Dagboek van een opperrabbijn, 24 augustus 2020. Even geen wereldpolitiek

De maand Elloel is begonnen, de Hoge Feestdagen naderen. Iedere dag blazen we al tien tonen (anderen vier) op de sjofar, de ramshoorn als voorbereiding voor Rosj Hasjana, Joods Nieuwjaar. Ik voel de gebruikelijke spanning. Rosj Hasjana, tien dagen daarna Jom Kippoer, de Grote Verzoendag en dan daarna Soekot, het Loofhuttenfeest. De spanning heeft te maken met de voorbereidingen voor de diensten, het uitnodigen van de gasten, de aanschaf van de loelav (zal ik over enige weken wel uitleggen), de loofhut……………….maar dit jaar worden deze Elloel gedachten overschaduwd door de vraag of en hoe we überhaupt synagogediensten kunnen hebben. Juist voor de minder betrokkenen van de Joodse gemeenschap zijn dit de dagen die ze nodig hebben voor de versterking en instandhouding van hun Joodse identiteit. De diensten ingaande Jom Kippoer, uitgaande Jom Kippoer, het blazen op de sjofar. Zal het doorgang kunnen vinden dit jaar? Ik voel me de depressieve kant opgaan. Maar, zeg ik dan tegen mezelf, kop op. Waar klaag je over? En als jij het niet meer ziet zitten, hoe komt dat over? Je bent opperrabbijn, voorbeeldfunctie, gedraag je ernaar! In je toespraken roep je mensen op om steeds G’d met vreugde te dienen. Klopt! En dus, zeg ik tegen mezelf, stop met het negatieve gezeur tegen jezelf en kijk hoe mooi de afgelopen sjabbat was verlopen. Geen sjoeldienst in onze prachtige synagoge in de binnenstad, maar wel een nieuwe stevige professionele tent in onze tuin. Onze synagoge is een probleem. Niet de 1½ m. Het wekelijkse aantal bezoekers vormt (helaas!) geen probleem, hoewel dat wel met de Hoge Feestdagen (hopelijk!) een probleem gaat opleveren. Neen, het probleem zit hem in de ventilatie. Nou kan dat ventilatieprobleem eenvoudig worden opgelost door ramen en deuren te openen, maar dan lopen we op tegen het veiligheidsprobleem. Waar de kerken alleen van doen hebben met de 1½ m. en de ventilatie, zitten wij met veiligheid. Open ramen en deuren is belachelijk als je als Joodse gemeente voor kapitalen aan kogelvrij glas hebt geïnvesteerd. Maar de synagoge gesloten houden is natuurlijk ook weer niet de bedoeling. In onze tuin hebben we nu twee stevige wind en weer bestendige tenten staan met perfecte natuurlijke ventilatie. En daar houden we nu onze diensten. Maar dat is een surrogaatoplossing. Veiligheid speelt hier veel minder omdat mijn huis en dus ook mijn tuin zeer goed beveiligd zijn. Alles uiteraard in overleg met politie die geen oogje, enkelvoud, in het (tent)zeil houdt, maar meerdere ogen! Bij deze: dank aan mijn politie! Maar waarvoor we moeten waken is interne spanning. Niet dus alleen in mijzelf, maar binnen de gemeenschap. Wel dienst, geen dienst? Is het verantwoord om op de sjofar – ramshoorn te blazen in de synagoge of moeten we dit uitsluitend in de tuin van de synagoge doen? Minimumaantal sjofarklanken of gewoon als andere jaren alle honderd klanken? Aan het uiteinde van de sjofar een mondkapje? Moeten we strikter zijn dan RIVM of niet vromer dan de paus? Al dit soort discussies, die af en toe ontaarden in felle discussies en interne spanningen veroorzaken, zijn onnodige en ongewenste neveneffecten van de hele coronatoestand. En natuurlijk word ik hierin ook weer meegesleept. Want wees ervan doordrongen dat er altijd vriendjes zijn die waar mogelijk toeslaan. U kent het wel: “hoofd boven het maaiveld.”  Moet ik me dan gedeisd houden? Zwijgen? Niet van me laten horen? In de luwte blijven? Dan krijg ik te horen: Jacobs doet niets. En dus blijf ik actief. Bewust heb ik vandaag even niet te veel nagedacht over de grote gebeurtenissen in de grote wereld.  Wie zal beter zijn voor Israël: Trump of Biden?  Is het historische vredesverdrag tussen Israël en de Emiraten inderdaad zo historisch, er was toch al vrede met Egypte en Jordanië? En hoe zit het met het diepgewortelde anti-Israël gevoel, is dat nu plotseling verdwenen? Aan een voormalig Opperrabbijn van Israël werd eens gevraagd wanneer hij vrede met de Israel omringende landen verwacht. Zijn antwoord was kernachtig en to the point: zolang er in de schoolboeken in de Arabische landen haat wordt gekweekt tegen Joden en tegen Israël, zal geen duurzame vrede mogelijk zijn.

Ik heb me even beperkt vandaag tot gewoon het telefoontje naar de bejaarde mevrouw Pompstock en gewoon met haar even gekletst over Hollandse koetjes en kalfjes. Eenzaamheid doorbreken, gewoon even aandacht. Op de verkiezingsuitslag in de VS heb ik toch geen invloed. En ook Netanyahu gaat niet bij mij te rade. Maar aan die eenzaamheid bij de hoogbejaarde mevrouw Pompstock kan ik wel wat doen, hoewel zij daarmee haar in de oorlog vermoorde man en kinderen natuurlijk niet terugkrijgt.

36 Joden bestaan alleen nog in het mapje ‘Iran’ op mijn computer

Twee bestuurders van een van mijn Gemeenten kwamen op bezoek om iets te bespreken. Omdat het onderwerp voor iemand een plezierige verrassing moet zijn, kan ik dus niet aangeven wat dat ‘iets’ inhoudt. Uiteraard zaten we om corona-technische reden in onze tuin, ontworpen en onderhouden door mijn Blouma. Een klein paradijsje in het hectische leven van een rabbijn. (Ik bedoel dus de tuin….) 

Van het een komt het ander en Blouma toont een speciaal tafelkleed uit Iran dat wij ooit cadeau hebben gekregen, omdat ik iemand heb mogen en vooral kunnen helpen via mijn netwerk. Netwerken zijn leuk. Recepties, acte de préséance geven, vooraan zitten, foto’s, maar vooral: netwerken zijn nuttig en zijn er om te gebruiken! Door dat tafelkleed kwam bij mij Iran weer opborrelen in mijn herinnering en ik begon spontaan te vertellen, misschien wel omdat het precies op de dag af 9 jaar geleden is dat ik een VIP-ontvangst had geregeld op een van onze ministeries om hulp te bieden aan een groep Joden die in Iran in grote nood verkeerden.

Van de ene gedachte komt de andere boven: Een telefoontje van bekende advocaat. Een probleem waarbij mijn hulp noodzakelijk is. De advocaat en ik zijn tegenpolen van elkaar. Hij is van de harde aanpak, ik niet. Als mensen kwaad op hem zijn, is hij tevreden. Ik kan daar niet zo goed tegen. Maar juist die karakterverschillen maken het dat wij vaak heel veel mooie zaken samen mochten oplossen. Mochten? Momenteel zijn we weer samen iets aan het regelen. Hij de felle jurist, ik de aantrekkelijke verpakking.

Maar in het geval van het telefoontje lag de nadruk niet zozeer op onze samenwerking, maar op mijn zorgvuldig opgebouwde netwerk. Op Schiphol was een man gearresteerd met een vals paspoort. Hij zou ten hoogste twee weken in het gevang kunnen belanden en dan zou de KLM, die toen nog volledig in de lucht was, hem naar zijn land van herkomst moeten terugsturen. In dit geval: Iran. Wat speelde hier? De man, zeventig jaar oud, was geboren en getogen in Iran. Daar had deze rijke zakenman ook nog steeds vele panden, hoewel hij inmiddels met kinderen en kleinkinderen in Israël woonde. Maar om zijn Iraanse nationaliteit niet kwijt te raken en daardoor al zijn onroerend goed in Teheran te verliezen, heeft hij de Israëlische nationaliteit nooit aangenomen en zijn Iraanse paspoort behouden.

In 2002, als ik me goed herinner, was zijn Iraanse paspoort verlopen en in Israël was er nog geen consulaat van de Iraanse Republiek, zelfs niet in Jeruzalem. En dus probeerde hij in verschillende landen op het consulaat van Iran een nieuw paspoort te krijgen. Overal werd hij weggestuurd omdat hij niet woonachtig was in het land waar dat consulaat gevestigd was. Uiteindelijk, vlak voor de datum dat het paspoort verliep, vond hij een consulaat dat bereid was om hem, voor veel geld, een nieuw paspoort te geven. Vanaf 2002 tot 2008 reisde hij hiermee de wereld rond, totdat hij in 2008 Nederland wilde binnenkomen en hij werd gearresteerd omdat zijn paspoort vals was. Het probleem was niet dat hij veroordeeld zou worden en twee weken de cel zou indraaien. Neen, probleem was de serieuze dreiging dat hij na de twee weken detentie per KLM teruggestuurd zou worden naar Iran. Hoe de ontvangst van deze Joodse Israëliër in Iran zou zijn, laat zich raden. En dus werd ik ingeschakeld door deze advocaat. 

Het was vrijdagmiddag, een paar uur voor sjabbat. Ik bel een contactpersoon uit mijn netwerk waarvan ik denk dat hij hierin iets kan betekenen. Hij zal er meteen achteraangaan en inderdaad, een paar minuten na sjabbat, inmiddels diep in de nacht, belt hij terug: “Binyomin, maak je geen zorgen. Het komt goed!” En het kwam goed, want de daaropvolgende maandag werd door de rechter asiel aangeboden. En mocht hij daarin niet geïnteresseerd zijn, dan zal de marechaussee hem op het vliegtuig zetten naar een land van zijn keuze. Maar naar één land mogen ze de zakenman niet terugsturen: Iran. Ik mocht een schakeltje zijn in de redding van één mens.

Ja, met Iran heb ik nog een succes geboekt. Een bruid, al meer dan 13 jaar in de USA woonachtig, maar afkomstig uit Iran, wil zo graag dat haar moeder bij haar choepa-bruiloft aanwezig zal zijn. Maar de moeder kan in Iran geen visum krijgen voor de USA. Ook daar heb ik iets mogen betekenen. Als dank heb ik dat tafelkleed gekregen dat bij mij Iran weer in mijn gedachten bracht. Twee successen. Maar in een andere kwestie waar het tientallen levens betrof en waarin ik wederom een heel klein schakeltje had kunnen zijn, mislukte het volledig. Mijn netwerk deed het prima. Buitenlandse Zaken deed meer dan ze konden, maar toch liep het mis en verdwenen zesendertig gevangengenomen Iraanse Joden in het duistere gat der vergetelheid. Alleen hun namen en het vermoedelijke adres van hun gevangenis zit nog ergens in het mapje ‘Iran’ op mijn computer.

En ondertussen wordt er nauwelijks, gewoon hier in ons eigen landje, aandacht besteed aan de bekladding van een viaduct in Wildervanksterdallen. “Arbeit macht Frei”. “Verboden voor Joden”. Het is wel onleesbaar gemaakt. De racistische tekst is visueel verdwenen, maar het onderliggende antisemitische probleem niet. Waarschijnlijk waren de daders jongeren of verward……….

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks. 

 

Reprimande van ministerie voor Nederlandse consul die duizenden Joden redde

Gisteren waren we fruitplukken met de kleinkinderen uit Almere en daarna een bezoek aan het Israël Product Centrum in Nijkerk. Een week eerder hadden we hetzelfde uitstapje gemaakt met onze kleinkinderen uit Londen. Er is daar, in Nijkerk, een imposante tentoonstelling, speciaal gericht op de jeugd van het Basis Onderwijs, over verzetsstrijders die met gevaar voor eigen leven Joodse medeburgers ondergedoken hadden of anderzijds zich hebben ingezet om o.a. mijn moeder te redden.

De oorlog komt daar voor mij erg dichtbij. Ik denk daar aan de mensen in Friesland die mijn ouders en ik in mijn kinderjaren regelmatig bezochten. Duikouders van mijn moeder. Zonder die mensen zou mijn moeder de oorlog niet hebben overleefd. De naam Wiersma komt in mij op. Hij was de politieagent uit Boskoop die aan het hoofd stond van de verzetsbeweging die voor mijn moeder en mijn oom en voor vele vele anderen de onderduikplaatsen regelde. Ik heb me voorgenomen om mijn enige nog in leven zijnde tante namen en adressen te vragen. Misschien weet zij die nog. En dan nazaten opsporen en hun vertellen dat ik leef dankzij hun ouders/grootouders/overgrootouders.

Na gezellig fruitplukken in Putten op de plukboerderij, naar Nijkerk, verre van gezellig. En toch neem ik mijn kleinkinderen mee. Ik wil dat ze weten dat ondanks het opkomend antisemitisme er ook goede niet-joden waren aan wie wij en zij ook hun leven te danken hebben. Jan Zwartendijk, de medewerker van het consulaat der Nederlanden die duizenden Joden in Litouwen voorzien heeft van een stempel waarmee ze naar de Nederlandse Antillen konden reizen en de hel van de nazi’s ontvluchten. Zijn zoon Piet heb ik mogen ontmoeten enige jaren geleden in Brussel op de ambassade van Litouwen waar zijn vader en de consul van Japan, Sugihara, die al die Joden een doorreisvisum verleende, geëerd werden.

Zwartendijk heeft na de oorlog van het ministerie van Binnenlandse Zaken een reprimande gekregen want wat hij had gedaan (tussen de 3000-10.000 Joden het leven gered!) was niet conform de wettelijke regels, illegaal. Sic! En ook de Japanse consul Sugihara is gestraft voor zijn illegale doorreisvisa. In Brussel waren zoon Piet Zwartendijk en de kleindochter van Sugihara aanwezig. Ik herinner me dat ik die kleindochter, een volwassen vrouw, wel wilde omhelzen om haar te danken. Mijn kleinkinderen moeten weten dat er ondanks de Holocaust, ondanks het opkomend antisemitisme, er ook niet-joden waren die ons gered hebben. De tentoonstelling is niet eng, maar wel confronterend. Misschien voor mij wel meer als voor mijn kleinkinderen.

Terug naar het nu. Rabbijn Mendel uit Mariupol heeft financiële steun nodig om een andere locatie te krijgen voor zijn synagoge annex Joods Centrum. Na de aanslag van enige weken geleden is hij bang. En terecht. De synagoge staat op een plaats die niet te beveiligen valt, ondanks de beveiliger die voor de deur staat. En hoewel het Mendel en zijn vrouw niet ontbreekt aan Godsvertrouwen is er een belangrijke regel in de Halaga -de Joodse wet- dat we niet mogen vertrouwen op wonderen. En dus mag ik meedenken hoe we dit nieuwe complex financieel van de grond kunnen krijgen.

Het gaat lukken want in de Joodse wereld staat tsedaka hoog in het vaandel. Tsedaka zouden wij in het Nederlands liefdadigheid noemen. Maar de letterlijke vertaling van tsedaka is niet liefdadigheid, maar gerechtigheid. De arme man of vrouw heeft recht op mijn financiële steun, het komt hem toe. Want de rijkdom die ik bezit is een zegen van Boven. En ik heb die zegen uitsluitend gekregen om er anderen mee te helpen. Dit nog even los van de Joods wettelijke verplichting dat iedere Jood verplicht is om minstens tien procent van zijn inkomen aan tsedaka te geven. Maar ook vanuit de niet-joodse achterban, speciaal vanuit de christelijke hoek, verwacht ik bijdragen.

Ik werd vandaag met nog een vraag om financiële steun geconfronteerd. Een van mijn Joodse Gemeenten was benaderd door een man die, naar zijn zeggen, in grote financiële nood zit. Het bestuur weet geen raad met dit verzoek en wendt zich dus tot hun geestelijk leider met een puur niet-geestelijke vraag: moeten we dit materiele verzoek wel of niet honoreren? Natuurlijk moeten we ieder medemens in nood bijstaan, maar de vraag is vaak of je iemand helpt door hem geld te geven of dat het wellicht beter is om hem geld te lenen, ook als je weet dat hij die lening niet kan terugbetalen. Door een lening te geven moedig je hem namelijk aan om te werken en niet uitsluitend van de bedelstaf te leven. Als je de medemens middels een lening (weer) in het arbeidsproces kan krijgen, dan heb je een veel betere daad verricht dan als je hem uitsluitend cash zou hebben gegeven.

Maar in dit specifieke geval is het nog iets ingewikkelder. De man schrijft aan de Joodse Gemeente dat hij in het buitenland woonachtig was, gescheiden is van zijn wettige echtgenote, voor zijn ex moest vluchten, dat hij zeer orthodox is, inwoont bij zijn moeder, wellicht Nederland wordt uitgezet en een vriendin heeft en een baby. Natuurlijk moeten we zo’n man helpen, maar de vraag is waarmee. De eerste vraag die in mij opwelt en mij een nare bijsmaak geeft is: Waarom benadrukt hij dat hij orthodox is? En waarom ontvluchtte hij zijn ex? Moet hij wellicht alimentatie betalen? Meent hij daarmee dan extra recht te hebben op financiële ondersteuning van de Joodse Gemeente? En als hij dan zo orthodox is, waarom woont hij in een dorp waar geen Joodse Gemeente is? En sinds wanneer woont een orthodoxe Jood samen zonder burgerlijk en religieus huwelijk? Ik ga ervan uit dat hij niet wettelijk is getrouwd, omdat hij spreekt over zijn vriendin en niet over zijn echtgenote! Misschien is hij niet officieel gehuwd omdat hij nog niet is gescheiden van zijn (eerste) vrouw. Vraagtekens, vraagtekens, vraagtekens.

En ondertussen zet hij goedwillende vrijwillige bestuurders van de kleine Joodse Gemeente onder morele druk. En dus mag ik ertussen springen en neem ik het op mijn rabbinale schouders om deze man met zijn warrige verhaal vooral geen financiële steun te bieden uit de tsedaka-kas van de Joodse Gemeente. We zien wel hoe hij gaat reageren. Ik zal de goedwillende bestuurders steunen, want hij zal ze niet zo snel met rust laten als hij een afwijzing zal ontvangen. Hij zal morele druk uitoefenen en niet iedereen is daartegen opgewassen.

Morgen is de eerste van de maand Elloel, de maand voorafgaande aan Rosj Hasjana, Joodse Nieuwjaar. Er wordt dan op de sjofar, de ramshoorn, geblazen als voorbereiding voor de Hoge Feestdagen. Vandaag heb ik al even een enkele toon geblazen om te oefenen. Lukte prima, ik heb een gezonde blaas……….

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

 

 

 

 

Schrijf nooit iets op als je geïrriteerd bent

Een telefoontje uit Zevenaar. Om een lang verhaal kort te maken. Er was daar ooit een kaasfabriek gevestigd en die verkochten ook koosjere kaas. Via Facebook “Joodse Geschiedenis in Nederland” kwamen ze aan mijn adres. De historicus, die de kaasfabriek vanuit historisch perspectief bestudeert, had uitgevonden dat er eens per maand een korte man met zijn zus met de auto naar Zevenaar kwamen om die kaas op te kopen. De zuster reed de auto, want haar broer was kennelijk wel de kaaskunst meester, maar beheerste niet de rijkunst.

En nu is dus die historicus aan het uitvissen wie die korte Joodse man met zus kan zijn geweest, zo’n 60 jaar geleden. En dus komt hij uit bij de rabbijn. En terecht, want het was bijna meteen bingo! Dat moet Kaas-Kohn zijn geweest met zijn zuster. Zij woonden ergens in de buurt van de Wielingenstraat in Amsterdam Zuid, vlakbij de plaats waar nu de Nieuwe RAI zo’n 60 jaar geleden is verrezen. Hij was een soort groothandelaar in kaas en ik herinner mij dat we af en toe bij hem de kaas kochten en dat de opbergruimte waar de kaas lag opgeslagen niet een koeling was. Neen, de kaas lag altijd onder zijn bed in zijn slaapkamer.

Overigens wilde de historicus ook weten of er nog nazaten bestonden van Kaas-Kohn, zoals de heer Kohn in de wandelgangen werd genoemd. En inderdaad kon ik hem het adres van zijn zoon geven die een koosjere groothandel heeft in Londen. En raadt eens wat zijn voornaamste handelsproduct is? Inderdaad: kaas. Overigens vroeg ik mezelf wel af hoe mijn dagboek terechtgekomen is op de Facebookpagina van Joodse Geschiedenis in Nederland. Maar als 70+ moet ik dat maar zonder te veel nadenken gewoon aanvaarden.

Wat ik niet aanvaard is de onderstaande reactie die ik ontving op mijn dagboek van een paar dagen geleden:
“Met veel belangstelling volg ik uw dagboeken. Helaas nu met een bijsmaak, sinds u schreef over de persoon met een Joodse opa. Van mijn vader ken ik de verhalen over de afwijzing die hij regelmatig ervaren heeft als zijnde ‘Vader-Jood’. Zelf werd ik als kind voor Jood, of Jodenjong uitgemaakt, terwijl ik niet wist waarom, de buurt blijkbaar wel…, waardoor er Joods of niet, toch een zekere verwevenheid met het Jodendom is ontstaan in onze identiteit. Natuurlijk zou er vandaag de dag, geen Joods volk bestaan, zonder dit principe, ‘alleen Joods via de moeder’. Wij zijn, Zionistisch ingestelde bastaarden (Heidenen? Samaritanen?) mijn vader, broer, oom en nichtjes, als kleine kudde, overgebleven van 79 naar Auschwitz en Sobibor, weggevoerde familieleden, inschikkelijk, we doen een stapje terug voor het ‘hogere doel’, maar auw! Best pijnlijk dat zo duidelijk door u onder de neus gewreven te krijgen, met ook de venijnigheid waarmee u het schreef, dat wou ik u toch even gezegd hebben… Als bastaarden en heidenen, maar net zo goed 2e en 3e generatie, hebben ook wij de klap van de zweep tot aan de dag van vandaag gevoeld, graag uw begrip daarvoor, we zijn niet besmettelijk en nog steeds geschapen naar Gods beeld, net als u.…”

Oeps, was mijn primaire spontane en geschrokken reactie.

Meteen ben ik het betreffende dagboek gaan herlezen, een keer, twee keer. Ik begrijp dat iemand de vertaalslag heeft gemaakt, maar het staat er niet en bovendien weet ik van mezelf dat ik zoiets bots ook nooit zou schrijven. En dus heb ik meteen een email gestuurd met het verzoek mij te bellen of als de schrijver mij zijn telefoonnummer geeft, bel ik hem. Binnen enkele minuten hadden we elkaar aan de lijn. Ik ben begonnen met een onvoorwaardelijk excuus en daarna als toevoeging dat mijn geïrriteerde passage uit het betreffende dagboek betrekking had op de dwangmatigheid waarmee het verzoek werd gedaan aan mij om aan een mij onbekende man een rabbinale verklaring af te geven. Hij klaagde over de Israëlische Overheid omdat hij jaarlijks een leges moest betalen voor een verblijfsvergunning omdat hij kennelijk in Israël woonachtig was. Mijn geïrriteerdheid, aan het digitale papier toevertrouwd, had helemaal niets te maken met de vraag of de persoon in kwestie wel of niet conform de halaga -de Joodse wet- als Jood werd beschouwd.

We hebben een heel fijn gesprek gehad, over en weer excuus aangeboden. Ja, als zoon van een Joodse vader en een niet-Joodse moeder voelde hij zich tussen wal en schip. Ik begrijp dat erg goed, probeer ook waar ik kan tot steun te zijn in dit soort lastige situaties. Maar laat ik heel duidelijk zijn: Voor de buitenwereld is mijnheer Cohen, ook als alleen zijn bet-bet-overgrootvader Joods zou zijn geweest, nog steeds een Jood en heeft hij evenveel te lijden van antisemitisme als ik. En dus: waar mogelijk zal ik hem helpen en voor zijn belangen opkomen.

De les voor mij: 1: raak nooit geïrriteerd. 2: schrijf nooit iets op als je geïrriteerd bent. Boosheid is een slechte eigenschap, staat halagisch bezien op het niveau van afgodendienst. En zelfs als je bewering goed bedoeld was en er geen spijker tussen te krijgen is: boosheid zal altijd een negatieve uitwerking hebben, en dat moet ik niet willen! En raadt eens wat: gelijk ik nu mijn spijt betuig via dit dagboek, na het al persoonlijk telefonisch gedaan te hebben, ontving ik ook voor de tweede keer een excuus e-mail van de ‘tegenpartij’. Ons contact had een vervelend begin, maar van ‘tegenpartij’ is nu helemaal geen sprake meer. We zijn onuitgesproken vrienden geworden!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

Dagboek van een opperrabbijn 18 augustus 2020. Er is zoveel dat ik niet begrijp…

Mijn schoolvriendje van de lagere school die ik een paar maanden geleden na bijna zestig jaar weer heb ontmoet, plaatste een kritische opmerking. Hij kreeg het gevoel dat ik hem benaderde als rabbijn en niet als vriendje. En die opmerking zette mij aan het denken over de vraag: Wie ben ik? En alras kwam ik tot de conclusie dat ik ook in het privéleven rabbijn ben en dat rabbijn ook mijn privéleven is. Recentelijk maakte een collega van mij verschil tussen zijn persoonlijke mening en zijn rabbinale visie. Dat onderscheid werd niet echt geaccepteerd. Neem bijvoorbeeld de professionele entourage van het Sinai Centrum, waarin ik meer dan 40 jaar mocht werken. Voor iedereen was het duidelijk dat een psychiater soms geen dienst heeft. Dan was hij gewoonweg niet bereikbaar, ook niet voor een spoedgeval, want hij heeft vrij. Maar van mij werd 24/7 verwacht, want een rabbijn heeft geen baan. Een baan zit gekoppeld aan een dienst. Je werkt van 9:00 – 17:00 uur en uiteraard heb je een vijfdaagse werkweek, dat is algemeen aanvaard. Maar een rabbijn hoort er altijd te zijn, ook buiten diensttijd. De reden: hij heeft geen dienst, want hij heeft geen baan. Voor mijn gevoel ben ik werkeloos en word ik door de gemeenschap onderhouden. Vandaar ook dat er voor mij geen verschil bestaat tussen voor en na de pensioengerechtigde leeftijd. Sterker nog: na mijn 65ste is het voor mij nog duidelijker dat ik werkeloos ben, zonder baan, maar wel 24/7 beschikbaar. Waarbij uiteraard als kanttekening dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de 24/6 en die ene 24/1=de sjabbat. Dit wat betreft de uren. Maar wat met de inhoud? In de Joodse filosofie wordt uitgelegd dat alles van Boven komt en dat het aan de mens is om al hetgeen op zijn weg komt te gebruiken om Hem te dienen. Met andere woorden: met al hetgeen ik op mijn levensweg ontmoet, moet ik iets doen. In een valkuil moet ik niet vallen en als iemand in nood aanklopt is het aan mij om te helpen en de hulpvraag niet te negeren. En dus was ik vorige week een avond naar Baarlo. De cateraar die jaarlijks in Beekbergen gedurende de gehele zomer orthodox-Joodse gasten heeft uit Engeland, België, Israel, Zwitserland, USA zag zijn zomerseizoen volledig uitvallen. Een weekje was hij nog open in Baarlo. En omdat ikzelf liever niet vanwege corona tussen zijn gasten wilde vertoeven, ben ik gewoon een paar keer heen en weer gereden. Waarom dat? Omdat zijn gasten willen dat het eten 100% koosjer is. En hoewel de cateraar zelf echt niet iets zal doen met de maaltijden dat ritueel ongeoorloofd is, is hij natuurlijk partijdig. Het is denkbaar dat hij te soepel omgaat met de wetten van kasjroeth. En dus moet hij als het ware gedekt zijn met een soort Joods religieus rabbinaal KEMA-keur. En dat ben ik. Wat ik hieraan verdien? Niets dus. Want als ik eraan zou verdienen dan ben ik weer partijdig. Maar stiekem verdien ik er toch wel aan. Ik vind het namelijk fijn om het te mogen doen. Ik houd iedere ochtend na het ochtendgebed een korte predicatie. Ik heb hiermee in de loop der decennia een bekendheid opgebouwd in de orthodox-Joodse internationale wereld, wat dan weer gebruikt kan worden voor andere aangelegenheden. Maar dit jaar dus waren de zes weken gereduceerd tot een krappe zes dagen. En de normaal meer dan tweehonderd gasten overstegen dit keer de twintig nauwelijks. Het is zoals het is. Uiteindelijk komt dus alles van Boven en is het aan ons om ermee om te gaan. Wat er nu wel is bijgekomen: choepot. Een choepa is een bruiloft. Choepot is de meervoudsvorm. In datzelfde Hotel in Baarlo heeft een choepa plaatsgevonden en binnenkort weer een. Ik leg uit: het schijnt dat in België de beperkingen voor een huwelijksfeest net iets strikter zijn of waren (want de coronaregels veranderen naar mijn gevoel per dag) als in Nederland. En dus is een bruiloft uitgeweken, een paar weken geleden, naar Baarlo en is er vooralsnog een choepa in aantocht. Op zichzelf heeft die Belgische choepa met mij niet van doen. maar: omdat het zich afspeelt binnen mijn rabbinale ressort zorg ik er wel voor, uiteraard na collegiaal overleg, dat de choepa ook bij ons wordt geregistreerd en dat de religieuze inzegening voorafgegaan is door een burgerlijk huwelijk, conform de Nederlandse wet. In Israel is de religieuze huwelijksvoltrekking tevens de burgerlijke. Maar in Nederland zijn dat twee aparte aangelegenheden. Ik ben uiteraard voor een religieuze inzegening en voor een burgerlijke administratieve vastlegging. Het instituut huwelijk mag geen wankel gebouw zijn, niet administratief en niet religieus. Maar wat ik niet kan vatten is: van de burgerlijke wet is het toegestaan om zonder enige vorm van binding samen te wonen al dan niet langdurig, aan partnerruil te doen, pornografie te bekijken, prostitutie is toegestaan…..Maar als ik een choepa geef zonder burgerlijk huwelijk vooraf ben ik strafbaar. Maar ja, denk ik dan, er is zoveel dat ik niet begrijp…….

 

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

 

Dank politie, ik voel me veilig! Dagboek van een Opperrabbijn 17 augustus 2020

Omdat ik af en toe wat achter loop en nooit de hele krant lees viel mij nu pas een artikel op met als titel:” Namenmonument doet geen recht aan werkelijkheid (RD zaterdag editie)”. De schrijver, mijn vriend en gewaardeerde collega Lody B. van de Kamp, eindigt met een duidelijk en begrijpelijk “ik kan niet anders dan me verzetten tegen dit bouwwerk”. Wat speelt hier? De nazi’s organiseerden hun moordmachines op zo’n manier dat Joden zelf een onderdeel werden van de vernietiging. In de kampen werden Joden aangesteld om hun mede-Joden als slavendrijvers te pijnigen, te kwellen, dood te slaan. En als de treinen aankwamen in Sobibor werden ze opgewacht door mede-Joden die vooral opgewekt moesten kijken opdat de aangekomen slachtoffers niets vermoedend de gaskamers zouden ingaan voor een ‘ontsmettingsdouche’.  En als ze niet zorgeloos genoeg klaarstonden, gingen ze zelf de gaskamers in. Het oprichten van de Joodse Raad was ook een onderdeel van de moordmachine. Joden moesten mede-Joden opdragen om braaf op transport te gaan. Van de Kamp vindt het onacceptabel dat op een en dezelfde Namenwand slachtoffers en daders worden genoemd. Tussen haakjes: er waren zeker vele Joden die zichzelf lieten doden en weigerden ook maar iets hun medegevangenen aan te doen. Hun zielen bevinden zich nu gigantisch hoog in het Gan Eden. het Paradijs, en een Eeuwige beloning is hun deel geworden.

Ik begrijp van de Kamp, maar ik deel zijn mening niet. Ik zie die namenwand als een grafzerk voor hen die zelfs geen graf was vergund. Dat er dan tussen de slachtoffers ook namen worden vermeld van mensen die hun medegevangenen afranselden omwille van hun eigen levensbehoud………ook op een begraafplaats waar mensen hun laatste rustplaats hebben gevonden, liggen mensen begraven met wie je eigenlijk niet begraven had willen worden.  Dat dit schrijnend is begrijp ik erg goed. Ook ik ken een man die, volgens een overlevende, als een kapo in het concentratiekamp bijzonder goed (slecht dus!) zijn taak heeft uitgevoerd en daardoor heeft kunnen overleven. Hij werd zelfs een bestuurder binnen Joods Nederland en was niet altijd even vriendelijk tegen mij. Maar ik weigerde mijn kennis over zijn verleden te misbruiken. Want wat was de waarheid? Moeilijk achter te komen. Want ik ken namelijk ook een man die voor het oog van de wereld een wrede kapo was, maar juist daardoor vele heeft weten te redden. En hoezeer ook ik de opstelling van de Joodse Raad veroordeel, in Enschede heeft de Joodse Raad veel Joden juist weten over te halen om te gaan onderduiken. Maar ik wil het geheel nog gecompliceerder maken. Gisteren sprak ik een man die mij vertelde dat zijn vader in Westerbork belast was met het reinigen van de rioleringen. Met een kruiwagen vol poep liep hij dagelijks het kamp uit. En bij tijd en wijle verstopte hij dan een gevangene onder de viezigheid en reed hem zo het kamp uit, de vrijheid en kans op overleving tegemoet. De gevangene ademde, zo vertelde hij mij, via een rietje dat boven de viezigheid uitstak. Op deze manier heeft hij meerdere mensen het leven gered.  Twee neven van mijn moeder, oom Benno en oom Jacob uit Denekamp, hebben ook Westerbork weten te ontvluchten en hebben beiden de oorlog overleefd. Maar……….doordat zij of de mensen in de kruiwagen ontvlucht waren, werden anderen op transport gesteld. Want de trein moest vol. Ik ben voor de namenwand. Ieder mens heeft recht op een graf. Op z’n minst een grafzerk zonder graf. En de beoordeling of een enkeling er ten onrechte opstaat, laten we aan Boven over. Het Jodendom gaat in het strafrecht ervan uit dat het beter is om een schuldige ongestraft te laten rondlopen, dan een onschuldige ten onrechte te veroordelen. En bovendien: de grote meerderheid, 99,9%, was zondermeer slachtoffer. Zij gingen rechtstreeks de gaskamers in. Ik zie graag op z’n minst hun namen vereeuwigd, maar ik begrijp van de Kamp erg goed. Misschien kijk ik er anders tegenaan omdat alle vier mijn grootouders de oorlog wel hebben overleefd. Bij vd Kamp lag dat anders.

Een telefoontje: u spreekt met Cees. Hier in Maastricht is zojuist een Jood op de markt in elkaar geslagen. Het gaat helemaal de verkeerde kant op. Blijft u vooral binnen en zorg dat uw vrouw en kinderen ook de straat niet opgaan. De politie doet niets. Op mijn vraag wie er dan wel in elkaar zou zijn geslagen, geeft Cees aan dat hij dat niet weet. Maar hoe hij dan weet of die man inderdaad Joods is? Ook dat wist hij niet zeker, maar zijn gevoel vertelde hem dat. Zeker is wel dat ik vooral binnen moet blijven, want de politie doet niets.

Ja, alertheid ten aanzien van het opkomend antisemitisme is geboden, maar we leven echt nog wel in een rechtstaat. We zijn geen bananenrepubliek. Recht is in ons land zeker niet krom en de politie beschermt ons waar nodig. Met lede ogen aanschouw ik hoe in Utrecht en in Den Haag en ook in andere plaatsen in ons land politieagenten worden bekogeld en uitgescholden. Onacceptabel. Dag en nacht staat de politie  voor mij klaar. Toen ik een aantal maanden geleden midden in de nacht uit Engeland weer thuis kwam en om 2:30 uur voor mijn huis stond koffers uit te laden, was er binnen een mum van tijd een politieauto om te kijken wie daar voor het huis van de rabbijn stond geparkeerd. Toen ze mij zagen stopten ze meteen en droegen al mijn koffers naar binnen! Maar los van deze piccolo inzet:  Waar ook in den lande ik een lezing geef of aanwezig ben bij een publieke bijeenkomst, de politie is er! Dank Nederlandse politie: ik voel me veilig!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks. 

 

 

 

Bezoek de Orthodox Joodse Coronawijk in Antwerpen – Dagboek van een opperrabbijn

Mijn vraag voor advies inzake wel/niet naar buiten treden met bedreiging en antisemitische bejegening levert nog steeds reacties op. Interessant is dat alle reacties warmte en oprechtheid uitstralen. Ik heb alle e-mails gelezen, maar het lukt me niet om iedereen persoonlijk te bedanken. Dus bij deze: dank, dank, dank!

Overigens was er slechts één e-mail die in bedekte termen en zichzelf bij voorbaat excuserend aangaf: ‘Erken het Nieuwe Testament en dan is het antisemitisme de wereld uit.’ Hoewel ik natuurlijk anti-bekering ben en het absoluut niet waardeer, kan ik het wel begrijpen. Mijn oog viel op een artikel in het RD met de titel ‘ophef in Israël om schoolmateriaal’. Volgens het RD heerste er verontwaardiging bij twee religieuze organisaties in Israël omdat er op de website van het Ministerie van Onderwijs naar filmpjes met Bijbelverhalen van het Israëlisch (christelijk) Bijbelgenootschap werd verwezen.

Dit artikel zette mij aan het denken, juist omdat ik in deze meditatie periode (een andere benaming voor coronatijd!) een dagboek schrijf dat ook door veel christenen wordt gelezen. Ik heb het makkelijk als Jood omdat voor mij de niet-jood helemaal geen verplichting heeft om Joods te worden. Voor het Jodendom geldt dat Jodendom er is voor Joden. Niet-Joden kunnen toetreden tot het Jodendom als ze dat willen uit religieuze overtuiging, maar dat wordt volstrekt niet aangemoedigd, sterker nog: het wordt ontmoedigd. Maar laten we dit onderwerp hier niet gaan bespreken. Te gecompliceerd.

Wat ons allen, Joden en gelovige niet-joden, wel in gemeenschappelijkheid verbindt en ons ook hopelijk raakt, is de vraag: wat vertel ik mijn kinderen over onderwerpen die niet de mijne zijn, maar die ze wel behoren te kennen. Ik denk aan kennis van de evolutietheorie, seksualiteit, andere religies. Laten we even niet kijken naar de wettelijke verplichting maar zuiver naar de religieuze en ethische vraag: wat vertel ik mijn kinderen wel of niet over wetenschappelijke visies, over andere godsdiensten of over leefwijzen die niet stroken met mijn godsdienst of levensvisie. Het meest simpele antwoord is dat ik ze geen onderricht geef over visies waarmee ik het oneens ben. Maar werkt dat? Zal een kind dat uiteindelijk accepteren? Maak ik mijn kind dan niet juist kwetsbaar?

Mijns inziens is het van belang dat onze jeugd weerbaar is en ze dus om kunnen gaan met geestelijke bedreigingen waarmee ze op hun levensweg geconfronteerd zullen worden. Het is zinloos om het bestaan van Facebook te verzwijgen. Het kan schadelijk zijn als het kind alleen zijn eigen godsdienst kent en niet weet dat er mensen zijn die de Eeuwige op een andere manier dienen. Het kan gevaarlijk zijn als een kind vandaag de dag niets weet over drugs, seksualiteit, ontucht en verboden relaties. En dus denk ik dat ieder kind over een brede en veelzijdige kennis moet beschikken.

De hamvraag (excuus voor deze niet-koosjere benaming) is echter niet wat het kind onderwezen krijgt, maar hoe en door wie. Zegt de leraar aan de kinderen: er zijn mensen die zeggen dat er een God bestaat en die beweren dat de Bijbel Zijn woord is. Of spreekt de leraar over God en Zijn Bijbel? Hetzelfde ten aanzien van de Evolutie Theorie. Wordt die gebracht als een wetenschappelijke waarheid of brengt de docent de theorie en legt uit dat deze theorie gebaseerd is op een hypothese die slechts een veronderstelling is?

Voordat het Joodse Volk veertig jaar na de Uittocht uit Egypte het land Israël binnentrok, heeft Mozes in opdracht van G’d de Thora in zeventig talen aan de goegemeente verteld. Als eeuwen later de Thora in opdracht van een Griekse koning wordt vertaald in het Grieks, geeft de Talmoed aan dat op de dag dat de vertaling voltooid was, er een duisternis viel over de wereld. Waarom heerste er duisternis na de vertaling van de grote Joodse Geleerden en waarom was er na de vertaling van Mozes licht? Waar ligt het verschil? Vertaling is toch vertaling? Inderdaad: vertaling is vertaling. Maar het verschil zit hem in de opdrachtgever. Mozes vertaalde in opdracht van G’d. Eeuwen later vertaalden Joodse Geleerden in opdracht van een Griekse afgoden dienende Keizer.

Ik wil dat mijn kinderen zo breed mogelijk kennis krijgen van wat er te koop is in de wereld, maar essentieel is en blijft: wie gaat ze die kennis overbrengen en hoe wordt die kennis gepresenteerd? De leerlingen van Aristoteles troffen eens hun leermeester in een situatie die geheel niet overeenkwam met zijn ethische lessen. Toen zijn leerlingen hem hiermee confronteerden en hem wezen op de discrepantie tussen zijn zedenleer en zijn gedrag, antwoordde Aristoteles: toen was ik Aristoteles niet!

We hebben vandaag gewandeld en zijn op bezoek geweest bij onze zoon en zijn gezin in hun vakantiehuis. Morgen gaan ze terug naar Londen. Ook was ik begonnen aan mijn toespraak voor Herdenking Razzia Twente. Ik dacht dat die woensdag a.s. zou plaatsvinden. Foutje van mijn elektronische agenda. Is pas op 10 september! Terwijl ik aan het nadenken was hoe een waarschuwing tegen opkomend antisemitisme in mijn toespraak te verwoorden, ontving ik onderstaande cartoon die op 14 aug. 2020 (niet 1938 of 1940!) in de grootste Franstalige Belgische krant heeft gestaan:

Bezoek Antwerpen. Na de dierentuin gaan wij het coronavirusdorp bezoeken. De begeleidende tekst luidde: Le foyer du Covid-19 ne peut qu’être Juif. Vertaling voor het geval uw Frans niet (meer) optimaal is: de uitbraak van Covid-19 kan alleen Joods zijn.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks. 

 

 

Adviezen van lezers, Dagboek van een opperrabbijn

Vandaag heb ik me voornamelijk beziggehouden om alle e-mails te lezen die ik heb ontvangen vanwege mijn verzoek om advies. Herinnert u zich mijn vraag nog uit mijn dagboek van een paar dagen geleden? Ik had vermeld dat 1. een auto op ons was ingereden en ons getrakteerd had op een niet vriendelijk klinkende antisemitische scheld kanonnade en 2. had ik een dreigtelefoontje ontvangen van een, volgens de politie, verwarde man. Mijn dilemma was, achteraf geredeneerd, of het verstandig was dat ik deze twee voorvallen vermeld en dus platform geef aan de belagers of dat ik er niet over had moeten schrijven.

En toen dacht ik: ik vraag aan mijn dagboekeniers een advies. En aldus geschiedde met als gevolg tegen de honderd e-mails in mijn digitale brievenbus. En toen, hoor ik u denken. Maimonides, de grote Joodse geleerde schrijft in zijn beroemde werk Jad Hachazaka: De leerlingen geven de leraar meer wijsheid en verbreden zijn gevoelens. Zoals de Wijzen hebben gezegd: veel heb ik van mijn leerlingen geleerd en nog meer van mijn vrienden. Aan deze halaga, wetsbepaling, moest ik denken toen ik vandaag alle adviezen bekeek, die ik op mijn emailadres had ontvangen.

  • Wanneer wij zwijgen en mensen er niet op attent maken, dat zij verkeerd bezig zijn, hoe kunnen zij zich dan verbeteren? Versterk je dan eigenlijk niet het akelige, verkeerde gedrag? We proberen toch een betere wereld te maken? Daarbij, uw voorbeeld geeft ook aan ons, uw lezers, een richting aan, een houvast, iets om over na te denken.
  • Als je zonder compromis met elkaar schrijft is er een mogelijkheid om je te verrijken in kennis en zienswijzen.
  • U brengt misschien wel uw leven in gevaar. Maar ik vind het wel heel moedig dat u ook onderwerpen als dit ter sprake brengt in uw dagboek. Eenieder heeft het recht om zijn mening te uiten. Want hier in Nederland geldt dat we allen het recht van vrijheid van mening hebben. Soms te vrij. Dat is mijn mening. Men denkt niet na. Maar ik vind het wel te ver gaan als men met uw uitgesproken mening groepen uitsluit of kwetst. En soms moet je wel je mening over iets ventileren, zeker als het in uw ogen heel wat kwaad kan doen aan mensen.
  • Nogmaals: Ik vind het heel dapper dat u dit ter sprake brengt in uw blog. Want soms is alleen toekijken niet genoeg.
  • Ik zal met de deur in huis vallen: U had dit niet moeten vermelden. Ik stel dit aan de hand van de vraag: wat wilt u bereiken en denkt u dat u datgene bereikt wat u zou willen bereiken met een en ander te vermelden? U had moeten zwijgen en dat heeft niets te maken met aanvaarden en het zal wel goed komen, maar met dat u op deze wijze niet datgene bereikt wat u zou willen bereiken.
  • Het verzwijgen, of je hoofd in het zand steken, struisvogelpolitiek, is in het verleden niet de juiste optie gebleken. Ik zie dat heel plastisch voor me, die vogel stopt zijn hoofd weg, maar de rest van zijn lijf is voor iedereen zichtbaar en hij zelf ziet niets meer en is daardoor veel kwetsbaarder.
  • Het blijven benoemen en kenbaar maken aan zoveel mogelijk mensen is denk ik de beste optie, al besef ik wel dat dit ook wel de heftigste is. Er is veel moed voor nodig, die heeft u. De door u gekozen weg lijkt mij wel de beste.
  • Uw ontzetting, ongerustheid e.d. zijn wellicht deel van hun ‘brandstof’ voor het organiseren van verdere ellende.
  • Speak softly and carry a big stick. Die grote stok heeft u, gezien uw persoonlijke bekendheid en uw toegang tot politiek en media, altijd op uw bureau liggen.
  • Als je dus veel op het internet zit als Jood, moet je incalculeren dat je geconcentreerd veel antisemitisme tegenkomt, omdat de communicatie enorm verbeterd is. Naast de nuchterheid dat inderdaad alle onderzoeken van de wereld, een stijging laten zien de afgelopen jaren.
  • Ik denk dat je nooit mag zwijgen. Hebben we al te lang gedaan en het heeft ons niets opgeleverd. Beter staande te sterven dan op je knieën te leven. Wij van dit oeroude joodse geslacht zijn van de JLMT (Jewish Lives Matter Too), een club met weinig leden.

Bovenstaande is een bloemlezing uit het grote aantal reacties die ik op mijn e-mail mocht ontvangen en nog steeds komen er meer binnen. Bijna iedereen was van mening dat zwijgen niet acceptabel is. En ten aanzien van gevaar, wat natuurlijk best reëel is, adviseerde een van de schrijvers mij om mijn echtgenote te laten beslissen. Een heel goed antwoord. Zo goed, dat ik moet bekennen dat ik dat advies al jarenlang opvolg. En met betrekking tot mijn coronadagboek: Twee keer overleefde een coronadagboek de censuur niet en was ik tot in de late uurtjes bezig met herschrijven totdat mijn Blouma haar koosjer-stempel kon geven. En dan zijn er nog steeds mensen die denken dat in het Jodendom de vrouw is achtergesteld. Ze moesten eens weten!*

*Deze laatste woorden zijn na de censuur toegevoegd!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks.

 

Een rabbijn moet ook politicus zijn Dagboek van een opperrabbijn

Lig ik net even bij te komen van de hitte, krijg ik een telefoontje. Een mij onbekende, die ik naar het schijnt ooit een keer tegen het lijf ben gelopen toen ik op vliegveld Ben Gurion in de rij stond voor paspoortcontrole, wil van mij een verklaring dat zijn opa, vergast in Auschwitz, Joods was. Op mijn vraag waarvoor hij dat nodig heeft vertelt hij mij dat hij jaarlijks in Israël, waar hij dus kennelijk woonachtig is, $100 moet betalen voor een verblijfsvergunning en hij vindt het belachelijk dat hij dat moet betalen ‘omdat zijn opa omwille van Israël is vermoord’.

Normaliter raak ik niet geïrriteerd, maar dit schoot toch echt even in het verkeerde keelgat, na mijn niet afgemaakte dutje. Zijn opa, als het waar is wat hij verkondigt, is vermoord omdat hij Joods is en met de staat Israël, die toen echt nog niet bestond, heeft dat niet van doen. Bovendien is ook mijn familie vermoord, heb ik hem nogal onvriendelijk medegedeeld.

Wat gebeurt hier? Een mij onbekende belt me op, woont niet in mijn rabbinale ressort, is geen lid van een van mijn Nederlandse Joodse Gemeenten en wil een verklaring dat zijn opa Joods was. Vraag 1: was zijn opa Joods? 2: is de persoon die hij zijn opa noemt, inderdaad zijn opa? 3: waarvoor wil hij die verklaring hebben? 4: waarom kiest hij mij uit om die verklaring te schrijven terwijl hij aangeeft in Israël te wonen en dus om de hoek bij het plaatselijke rabbinaat ook zo’n verklaring kan vragen? Nou kan ik me voorstellen dat u, mijn dierbare dagboeklezer, zich afvraagt waarom ik niet braaf zijn verzoek honoreer. Het antwoord is: van tijd tot tijd word ik op een aanvallende en dreigende manier benaderd voor verklaringen. Het is mij echt meer dan eens gebeurd, dat de persoon in kwestie van geen kant Joods was en uitsluitend mijn papiertje wilde hebben om in aanmerking te komen voor een uitkering waarop hij absoluut geen recht heeft.

Een voorbeeld (naam en adres zijn bij de redactie bekend, zoals de Telegraaf regelmatig schrijft als ze geen namen willen noemen): een man wil in aanmerking komen voor een WUV-uitkering. WUV staat voor Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers. Hij zegt Joods te zijn en zijn ‘duikouders’ hebben hem geadopteerd. Maar na maanden en maanden speurwerk, een detective is er niets bij, heb ik kunnen bewijzen dat het verhaal een totaal verzinsel is. Er klopte aantoonbaar niets van. Pure oplichting. Maar ondertussen heb ik wel de nodige vijanden dankzij hem gekregen omdat ik zo ‘ultraorthodox’ ben en dus ‘zeer intolerant’ en daarom deze stumper weiger te erkennen. De WUV-uitkering heeft hij dan ook niet gekregen, maar nog wel FL. 5000 van Maror omdat een bekende Joodse persoonlijkheid ‘uit medelijden’ een briefje heeft geschreven dat hij wel Joods zou zijn. Ach, redeneerde de bekende Joodse persoonlijkheid, als je iemand kan helpen, waarom dan niet….en Maror, jaren en jaren geleden, controleerde niet en heeft mij bewust niet bij deze kwestie betrokken, terwijl bij vele andere zaken ik weldegelijk om advies werd gevraagd, juist bij dit soort twijfels. Hoe ik weet dat ik er bewust buiten ben gehouden? Ook in Joodse kringen is geen gebrek aan lekkages.

Waarom deel ik dit eigenlijk met u, vraag ik me af. Er zit geen les in, geen boodschap. Het is wel een deel van mijn dagboek, omdat het me vandaag bezighield. Maar los hiervan. Een rabbijn is eigenlijk geen geestelijke. Van huis uit is een rabbijn een jurist. De opleiding is er een in Joods Talmoedisch recht, daarin heb ik mijn examens gedaan. Maar na dat examen en het verkrijgen van de rabbijnen -titel kan de rabbijn als theoreticus verder gaan. Hij wordt leraar of directeur van een Talmoed Hogeschool, zoals een van mijn kinderen. Of hij kan puur in het research gaan, publiceren, zoals mijn oudste schoonzoon. Of proberen een aanstelling te krijgen als rabbijn in een Joodse gemeente. Dan zal hij zich zeker ook pastoraal moeten inzetten, gelijk een geestelijke van een andere denominatie. En met politiek, binnen en buiten de gemeenschap, zal hij moeten omgaan. Denk ook aan representatie, want de rabbijn is vaak het gezicht van de gemeenschap.

Ik heb dus een kleurrijk baantje, vervelen doe ik me bijna nooit. En als verveling dreigt te ontstaan, is er altijd wel weer een klusje waarbij de rabbijn de rotzooi mag opknappen. Voordat ik mijn baantje als rabbijn begon werd mij door een van mijn leraren gevraagd of ik het vijfde deel van de Sjoechan Aroeg goed kende. De Sjoelchan Aroeg is het uit vier delen bestaande wetboek waarin een rabbijn examen moet afleggen om de titel rabbijn te mogen voeren. En dus reageerde ik verbaasd naar mijn leraar met de opmerking dat de Sjoelchan Aroeg uit slechts vier delen bestaat en mij een vijfde deel onbekend is. Hierop legde mijn leraar mij uit, dat er wel degelijk ook een vijfde deel bestaat, ongeschreven. Dat vijfde deel omvat een slechts een enkele regel en die luidt: “hoe ga je om als rabbijn met je medemens.”

Een rabbijn kan een zeer grote geleerde zijn, maar als hij de functie als rabbijn gaat bekleden, als hij aan een gemeenschap wordt gekoppeld, is de meest belangrijke uitdaging: hoe ga je om met je medemens. Of die medemens wel/niet lid is van de Joodse Gemeente, of die medemens wel/niet Joods is. Of die medemens professor is of zwakbegaafd. Een rabbijn moet altijd kunnen omgaan met……uiteraard denkend vanuit de Joodse Traditie. Maar die Joodse Traditie, de Bijbel, is niet het doel. Het is het middel om de Eeuwige te dienen en de naaste lief te hebben. Dat niet bestaande vijfde deel van het Joodse Wetboek is essentieel: hoe ga ik om met mijn medemens! Die les kreeg ik mee voordat ik als rabbijn werd losgelaten in de woelige wereld van onmensen en mensen, van politieke spelletjes en van oprechte religiositeit.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks.

 

De predikant is niet-joods, de rabbijn wel, Dagboek van een opperrabbijn

Omdat ik nu al maandenlang aan het “dagboeken” ben, ben ik benaderd met de vraag of ik er iets voor voel om een aantal van de dagboeken uit te geven in een boekvorm. De vraag kwam van meerdere kanten. Nou heb ik er weleens over nagedacht om mijn vijfenveertig jaar rabbijn-in-functie aan het papier en dus aan de historie toe te vertrouwen, maar het probleem is dat ik er dan niet onderuit zou kunnen om mensen te beschamen, en daarvoor pas ik, hoe interessant voor de toekomst dit ook moge zijn. En dus geen “Autobiografie Jacobs. Nooit zit hij op een kruk, want altijd is iemand bezig de poten onder zijn stoel vandaan te zagen”. Dat gaat het dus niet worden, terwijl de titel die ik wel al in mijn gedachte had, boekdelen spreekt.

Maar een boek van dagboeken? In eerste instantie vroeg ik me af wat voor nut het zal hebben en wie zou daarin nou geïnteresseerd zijn? En het grootste probleem: Bitoel Thora! Ik leg het uit: we hebben als Jood/mens de verplichting om voortdurend te lernen of anderzijds bezig te zijn met het verrichten van goede daden. Niet onze tijd te verdoen. Bitoel Thora betekent: verkwisting van tijd. En die verkwisting van tijd is een overtreding. Ik had iets goeds kunnen doen, ik had een psalm kunnen uitspreken, een deel van de Talmoed bestuderen, iemand in nood kunnen bijstaan etc. en in plaats daarvan zit ik een film te bekijken of verdoe ik mijn tijd op een andere manier. Als ik mijn dagboek schrijf probeer ik mensen te inspireren en giet ik daartoe de inspiratie in een (hopelijk) aantrekkelijk jasje, ik bouw er een verhaal omheen opdat de boodschap gehoord wordt. Maar om nou al die dagboeken van mij te gaan bundelen? Schiet dat zijn/mijn doel niet voorbij? Is dat geen verkwisting van tijd? En bovenal: wie zit hier nou op te wachten?

Vanochtend bracht ik een bezoek aan een echtpaar, overlevenden van de Sjoa, vanwege een bijzondere verjaardag, 90 jaar. Vitaal en goed van geest. Wat wil een mens nog meer? Er al kletsend vertelden ze mij dat ze een van mijn dagboeken hadden gestuurd naar een christelijke kennis. In zijn reactie op mijn dagboek stond het volgende te lezen: “De rabbijn heeft een heel eigen stijl die wij in onze kerk niet kennen. Een grapje, iets uit het gewone dagelijkse leven, daardoorheen een Bijbelse les aangereikt als handvat om met het gewone dagelijkse om te gaan.” Dat was voor mij interessant te vernemen want een van de partijen die mijn dagboeken wilde uitgeven gaf aan dat mijn benadering anders is dan de gemiddelde benadering van de predikant en dus zou ik iets verfrissends kunnen geven aan die predikant. Tegelijkertijd werd mij gevraagd, door een van de partijen voor wie ik het dagboek schrijf, om mijn stijl juist te veranderen, een ander format. Eerst een Bijbeltekst en die dan op een Joodse manier uitwerken. Dus in plaats dat ik de predikant mag veranderen, wordt mij gevraagd om mezelf te veranderen en meer de taal van de predikant te spreken.

Ik herinner mij van tientallen jaren geleden een soortgelijk dilemma: ik was nog maar pas geestelijk verzorger in de psychiatrie en voelde me een beetje dom. Er liepen daar psychiaters, psychologen, psychiatrisch verpleegkundigen en zo’n beetje de enige die geen psy voor zijn naam had was ik als rabbijn. En dus ging ik me aanpassen. Mensen zaten niet meer in de put, maar waren manisch depressief. Mensen die minder stabiel waren, werden in mijn aangepast taalgebruik borderline patiënten en ik kende de namen van bijna alle pilletjes. Ik deed dat kennelijk zo goed dat de directie voorstelde dat ik op hun kosten en in hun tijd klinische psychologie kon gaan studeren. En toen schrok ik wakker. Want wie ben ik dan dadelijk na die opleiding? Ben ik dan psycholoog of rabbijn? De geestelijk verzorger in de psychiatrie heeft een eigen zeer specifieke taak. De psychiater geeft de medicatie, de psycholoog de therapie, de maatschappelijk werker zoekt naar zinvolle dagbesteding en de geestelijk verzorger, ongeacht van welke denominatie, steunt de patiënt met zingeving en acceptatie van het lijden. Als ik psycholoog word, wie neemt mijn specifieke taak van zingeving over? Valt het te combineren?

En dus bleef ik gewoon rabbijn, geestelijk verzorger met uiteraard kennis van de wereld der psychiatrie. Maar mijn gereedschap is en bleef Thora en Traditie. Bij mij zagen de mensen het gewoon niet meer zitten en psychofarmaceutische medicatie waren gewoon pilletjes.

Hetzelfde zien we hier ook. Het is prima als de predikant weet hoe de rabbijn zijn dagboek schrijft, zijn toespraak opbouwt. En voor mij is het fijn te zien hoe een priester of een dominee zijn predicatie samenstelt. Maar laat mij gewoon mezelf blijven. Zo niet dan zou je kunnen denken dat het enige verschil tussen een predikant/pastoor en een rabbijn eruit bestaat dat de predikant niet-joods is en de rabbijn wel! En dat zou toch jammer zijn, waarschijnlijk voor beiden!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks. 

 

 

 

 

RSS
Follow by Email