Het was in Amersfoort een bijzondere Brom-Sjabbat. Even een korte uitleg van Brom-Sjabbat. Toen wij naar Nederland kwamen en in dienst o.a. bij de Joodse Gemeente Amersfoort, was de heer Mottel Brom de voorzitter en de vrijwillige chazan-voorzanger. Brom was in het dagelijks leven de directeur van Middeloo, een instituut dat opleidde tot muziektherapeut. Toentertijd was Middeloo een begrip in de wereld van de psychiatrie en klinische psychologie. Meneer Brom, zoals hij genoemd werd, was een combinatie van therapeut, directeur, voorzanger, psycholoog, vader en echtgenoot, voorzitter van de Joodse Gemeente, gabbe (koster) in de synagoge en last but not least was hij componist. Hoewel ik hem in de beginjaren best af en toe lastig vond, omdat hij mij voor mijn gevoel als zijn leerling beschouwde en me dus ook zo behandelde, had hij achteraf bezien meestal gelijk en heeft hij mij dus, aan het begin van mijn carrière, gecoacht en daardoor mede gevormd. Zijn drie kinderen waren inmiddels het ouderlijk huis ontvlogen, getrouwd en wonen nu in Israël en de USA. En afgelopen sjabbat was het Brom-Sjabbat in Amersfoort. Danny en Michel (beiden inmiddels al na de pensioengerechtigde leeftijd) waren met gedeeltelijke maar grote aanhang in Amersfoort en lieten ons genieten van hun prachtige voordawenen, voorgaan in de dienst. Veel van de Amersfoortse sjoel melodieën zijn composities van meneer Brom en gelden inmiddels als typisch Amersfoorts. Toen mijn schoonzoon rabbijn Stiefel pas in Almere kwam, waar hij de rabbijn is, en Amersfoortse melodieën gebruikte in de dienst op sjabbat, werd hem verzocht om niet de Chabad melodieën te gebruiken, maar de Nederlandse. Hij had de Brom melodieën braaf geleerd, niet wetend dat die melodieën uniek Amersfoorts-Broms waren en verder in Nederland onbekend. Prachtig, zo voelde ik het, dat in onze bijna 300-jarige sjoel de oude Brom blijft leven en hopelijk bij de viering van 300 jaar sjoel Amersfoort in 2027 zijn zelf gecomponeerde muziek zal klinken als onderdeel van de viering/herdenking.
Gisteren was een vrij rustige dag. Eerst een interview per zoom vanuit de Universiteit over de vraag of de Joodse Gemeenschap geloofsgenoten die afvallig worden als het ware uit de gemeenschap gooit. Uiteraard kwam Spinoza ter sprake, maar gelukkig wist de wetenschappelijke interviewer dat Spinoza niet door het toenmalige Rabbinaat in de ban werd gedaan, maar door het bestuur. Het wetenschappelijke onderzoek/interview werd door de Overheid bekostigd en moest in kaart brengen bij welke godsdienstige groepen kwesties als verbanning, bloedwraak en soortgelijke onacceptabele praktijken bestaan en hoe de Overheid hiertegen wel/niet kan optreden. Bij ons Joden valt dit allemaal nogal mee, hetgeen de onderzoeker feitelijk al wist omdat hij zelf ook Joods is. En toen hij had begrepen dat ik Joods was (hiervoor hoefde hij waarachtig geen hoogleraar te zijn) gingen we natuurlijk meteen aan de misjpologie en laten we nu inderdaad Mishpoche-wijs elkaar in de vorige generaties regelmatig tegengekomen zijn.
Maar er was toch nog iets dat me onrustig maakte. Mijn verhaal over de (zogenaamde) Iraanse vluchtelinge uit mijn vorige dagboek. Ik vertrouw haar niet, voor geen cent, en dat betekent dus voor mijn gevoel dat zij een potentieel gevaar zou kunnen zijn, een soort lopende tijdbom. Dat ze wacht op het juiste tijdstip… Maar iets anders, geheel onverwacht, gaf die zenuwachtigheid een extra dimensie.
Als de Thora over onreine beesten spreekt, dan noemt de Thora die beesten niet ‘onrein’, een negatieve benaming, maar worden ze genoemd ‘niet-koosjer’, een netter taalgebruik. En dus toen ik schreef in mijn vorige dagboek over de ‘naïeve vrijwilliger met een maatschappelijke achtergrond’, voelde die vrijwilliger zich beschaamd. Dat deed mij pijn, temeer omdat die beschaming volkomen onterecht was en zeker niet mijn bedoeling.
Hoe geef ik een gebeurtenis weer in mijn dagboek? Als het iets positiefs betreft dan noem ik naam en toenaam, man en paard, nadat ik daarvoor eerst eventueel toestemming heb gevraagd. Maar als het een uiterst gevoelige kwestie betreft dan verander ik naam, geslacht, leeftijd, geboorteland en situatie. Maar pas op: hoewel alles gewijzigd is, bijna alles dat veranderbaar is, geboorteplaats en geboorteland en het soms noodzakelijk was om twee aparte gebeurtenissen door mekaar te mengen opdat niemand herkend kan worden, dan toch nog: de boodschap, de les of de waarschuwing blijven ongewijzigd! En dus was de opgewonden boze mijnheer/mevrouw/neutraal onterecht geïrriteerd, temeer daar het land van herkomst van de vluchteling/vluchtelinge ook was aangepast. De boodschap bleef echter ongewijzigd: we moeten alertheid betrachten en waken voor naïviteit. Want tussen het koren zit helaas af en toe het kaf. Aan ons is het om dat kaf van ons koren te scheiden.
En als ik mezelf een spiegel voorhoud: toch voorzichtiger zijn met wat ik schrijf opdat ik niemand beschadig, ook niet onbedoeld en zeker niet in de nieuwe Joodse maand Elloel, de maand van bezinning en voorbereiding voor de Hoge Feestdagen.
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

Die kleine aankondiging in het NIW dat ik ben benaderd om voor Europa zitting te nemen in een speciaal Beth Din van de RCE, Rabbinical Center for Europe, met betrekking tot het uitzoeken van gecompliceerde gevallen van wel/niet Jood-zijn, is kennelijk niet onopgemerkt gebleven. Sinds die aankondiging word ik duidelijk vaker benaderd door mensen die denken dat ze Joods zijn, maar het niet kunnen aantonen. Het wordt dan voor mij een soort detectiveverhaal. Het gecompliceerde is om het kaf van het koren te scheiden. Het kaf van het koren?? Wat bedoelt Jacobs, hoor ik u denken.
Het is vanwege de vakantie een relatief rustige tijd voor mij. We wandelen meer dan gewoonlijk, waren gisteren met de kleintjes naar de Dierentuin in Amersfoort en hebben zelfs voor onszelf een abonnement genomen omdat we denken dat uitstapje Dierentuin voor herhaling vatbaar is. In Spakenburg, waar we eergisteren aan de avond-wandel waren, kwamen we in gesprek met een echtpaar uit Enkhuizen die lagen aangemeerd in de haven. Interessant te horen hoe gigantisch duur sommige vakantiebootjes kunnen zijn. Is het zinvol om zomaar met onbekenden te spreken, vraagt u zich wellicht af? Ik vind dat gewoon leuk want ik ben geïnteresseerd in mensen. Eigenlijk zijn die ontmoetingen, die praatjes die je onderweg met onbekenden maakt, vergelijkbaar met het bezoek aan een dierentuin, gewoon leuk. Maar los van het gegeven dat ik een gesprek met onbekenden die je zomaar tijdens een wandeling ontmoet, leuk en interessant vind, is het ook zinvol. De bootmensen kwamen dus uit Enkhuizen en dachten dat wij uit Antwerpen kwamen. Gewoon vriendelijk zijn tegen medeburgers die niet Joods zijn, kan geen kwaad en kan gerekend worden, naar mijn bescheiden mening, tot het creëren van goodwill voor al dat Joods is en dus ook voor Israël.
Wat ben ik dankbaar met mijn baantje. Af en toe (en vaker af dan toe) wordt er (on)nodige rotzooi over me uitgestort, maar zo gaat het nu eenmaal. Als er geen kritiek komt, pas dan moet ik me zorgen maken en mezelf afvragen of ik nog wel functioneer. Ik herinner me dat rabbijn Vorst en mijn persoontje samen (onbezoldigd) werkten voor Jad Achat, de educatieve afdeling van het NIK die opgericht was in 1977. Wij moesten/mochten deze door de Overheid bekostigde instelling invulling geven. Het was een groot succes. Dia’s, tapes, films, Joodse boeken en spelletjes. Later ontstond er in het gebouw van de Joodse Gemeente Amsterdam ook de bekende Jad Achat winkel. Het bleek een en al succes, niemand sputterde tegen, alleen maar lof. En dus vroegen we ons toen ernstig af: zijn we wel goed bezig? Maar gelukkig ontstond, net nadat we ons zorgen maakten over het succes, kritiek. Wat die kritiek omvatte herinner ik me niet meer, maar de essentie was dat er tegenstand was, teken dat we goed bezig waren.
De dagen voorafgaand aan 9 Aw, de zogenaamde negen dagen, ervaar ik jaar-in jaar-uit als vervelend en deprimerend. Negen Aw, is de dag waarop zowel de Eerste Tempel alsook de Tweede Tempel in Jeruzalem, werden verwoest, het begin van het Galoeth, het ballingschap waarin we ons nog steeds bevinden. Galoeth is niet alleen buiten de grenzen van het Heilige Land Israël, maar ook in Israël zelf. Totdat de komst van de Mosjiach, want dan zal er sjalom zijn in Israël en voor de gehele mensheid waar ook ter wereld. Maar tot die tijd… Als we voor een reguliere Jom Tov staan, is er voorbereiding op culinair gebied, Jom Tov kleding wordt klaar gelegd, het huis wordt opgepoetst en de passende speciale liederen voor Jom Tov galmen door de gangen, zeker als vader de chazan, (voorzanger) zal zijn. En naarmate het tijdstip van het begin van de Jom Tov nadert, de kaarsen al op tafel staan, beginnen de geuren van de speciale culinaire Jom Tov gerechten het huis meer en meer binnen te dringen. De voorbereiding voor shabbos.
De vakanties zijn inmiddels in vele delen van ons land aangebroken. Maar het is niet overal feest. De bij dit dagboek geplaatste foto lijkt op een gezellig uitstapje, mensen staan er blij op, bepakt en bezakt. Ze zijn ook echt blij, heeft de maker van de foto mij verzekerd. Maar ze gaan niet op vakantie. Ze vertrekken, laten hun achtergrond achter, vluchten uit Oekraïne voor het dreigende oorlogsgeweld. Onze Koen Carlier is bezig met reddingsactie nr. xxx. Deze mensen zijn dankbaar dat ze naar veiliger plaatsen kunnen ontsnappen, daarom kijken ze blij. Maar het is verre van een blij vakantie-uitstapje! Maar ook aan de Russische kant van de oorlog wordt gevlucht, sneuvelen jonge mannen omdat ze toevallig in Rusland woonachtig zijn. En wij maar blij zijn als we horen dat aan de Russische kant mensen zijn gesneuveld.
Over afwisseling niet te klagen. Maar voordat ik mijn dagboek begin en nog niet weet of ik het vanavond nog ga afmaken (het is al bijna middernacht!), wil ik eerst een aantal onmisbare vrijwilligers achter mijn dagboek-schermen bedanken. Op een aantal sites en facebooken worden mijn dagboeken geplaatst. De plaatsers, deels vrijwilligers en deels betaalde krachten, gaan ook met vakantie. Maar toch: allen, zonder uitzondering, hebben vrijwillig toegezegd om het dagboek te blijven plaatsen ondanks hun vakantie. Misschien, zo gaf een van hen aan, zal het een dag later dan gebruikelijk verschijnen, maar verschijnen zal het!
De onthulling van het monument voor de voormalige sjoel van Sneek was een groot succes. Een schitterend ontwerp dat een combinatie van leegte, warmte en wat-eens-was symboliseerde. De organisatie rondom de plechtigheid was subliem, de opkomst groot. Voeg daarbij de optimale weersgesteldheid en de conclusie is: het kon niet beter! Dat neemt natuurlijk niet weg dat de aanleiding een grote tragedie is. Niets meer over van wat eens een bloeiende Joodse Gemeente was. Ja, ik kreeg complimenten voor mijn toespraak (vanaf deze plaats ook lof voor de andere sprekers!) en mijn aanwezigheid heb ik zelf als nuttig ervaren. Maar: bijeenkomen om te herdenken wat uit ons midden werd weggerukt, ervaar ik emotioneel als pijnlijk. Ik kwam niet thuis met een voldaan gevoel, in tegendeel. Ik begon mezelf af te vragen of het geestelijk wel zo gezond is dat ik tijd besteed met herdenkingen en begon een excuus te zoeken om de dag na Sneek niet naar de Molukkenstraat in Amsterdam te gaan. Weer die oorlog, weer stilstaan bij onschuldige slachtoffers die vermoord moesten worden. Wat was er in de Molukkenstraat? Bij de jaarlijkse herdenking van het Apeldoornsche Bosch is ieder jaar, jaar in jaar uit, een niet-joodse accordeonist aanwezig die op zeer gevoelige wijze de muziek verzorgt. Hij doet dat zo goed dat ik menig keer zijn gegevens heb doorgegeven aan organisatoren van herdenkingen die op zoek waren naar passende muzikale begeleiding. En nu, geheel onverwachts, kreeg ik enige maanden geleden een verzoek van deze accordeonist om aanwezig te zijn bij de plaatsing van vier Stolpersteine die in Amsterdam in de Molukkenstraat voor zijn grootouders, zijn moeder en zijn oom zouden worden gelegd. Aan mij dan de vraag of ik een gebed wilde uitspreken en een daarbij behorende overpeinzing. En dus begreep ik dat als zijn grootouders vermoord waren in de oorlog vanwege hun Jood-zijn, onze niet-joodse muzikant Joods is. Uiteindelijk had ik besloten om toch maar wel te gaan en niet af te bellen met een of ander excuus, wetend dat ik er depressief van thuis zal komen. Voornaamste reden was niet omdat de accordeonist Joods is, maar dat als ik wel naar Sneek was gegaan, een grote bijeenkomst met veel publiciteit, en niet naar een kleine bijeenkomst, waar misschien nauwelijks iemand aanwezig zou zijn en er als het ware geen eer mee te behalen valt, dit enorm tegen mijn eigen principe zou indruisen. Waarom ga ik naar dit soort bijeenkomsten? Voor mezelf? Of om anderen, ongeacht of dat er honderd, tien of twee zijn, tot steun te zijn. En ook uit respect voor hen die herdacht worden. En dus belde ik niet af en bevond me donderdag jl. om 14:00 uur precies in de Molukkenstraat waar op de stoep (en deels op het fietspad) voor nummer 154 een grote meute stond te wachten op het begin van de plechtigheid. Mijn aanwezigheid werd enorm gewaardeerd. De moeder van mijn accordeonist heeft me na afloop van de plechtigheid het volgende doen toekomen: