: “Thank you for giving us so much of your time and attention. In all the excitement we forgot about tzedakah. Please forgive us – we would like to give tzedakah in your name for the cause of your choice. Thank you so much again”
Maar er was nog iets dat indruk op me maakte: een van de sjoelbezoekers kwam naar me toe toen het bekend was geworden dat ik uit Nederland afkomstig ben. Hij had mijn voorganger gekend, opperrabbijn Eliëzer Berlinger. Opperrabbijn Berlinger was in de oorlog rabbijn in Malmö, wist hij mij te vertellen, en onder zijn leiding zijn ingaande Jom Kippoer de Deense Joden in bootjes vanuit het bezette Denemarken overgebracht naar het neutrale Zweden, Malmö. Maar los van die Jom Kippoer-Berlinger geschiedenis: deze man was getrouwd met de kleindochter van opperrabbijn Berlinger! Mijn eerste jaren rabbijn-in-Nederland kwamen plotseling weer helemaal boven in mijn geheugen. Berlinger was de eerste jaren nogal tegen mij, maar na zes jaar vroeg hij me toch als assistent en opvolger. De reden? Hij zag dat ik niet achteroverleunend invulling gaf aan mijn rabbinale-taak. En hoewel ik niet, gelijk Berlinger, het spoorboekje uit m’n hoofd kende, crosste ik wel per auto Nederland door om ook de Joden die erg ver weg wonen er juist bij te betrekken. En inmiddels is het niet alleen meer crossen, maar ook vliegen. Maar pas op, Binyomin, zeg ik tegen mezelf, pas op dat je met beide beentjes op de grond blijft, want daar ligt je taak.
We landen over tien minuten. Ik word gelukkig afgehaald, want ik ben bekaf. Morgen een vrij lege agenda, alleen ’s middags mijn sjioer-cursus ‘diepgang’. Maar vrijdag wordt pittig en volgende week ga ik weer de lucht in om een dag later weer terug te vliegen. Wat ben ik toch een gezegend mens dat ik anderen mag helpen!

Dagboek van de opperrabbijn 15 maart 2026

Door de TELEGRAAF werd ik als volgt geciteerd na de aanslag op de sjoel van Rotterdam: Opperrabbijn Binyomin Jacobs roept naar aanleiding van de brandstichting op om alert te zijn, maar te waken voor paniek. „We moeten vertrouwen op onze overheid en politie, die echt niet van antisemitisme beticht kunnen worden. En we moeten ons niet laten opjutten door allerlei online-berichten.” Maar toen was de aanslag op het Cheider nog niet geschied en vraag ik me nu dus af of mijnerzijds nog steeds dezelfde reactie van kracht is of moet ik toch oproepen om… Maar na uitgaande sjabbat de zeer vele e-mails en whatsapps te hebben gelezen, allen uitsluitend vol bemoediging, op sjabbat de volle sjoel en, na afloop, de prachtige Kiddoesj ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van een van onze meest fanatieke antisemitisme bestrijdsters te hebben bezocht, is mijn conclusie duidelijk: mijn inzicht is niet veranderd. Wat er hopelijk wel veranderd is, is de opstelling van de Overheid ten opzichte van de piepkleine resten van wat eens een Joodse Gemeenschap was van honderdveertigduizend zielen.
Maar pas op, een overbelichting van dat piepkleine groepje Joden, kan ook averechts werken! Zo volgde ik een uitzending van Nieuws van de Dag over de vraag of handhavers-boa’s wel of geen hoofddoekjes mogen dragen tijdens het uitoefenen van hun functie. Claire Martens (lid van de Tweede Kamer voor de VVD) is de stellige mening toegedaan dat ook de 25.000 boa’s neutraliteit dienen uit te stralen, gelijk de politie. Omdat de link naar deze uitzending mij was toegezonden met het nadrukkelijke verzoek om mijn persoonlijke mening kenbaar te maken, heb ik goed en aandachtig gekeken en geluisterd. Maar in plaats van mezelf een mening gevormd te hebben over wel of geen hoofddoekje, trof mij iets anders. Verschillende keren wordt er gesproken over het dragen van een hoofddoek of een keppel. Keppel? Hoeveel boa’s zijn er in Nederland die een keppel dragen??? Ik durf te beweren dat als ik het getal één noem, het al zwaar overdreven is. Waarom sleept mevrouw Martens de Joden erbij? We hebben al genoeg problemen zonder keppeltje! Ik ben ervan overtuigd dat ze er geen kwade bedoelingen mee had, maar toch.
En dan trof me nog iets. De politica geeft aan dat er een scheiding moet zijn tussen Kerk en Staat en tussen Moskee en Staat! Mevrouw Martens: als we spreken in het ABN, Algemeen Beschaafd Nederlands, over de scheiding tussen Kerk en Staat bedoelen we met het woord Kerk niet een bepaalde kerk, maar de betekenis van ‘Kerk’ is in dit verband ieder ‘gebedshuis’ ongeacht protestants, katholiek of welke godsdienst dan ook. Ik ben dan ook werkzaam als Joodse opperrabbijn bij het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, terwijl ik van geen kant christelijk ben en nooit naar de kerk ga! Door aan de Scheiding tussen Kerk en Staat een nieuwe betekenis te geven door naast Kerk ook te gaan spreken over Moskee, verkleint ze de Kerk tot een specifieke religie en verheft ze, onbedoeld, de Moskee tot een soort vertegenwoordiger van alle religies. Onbewust werkt ze mee met haar verkeerde taalgebruik aan de Islamisering van onze Nederlandse samenleving, terwijl ze juist met een hoofddoekjes-verbod dat probeert tegen te gaan. Jammer! Maar, als we dan toch ons aan het afvragen zijn wel of geen hoofddoekje bij boa’s en politie, wat gebeurt er in de wereld van geneeskunde? Als zo duidelijk oom of tante politie neutraliteit moet uitstralen omwille van de handhaving, waarom dan geen neutraliteit in ziekenhuizen omwille van de gezondheid? Pas op, want ik probeer mijn Nederlandse taal zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk te beheren.
Ik schrijf en benadruk hierbij het woord als, want ik heb mezelf nog geen mening gevormd over wel of geen hoofddoekje bij een functionaris in functie. Maar los van het hoofddoekje, hoort een vriendelijke, begripvolle en professionele opstelling bij boa’s, politie en ziekenhuis zelfs een keppeltje te overstijgen!
Ondertussen is mijn redelijk lege agenda voor morgen zich in (on?)-verwacht tempo aan het vullen met overleggen, optreden, een interview en een begrafenis en ben ik aan het regelen om me zo snel en veilig mogelijk te verplaatsen. U ziet, aan afwisseling geen gebrek.
Ik ga snel dit dagboek eindigen, maar niet na een Thora-gedachte met u te delen naar aanleiding van de Thora-voorlezing van gisteren-sjabbat en vanwege de actualiteit. Gisteren eindigden we het tweede boek van de Thora, Exodus. Dit tweede boek van de vijf boeken van Mozes wordt in de Joodse filosofie (Midrasj) genoemd als het boek dat de Uittocht uit Egypte (Exodus) beschrijft, ‘van duisternis naar licht’. Maar als we goed kijken wordt er voornamelijk gesproken over de slavernij, de duisternis, en niet over de Uittocht, het licht. En dat tweede boek eindigt met de woorden: dat de Eeuwige met hen was ‘op al hun reizen’. Maar met ‘al hun reizen’ wordt niet zozeer bedoeld dat ze onderweg waren, vertrokken, maar juist dat in alle plaatsen waar ze verbleven G’ds aanwezigheid zichtbaar en voelbaar was. En dan als ze ergens lang genoeg waren geweest, hun opdracht, vaak niet eens zichtbaar, hadden volbracht, dan trokken ze weer op naar de volgende rustplaats, om ook daar weer hun door Boven bepaalde opdracht uit te voeren.
We bevinden ons vandaag in een nare en gevaarlijke periode van hatelijk antisemitisme. Waarom? Wat is onze opdracht? Wat wil G’d van ons? Wat is Zijn bedoeling? Geen idee! Maar één ding is wel duidelijk: uiteindelijk komt alles van Boven, dienen we onze vijanden te bestrijden of, bij voorkeur, op andere gedachten te brengen door bruggen te bouwen en wederzijds respect te kweken. En dus moeten we ons hierop concentreren totdat er Boven is beslist dat we verder kunnen trekken, van duisternis naar licht.
En terwijl ik het woord ‘licht’ nog nauwelijks heb neergeschreven ontving ik de volgende whatsapp van onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Rianne Letschert: Beste Opperrabbijn, beste Binyomin. Heel veel sterkte, ik ben in gedachten bij jullie. Warme groet Rianne.