Dagboek van de opperrabbijn 11 maart 2026

Eergisteren was een vari?teitsdag. Om negen uur vertrokken naar Epe voor de herdenking van het tragische overlijden van Ds. Henk Vreekamp tien jaar geleden. Maar liefst tweehonderdtachtig theologen, familieleden en vrienden van Vreekamp vulden de Grote Kerk. Vreekamp was de grote Isra?l-kenner en bouwde een bijna onverwoestbare brug tussen christenen en Joden. Mij was verzocht om een van de sprekers te zijn en mijn band met Vreekamp in een toespraak/lezinkje van twintig minuten te delen met de aanwezigen. Normaliter zou ik dan een paar uur achter de computer moeten plaatsnemen om die twintig minuten aan het papier toe te vertrouwen. Helaas lukt me dat niet meer, misschien vanwege ouderdom of gewoon door gebrek aan tijd. Maar wat de oorzaak ook moge zijn, heb ik een manier van toespraken-voorbereiden ontwikkeld die qua tijd voordelig is, maar wel een beetje (onnodige) spanning geeft. Hoe ga ik te werk? Allereerst wordt ieder verzoek om voor iets of iemand een toespraak te houden serieus overwogen met de vraag: ben ik in staat om een zinnig woord te uiten over het voorgestelde onderwerp of de persoon die moet worden toegesproken. Als ik die vraag dan vrij snel voor mezelf heb beantwoord probeer ik erachter te komen wat de globale inhoud van mijn lezing of toespraak zou moeten zijn. Die globale inhoud of boodschap schrijf ik dan in mijn agenda middels drie of vier woorden. En dan sta ik, met die drie of vier woorden in mijn gedachten, voor de microfoon en begin mijn bijna spontane toespraak. En omdat een rabbijn, anders dan een radio, niet uitgezet kan worden en ik me volledig op mijn toespraak/lezing inhoudelijk concentreer en dus gevoel voor de klok kwijt ben, zorg ik er altijd voor dat er een wekker in de zaal zit op de eerste rij die een paar minuten voor het nog onbepaalde einde van mijn toespraak een seintje geeft, zodat ik aan de afronding kan beginnen. Heb ik Henk Vreekamp goed gekend? Goed niet, maar wel gekend. Over zijn leven, zo zag ik in het programma, zou voldoende worden gesproken en dus koos ik ervoor om niet zozeer over de persoon Ds. Henk Vreekamp zl. te spreken, maar over mezelf. Wat was zijn invloed op mijn leven? En dus heb ik, binnen de twintig minuten die mij waren gegeven, de positie van Vreekamp beschreven ten opzichte van de Joodse gemeenschap. Verbinden zonder het in Joodse kringen bekende ‘sjmaddertje onder het gras’. Voor mijn niet-Joodse dagboekeniers: sjmadden betekent bekeren. Wat dan de betekenis is van dat beruchte ‘sjmaddertje onder het gras’ mag u zelf uitdokteren. De twintig minuten kwamen luid en duidelijk over. Vreekamp was een bruggenbouwer die de kloof tussen Joden en christenen voor een zeer groot percentage heeft weten te overbruggen. Ik voelde me meer dan welkom en bijna thuis in Epe bij de vrienden van Vreekamp, onze vrienden.
En toen voor de afwisseling en om saaiheid te voorkomen: Schiphol. Hoewel de rabbijnen conferentie al om 13:00 uur was begonnen, kwam ik pas om 19:00 uur aan in Berlijn vanwege Epe. Honderdvijftig Europese rabbijnen waren bijeengekomen om te spreken over kasjroet. Hoewel de drie organisatoren, die in Jeruzalem woonachtig zijn, er alle drie waren, was de grote afwezige de Opperrabbijn van Isra?l. Hij had zeker willen komen maar ‘het luchtruim van het Midden-Oosten’ ontnam hem de mogelijkheid. Of ik hem nu wel of niet verving of dat mij als Binyomin Jacobs twee plaatsen op de sprekerslijst waren toebedeeld was mij niet duidelijk. Dat ik bij het galadiner moest spreken was mij bijtijds medegedeeld, maar dat ik ook in de Bundestage namens het bestuur van de RCE (Rabbinical Center of Europe) tien minuten aan het woord zou komen, was nieuw voor mij. Nog net voor de vergadering had ik een verbale ontmoeting met de RCE-conferentie-Berlijn organisatoren die mij lieten weten dat ik vooraan zal zitten. Over wel of geen toespraak werd niets vermeld en dus keek ik naar de maandagochtend uit, gewoon achteroverleunend, om aan de conferentie deel te nemen als toehoorder en anderen te horen spreken. Uiteindelijk heb ik dinsdagmiddag in de Bundestag gesproken, totaal onvoorbereid, en ’s avonds bij het Galadiner ook nog eens. Mijn boodschap was duidelijk: de Europese rabbijnen hebben de opdracht ervoor te zorgen dat het Europese Jodendom groeit en op z’n minst behouden blijft, ondanks het opkomend antisemitisme. Aan chantage, ook psychische, mag niet en nooit worden toegegeven. Alertheid, ja. Angst, niet en nooit. En natuurlijk mag ieder mens, ook iedere Jood, zelf beslissen om vrijwillig te verhuizen. Mijn ouders zaten in de jaren ’40-’45 gevangen, alle grenzen zaten voor hen op slot, geen kant konden ze op. Nu bestaat er een Staat Isra?l.
De conferentie ging over kasjroet, maar niet over het gewone dagelijkse, maar over de huidige complexiteit, speciaal in fabrieken. Vruchtensappen waaraan ongeoorloofd druivensap is toegevoegd, aroma’s van onbekende samenstelling en niet te vergeten de kleurstoffen. Koelkasten die een alarm laten horen als de deur te lang open staat. Is het toegestaan om de deur te sluiten? Maar, naast de studiesessies, de leerzame panels, waren er wandelgangen. En juist in die wandelgangen vinden de kennismakingen plaats, worden de visitekaartjes uitgewisseld en de rabbinale banden gelegd of verstevigd.
Bij het Galadiner waren zestien Europese ambassadeurs aanwezig. Iedere ambassadeur zat aan de tafel met zijn of haar vlag en met de rabbijnen uit zijn of haar land. En zo heb ik kennisgemaakt met de Nederlandse ambassadeur in Duitsland, mevr. Hester Somsen, die tot voor kort de deputy-plaatsvervanger was van de recentelijk gepensioneerde Nationaal Co?rdinator Terrorismebestrijding en Veiligheid Pieter-Jaap Aalbersberg. En gezien Aalbersberg een meer dan goede kennis van mij is uit inmiddels lang vervlogen tijden, hadden de ambassadeur en ik meteen een onverwachte band die hopelijk voor de toekomst vruchten zal afwerpen.
De conferentie is, nu ik de laatste regels van dit dagboek aan het schrijven ben, een kwartier geleden gesloten. Alle rabbijnen gaan terug naar hun eigen rabbinaat, terug vaak naar de rabbinale eenzaamheid, omringd door hun Joodse gemeenschap. Berlijn heeft laten zien en horen, door de Berlijnse burgemeester, dat vanuit een onbeschrijfelijke duisternis ook een groot licht kan ontstaan. Yudi Teichtel, de opperrabbijn van Berlijn, heeft een gigantisch gebouw neergezet, een bloeiende Joodse gemeenschap, vanuit zijn eigen gedrevenheid en met de onontbeerlijke steun van de lokale autoriteiten, waaronder zijn vriend de burgemeester van Berlijn. Ik ben trots op opperrabbijn Teichtel wiens schoonmoeder de volle nicht is van mijn Blouma.

dagboek van de opperrabbijn 8 maart 2026

De dag na Poerim heb ik rustig aan gedaan, dat wil zeggen bijgekomen van de Poerim party’s, heb ik e-mails beantwoord, bedankt aan allen die ons hadden bedacht om de mitswa van misjloach manot mee te vervullen, me verbaasd dat sommigen ons dit jaar hadden vergeten, telefoontjes gepleegd en. bijna 24/7 het nieuws in en rondom Isra?l gevolgd. Ik weet dat mijn nieuws-volgen weinig zinvol is, maar het houdt me desondanks voortdurend bezig. Maar ook als ik persoonlijk me er niet echt mee bezig zou willen houden, kan ik toch echt niet om die oorlog heen omdat de media Isra?l tot hoofdonderwerp hebben gemaakt en al het andere nieuws er slechts als een verpakking omheen zit.
Terwijl ik dit dagboek schrijf telt onze vredige aarde zo’n honderdtachtig brandhaarden. Dat duizenden en duizenden zwarte medemensen op dit moment in Afrika worden afgeslacht, verkracht en verminkt interesseert niemand. Waarover we ons wel regelmatig opwinden is over Zwarte Piet. Nog nooit ik heb bij het lachen om de stoute Zwarte Piet gedacht aan de onderdrukking van zwarte medemensen. Sterker nog, als tiener liet ik me begin december jarenlang schminken en was ik samen met Lexje, mijn vriendje van toentertijd, op de Anne Frankschool in de Niersstraat te Amsterdam de offici?le school-zwarte-piet. Overigens vind ik het bijna onbegrijpelijk dat niemand zich opwindt over Sinterklaas die zich zichtbaar schuldig maakt aan dierenmishandeling omdat hij al eeuwen op dat witte schimmel blijft zitten, zelfs op gevaarlijk hoge daken. Niemand die het opneemt voor dat witte schimmel en de witte schimmel-misbruiker aanpakt!
Maimonides leert ons: “Zoals iemand de opdracht heeft zijn vader te eren en hem met ontzag te behandelen, zo is hij ook verplicht zijn leraar te eren en hem met ontzag te behandelen.” Zoiets heet respect. Helaas is dat gewone reguliere ouderwetse respect nog nauwelijks aanwezig, zelfs niet na de taalzuivering van Zwarte Piet. Waarom ik dit plotseling te berde breng? Toen ik gisteren weer eens door een stelletje snotaapjes werd nageroepen belde ik meteen de wijkagent in de hoop dat hij in de buurt zou zijn en we de koe bij de horens zouden kunnen vatten en er een gesprek zou kunnen ontstaan tussen de Free-Palestine-snotaapjes en mij, met oom agent als gespreksleider. (Overigens al schrijvende vraag ik me af of onze taal niet ook gezuiverd moet worden van ‘de koe bij de horens vatten’, hetgeen geen diervriendelijke uitdrukking is.) en toen liep het mis! Op mijn mobieltje stonden twee telefoonnummers onder de kop ‘wijkagent’. De eerste nam niet op, maar de tweede wel, en die bleek een voormalige wijkagent te zijn die inmiddels elders in de politiewereld een baan had gekregen. Maar toen me dat duidelijk werd was het kwaad al geschied. ‘Mijnheer de agent, zojuist ben ik nageroepen door drie snotaapjes met free Palestine. Ziet u mogelijkheid om meteen te komen, als u toevallig in de buurt bent. Ik wil met ze spreken.’ De voormalige oom-wijkagent gaf me vermanend te kennen dat doordat ik die pro-Palestine knaapjes snotaapjes noemde er sprake was van discriminatie. Thuisgekomen ben ik meteen in het Woordenboek der Nederlandse taal gedoken, op Wikipedia gaan zoeken, vrienden en bekenden gaan bellen, maar snotaapjes werd nergens gekoppeld aan discriminatie. Voor mijn gevoel bestaan er zwarte, witte en zeker ook Joodse snotaapjes. Ik voelde me dus door oom agent absoluut niet gesteund en weer was mijn bruggen bouwende bedoeling mislukt. Op sjabbat kwam de echte oom wijkagent langs omdat hij had gezien dat ik hem vrijdag had gebeld, en ook hij zag geen discriminatie in mijn snotaapjes. Overigens om ieder misverstand te voorkomen: niets dan lof over de politie die dagelijks over mijn welzijn waakt. Hulde en dank! En ook mijn medeleven en mentale steun die jullie, oom en tante agent, helaas ook nodig hebben als ik zie, hoor en lees hoe respectloos jullie vaak worden bejegend.
Donderdagavond de eerste pro-Isra?l wandeling in Elburg. Een onverwacht grote opkomst. Geweldig te ervaren dat we ook echte vrienden hebben die pal achter ons Joden staan. De organisatie had niet meer dan vijf of zes deelnemers verwacht, maar die verwachting was met tientallen overschreden. Een grote groep Elburgers liep in het donker rond Elburg, zonder geschreeuw, zonder vlaggen, zonder leuzen, maar met waardigheid en godvrezendheid om te demonstreren tegen antisemitisme. Vertrekpunt synagoge-Elburg, eindpunt synagoge-Elburg. En al wandelend werd er een aantal keren gestopt en kregen we boeiende informatie van historicus en schrijver van ‘de Joden van Elburg’ Willem van Norel, over wat eens de Joodse Gemeente Elburg was. Er woonden in Elburg gedurende de oorlog twee NSB’ers, zo vertelde hij onder andere, die hadden te horen gekregen dat als zij verraad zouden plegen en Joodse onderduikers zouden aangeven aan de moffen, het niet goed met ze zou aflopen. De wandeling deed me goed, zoveel bemoediging, zoveel steun, zoveel liefde voor Joden en Isra?l. De snotaapjes was ik alweer helemaal vergeten en zelfs het doosje met ongebruikte tampons, dat in navolging van het bakje kwark in onze tuin was geslingerd, kon geen afbreuk meer doen aan mijn goede Elburg-gevoel. Overigens had ik die donderdagmiddag ook nog mijn tweewekelijkse sjioer online en in de ochtend een interview met cvandaag. Morgen, maandag, zal ik het interview ontvangen ter controle en daarna zal het online verschijnen.
En toen was het gisteren. Met onze kleindochter en haar man, die hier drie dagen zijn, naar Volendam voor de foto in klederdracht, om te voorkomen dat onze Nederlandse afkomst in de vergetelheid zou geraken. Daarna een wandelrondje Marken en natuurlijk voor Volendam-Marken een bezoek aan het Joods Museum, de Snoge, Joodse Schouwburg en het Holocaust-museum. En terwijl Blouma het jonge paartje (niets te maken met de witte schimmel waarover eerder geschreven!) in het Joods Cultureel Kwartier begeleidde, mocht ik een lezing geven in Amstelveen bij de Limmoed-dag. Onderwerp: is rabbijn een vak voor een nette Joodse jongen. Het antwoord is niet zo belangrijk, maar het was goed dat ik was gegaan, ik voelde me welkom en hoop dat mijn aanwezigheid, nog even los van mijn bijdrage, ook een gevoel van eenheid heeft gegeven aan de deelnemers die voor het grootste deel niet afkomstig waren uit de NIK-kringen.
Morgen, maandag, een lezing in Epe vanwege de tiende sterfdag van Ds. Vreekamp en dan naar Berlijn, deze keer niet met de auto maar gewoon vliegen.

Dagboek van de opperrabbijn 4 maart 2026

Uitgaande sjabbat kwamen we omstreeks 22:30 uur thuis na de sjabbat elders te hebben doorgebracht. Elders was dus Almere vanwege de bar-mitswa van het jongste Stiefeltje, waarover in mijn vorige dagboek uitvoerig geschreven als trotse opa Jacobs. De sjabbat was erg fijn, maar het thuiskomen aanzienlijk minder gezellig. Ons huis was beklad. Meteen de politie gebeld die ons sommeerde om vooral binnen te blijven, niets aan te raken omdat het onduidelijk was met welk wit spul ons raam en de voortuin waren besmeurd. Het zou zomaar giftig spul kunnen zijn. Binnen een mum van tijd was de politie ter plekke en naar ons toe niets dan vriendelijkheid en begrip. Gaf ons een enorm fijn gevoel. Na het uitlezen van de nodige vastgelegde beelden was het duidelijk wat voor soort Nederlanders gemeend hadden om ons te delen in hun vreugde vanwege het martelaarschap van hun geestelijk leider zaliger. En wat nu, dacht ik bij mezelf. Idee! Indertijd heeft het Hare Majesteit Koningin Beatrix behaagd om mij tot officier in de Orde van Oranje-Nassau te benoemen onder andere vanwege mijn inzet om bruggen te bouwen. En hier zag ik dus een unieke kans. Ik heb Blouma dringend verzocht om vooral de rotzooi niet te verwijderen en aan de Gemeente heb ik verzocht om een paar wijkbewoners uit te nodigen om met een bakje warm water en een sponsje in onze voortuin, zichtbaar voor alle passanten, te demonstreren dat we dit soort gore uitwassen niet accepteren. Het is inmiddels woensdagavond en we hebben de bekladding inmiddels zelf verwijderd. Jammer, een gemiste kans. Ik had de vrijwillige schoonmakers demonstratief van een kop koffie willen voorzien en daarbij ook nog een paar Hamansoren die we nog over hadden van Poerim. Ik heb inmiddels wel begrepen dat het bouwen van bruggen wel aan beide kanten een kade behoeft. Helaas moest ik constateren dat aan de Joodse kant een kade zat, maar aan de andere kant nog niet.
En toen het volgende: Een goede vriend van mij had een pakketje ontvangen uit Frankrijk, een of andere bestelling die zijn vrouw had gedaan bij een online bedrijf. Omdat het pakje te groot was voor de brievenbus werd het afgeleverd bij een afleverplaats die speciaal daarvoor is opgericht. Mijn vriendje komt daar maandagmiddag voorzien van QR-code die aan zijn pakje zat gekoppeld en sluit zich netjes aan in de geduldig wachtende rij pakjes-ophalers. En toen was het zijn beurt. “Sjosjanna Joosten, bent u dat? Neen, antwoordt mijn vriendje beleefd, dat is mijn vrouw. Is ze soms Joods want het is zo’n gekke naam? Ja, dat is ze. U ook soms?” en vervolgens wordt mijn vriend haarfijn uitgelegd door de pakjes-afleveraar dat het niet verbazingwekkend is dat Isra?l zich schuldig maakt aan genocide omdat ze 85-jaar geleden ook de Holocaust waren begonnen en het inmiddels wetenschappelijk is aangetoond dat Auschwitz nooit heeft bestaan.
En toch, helaas voor de bekladders en hun broertje de pakjes-afleveraar, heeft de Poerim-vreugde de nare gevoelens die ik had kunnen krijgen geen ruimte gegeven. Poerim was geweldig. Bewust zijn we op Poerim naar elders gegaan om elders, in Lelystad en in Almere, mee te feesten en ook om ze te bemoedigen. In Lelystad waar het Joodse leven nog maar net aan het beginnen is met de jonge rabbijn Shusterman en zijn even jonge echtgenote, waren tegen de zestig deelnemers komen opdagen. Niet gek, als tot voor kort er aan Joods leven totaal niets en niemand was. Hulde aan Shneur en Moessie! Voor het optreden van de goochelaar glipten Blouma en ik er stiekem tussenuit, op naar Almere. Daar werd ik met een loeiend applaus verwelkomd. Ook daar iedereen verkleed, een en al feest, muziek, dansen, Poerim-maaltijd! De bekladding en de pakjes-afleveraar was ik al bijna helemaal vergeten. Bijna, want ik wilde het gewoon vasthouden om het met u, mijn trouwe dagboekenier, te delen. Meer dan andere jaren droop de actualiteit van de Poerim-geschiedenis er af.
O ja, ik werd natuurlijk geacht om de feestende ietwat te vrolijk aangeslagen Poerim-vierders toe te spreken. Ik vraag dan ook uw aandacht voor een deel van mijn toespraak die eigenlijk meer te maken had met mijn taalkundig dagboekschrijven, dan met Poerim, maar Poerim staat alles op z’n kop, dus ook mijn toespraak die ik gekoppeld had aan mijn voornaamste taak in Almere, namelijk het verkopen van de loten en niet van de lotten.
Nederlands is moeilijk te leren, maar weten we ook waarom?

Men spreekt van ??n lot, en verschillende loten,
maar ’t meervoud van pot is natuurlijk geen poten.
Zo zegt men ook altijd ??n vat en twee vaten,
maar zult u ook zeggen: ??n kat en twee katen?
Laatst ging ik vliegen, dus zeg ik vloog,
maar zeg nou bij wiegen beslist niet: ik woog,
want woog is nog altijd afkomstig van wegen,
maar is dan ‘ik voog’ een vervoeging van vegen?

Wat hoort er bij ‘zoeken’? Jazeker, ik zocht,
en zegt u bij vloeken dus logisch: ik vlocht?
Welnee, beste mensen, want vlocht komt van vlechten.
En toch is ik ‘hocht’ niet afkomstig van hechten.
En bij lopen hoort liep, maar bij kopen geen kiep.
En evenmin zegt men bij slopen ‘ik sliep’.
Want sliep moet u weten, dat komt weer van slapen.
Maar fout is natuurlijk ‘ik riep’ bij het rapen.
Want riep komt van roepen. Ik hoop dat u ’t weet
en dat u die kronkels beslist niet vergeet.
Dus: kwam ik u roepen, dan zeg ik ‘ik riep’.
Nu denkt u: van snoepen, dat wordt dan ‘ik sniep’?
Alweer mis, m’n beste. Maar u weet beslist,
dat ried komt van raden, ik denk dat u ’t wist.
Komt bied dan van baden? Welnee, dat wordt bood.
En toch volgt na wieden beslist niet ‘ik wood’.
‘Ik gaf’ hoort bij geven, maar ‘ik laf’ niet bij leven.
Dat is bijna zo dom als ‘ik waf’ hoort bij weven.

Zo zegt men: wij drinken en hebben gedronken.
Maar echt niet: wij hinken en hebben gehonken.
’t Is moeilijk, maar weet u: van weten komt wist,
maar hoort bij vergeten nou logisch vergist?
Juist niet, zult u zeggen, dat komt van vergissen.
En wat is nu goed? U moet zelf maar beslissen:
hoort bij slaan nu: ik sloeg, ik slig, of ik slond?
Want bij gaan hoort: ik ging, niet ik goeg of ik gond.
En noemt u een mannetjesrat nu een rater?
Dat geldt toch alleen bij een kat en een kater.

dagboek van de Opperrabbijn

Wederom was ik aanwezig bij de viering van een bar-mitswa, deze keer niet in Berlijn-Duitsland bij een collega-ver-familielid, maar gewoon vlakbij in Almere bij onze kleinzoon. En het toeval, dat dus niet bestaat, wil dat hij voor het eerst werd opgeroepen voor de Thora op sjabbat 28 februari, mijn niet-Joodse en bij ons dus niet gevierde verjaardag. Nou ben ik ?berhaupt niet zo’n verjaardag vierder, maar de maatschappelijke datum komt al helemaal niet voor op mijn prioriteitenlijst. En toch vermeld ik nu dus 28 februari. De reden is omdat als ik ergens mijn geboortedatum moet opgeven, mondeling en niet per computer, tot vervelens toe te horen krijg dat ik een gelukkig en dankbaar mens moet zijn omdat als ik een dag later zou zijn geboren ik maar een keer in de vier jaar jarig zou worden. Onzin, want na 28 februari volgt drie keer in de vier jaar gewoon de eerste van de maand maart. De reden dat ik dit vermeld is dat de gemiddelde mens oppervlakkig denkt, berichten worden verdraaid en meningen makkelijk vanuit de oppervlakkigheid gevormd. En van die makkelijke be?nvloeding wordt dankbaar gebruik gemaakt door kwaadwillende criminelen of gewoon door influencers. Het hele fenomeen ‘influencer’ is voor mijn gevoel niet iets nieuws, het is van alle tijden, alleen door de moderne media kan het sneller en zichtbaarder zijn vaak manipulerende werk verrichten. Of het goed of slecht is, hangt af van de boodschap of van de opdracht die de influencer heeft of meent te hebben, maar duidelijk is het dat er altijd influencers bestonden, bestaan en zullen blijven. Overigens zijn de grootste, meest verbreide en verderfelijkste influencers geen personen, maar de sociale media en het is dan ook daarom dat ik mijn kleinzoon op zijn bar-mitswa wenste dat hij zal opgroeien tot een geleerde (talmid chacham), tot een Godvrezend persoon en tot een Chassid. Een Chassid behoort een persoon te zijn die zelf kiest door wie of wat hij zich laat leiden en <d.docs.live.net/eb7496925afbacdb/Bureaublad/5784%20column%20NIW%203 6%20.docx?web=1> be?nvloeden. Onze geleerde Maimonides schrijft hierover het volgende:
Voor mensen die lichamelijk ziek zijn, smaakt het bittere zoet en het zoete bitter. Sommige zieken verlangen zelfs naar dingen die niet geschikt zijn om te eten en haten gezonde voedingsmiddelen. Op dezelfde manier verlangen en houden mensen met een slechte moraal van minder goede eigenschappen, haten ze het goede pad en zijn ze te lui om het te volgen. Afhankelijk van hoe ziek ze zijn, vinden ze het buitengewoon zwaar om de juiste keuze te maken en zich niet door kwaadwillende stromingen te laten be?nvloeden. “Wee degenen die het slechte goed noemen en het goede slecht, die de duisternis voor licht aanzien en het licht voor duisternis, die het bittere voor zoet aanzien en het zoete voor bitter.” Hoe moeten deze dwalenden genezen worden? De man die vol hoogmoed is, moet zich diep vernederen. Hij moet op de meest vernederende plek zitten, gekleed gaan in gescheurde vodden die hem te schande maken totdat de hoogmoed uit zijn hart is uitgeroeid en hij terugkeert naar de middenweg, die de juiste weg is. Men zou met elk van de andere karaktereigenschappen een vergelijkbare aanpak moeten volgen. Iemand die naar een van de extremen neigt, zou zich in de richting van het tegenovergestelde extreme moeten bewegen en zich daar lange tijd aan moeten aanpassen, totdat hij is teruggekeerd naar het juiste pad, hetwelk voor iedere gevoelseigenschap de gulden middenweg is.” Na deze les Joodse filosofie voor beginners, geschreven in de auto op weg naar Groningen, zit ik nu in diezelfde auto, maar nu terug huiswaarts. Reden van mijn belerende en filosofische lesje is het gevolg van Iran. Een leider van 93 miljoen onderdanen die vanuit een persoonlijke criminele ego?stische hoogmoed, een heel volk naar zijn hand heeft gezet, duizenden en duizenden mensen de dood ingestuurd. En omdat hij dit aardse bestaan heeft verlaten en martelaar is geworden, moet ik nu hier in mijn Nederland extra alert zijn vanwege malloten die mij medeschuldig verklaren aan zijn dood, waarmee ik dus totaal niets van doen heb.
Groningen was voor mij een warme douche. De sjoel bestond honderdtwintig jaar. Na de oorlog waren slechts driehonderd van de drieduizend gemeenteleden ’teruggekeerd’. En dus liet de burgerlijke gemeente Groningen de sjoel een wasserij worden en gedeeltelijk een kerk. Vijftig jaar geleden kwam de sjoel weer min of meer terug daar waar een sjoel hoort te zijn: bij de Joodse Gemeenschap. Half van de veel te grote sjoelruimte werd een educatief centrum en half werd gewoon de sjoel van de Joodse Gemeente Groningen. Deze verheffing van de wasserij-sjoel tot sjoel-educatief Joods Centrum vond vijftig jaar geleden plaats. En ook dat werd vanmiddag gevierd in het volle educatieve-sjoel-centrum met Klezmer muziek en drie waardige en leerzame voordrachten over de sjoel toen, na de oorlog en nu. Ik mocht de bijeenkomst openen met een Jizkor ter nagedachtenis aan de zevenentwintighonderd leden van de Joodse Gemeente, met een kaddiesj en, hoewel het niet was afgestemd, met een gebed voor de IDF-soldaten die nu bezig zijn Isra?l te verdedigen. Men kwam na afloop naar me toe, het gebed had hen aangegrepen, tot tranen toe.
Geweldig te zien hoe niet-Joodse vrijwilligers met heel veel energie zich inzetten, belangrijk dat de sjoel zo behouden kan blijven, triest dat van de Joodse glorie van weleer zo weinigen zijn overgebleven, maar indrukwekkend hoe die weinigen zich niet uit het Joodse veld laten slaan en met man en macht aan de niet-Joodse samenleving tonen: we zijn er nog, Am Jisra?l Chaj-het Joodse volk leeft en overleeft, ook in Groningen de geboortestad van mij opa Jacobs, en we peinzen er niet over om onze sjoeldeuren te sluiten. Angst? No way. Alertheid? Dat wel, maar laten we bidden dat die alertheid spoedig overbodig zal zijn, omdat met de komst van de Mosjiach de gehele wereld de Eeuwige zal erkennen en dan voor duisternis en zelfs voor antizionisme geen plaats meer zal zijn en het educatieve deel van de sjoel gewoon weer sjoel zal worden.

Dagboek van de opperrabbijn 25 febr. 2026

Omdat Blouma enige jaren geleden in Berlijn was geweest en toen een bezoek had gebracht aan het J?disches Museum Berlin en zeer onder de indruk was van wat ze toen had gezien, wilde ze graag nu, alvorens we de terugreis uit Berlijn zouden aanvaarden, ons Berliner-verblijf afsluiten met een bezoek aan dat museum. ’s Morgens in sjoel had ik navraag gedaan bij een autochtone Berlijner over parkeergelegenheid, toegang, openingstijden en of zo’n bezoek de moeite waard was. Dat was het volgens hem alleen als ik ge?nteresseerd ben in moderne architectuur, was zijn reactie. Toch maar gegaan en helaas had hij gelijk. Wat ze veranderd hadden in het museum sinds Blouma daar was geweest, weten we niet, maar na vrij snel de nodige zalen te zijn doorgelopen, trap op, trap af, keerden we teleurgesteld terug naar onze auto en aanvaardden we de terugreis met drie uur vertraging vanwege het museum. De geschiedenis van de Berlijnse Joodse gemeenschap hadden we verwacht en een Joodse uitstraling. Ik vermoed, zeker in Duitsland, dat scholen aandacht besteden aan het zwaar gedecimeerde Joodse leven van voor de oorlog en dat binnen dat kader het J?disches Museum Berlin wordt bezocht. Maar welke les de leerlingen hier moeten meekrijgen is mij niet duidelijk. Aan de deuren geen mezoeza, het restaurant, waar ik graag iets had willen nuttigen, was niet koosjer. Wel aan de muur werden begrippen als parve, melkkost en vleeskost uitgelegd en hing er een recept voor het bakken van challe-broden. Overigens hing er ook een groot bord aan de muur met daarop in het Hebreeuws dat alle producten kersvers zijn. Nou bestaat in het Hebreeuws het woord ‘kersvers’ niet, maar om aan te geven dat iets kersvers is zeggen we ‘Tarik Meod’, maar dan geschreven in Hebreeuwse letters. De letterlijk vertaling hiervan luidt ‘Ergh Vers’. Beste dagboekenier: het zal u opgevallen zijn dat er normaliter in mijn dagboek geen spellingsfouten voorkomen en mocht ik die wel maken, dan zijn ze eruit gevist door mijn assistente. Bij deze, Joke mijn assistente: hartelijk bedankt voor je gevis. Als de fouten in de spelling uit mijn teksten worden verwijderd, waarom, hoor ik u vragen, staat ‘Ergh’ dan met een ‘h’ aan het eind? Antwoord: omdat er ook een spellingsfout zat in het Erg Vers zoals die aan de muur hangt van het niet-koosjere Joodse Museum restaurant. Zo’n beetje het enige wat er J?disch was aan het Museum, was voor zover ik dat heb kunnen bemerken, de naam J?disches Museum.
Mijn gedachten dwalen af naar het JCK, het Joods Cultureel Kwartier, dat in Amsterdam gevormd wordt door het Joods Museum, gevestigd in de voormalige Ashkenazische sjoel, de Portugese Synagoge (Snoge), het Holocaust Museum en de Hollandsche Schouwburg, waar de Joden werden verzameld alvorens op transport te worden gesteld. Het JKC heeft een uitstraling, het geeft mij iedere keer weer een bijzonder gevoel, waarschijnlijk omdat ik geboren en getogen ben in wat eens Mokum heette, omdat mijn vader in dat JCK naar de Joodse HBS was gegaan, ik vele jaren in mijn vrije tijd gids was in de Snoge, ook omdat ik tachtig procent van mijn familie nooit heb gekend. En juist daarom wil ik in het Museum-restaurant iets kunnen eten. Geen “Ergh Vers” in Hebreeuwse letters aan de muur, maar dat hoeft niet en zeker niet met een spellingsfout. Maar wat wel voor mijn gevoel belangrijk is en niet mag ontbreken is een hechsjer, kasjroet-verklaring, zodat iedere Jood er kan eten (vroom, vrij of normaal, eten doen we allemaal!). Ik miste dat in Berlijn en ik mis dat in mijn eigen Joods Amsterdam ook. Wat daarvoor nodig is? Twee partijen die beiden zoeken naar een aanvaardbare oplossing en beiden de wil hebben om die oplossing te vinden. Poerim staat voor de deur, op Poerim sturen we elkaar twee direct eetbare (koosjere) producten, Poerim hebben we een gezamenlijke (koosjere) Poerim-feestmaaltijd. In de IDF zijn de maaltijden koosjer omdat je niet kunt verlangen van een Jood die volgens de Halaga wil leven dat hij niet-koosjer eet, maar er zullen geen Joden zijn die om principi?le redenen een koosjere maaltijd zullen weigeren. (Hoewel ik er ??n ken die om bijna religieuze redenen niet-koosjer eet, maar dat tussen haakjes.) Vele Joodse toeristen doen het JCK aan. Wat mooi zou het zijn en hoe inspirerend om dan in het Joods Museum een echte Joodse (Poerim)maaltijd te kunnen nuttigen in een omgeving die eens was en nu niet meer is.
Op de terugreis kregen we berichten uit New York over burgemeester Mamdani die een verbod om op straat te gaan had uitgevaardigd. Er is nogal wat deining om zijn persoon. Moslim, anti-Isra?l en bepaald geen Jodenvriend. Natuurlijk had ik al een paar dagen eerder hierover gehoord, maar niet echt goed begrepen waarom hij de Joden aan het treiteren was. Antisemitisme kan soms vreemde vormen aannemen, dacht ik. Omdat we uren moesten rijden had Blouma, als ik reed, de gelegenheid om de whatsapps (voor)te lezen. En wat werd duidelijk? Sneeuw en onbegaanbare wegen waren de oorzaak van het uitgaansverbod. Had niets te maken met antisemitisme en zelfs niets met Isra?l. Voor mijn gevoel sta ik al tientallen jaren in de voorste gelederen van de strijd tegen antisemitisme en dus ook tegen het bagatelliseren van Jodenhaat met woorden zoals ‘het zal zo’n vaart niet lopen, het zal wel meevallen, het zijn de jaren ’30 niet’ en dus had ik het New Yorks uitgaansverbod meteen gekoppeld aan antisemitisme, want toen mochten de Joden ook de straat niet op. Ik had de plank dus volkomen misgeslagen, gelukkig alleen voor mezelf en binnenskamers. Waarom ik deze oppervlakkige antisemitisme bestempeling hier dan met u deel? Niet om tegen antisemitisme te waarschuwen, dat doe ik volgens sommigen al te veel. Neen, ik vermeld mijn Mamdani-misvatting, als waarschuwing dat niet achter iedere boom een antisemiet staat.
Vanmiddag werden verzetsstrijders herdacht tijdens de Nationale Herdenking Joods Verzet 2026, achter de Stopera in Amsterdam, midden in het Joods Cultureel Kwartier. Vele Joden zagen geen enkele uitweg, alle grenzen waren voor hen gesloten, geen land konden ze binnen, Nederland konden ze niet uit, de Staat Isra?l bestond alleen nog maar in theorie. Ze waren slachtoffers, onbewapend, zonder rechten, met als enige mogelijkheid om te overleven, zo dachten velen, ‘dan maar tewerkstelling in het Oosten’. En dan toch de wapens pakken, positie nemen tegen de bezetter met alle daaraan verbonden risico’s als Jood, jezelf volkomen wegcijferen. Toen ik de microfoon in de hand nam voor mijn toespraak, moest ik plotseling denken aan oom Joseph, de broer van mijn oma Sophie. Oom Joseph was een arts-internist. Hij was erin geslaagd om reeds aan het begin van de oorlog valse identiteitspapieren te krijgen, zonder J en met een valse naam. En toen hij die had en zonder risico de oorlog kon overleven, ging oom Joseph in het verzet. Hij werd opgepakt en als verzetsstrijder gefusilleerd. Duizenden Joodse verzetsstrijders als oom Joseph hebben we vandaag herdacht. Hulde aan de organisatoren van deze jaarlijkse herdenking om hen te eren en tevens om te waarschuwen dat wat toen geschiedde morgen en vandaag zo weer kan gebeuren. De minuut stilte galmt nog na in mijn hoofd.

Dagboek van de opperrabbijn 25 febr. 2026

Omdat Blouma enige jaren geleden in Berlijn was geweest en toen een bezoek had gebracht aan het J?disches Museum Berlin en zeer onder de indruk was van wat ze toen had gezien, wilde ze graag nu, alvorens we de terugreis uit Berlijn zouden aanvaarden, ons Berliner-verblijf afsluiten met een bezoek aan dat museum. ’s Morgens in sjoel had ik navraag gedaan bij een autochtone Berlijner over parkeergelegenheid, toegang, openingstijden en of zo’n bezoek de moeite waard was. Dat was het volgens hem alleen als ik ge?nteresseerd ben in moderne architectuur, was zijn reactie. Toch maar gegaan en helaas had hij gelijk. Wat ze veranderd hadden in het museum sinds Blouma daar was geweest, weten we niet, maar na vrij snel de nodige zalen te zijn doorgelopen, trap op, trap af, keerden we teleurgesteld terug naar onze auto en aanvaardden we de terugreis met drie uur vertraging vanwege het museum. De geschiedenis van de Berlijnse Joodse gemeenschap hadden we verwacht en een Joodse uitstraling. Ik vermoed, zeker in Duitsland, dat scholen aandacht besteden aan het zwaar gedecimeerde Joodse leven van voor de oorlog en dat binnen dat kader het J?disches Museum Berlin wordt bezocht. Maar welke les de leerlingen hier moeten meekrijgen is mij niet duidelijk. Aan de deuren geen mezoeza, het restaurant, waar ik graag iets had willen nuttigen, was niet koosjer. Wel aan de muur werden begrippen als parve, melkkost en vleeskost uitgelegd en hing er een recept voor het bakken van challe-broden. Overigens hing er ook een groot bord aan de muur met daarop in het Hebreeuws dat alle producten kersvers zijn. Nou bestaat in het Hebreeuws het woord ‘kersvers’ niet, maar om aan te geven dat iets kersvers is zeggen we ‘Tarik Meod’, maar dan geschreven in Hebreeuwse letters. De letterlijk vertaling hiervan luidt ‘Ergh Vers’. Beste dagboekenier: het zal u opgevallen zijn dat er normaliter in mijn dagboek geen spellingsfouten voorkomen en mocht ik die wel maken, dan zijn ze eruit gevist door mijn assistente. Bij deze, Joke mijn assistente: hartelijk bedankt voor je gevis. Als de fouten in de spelling uit mijn teksten worden verwijderd, waarom, hoor ik u vragen, staat ‘Ergh’ dan met een ‘h’ aan het eind? Antwoord: omdat er ook een spellingsfout zat in het Erg Vers zoals die aan de muur hangt van het niet-koosjere Joodse Museum restaurant. Zo’n beetje het enige wat er J?disch was aan het Museum, was voor zover ik dat heb kunnen bemerken, de naam J?disches Museum.
Mijn gedachten dwalen af naar het JCK, het Joods Cultureel Kwartier, dat in Amsterdam gevormd wordt door het Joods Museum, gevestigd in de voormalige Ashkenazische sjoel, de Portugese Synagoge (Snoge), het Holocaust Museum en de Hollandsche Schouwburg, waar de Joden werden verzameld alvorens op transport te worden gesteld. Het JKC heeft een uitstraling, het geeft mij iedere keer weer een bijzonder gevoel, waarschijnlijk omdat ik geboren en getogen ben in wat eens Mokum heette, omdat mijn vader in dat JCK naar de Joodse HBS was gegaan, ik vele jaren in mijn vrije tijd gids was in de Snoge, ook omdat ik tachtig procent van mijn familie nooit heb gekend. En juist daarom wil ik in het Museum-restaurant iets kunnen eten. Geen “Ergh Vers” in Hebreeuwse letters aan de muur, maar dat hoeft niet en zeker niet met een spellingsfout. Maar wat wel voor mijn gevoel belangrijk is en niet mag ontbreken is een hechsjer, kasjroet-verklaring, zodat iedere Jood er kan eten (vroom, vrij of normaal, eten doen we allemaal!). Ik miste dat in Berlijn en ik mis dat in mijn eigen Joods Amsterdam ook. Wat daarvoor nodig is? Twee partijen die beiden zoeken naar een aanvaardbare oplossing en beiden de wil hebben om die oplossing te vinden. Poerim staat voor de deur, op Poerim sturen we elkaar twee direct eetbare (koosjere) producten, Poerim hebben we een gezamenlijke (koosjere) Poerim-feestmaaltijd. In de IDF zijn de maaltijden koosjer omdat je niet kunt verlangen van een Jood die volgens de Halaga wil leven dat hij niet-koosjer eet, maar er zullen geen Joden zijn die om principi?le redenen een koosjere maaltijd zullen weigeren. (Hoewel ik er ??n ken die om bijna religieuze redenen niet-koosjer eet, maar dat tussen haakjes.) Vele Joodse toeristen doen het JCK aan. Wat mooi zou het zijn en hoe inspirerend om dan in het Joods Museum een echte Joodse (Poerim)maaltijd te kunnen nuttigen in een omgeving die eens was en nu niet meer is.
Op de terugreis kregen we berichten uit New York over burgemeester Mamdani die een verbod om op straat te gaan had uitgevaardigd. Er is nogal wat deining om zijn persoon. Moslim, anti-Isra?l en bepaald geen Jodenvriend. Natuurlijk had ik al een paar dagen eerder hierover gehoord, maar niet echt goed begrepen waarom hij de Joden aan het treiteren was. Antisemitisme kan soms vreemde vormen aannemen, dacht ik. Omdat we uren moesten rijden had Blouma, als ik reed, de gelegenheid om de whatsapps (voor)te lezen. En wat werd duidelijk? Sneeuw en onbegaanbare wegen waren de oorzaak van het uitgaansverbod. Had niets te maken met antisemitisme en zelfs niets met Isra?l. Voor mijn gevoel sta ik al tientallen jaren in de voorste gelederen van de strijd tegen antisemitisme en dus ook tegen het bagatelliseren van Jodenhaat met woorden zoals ‘het zal zo’n vaart niet lopen, het zal wel meevallen, het zijn de jaren ’30 niet’ en dus had ik het New Yorks uitgaansverbod meteen gekoppeld aan antisemitisme, want toen mochten de Joden ook de straat niet op. Ik had de plank dus volkomen misgeslagen, gelukkig alleen voor mezelf en binnenskamers. Waarom ik deze oppervlakkige antisemitisme bestempeling hier dan met u deel? Niet om tegen antisemitisme te waarschuwen, dat doe ik volgens sommigen al te veel. Neen, ik vermeld mijn Mamdani-misvatting, als waarschuwing dat niet achter iedere boom een antisemiet staat.
Vanmiddag werden verzetsstrijders herdacht tijdens de Nationale Herdenking Joods Verzet 2026, achter de Stopera in Amsterdam, midden in het Joods Cultureel Kwartier. Vele Joden zagen geen enkele uitweg, alle grenzen waren voor hen gesloten, geen land konden ze binnen, Nederland konden ze niet uit, de Staat Isra?l bestond alleen nog maar in theorie. Ze waren slachtoffers, onbewapend, zonder rechten, met als enige mogelijkheid om te overleven, zo dachten velen, ‘dan maar tewerkstelling in het Oosten’. En dan toch de wapens pakken, positie nemen tegen de bezetter met alle daaraan verbonden risico’s als Jood, jezelf volkomen wegcijferen. Toen ik de microfoon in de hand nam voor mijn toespraak, moest ik plotseling denken aan oom Joseph, de broer van mijn oma Sophie. Oom Joseph was een arts-internist. Hij was erin geslaagd om reeds aan het begin van de oorlog valse identiteitspapieren te krijgen, zonder J en met een valse naam. En toen hij die had en zonder risico de oorlog kon overleven, ging oom Joseph in het verzet. Hij werd opgepakt en als verzetsstrijder gefusilleerd. Duizenden Joodse verzetsstrijders als oom Joseph hebben we vandaag herdacht. Hulde aan de organisatoren van deze jaarlijkse herdenking om hen te eren en tevens om te waarschuwen dat wat toen geschiedde morgen en vandaag zo weer kan gebeuren. De minuut stilte galmt nog na in mijn hoofd.

Dagboek van de opperrabbijn 22 febr. 2026

“Beste rabbijn Jacobs, beste Binyomin, mijn vriend,
Je hebt mij de vraag voorgelegd of het klopt dat het moment van overlijden vaak (maar niet altijd) onduidelijk is. Zeker, er is veel onduidelijkheid rond het verloop van het bewustzijn tijdens het stervensproces. Uit mijn eigen ervaring en onderzoek weet ik dat dit zo is tijdens het natuurlijke stervensproces, tijdens reanimaties, en ook geassisteerd sterven. Ik heb hier samen met onderzoekers uit Oxford in 2019 over gepubliceerd. Dit betekent dat neuronale processen niet abrupt stoppen en kunnen fluctueren tijdens het stervensproces maar ook tijdens een coma of narcose. Bijvoorbeeld, tijdens narcose kan er sprake zijn van gewaarworden van geluid (we spreken van “awareness”), zoals is aangetoond met behulp van het EEG. Ook is het mogelijk om het stervensproces te verlengen door de gewaarwording van uitwendige stimuli, zoals ook de Talmoed ons leert (Nezikim, Avoda Zarah 18a). Het uiteindelijke verlies van bewustzijn en het moment van overlijden is dan ook niet altijd duidelijk.
Groet
Prof (em) dr. Albert Dahan”

Wat betekent dit voor ons in de praktijk van het leven? Ik herinner mij dat ik waakte, zoals we dat noemen, bij een stervende. Doordat onverwacht een grasmaaimachine precies onder het raam van de kamer van de stervende zijn luidruchtige werkzaamheden begon te verrichten, kon de man zichtbaar niet inslapen. En dus hebben we de tuinman vriendelijk verzocht om te gaan harken. Of als familieleden met de beste bedoelingen in aanwezigheid van de overledene, en vaak zelfs nog voordat officieel de dood is ingetreden, de lewaja, begrafenis, gaan regelen, verzoeken wij hen om daarover nog niet te praten en als dat wel zo noodzakelijk zou zijn, dat dan niet te doen in aanwezigheid van de overledene. Hetzelfde geldt ten aanzien van ruzi?n over de afwikkeling van de erfenis. Respect voor de doden, respect voor de levenden en zeker ook respect voor de stervenden.

Past het om in mijn dagboek te spreken over sterven, vroeg ik mezelf af, nadat ik in mijn vorige dagboek mij had gebogen over de vraag of het offici?le tijdstip van overlijden samenvalt met het wegvallen van het bewustzijn en ook in dit dagboek breng ik dat onderwerp weer ter sprake. Behoren dit soort serieuze “ongezellige” onderwerpen in mijn “gezellige” dagboeken? Wat wil ik met mijn geschrijf bereiken, vroeg ik me af. Alleen maar laten zien waarmee ik zoal bezig ben? De medemens bemoedigen? Of zomaar schrijven om te schrijven? En dus heb ik even een schrijfpauze ingelast en heb mijn dagboekgeschrijf onder een kritisch vergrootglas gelegd en ben al vrij snel tot de conclusie gekomen dat het dagboek niet alleen een soort pastorale functie heeft, maar ook een educatieve, naar zowel de Joodse alsook naar de niet-Joodse lezer. En ja, ik probeer te bemoedigen, maar ook realistisch, naar ik hoop, te waarschuwen, zodat in onverhoopt voorkomend geval de juiste beslissing kan worden genomen ten aanzien van verhuizen om het antisemitisme te ontvluchten of wanneer je onverhoopt wordt geconfronteerd met een stervende en er van jou een beslissing wordt verwacht als kind, als ouder, als partner.
Nadat ik donderdag op een intensive care een zieke had bezocht en vrijdag een lewaja, begrafenis, had geleid zaten zondagochtend, weliswaar niet voor dag en dauw, maar wel in de vroege uurtjes, Blouma en ik al in de auto op weg naar Berlijn naar de bar-mitswa viering van Mendel , de zoon van Jehoeda Teichtel, de power achter Joods Berlijn en een fijne collega. Zo is het leven, een mix van verdriet en vreugde en onze opdracht is om de vreugde te koesteren en met verdriet vooral gedoceerd om te gaan. Het was overigens wel een bar-mitswa om er U tegen te zeggen. Zeker duizend gasten waren aanwezig, een tig-gangen diner, een receptie vooraf en ook na afloop nog een heel buffet. Een heel orkest, een chassidische zanggroep en vader en moeder van de bar-mitswa-boy hadden heel veel aan tsedaka, liefdadigheid, gegeven. Was het overdreven? Drie jaar geleden op weg naar sjoel was de huidige bar-mitswa-jongen op een zebrapad aangereden en dusdanig zwaar gewond geraakt, dat voor zijn leven werd gevreesd. Toen de levensdreiging na weken voorbij was, werd het bijna erg duidelijk dat lopen, spreken en nog een paar functies niet zouden terugkeren. medisch bezien was een volledig of bijna volledig herstel ondenkbaar. En nu: een geweldig en volledig gezond bar-mitswa-knaapje. Toen ik zijn vader vroeg hoe lang geleden het zware ongeluk had plaatsgevonden, corrigeerde zijn vader mij. Hun zoon had geen ongeluk gehad, neen, met hun zoon was een wonder geschied. En toen ik mijn vraag anders had geformuleerd en vroeg naar de datum van het wonder, toen pas wilde de vader mij antwoorden. Overigens had de aanrijding, hoe ernstig ook, niets met antisemitisme te maken. De chauffeur was tijdens het rijden aan het whatsappen. Halverwege het diner geschiedde er iets bijzonders. Alle gasten moesten de zaal verlaten en zich richting uitgang begeven. Ik verwachtte dat we dan allen weer naar binnen zouden moeten gaan waar een of andere bijzondere verrassing zou klaarstaan. Mis, het alarm was afgegaan en binnen een mum van tijd was het hotel omringd met politie en brandweerwagens en waren een paar VIP’s, waaronder de ambassadeur van Israel, naar buiten getrokken en in klaarstaande auto’s van de beveiliging gesleept. Uiteindelijk was er iets technisch mis met een brandalarm en was het geen afgesproken onderdeel van het programma.. Het feest ging gewoon door. Inmiddels zijn we klaar voor vertrek, terug naar Nederland.

Dagboek van de opperrabbijn 16 febr. 2026

Veel mensen die overlijden, krijgen in het ziekenhuis vaak nog de woorden ’het tijdstip van overlijden is…’ bewust mee, zegt dr. Sam Parnia, die onderzoek deed naar reanimatie aan de New York University. Nieuw bewijs suggereert dat biologische en neurale functies niet abrupt stoppen. In plaats daarvan nemen ze geleidelijk af, van minuten tot uren, wat erop wijst dat de dood zich ontvouwt als een proces in plaats van een onmiddellijke gebeurtenis. Uit eerder onderzoek bleek dat 20 procent van de mensen die na een hartaanval dood waren verklaard, maar toch weer tot leven kwamen, bewuste herinneringen had van die tijd. Hoewel dit soort kwesties thuishoren in wetenschappelijke medische tijdschriften en niet in mijn dagboek, heb ik toch gemeend bovenstaande naar mijn vriendje, een gerenommeerde medicus, te moeten sturen om zijn mening te vernemen en dat dan vervolgens met u te delen. Wordt dus vervolgd.
Vandaag kreeg ik een telefoontje uit de Emiraten. Nou heb ik daar een vriendje genaamd Amjad Taha أمجد طه (CEO of Crestnux, Emirati Expert in Strategic and Political Affairs of the Middle East | Author | Analyst and Researcher), maar ik herkende zijn telefoonnummer niet. Dat was ook niet vreemd, want niet hij, maar iemand anders, namelijk de lokale rabbijn, schoonzoon van mijn collega en vriendje uit Brussel, belde mij over Bobruisk een stadje in Wit-Rusland. Hij wilde dat ik iets zou regelen voor een ‘bekende van hem’ die deels in Duitsland woont, deels in Budapest en regelmatig Dubai aandoet. Hij belde mij omdat hij eerst had gebeld met rabbijn Akiva Camissar, de Chabad Sjeliach voor de Israëliërs in Nederland, omdat zijn vader, die in dezelfde straat in Londen woonde als Blouma’s vader, een overgrootvader had die uit Bobruisk afkomstig was, zoals mijn schoonvader. Om een lang topografisch verhaal kort te maken: de eerdergenoemde ‘bekende van hem’ was geboren in Bobruisk en wilde daar een Joods Museum gaan opzetten. Om dat Joodse Museum van de grond te kunnen krijgen wilde hij een gesprek met iemand van het Joods Museum in Amsterdam. Voor de oorlog was 60% van de populatie in Bobruisk Joods en ook daar was ooit een Joodse wijk. Hij wilde dat Joodse Museum koppelen aan een JCK, Joods Cultureel Kwartier, gelijk in Amsterdam het Joods Museum onderdeel is van het JCK. Binnenkort komt de ‘bekende van hem’, die ik dus inmiddels uitgebreid heb gesproken, naar Nederland en heb ik een ontmoeting geregeld met weer een ander vriendje van mij, Emile Schrijver, de directeur van het JCK. Wat leren we uit dit ietwat ingewikkelde telefoontje uit de Emiraten? Ten eerste dat ik veel vriendjes heb, ten tweede dat ik niet te klagen heb over afwisseling, ten derde dat u zich wellicht afvraagt of dit soort karweitjes tot het vakgebied van een rabbijn behoort. Ja, is mijn stellige antwoord, want dat toekomstige Joodse Museum kan een wapen worden in de strijd tegen antisemitisme. En los hiervan heb ik nu drie uitnodigingen lopen om naar de Emiraten te komen: de eerste van Amjad Taha أمجد طه, de tweede van Levi Duchman, de rabbijn, en de derde van ‘de bekende van hem’. Geen van de drie uitnodigingen heb ik aanvaard omdat ik (nog) niet zie wat het doel van zo’n uitstapje zou moeten zijn en Jacobs en doelloos gaan niet goed samen.
Ook vandaag had ik weer een ander (rabbinaal?) klusje met Dov Pinkovitch, de collega/medewerker van Akiva. Hij was benaderd door een Amerikaanse filantroop die met zijn vrouw Europa deden. (Amerikaanse toeristen bezoeken Europa niet, maar ‘they do Europe’). Ze waren voor twee dagen in Nederland en moesten het Anne Frankhuis bezoeken, maar online waren er geen kaartjes meer te krijgen. Hoe lost een Amerikaanse vermogende toerist zoiets op? Hij gaat op zoek naar een Beth Chabad, belandt bij Dov Pinkovitch met de vraag of hij twee toegangskaartjes kon regelen voor vanmiddag. En dus benaderde Dov Akiva en Akiva mij en heeft het filantropische Amerikaanse echtpaar vandaag nog het Anne Frankhuis bezocht, dankzij mijn vriendje in het Anne Frankhuis.
Wat het nuttig rendement van al die telefoontjes zal zijn, weet ik niet, maar niet alles hoeft nut te hebben, maar helpen, ook met ogenschijnlijke nutteloze verzoeken, moet bovenaan de agenda staan van een rabbijn, zelfs als hij opper is. Als je met de hulp aan een medemens je uitsluitend inzet als je er zelf ook van profiteert, dan heet dat geen hulp, maar egoïsme. En egoïsme is een eigenschap die voortdurend op de loer ligt en waartegen we steeds zullen moeten strijden. Het leven zit vol beproevingen, zo heeft G’d deze wereld geschapen. Waarom? Geen idee. Hij heeft ons niet nodig, de wereld heeft Hij ook niet nodig. Voor de schepping en na de schepping is er voor de Eeuwige en in de Eeuwige niets veranderd. En toch hebben wij mensen hier op Zijn aarde een taak en een opdracht: de valkuilen, waarmee we constant worden belaagd, vermijden en ervan doordrongen zijn dat we niet alles kunnen begrijpen. Pas als we dat beseffen gaan we ons bezighouden met het waarom van het leven en het waarom van de vele valkuilen, de vaak onacceptabele beproevingen.
Die beproevingen kunnen ook de gewone irritaties zijn. Zo ontving ik vanochtend (16 februari) een schrijven van mijn zorgverzekering, gedateerd 10 februari 2026. De brief begon als volgt: “Geachte heer Jacobs, Op 24 december 2025 ontvingen wij een machtigingsaanvraag voor…. De aanvraag is volledig of gedeeltelijk goedgekeurd.” Gezien dit antwoord niet volledig en zelfs niet gedeeltelijk door mij werd begrepen, belde ik braaf naar het boven aan de brief vermelde telefoonnummer. Dat gaf uitsluitend een nietszeggend irritant biep, biep, biep.
Regelmatig ontvang ik van rabbijn-dayan Osher Vorst voor het begin van de sjabbat een e-mail uit New York met inspirerende gedachten in het Nederlands. Osher was de klasgenoot van onze oudste zoon Jisrolik zl. Wat las ik vrijdag jl.?
“Ik hoorde iemand vertellen over een kennis die geen makkelijk leven heeft (twee keer gescheiden en zijn kinderen willen hem niet zien), maar desondanks is hij altijd opgewekt. Hoe lukt hem dat? De man vertelde dat hij was geïnspireerd door de Skulener Rebbe. Iemand was met zijn problemen bij de Rebbe gekomen en vertelde aan de Rebbe hoe hij aankeek tegen zijn leven. Het leven is als een half volle beker. Ik probeer steeds mijn blik te richten op het volle deel van de beker en niet op… Maar nog voor hij zijn parabel had afgemaakt onderbrak de Skulener Rebbe hem en zei: Hoe kom je erbij dat je beker maar half vol is? Je beker is helemaal vol en loopt zelfs over! Het probleem is dat jij denkt dat je een veel grotere beker hebt dan je in werkelijkheid bezit!”

dagboek van de opperrabbijn 12 febr. 2026

Jaren geleden, naar ik me herinner, zocht een van de kehillot, Joodse Gemeenten, een chazan, voorzanger. Er meldde zich een geschikte kandidaat, een Israeli die in Wageningen studeerde en er geen moeite mee had om iets bij te verdienen. Hij was bijna aangenomen toen de vergoeding ter sprake kwam. De penningmeester van de Gemeente legde hem uit dat er aan de parttime aanstelling geen betaling was gekoppeld want het voorgaan in de dienst is een mitswa, een goede daad. Waarop de jongeman heel ad rem antwoordde: als ik met die mitswa mijn boodschappen bij de kruidenier kan betalen, ben ik akkoord. Of de student uiteindelijk wel of niet de voorzanger is geworden had mijn geheugen niet opgeslagen.
Een leraar in Joodse vakken mag Halagisch bezien, dus volgens de Joodse wet, eigenlijk niet betaald worden, Thora is ons niet gegeven om er een business van te maken. Wel mag hij vergoeding ontvangen voor de uren die hij heeft besteed omdat hij in die tijd iets anders had kunnen doen. Ik hoor uw wenkbrauwen fronsen. Een leuke slimme escape! Klopt wel en klopt niet. Feitelijk maakt het natuurlijk weinig uit of ik betaald word voor uren Joodse les of dat ik betaald word voor de uren dat ik een normaal vak had kunnen uitoefenen. En toch is er een verschil: wat is mijn opstelling? Zie ik, om het meteen maar op mezelf van toepassing te laten zijn, mijn baantje als business of ben ik dankbaar dat ik ten dienste mag staan van de Joodse gemeenschap en ben ik ingenomen dat ze me ook nog onderhouden. Zo zou een rabbijn erin moeten staan, maar niet de penningmeester. Het is zijn opdracht om zijn voorzanger, zijn leraar of zijn rabbijn een goed gevoel te geven zodat hij met vreugde en onbezorgd zich zal inzetten en zich niet hoeft te voelen als een bedelaar.
Waarom vermeld ik dat nu, vraagt u zich ongetwijfeld af. Solliciteert Jacobs voor loonsverhoging? Mis! Mijn grote vriend Benoit Wesly, de hotelmagnaat, de koning van Maastricht, heeft afscheid genomen als honorair-consul van Israel in Nederland. Hij is vele jaren mijn bestuurder geweest en nog een veel langere periode mijn adviseur. Nog nooit heb ik het gevoel gehad dat zijn inkomen ‘iets hoger’ was dan het mijne. Nog nooit heb ik tevergeefs een beroep op hem gedaan als er geld nodig was voor een of ander project. Dag en nacht stond hij klaar als er geholpen moest worden, fysiek of geestelijk. Mijns inziens heeft hij te vroeg afscheid genomen van het honorair-consul-schap. Hij moge dan tachtig zijn geworden, bejaard is hij absoluut niet. Voor mij had dus de vlag van Israel nog vele jaren mogen wapperen, Achter de Comedie, in het hartje van Maastricht.
Speciaal in deze tijd van sterk toegenomen antisemitisme vond ik de vlag van Israel (vond ik en niet vind ik, want de vlag is inmiddels gestreken) een duidelijk teken van niet toegeven aan bedreigingen, trots en fier ons Jodendom beleven en tonen. En ondertussen is het protesteren tegen Israel niet minder geworden nu de rust in Gaza lijkt te zijn teruggekomen. Maar zelfs als dat niet het geval zou zijn. Protesteren tegen Israel, ja. Maar tegen duidelijke discriminatie en vervolgingen elders in de wereld, bijna taal noch teken. Aan de Olympische Spelen nemen 192 deelnemers deel uit landen waar de vervolging van christenen tot het normaal behoort: Eritrea, Nigeria, Pakistan, Iran, India, Saoedi-Arabië, China, Marokko, Oezbekistan, Mexico, Kirgizië, Turkije, Kazachstan en Colombia. Waar zijn onze vrienden die zich ernstige zorgen maken over de niet-bestaande christen- of moslimvervolgingen in Israel. Aan het Eurovisiesongfestival mag Israel niet meedoen, maar over de veertien landen die aantoonbaar christenen vervolgen en toch gewoon deelnemen aan de Olympische Spelen, taal nog teken.
En toch ben ik van mening dat we ze juist niet moeten uitsluiten, laten we de verbinding zoeken middels sport, middels muziek, middels gesprek. Zoals Wesly zo duidelijk verwoordde bij zijn afscheid: we moeten kijken naar wat we gemeen hebben, niet naar wat ons scheidt.
Vanmiddag even op ziekenbezoek geweest in een ziekenhuis en gisteren heeft Blouma (afdeling teksten van het Inter Provinciaal Opperrabbinaat) haar hoofd gebogen over een tekst op een Joods-monument ter nagedachtenis aan Joodse inwoners van Valkenburg die niet waren ‘teruggekomen’. Behalve dat de lijst niet helemaal klopte, want er was ook iemand op beland die wel had overleefd en twee die niet waren ‘teruggekeerd’, zoals we dat altijd zo steriel zeggen, stonden niet vermeld. Maar dat was het probleem niet zozeer. Iemand stuurde ons een foto van dit inmiddels bejaarde monument en vroeg ons de vertaling van de Hebreeuwse tekst. Op zichzelf was dat niet zo ingewikkeld, maar het aantal taalfouten in de korte Hebreeuwse tekst was schrijnend en Blouma ervoer dat als een teken van ongepaste onzorgvuldigheid, zelfs als er nooit iemand zal langslopen die de tekst uit de Profeten (Jirmiejahoe) zou kunnen ontcijferen.
Hoe anders was mijn gevoel toen ik zojuist was ‘teruggekeerd’ van de wekelijkse Amersfoortse pro-Israel wandeling (zie foto van fotograaf Willem Jan de Bruin) waar ik nu voor de derde keer aan deelnam. Geen leuzen, geen beledigingen, uitsluitend stilte die werd doorbroken door de psalmen die al wandelend werden gezegd. Een grote opkomst. We hebben dus vele echte goede vrienden die niet met ons aan de wandel gaan, maar voor ons! Het Amersfoortse initiatief is door verschillende plaatsen overgenomen. In Buren, Utrecht en Groningen wordt er al gewandeld, in Zwolle, Dordrecht en Rotterdam zijn de wandelingen in de maak en op 5 maart gaat de wekelijkse solidariteitswandeling in Elburg van start en ben ik gevraagd om die eerste wandeling mee te lopen. Best leuk om naast mijn twee-keer-per-week-dagboek, drie-keer-per-maand-NIW-column, nu misschien ook zoiets te hebben als een een-keer-per-week-wandeling, en dan telkens ergens anders.

dagboek 8 febr. 2026

Ik had mijn dagboek bijna af toen ik kennelijk op een verkeerd knopje drukte en weg waren mijn uren schrijven. Maar, omdat ik niet klakkeloos schrijf maar nadenk wat ik wel of niet wil delen, zal het maar weinig tijd kosten, hoop ik, om dit dagboek te herschrijven, waarmee ik nu dus ben begonnen. 00.00 uur
Maimonides (1138-1204), een van de grootste Joodse geleerden aller tijden, begint zijn beroemde wetboek, Jad Hagazaka, met een introductie die ogenschijnlijk niets van doen heeft met wetten, terwijl Maimonides zelf duidelijk aangeeft dat hij uitsluitend in dit wetboek over praktische wetgeving zal schrijven!
7 Oktober heeft voor zeer veel Joden gewerkt als een wake up call. Ze waren bijna hun Jood-zijn vergeten, leefden een geassimileerd bestaan en kozen bijna principieel steeds voor de makkelijkste weg. En toen kwam 7 oktober en schrokken ze als het ware wakker, voelden zich Joods, en stonden in hun opwelling vooraan om Isra?l waar mogelijk te helpen en te verdedigen.
Ik herinner mij een Joodse hoogleraar, een medicus. Niets deed hij aan zijn Jodendom. Ik weet bijna zeker dat hij nog nooit een sjoel van binnen had gezien. En toen brak in 1973 de Jom Kippoer oorlog uit en als een van de eersten vloog hij naar Isra?l om als vrijwilliger waar mogelijk te helpen.
Regelmatig ontmoet ik Joden die mij komen vertellen dat het naleven van de Joodse wetten voor hun bijzaak is, want de essentie is dat je jezelf Joods voelt. Maimonides begint zijn wetboek met een soort introductie waarin hij aangeeft dat het nesjomme-gevoel, de bezieling, van groot belang is, maar het mag niet bij bezieling blijven. De bezieling moet als het ware naar beneden komen, begrepen en beredeneerd worden. Anders geformuleerd: de bezieling, de emotie, moet een intellectuele basis krijgen om stand te kunnen houden. Maar tegelijkertijd dienen de wetten meer te zijn dan koude technische wetten. In die door G’d gegeven wetten dient de bezieling zichtbaar te weerklinken.
Vandaag heb ik een verzoek gekregen van Koen Carlier, de aanvoerder van de Christenen voor Isra?l delegatie in Oekra?ne. ‘Binyomin, bel een paar van je jongere collega’s, ze hebben je bemoediging nodig, want hun werk is niet bepaald eenvoudig, zit vol gevaar, is fysiek en geestelijk slopend’. Ik heb een paar rabbijnen gebeld en, zonder uitzondering, zijn het allen helden, maar ze hebben het zeer zwaar. De meesten van hen konden en kunnen Oekra?ne verlaten vanwege hun Isra?lisch staatsburgerschap. Maar die meesten verlieten niet, maar bleven op hun rabbinale post en zijn bereid om het schip pas als laatste te verlaten. Rabbijn Ehretrue uit Zaporozhye woont op slechts twintig km van het oorlogsfront. Bij rabbijn Shaul in Veniza vormen de raketinslagen een dagelijks ritueel. Kapotte huizen, ijzige koude, doden, gewonden en bijna geen elektriciteit. Koen en zijn ploeg voorzien twee?ntwintig rabbijnen van voedselpakketten en dieselolie. De voedselpakketten zijn bestemd voor de leden van de Joodse Gemeenten. Tot de normale taken van de Oekra?ne rabbijnen behoort inmiddels voedseldistributie en dieselolie aanleveren voor de aggregaten.
De foto’s die ze me hebben toegestuurd tonen beschadigde huizen, zieke bejaarden met hun dagelijkse voedselpakketten, overbezorgde ouders, innig verdriet. Rabbijn Shaul gaf aan dat de meeste van zijn mensen meer lijden van de kou, dan van de inslagen van de drones. Rabbijn Ehretrue excuseerde zich dat hij geen foto’s kan sturen van jonge mensen want die zitten of in het leger of verbergen zich om aan het leger te ontkomen. Wat kan ik voor jullie doen, heb ik de rabbijnen gevraagd. Bidt voor ons, kreeg ik te horen van beide rabbijnen die ik vandaag heb gesproken.
Het heeft me diep geraakt. Maar wat doe ik met dat ‘diep geraakt zijn’ en wat hebben de rabbijnen en hun gemeenten hieraan? Lees eerder in dit dagboek de wijze woorden van Maimonides.
En dus bid ik dat mijn medeleven geen tijdelijke opwelling zal zijn en dat ik, zolang dat nodig zal zijn, de Eeuwige onze G’d zal blijven smeken om allen die lijden te verlossen, allen van elektriciteit te voorzien, van maaltijden en dat er spoedig in onze dagen een einde zal mogen komen aan deze zinloze oorlog tussen Rusland en Oekra?ne met miljoenen nodeloze slachtoffers en dat het fenomeen oorlog en haat ruimte zal maken voor G’dvrezendheid en naastenliefde, echte sjalom, spoedig in onze dagen.
Mijn stopwatch staat nu op 01:12.