Dagboek van de opperrabbijn, 28 juni 2026

Dagboek van de opperrabbijn, 28 juni 2026

Het was me het weertje wel. Heel slim werd er in Amersfoort besloten om de sjoeldienst op sjabbat te vervroegen om de allerergste hitte tijdens verblijf in sjoel te vermijden. Prima oplossing en prima benadering: wat het weer ook moge zijn, de sjoel draait door, zoals ook de hele coronaperiode niet één dienst is weggevallen. Toen hadden we de locatie aangepast, nu de aanvangstijd.
Voordat ik vandaag, zondag, mijn trip naar het Seminarie Redemptoris Mater, op Blankenberg, met u deel, eerst even het volgende bericht dat ik via Google Alert vrijdag in de vroege uurtjes ontving:
“Brussel: Europees Rabbinaal Centrum waarschuwt voor lichaamsscans
Het Rabbinical Centre of Europe (RCE) in Brussel waarschuwt voor bodyscanners die steeds vaker op luchthavens zullen worden geplaatst. De RCE is van mening dat het gebruik van dergelijke “full-body” scanners – waarvan de installatie werd versneld na de mislukte aanval op een vliegtuig naar de Verenigde Staten op 25 december – “de rechten van religieuze vrouwen schendt, wier bescheidenheid in gevaar zal komen”.
De RCE zegt de bezorgdheid om de veiligheid van passagiers te waarderen, maar raadt aan dat mannen door mannen worden gefouilleerd, en vrouwen door vrouwen.” “Full-body” scanners kunnen door iemands kleding heen kijken en zo wapens onder kleding detecteren, maar het onthult ook de intimiteit van mensen die aan dit type apparaat worden blootgesteld.
Nederland gebruikt al een aantal van deze scanners en heeft aangekondigd dat het al zijn luchthavens ermee wil uitrusten na de aanval van een jonge Nigeriaan die van Amsterdam naar Detroit vloog.
De Nederlandse opperrabbijn Binyomin Jacobs, vertelde aan de Israëlische krant Ha’arets dat hem was verzekerd dat het beeld dat door de scanners wordt geproduceerd eerst wordt geanalyseerd door een computerprogramma. “Menselijke operators zijn alleen betrokken als de scanners aangeven dat er een risico is,” zei hij. Hij gelooft dat dit in zijn ogen een redelijke en haalbare oplossing is.”
Nu weet ik dat mijn geheugen niet altijd even optimaal functioneert, maar toch weet ik zeker dat ik Ha’arets de laatste maanden niet heb gesproken. Op de website van RCE, mijn Europese rabbijnen-club, ben ik ook gaan zoeken, maar niets gevonden. Ik snapte er dus niets van, tot ik ben gaan kijken naar het bovenste regeltje van het bericht en las ik tot mijn verbazing: Brussel, 11 januari 2009! Inmiddels dus zeventien jaar geleden en dus begrijpelijk dat ik het niet meer vers in mijn geheugen had. Waarom deze Google Alert nu pas mijn laptop bereikte is mij ten enenmale onduidelijk, maar het leert ons wel een les. Bij een computer bestaat dus kennelijk geen vergeten, alles wat de computer eens heeft vergaard aan kennis, blijft vastliggen. Als dat al zo is met een door mensen vervaardigd instrument, dan zeker is dat zo bij de Schepper van de wereld waarin wij leven, waarvan de computer slechts een piepklein onderdeel is. En wat doe ik met deze kennis: alert-zijn en alert-blijven en weten dat alles wat we op deze aardbol, verbaal of fysiek, neerzetten, blijft! Als Google Alert het kan opmerken, zelfs zeventien jaar na dato…
Recentelijk zijn mij twee vrienden ontvallen: Jaap Cyklik en Rob Falk. Beiden mensen die geen vlieg kwaad deden, altijd klaarstonden om waar nodig te helpen. Indien er voor hen een google-alert zou hebben bestaan dan zouden er gigantisch veel en uitsluitend positieve meldingen zijn verschenen. Beiden heb ik nooit kunnen betrappen op boosheid, op onwil, op egoïsme. Jaap kende ik reeds vanaf mijn bar-mitswa. Iedere sjabbat-middag kwamen we (Jaap, Loek Witzenhausen, Stern en ik) bij meneer A. Salomons jr. om de Sidra van de week te lernen van half drie tot vier uur. Week in, week uit, jarenlang. Salomons was een leerling van de vooroorlogse populaire rabbijn De Hond, de volksrabbijn die niet en nooit zat vastgekleefd aan zijn rabbinale zetel, maar voor ieder die dat nodig had dag en nacht klaarstond. Ik weet zeker dat mijnheer Salomons op ons beiden, Jaap en ik, grote invloed heeft gehad. Woensdag zal er in Zwolle o.l.v. rabbijn Spiero een herdenkingsdienst worden gehouden in ‘zijn sjoel’.
Rob verscheen veel later in mijn leven. Hoe en waar we elkaar voor het eerst hebben ontmoet kan ik me niet meer voor de geest halen, maar we hadden een diepe vriendschap, een vertrouwensrelatie. Hij was steeds op zoek naar mogelijkheden om de medemens te helpen, niets was te veel. Hij heeft op eigen kosten ‘Zinvol leven’ vanuit het Engels naar het Nederlands laten vertalen en hiermee velen die op zoek waren naar een zinnige invulling van hun dagelijks bestaan, kunnen helpen. Als er een Google-Alert met zoekfunctie ‘zinvol leven’ zou hebben bestaan, zouden Rob en Jaap er beiden uitspringen.
Mijnheer Salomons, zo werd hij genoemd. Waarom noem ik hem ‘mijnheer’ en niet ‘rabbijn’, hoor ik u denken. Regelmatig wordt mij gevraagd hoe de aanspreektitel is van een rabbijn. In het Engels is het onbeschoft om een rabbijn met ‘mister’ aan te spreken, maar in het Nederlands is het gewoon ‘mijnheer’. De reden dat ik dit te berde breng is omdat ik na meer dan vijftig rabbinale jaren een nieuwe aanspreektitel heb ontvangen. Tot vorige week vrijdag behoorden ‘weleerwaarde’, ‘eerwaarde’ en ‘rabbi’ tot de meest gebruikelijke en ‘excellentie’ en ‘eminentie’ tot de sporadische. Maar er is nu een nieuwe bijgekomen. Ik ontving een e-mail in het Arabisch, althans zo zag het eruit. Van dezelfde afzender ontving is enige seconden later een in gebrekkig Nederlands geformuleerd verzoek, waarschijnlijk de vertaling van de eerdere e-mail. De aanspreektitel was ‘Vader’. In eerste instantie vertrouwde ik de e-mail totaal niet en dacht ik dat afzender zich uitgaf als een nazaat van mij, hetgeen wel vaker voorkomt. Maar na zorgvuldige lezing en herlezing bleek de hulpvraag eerlijk en oprecht te zijn en werd ik als ‘Vader’ aangesproken vanwege de oosters-orthodoxe kerk waartoe hij behoorde. Ik ga proberen zijn hulpvraag te beantwoorden, als een zorgzame Vader.
En nu zit ik dan in de auto op de terugweg naar huis. In de Blankenberg in Cadier en Keer werd afscheid genomen van Stanisław Kielek. Vele decennia was hij de rector van de priesteropleiding Seminarie Redemptorist Mater in het bisdom Roermond. Zijn gezondheid is helaas dusdanig fragiel geworden dat hij zich terugtrekt als rector om, zoals hij zelf verwoordt, priester te worden van de Missio ad Gentes in Antwerpen. De vele priesters die onder zijn rector-schap de wereld zijn ingetrokken, hebben allen een diepe liefde voor het Joodse volk meegekregen. Er bestond een hechte band met de Joodse gemeenschap in Limburg. Hij was een vriend van Israël. Met mijn aanwezigheid bij zijn afscheid, waar ik ook een dankwoord heb uitgesproken, scoor ik niet. Integendeel! Velen zullen zich afvragen of mijn dagje Zuid-Limburg (426 km) wel zo noodzakelijk was. Heeft Jacobs niets beters te doen dan meer dan vijf uur in de auto te zitten om een toespraakje te houden en afscheid te nemen van een vertrekkende katholieke rector? En toch ben ik gegaan met als enige doel om hem te bedanken voor zijn decennialange steun, vriendschap en waar nodig inzet voor de Joodse Gemeente Limburg. Als Joodse Gemeenschap moeten we onze vriendschap koesteren. Gelukkig was ik niet de enige vanuit de Joodse gemeenschap die zo dacht. De voorzitter van de Joodse Gemeente Limburg, Ernst de Reus, was met echtgenote aanwezig, de ex-voorzitter Benoit Wesly en ook legerrabbijn Menachem Sebbag met echtgenote.

Dagboek van de Opperrabbijn 24 juni 2026

Dagboek van de Opperrabbijn 25 juni 2026
Maandag was ik wederom in de Residentie van de ambassadeur van Duitsland aan de Lange Vijverberg in Den Haag. Nu niet voor Koning Willem-Alexander, niet voor de Bondspresident van Duitsland, maar voor Paul Joseph, voorzitter van het ressort Nederland Midden, voormalig voorzitter van de Centrale Commissie van het NIK, voormalig voorzitter van de Joodse Gemeente Bussum en nog een aantal bestuursfuncties die me wellicht al schrijvend aan dit dagboek te binnen schieten. Hem is een hoge onderscheiding ten deel gevallen vanwege zijn inzet op educatief gebied in Duitsland alwaar hij sinds jaar en dag scholen bezoekt om de jeugd deelgenoot te maken van hetgeen hem in de Holocaust is aangedaan.
“De Orde van Verdienste wordt toegekend aan Duitse en buitenlandse burgers voor politieke, economische, sociale en intellectuele verdiensten, alsook voor alle bijzondere diensten aan de Bondsrepubliek Duitsland, zoals op sociaal en charitatief gebied. Het is de enige algemene verdienstorde in Duitsland en daarmee de hoogste erkenning die de Bondsrepubliek verleent voor diensten aan het algemeen belang”. De tekst vervolgt dan: “Aan de toekenning van de Orde van Verdienste is geen geldprijs verbonden” en dat vind ik dan weer jammer, want ik had nog wel een paar projecten in mijn gedachten die een tiende van het grote geldbedrag dat Paul Joseph had kunnen ontvangen, goed hadden kunnen gebruiken. Mais non, helaas. Maar desondanks mag Joods Nederland trots zijn met deze onderscheiding. Blouma en ik voelden ons bijzonder vereerd dat we ons mochten rekenen tot het selecte gezelschap genodigden!
Het was overigens niet het eerste Paul-Joseph-feestje dat wij aanwezig waren. Toen Paul de tachtigjarige leeftijd bereikte, en dat is alweer heel wat jaartjes geleden, waren wij ook aanwezig en dat was bijzonder. Bijzonder? Ja, bijzonder! Ik leg het uit: Wij Nederlanders zijn erg goed in het oprichten of in-stand-houden van complexe organisatiestructuren onder het motto van ‘waarom eenvoudig doen als het ook ingewikkeld kan?’. Traditioneel-Joods-Nederland heeft qua ledental de grootte van een Small Community in Engeland. En dus zou het passend zijn als we in Nederland één Opperrabbinaat en één bestuur zouden hebben en een aantal lokale sjoel-commissies. In plaats daarvan beschikken we over een Permanente Commissie, daaronder een Centrale Commissie, waarvan Paul dus jarenlang de voorzitter was en nog steeds deel uitmaakt (tot honderdtwintig, wensen we hem toe). Onder deze koepelorganisatie bevinden zich vijf ressorten met een ressortaal bestuur en in ieder ressort zijn dan weer de lokale Joodse Gemeenten die veelal beschikken over een dagelijks bestuur en een raad. Onder die raad treffen we dan diverse commissies die de dagelijkse taken uitvoert waaraan een Gemeente behoefte heeft en tenslotte vinden we dan onder die commissies eindelijk de leden. In de halve eeuw dat Blouma en ik Joods Nederland mogen dienen, hebben we al diverse mislukte pogingen meegemaakt die tot doel hadden om Joods-Nederland te bevrijden van een overdosis aan bestuurlijke lagen, maar tot op heden zonder resultaat. Bij de laatste poging die van de vier ressorten één ressort wilde maken, liep er iets helemaal mis. Mijn ressort, dat het Interprovinciaal Opperrabbinaat heette, werd al ruziënd in twee ressorten gesplitst: Ressort Nederland-Midden en Ressort Mediene. Een van de bestuurlijke splitsers was, u raadt het al, onze Paul die dan ook meteen tot voorzitter werd benoemd van Nederland-Midden. Hoewel ik mij als rabbijn niet met bestuurlijke aangelegenheden hoor te bemoeien (maar daar ben ik niet zo goed in!) en die splitsing in mijn ressort mijns inziens overbodig was, vond die splitsing wel zijn doorgang en werd ik automatisch de opperrabbijn van twee ressorten in plaats van gewoon één! Paul Joseph en mijn persoontje stonden in deze tegenover elkaar. Het leek erop dat Ressort-voorzitter en Opperrabbijn gebrouilleerd waren, want we verschilden van mening. Maar desondanks, en dat is helaas in Joods-Nederland een unicum, werden Blouma en ik natuurlijk wel naar zijn tachtigjarig feestje uitgenodigd en natuurlijk hebben we acte de préséance gegeven! Tegenover elkaar staan, maar desondanks de vriendschap behouden, geeft de verhouding weer tussen Bestuurlijk-Joseph en Rabbinaal-Jacobs! Dank beste Paul voor onze jarenlange vriendschap en je steun, ook als je het niet met me eens bent.
Gisteren was een dag van bemoedigingen ontvangen en bemoedigingen uitdelen. In de ochtend hadden Yanki en ik in onze hoofdstad een ontmoeting met een topper uit de Nederlandse politieke samenleving. Wat bedoeld was als een ontmoeting werd geheel onverwacht een gratis buitengewone spoedcursus ‘omgang met bestuurlijke complexe structuren’. Een en al bemoediging.
In de middag was het precies andersom. Ik bevond mij in Leusden op de Politieschool naast Kamp Amersfoort. Het Team Bewaken Beveiligen Midden Nederland was bijeengekomen. Zij hebben o.a. tot taak om Joodse gebouwen, huizen en begraafplaatsen te beschermen. Aan mij was het om hen te bemoedigen, te danken voor hun inzet maar vooral uitleg te geven over de structuur van Joods Nederland. Maar niet alleen over structuur, ook over Joden als individu, over interne diversiteit en over lotsgebondenheid. Het werd een mooi gesprek met goede vragen, schurende opmerkingen en bovenal: wederzijds vertrouwen.
En toen aan het eind van de middag mijn koffertje gepakt en richting Brussel gereden waar ik vandaag heb deelgenomen aan een symposium over de Brit Mila:
EJA-conferentie over besnijdenis, Godsdienstvrijheid en de toekomst van het Joodse leven in België. Ik mocht de dag-spits afbijten vanuit een godsdienstig panel
➢ Chief Rabbi Jacobs, Chairman of EJA Committee Against Antisemitism:
1. Waarom is de besnijdenis onmisbaar binnen het jodendom en hoe zou het Joodse leven eruitzien zonder deze praktijk? 2. Betekent godsdienstvrijheid enkel de vrijheid om te geloven, of ook de vrijheid om essentiële religieuze verplichtingen uit te oefenen?
➢ Imam Nordine Taouil, President of RMG Muslim Scholars of Belgium:
3. Waarom is de besnijdenis ook belangrijk binnen de islam en wat zegt dit over de impact van deze discussie op religieuze minderheden? 4. Hoe moeten democratische samenlevingen respect voor minderheidstradities verzoenen met bezorgdheden die leven bij delen van de meerderheid?
➢ Rev Rik Hoet Episcopal Vicar for Ecumenical Dialogue and President of Belgian Catholic Commission for Dialogue with Judaism:
5. Moeten overheden zich vanuit het oogpunt van godsdienstvrijheid mengen in eeuwenoude religieuze praktijken waarvoor geen aantoonbare maatschappelijke schade bestaat? 6. Godsdienstvrijheid beschermt alle geloofsgemeenschappen. Moeten christelijke kerken de Joodse en islamitische gemeenschappen in dit debat publiek steunen, en heeft de Kerk de verantwoordelijkheid om zich uit te spreken wanneer de religieuze vrijheden van andere geloofsgemeenschappen onder druk komen te staan
De conclusie van de conferentie, na medici, politici, juristen en mohalim gehoord te hebben, was overduidelijk. Het verbieden van de Brit Mila betekent het eind van Joden en Jodendom in België en in ieder land waar ons een van de meest belangrijke geboden zou worden ontnomen. De aanval op Brit Mila is geen aanval op het Joodse geloof, maar een aanval op de Joodse identiteit en op de Jood als persoon, ongeacht zijn niveau van religiositeit. De aanval op de Brit Mila en op de professioneel opgeleide en gecertificeerde Moheel is niet gebaseerd op bezorgdheid over het welzijn van het kind, maar komt voort uit ‘de waan van de dag’ zoals een van de panelleden, een jurist, vermelde. Een ander panellid, ook een jurist, gaf aan dat hij nooit had verwacht na de Holocaust de Brit Mila nog te moeten verdedigen en dat die aanval geen aanval is op de Brit Mila maar op de Jood als Jood, antisemitisme pur sang. Van ons, de Joodse gemeenschap, wordt ook iets verwacht, zoals Katharine von Schnurbein, European Commission Coordinator on Combatting Antisemitism and Fostering Jewish life, zo duidelijk en fijntjes verwoordde: onderlinge eenheid, ondanks de diversiteit!

dagboek 21 juni 2026

Dagboek van de opperrabbijn 21 juni 2026

Dit is geen AI-dagboek!
Om meer dagboeklezers te lokken werd mij geadviseerd om AI, Artificial Intelligence, op mijn dagboek los te laten. Hoewel de adviseur dat in alle oprechtheid aanbeval, heb ik weloverwogen besloten om zijn aanbeveling een aanbeveling te laten en gewoon mezelf te blijven. Maar, zo hoor ik voorstanders van AI denken: “je kunt zoveel voorkeuren intoetsen dat het dagboek helemaal je eigen dagboek blijft.” En daarin verschil ik dus van mening! Op onze Jacobs-familiegroep ontstond een discussie over de vraag of het juist is om via AI het portret van de Rebbe ta laten maken. Even een korte uitleg: Vorige week was de Jaartijd, de overlijdens dag, van de Lubavitcher Rebbe. Mijn Amerikaanse schoondochter, een hoogopgeleide onderwijsspecialist, vroeg zich af of het juist en Halagisch, Joods-wettelijk, geoorloofd is om met AI een foto van de Rebbe te maken. Haar vraag veroorzaakte een levendige discussie. Een van de voorstemmers vroeg zich af wat het verschil zou zijn tussen een prachtig schilderij van de Rebbe en een AI-foto, beiden zijn niet echt. Maar hier ligt mijns inziens juist het essentiële verschil. Het schilderij is weliswaar geen foto, maar is wel het product van de menselijke kijk van de schilder op de Rebbe, hoe hij tegen hem aankeek. In een afbeelding die door AI is gefabriceerd, zelfs als de foto een onnavolgbare gelijkenis vertoont, ontbreekt de menselijke inbreng, het is als een lichaam zonder ziel en het is juist die bezieling die niet mag ontbreken op de dag van de Jaartijd. En dus, mijn trouwe dagboekenier, zult u het met mijn gewone dagboek moeten doen. Misschien zal een AI-dagboek beter ogen, maar het blijft als een lichaam zonder ziel, terwijl het voor mij juist gaat over de bezieling en niet over de verpakking.
Woensdag hadden we maar liefst drie predikanten op bezoek, ds. van den Houten, ds. Hoolwerf en ds. Leon. Samen vormen zij het dagelijks bestuur van de Protestantse Raad voor Kerk en Israël. Ons gesprek ging niet over politiek en zelfs niet over Israël, maar o.a. over de vraag: wat is een opperrabbijn? In het gesprek werd door mij deze vraag met een wedervraag beantwoord: wat is een dominee? Als geestelijk verzorger in de gezondheidszorg heb ik namelijk niet-joodse collega’s ontmoet die weliswaar zich dominee noemden, maar aangaven niet in G’d te geloven. Voor mij is zo’n dominee de facto een maatschappelijk werker, maar dan in de salarisschaal van een geestelijk verzorger. Het gesprek met de drie was goed en vol inhoud. Juist in deze periode van ontembaar en omhoogschietend antisemitisme, is de dialoog en de ontmoeting van essentieel belang. Onze bijeenkomst was respectvol en vol bezieling. Dank voor de ontmoeting, weleerwaarde collega’s!
Donderdag was het voor mij een e-mail-afwerk-dag en voorbereiding voor de choepa, huwelijksinzegening, van zondag. De ketoeba, de huwelijksacte, moest worden ingevuld en vervolgens, om het er netjes uit te laten zien, naar de drukker. Dat was in een paar uurtjes geregeld. Wat vele uren en stress kostte was de toespraak. Want de laatste jaren schrijf ik geen toespraken meer op, maar spreek ik uit het hoofd en uit het hart, nagenoeg onvoorbereid. En hoewel hieraan het risico kleeft dat ik met m’n mond vol tanden kom te staan, prefereer ik de ter plekke ontstane en spontane toespraak boven een vooraf neergeschreven tekst. Maar bij een choepa gaat dat niet lukken. Wíe vermeld ik wel, en wie niet? En ook, wat wel en wat niet? Juist een toespraak bij een choepa blijft bij en is eenmalig, met als negatief bijverschijnsel dat een verkeerd woord daardoor onuitwisbaar wordt en het bruidspaar hun verdere leven kan blijven achtervolgen. Dus, een zorgvuldige voorbereiding is vereist!
Grote zorgvuldigheid is ook geboden bij het gesprek en de ontmoeting met mede-Joden die, als gevolg van de oorlog, bij christelijke onderduikouders zijn grootgebracht en daardoor hun Jodendom nooit hebben meegekregen. Na de oorlog hebben familieleden, overlevenden, gepoogd om hun neefjes en nichtjes die als weeskinderen waren achtergebleven terug te brengen binnen de Joodse gemeenschap en bij het Joodse geloof. Ingewikkeld, want de duikouders hadden ‘hun kinderen’ wel gered en de kinderen wisten meestal niet anders dan dat hun duikouders hun echte ouders waren. Deze Joodse kinderen gingen uiteraard mee naar de kerk want niemand mocht natuurlijk weten dat deze duikkinderen niet de kinderen van de duikouders waren. Maar na de oorlog kwam het dilemma. Ooms en tantes probeerden de kinderen van hun broers en zusters die niet waren teruggekeerd, terug te brengen naar de Joodse gemeenschap. Hun echte ouders hadden dat zeker gewild, maar de Nederlandse wet stak daar een stokje voor. Ik weet van mijn eigen grootouders hoe ze tot aan de rechtbank toe gepoogd hebben om neefjes en nichtjes terug te krijgen. Maar, zo laat ons de geschiedenis van de Nederlandse rechtszaken zien, bijna nooit mochten de Joodse kinderen Joods blijven. Eergisteren heb ik zo’n verdwaalde christelijk-Joodse vrouw ontmoet. Zij, een inmiddels hoogbejaarde vrouw, belde mij. Ik had haar al eens ontmoet, naar ik meen in Nijmegen, bij het aansteken van de Menora. Het klikt tussen ons, haar Joodse wortels is ze niet vergeten en de kerk heeft ze niet verlaten… Haar kinderen en sommigen van de kleinkinderen zijn Joods. Sommigen, want Joods-zijn loopt via de moeder en dus zijn de kinderen van haar dochters Joods maar van haar zoon niet. En terwijl ik nog nauwelijks de hoorn op de haak had gelegd, werd ik door een niet-Joodse vriend geattendeerd op een andere Joodse verdwaalde overlevende die al niet meer tussen ons is, maar nazaten heeft/had, waarvan enkelen terug willen naar hun roots, ook uit respect voor hun grootouders die in Sobibor werden vermoord. Maar de weg terug is lastig zonder richtingwijzer. Aan mij is het nu om een zorgvuldige GPS te zijn, met begrip voor de situatie waarin ze zijn beland en waar ze dus kennelijk moeten/moesten zijn.
Omdat mijn digitale agenda de nieuwe week laat beginnen op maandag, eindig ik dit dagboek op zondag.

Een choepa! Een bruiloft van een bruidspaar dat niet alleen voornemens is om samen de toekomst in te gaan met en voor elkaar, maar dat duidelijk ook iets wil betekenen voor de Joodse gemeenschap en daardoor ook voor de samenleving in haar volle breedte. Beiden hebben ze een goede fulltime baan en beiden hebben ze ook een invloedrijke hobby. De chatan, de bruidegom, gaat voor voetbal, de kalla geeft zich volledig voor het gezin, als hoeksteen van de samenleving.
Hoewel ik geen groot kenner van de voetbalwereld ben, weet ik wel dat een voetballer steeds het juiste doel voor ogen moet hebben. Maar welk het juiste doel is wordt bepaald door afkomst: land, woonplaats, het gezin.

Beste dagboekenier, u begrijpt de boodschap en de wens die ik het bruidspaar heb meegegeven alvorens ik hen heb mogen zegenen met de aloude priesterzegen waarin we G’d vragen om chatan en kalla de echte sjalom, fysiek en geestelijk, te schenken.

dagboek van de opperrabbijn 15 juni 2026

Dagboek van de opperrabbijn 15 juni 2026
Paniek! Eerst zat er een virus of zoiets in mijn laptop en nadat dit professioneel was verwijderd door mijn trouwe ‘eerste hulp bij storingen, Avi’, heeft mijn mobieltje het begeven. Ik ben dus sinds gisteravond uitsluitend op mijn gewone telefoonnummer bereikbaar of via e-mail of Whatsapp telefonisch en digitaal als ik achter mijn laptop zit. Maar laat ik beginnen u allen een Chodesj Tov, een goede maand, te wensen want vandaag (maandag) en morgen (dus dinsdag) is het Rosj Chodesj. De nieuwe Joodse maand, genaamd Tammoez is begonnen. Op 17 Tammoez beginnen de zogenaamde Drie Weken die overgaan in de Negen Dagen. Maar wat hiermee bedoeld wordt, zal ik zeker naar verwachting in een later dagboek bespreken. Maar het heeft alles te maken met de strijd om Jeruzalem, de vernietiging van zowel de eerste als de tweede Tempel, de ballingschap waarin we ons nog steeds bevinden en dat momenteel wel erg wordt gevoeld. Maar uiteindelijk: Am Jisraeel Chaj, het Joodse volk leeft en overleeft!
Donderdagochtend was de lewaja van Rob Falk zl. Jarenlang was hij mijn bestuurder, en zette hij zich in voor Joods Nederland. Toen hij nog de beschikking had over veel en eerlijk verdiend geld, kon er altijd een beroep op hem worden gedaan en liet hij op zijn kosten “Zinvol Leven” drukken dat al snel uitverkocht was en nu alleen nog antiquarisch te verkrijgen is. Ik denk dat zijn kinderen, beide zussen en zijn vriendin Jessica tevreden waren met de wijze waarop Rob naar zijn laatste rustplaats werd begeleid. Een door en door goed mens die altijd en voor iedereen klaar stond, mocht ik naar zijn laatste rustplaats begeleiden.
’s Avonds een totaal andere bijeenkomst: een receptie in de residentie van de Duitse ambassadeur ter gelegenheid van de het bezoek van de Bondspresident Frank-Walter Steinmeier en zijn echtgenote. Onze koning en koningin waren ook aanwezig. Het was een prachtige bijeenkomst. Het programma? Een paar toespraken, kort maar bondig, en twee muzikale bijdragen. En verder? Netwerken! Meer en meer besef ik hoe belangrijk contacten zijn, juist nu met het opkomend antisemitisme. Dat Koning Willem-Alexander aan de goede kant zit wanneer het de Joodse gemeenschap betreft, is bekend. Maar in het spontane gesprekje dat ik met Zijne Majesteit mocht hebben werd dat weer eens overduidelijk bevestigd, hoewel het geen bevestiging behoefde. Als zoon van Prinses Beatrix en Prins Claus is dat ook niet zo verwonderlijk. Hun sympathie voor Israël en de Joodse gemeenschap was alom bekend. Toen ik kennelijk langer dan verwacht met Zijne Majesteit sprak en hem een seintje werd gegeven om ook anderen de gelegenheid te geven, gaf de koning aan dat de anderen maar even moesten wachten. Toeval bestaat niet en dat deze week de Sidra Korach centraal staat is dan ook niet verwonderlijk. Korach kwam in opstand tegen het gezag van Moshe en Aharon. Waarom waren zij de leiders? Waarmee zijn zij meer dan de rest van het volk? Ja, alle mensen zijn gelijkwaardig. De hoogleraar is net zoveel mens als de schoonmaakster die op de universiteit de vloer dweilt. Maar gelijkwaardig is niet hetzelfde als gelijk. Een samenleving zonder gezag ontaardt in een samenleving waar iedere vorm van respect afwezig is, waar een eenvoudige politieagent zijn taak niet meer naar behoren kan uitvoeren, waar criminaliteit de wet bepaalt en drugshandel, prostitutie, en bedreiging verworden tot het gewoon. Wij mogen dankbaar zijn dat wij een koning en koningin hebben. Het is niet voor niets dat we iedere sjabbat het gebed voor het koninklijk huis uitspreken en Halagisch verplicht zijn de wet van het land te respecteren.
Zondag was mijn RCE-Brussel-dag. Als lid van het dagelijks bestuur van de RCE, de Rabbinical Center of Europe, helpen wij lokale rabbijnen met Halagische problemen die ze zelf vanwege de complexiteit niet kunnen oplossen. We zijn dus een soort rabbinale vakbond, maar dan wel aanzienlijk minder links dan de Nederlandse vakbonden. De afspraken die ik in Brussel zondag had, was dan ook met (jongere) collega’s die werkzaam zijn in plaatsen waar geen Beth Din is en geen gezag dragend rabbinaat. Een voorbeeld van een niet-alledaagse vraag die mij werd voorgelegd: een psycholoog die inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt wil toetreden tot het Jodendom. Omdat Jodendom het van geen kant aanmoedigt om Joods te worden omdat er niets mis is om niet-Joods te zijn, worden de nodige barricades opgeworpen, testen om te zien of de kandidaat oprecht is met zijn/haar verzoek. De betrokken psycholoog is volgens de jonge rabbijn oprecht en heeft geen bijbedoelingen. Probleem is echter dat hij een niet-Joodse echtgenote heeft die absoluut niet Joods wil worden en dus wonen ze al vele jaren niet meer samen. Maar burgerlijk zijn en blijven ze wel een echtpaar vormen vanwege uitkeringen die ze bij scheiding zullen verliezen… Met andere woorden: van ons wordt gevraagd om mee te gaan in een financieel dubieus handelen. En daaraan gaan we niet meewerken. Jammer voor de psycholoog, maar we moeten ons Halagisch bezien onderwerpen aan de wetten van het land van inwoning.
Het is nu in de late uurtjes van vandaag, maandag. Ik mocht weer aanwezig zijn in het Volkspark te Enschede voor de jaarlijkse herdenking van de Genocide op de Arameeërs die in 1915 plaatsvond. Als vele jaren mag ik daaraan deelnemen en een toespraak houden. Meer dan zeshonderd aanwezigen! Hun verhaal, hun geschiedenis lijkt zoveel op onze Joodse historie. Het zijn christenen die door de eeuwen heen vervolgd werden. Gelijk ik vaak een complimentje krijg dat ik zo goed Nederlands spreek, zo worden zij door de grote onwetende meerderheid van onze samenleving gezien als moslims, terwijl juist de moslims hun bestaan onmogelijk maakten met als dieptepunt de genocide van 1915. Waarbij ik hier meteen een kanttekening plaats: dé moslims bestaan niet. We mogen niet generaliseren! Maar de genocide heeft wel plaatsgevonden door de voorlopers van de huidige Turken, maar natuurlijk niet door alle stromingen binnen de Islam! Ik begon mijn toespraak met het benadrukken dat ik niet open met “geachte aanwezigen”, maar met “Broeders en Zusters”. Applaus volgde! Meer dan andere jaren voelde ik de verbondenheid. Hun genocide wordt nog steeds ontkend. Zeventig procent werd vermoord. Het waren de ouders van de aanwezige ouderen en de groot- en overgrootouders van de jongeren. Het gebeuren heeft zich meer dan honderd jaar geleden afgespeeld. Er is dus geen sprake meer van verse wonden. Maar het ontkennen is als een gapende open wond. En daarom voelde ik me dit jaar nog meer verbonden. Niet omdat de verhalen van vervolging nagenoeg identiek zijn aan onze verhalen uit de jaren ’40-’45, maar vanwege de ontkenning. Auschwitz zou niet hebben bestaan en het aantal vergaste en vermoorde Joden zou ‘slechts’ een paar honderdduizend bedragen, geen zes miljoen. Ik voelde me zo thuis tussen mijn “broeders en zusters”. De voordracht van de achterkleindochter die het leven van haar overgrootvader beschreef, was bijna identiek aan de geschiedenis van mijn ouders en grootouders (in Nederland) en de ouders en grootouders van mijn Blouma in de Sovjet-Unie…
Broeders en zusters: G’d zegene jullie!

Dagboek van de opperrabbijn 10 juni 2026

Het waren wel redelijk afwisselende dagen die ik achter me heb. Het begon zondag met een voorbespreking met chatan en kalla, bruid en bruidegom. Even een tussendoortje: de vertaling van chatan is bruidegom en van kalla luidt bruid. Het ware dus logischer geweest indien ik zou hebben geschreven (1) chatan en (2) kalla, (1) bruidegom en (2) bruid in plaats van (1) chatan en (2) kalla, (2) bruid en (1) bruidegom. Maar omdat we in het Hebreeuws van rechts naar links schrijven heb ik dus bij de Nederlandse versie een andere volgorde gehanteerd. Mocht u er geen wijs uit kunnen worden wat ik precies bedoel, schaam uzelf niet, want ikzelf kan het ook bijna niet meer volgen!
Vanwege het gezeur met GelreDome en die zanger had ik vorige week dagelijks contact met de eerste burger van Arnhem, Ahmed Marcouch. En dus heb ik hem twee foto’s van het heldhaftig weghollende knaapje toegestuurd, want mijn camera’s hebben behoorlijk plichtsgetrouw hun film-taak uitgevoerd. Nou zit ik met de vraag of het wettelijk en menselijk is toegestaan om de foto’s te publiceren vanwege schending van de privacy en omdat het knaapje een kind is. Maar los van menselijkheid mijnerzijds: het knaapje mag wel een inbreuk doen op onze privacy, maar als ik zijn privacy zou schaden (hetgeen ik dus absoluut niet wil doen vanwege zijn jonge leeftijd) dan zou ik meteen en met veel bombarie een proces aan mijn broek hebben wegens het opzettelijk en met voorbedachten rade beschamen van het snotaapje! Van een wijkagent, die mijn wijkagent niet meer is, mag ik hem absoluut geen snotaapje noemen want dat is discriminatie. Wat er discriminerend is aan een snotaapje is mij volstrekt onduidelijk want er bestaan niet uitsluitend moslim-snotaapjes. Er zijn zeker ook christelijke snotapen en zelfs Joodse……. En zie hier een deel van de reactie van burgemeester Ahmed Marcouch:
Met grote verontwaardiging heb ik kennisgenomen van de intimidaties waaraan u als Opperrabbijn, uw gezin en bezoekers worden blootgesteld. Het is volstrekt onacceptabel dat kinderen, sommigen nog geen tien jaar oud, zich schuldig maken aan het gooien van troep in de tuin, het trappen tegen de deur, antisemitische uitlatingen en andere beledigingen. Dit is geen kattenkwaad; dit is doelbewust en stelselmatig grensoverschrijdend en crimineel gedrag dat angst en onveiligheid veroorzaakt. Antisemitisme, in welke vorm dan ook, hoort geen plaats te hebben in onze samenleving. Dat dit zich afspeelt bij iemand thuis, op de plek waar men zich juist veilig zou moeten voelen, maakt het des te ernstiger. Ik doe een dringende oproep aan ouders om hun verantwoordelijkheid te nemen. Kinderen leren hun normen en waarden niet alleen op school of op straat, maar allereerst thuis. Ouders moeten hun kinderen hierop aanspreken, corrigeren en duidelijk maken dat haat, intimidatie en respectloos gedrag nooit acceptabel zijn.
Wel een tegenstelling: de voorbereiding tot de choepa enerzijds en poging tot deur-intrappen anderzijds. Maar los van deze tegenstelling heb ik de laatste dagen nog meer tegenstellingen mogen beleven. Ik was in Parijs in het gebouw van de Consistoire de Paris voor een conferentie van dayanim (rabbinale rechters) met o.a. de Sefardische Opperrabbijn van Israël. Deze conferentie ging niet zozeer over de rabbijn in het (Joodse)veld en pastorale zorg, maar over de technische Halagische (Joods-wettelijke) vraagstukken, zoals DNA als wel/niet bewijs voor Jood-zijn, financiële afwikkeling van echtscheidingen, adoptie, erfrecht, hoe wordt er bepaald of iemand zonder bewijsstukken Joods is en over de verhouding tussen de Halaga en de wet van het land van inwoning in het geval dat deze met elkaar conflicteren. Het was absoluut geen “conferentie met uitstapje”, maar van maandagmiddag tot woensdagmiddag waren zestig Europese dayanim bijeen voor een intensieve bijscholing, afgesloten van de reguliere alledaagse beslommeringen.
Maar ook tijdens zo’n conferentie stopte het gewone leven niet. En dus was ik dinsdag in de uiterst vroege uurtjes bezig met een sterfgeval en de organisatie van tahara, de rituele wassing, gesprek met familie en de organisatie van de lewaja.
Ook rabbijnen zijn gewone mensen en worden ook in hun eigen privéleven, voorzover een rabbijn een privéleven heeft, met vreugde en verdriet geconfronteerd. Voordat de conferentie begon kreeg ik een telefoontje met het verzoek om tijd in te ruimen gedurende de conferentie voor een collega die recentelijk getroffen werd door een grote tragedie in zijn privéleven. Gezien ook rabbijnen soms geestelijke bijstand nodig hebben, werd mij verzocht om hem onopvallend bij te staan. Met ‘onopvallend’ bedoel ik dat ik niet moet aankondigen dat ik hem geestelijke bijstand kom verlenen, maar op een natuurlijke wijze, omdat ik bijvoorbeeld toevallig bij de maaltijd naast hem kwam te zitten, hem de gelegenheid heb geboden om over zijn verdriet communiceren. Het werkte en op z’n minst mocht ik zijn klankbord zijn en meedenken aan een mogelijke oplossing. Of dit collegiale contact ook na de conferentie opvolging zal krijgen, wacht ik braaf af. Hij weet dat ik voor hem bereikbaar ben, maar hij zal zelf moeten beslissen of hij wel of niet van mijn adviserende klankbord-functie gebruik wil maken. En ondertussen, tussen de lezingen door, stopt de e-mail niet en zit ik met mijn laptop voor me te beantwoorden en maak ik afspraken voor ontmoetingen, lezingen en bijzondere gelegenheden waar mijn aanwezigheid verwacht wordt of van nut kan zijn. O ja, bijna vergeten te vermelden: al bijna vijftien jaar heb ik geen gebruik gemaakt van een trein. Politie vindt dat onverantwoord. Als, God behoede, iemand iets kwaads wil uithalen, kan ik letterlijk geen kant op. Maar omdat bij de Eurostar passagiers meer en anders worden gecontroleerd dan bij een reguliere trein, mocht ik de trein naar Parijs nemen, mits ik in Gare du Nord zou worden afgehaald en naar Schiphol zou worden gebracht. De trein bracht de honderden en honderden kilometers die ik in het bijna grijze verleden heb afgereisd weer in mijn gedachten. Tien jaar lang, vanaf 1975, iedere zondagochtend Amersfoort-Leeuwarden. Bijna de hele klas die ik daar les heb gegeven woont nu in Israël. Enerzijds jammer, want ze hadden een zeer waardevolle bijdrage kunnen leveren aan Joods-Nederland, maar anderzijds …

Dagboek van de opperrabbijn 4 juni 2026

“In een tijd waarin discriminatie en antisemitisme toenemen wensen wij u en uw gezin veel sterkte. Weet u door ons gesteund! Raad van Kerken Amersfoort.”
Voorzien van een prachtige bos bloemen bereikte mij deze wens. Ik zat me juist af te vragen of ik wel of niet in de put moest gaan zitten, toen er aangebeld werd en de bloemen hun opwachting maakten in onze woonkamer. Het zijn vaak de kleine gebaren (en de grote bossen bloemen) die zoveel kunnen betekenen.

Woensdag gaf ik een ‘buurt-lezing’. Waarom ik die lezing in de Beethovenbuurt te Amsterdam gaf herinner ik me niet meer en ook wie me hiertoe had uitgenodigd ben ik vergeten. Het aantal deelnemers zou slechts minimaal zijn. Maar dat viel mee (of tegen) want het was meer dan volle bak. Ik schat zo’n vijftig à zestig! Ik heb letterlijk anderhalf uur non-stop mijn verhaal gedaan en ik had nog gerust een anderhalf uur verder kunnen gaan, maar dat ging hem niet worden want om 19:00 uur moest ik in Hilversum zijn. Regelmatig hoor ik de stelling dat een toespraak niet langer dan twintig minuten mag duren omdat anders bij de deelnemers slaap-verschijnselen optreden, maar ik trek die wijsheid in twijfel, want toen ik uitgesproken was waren alle aanwezigen nog volledig aanwezig, niemand snurkte, hoestte of sliep. Maar wat is het nut van die anderhalf uur Jacobs, vraagt u zich wellicht af. Het antwoord ligt besloten in het begin van de Sidra van aanstaande sjabbat. Aharon de Hoge Priester krijgt de opdracht om de Menora in de Tempel van Jeruzalem te ontsteken (Numeri 8: 1-2) opdat de zeven lampen licht zullen verspreiden. Het verspreiden van licht, dat is de opdracht aan de Hoge Priester. Maar wat heeft dat met mij en met u, geachte lezer, te maken?
Even tussendoor een religieus lesje: ieder woord in de Thora, iedere opdracht, ieder ge- en verbod heeft eeuwigheidswaarde en geldt voor iedereen. Maar, zo hoor ik u vragen, ik ben toch geen Aharon de Hoge Priester, of ik ben een vrouw en geen man, of ik ben geen koning die een andere levensopdracht heeft dan een eenvoudige burger en zo kunnen we nog vele vragen stellen. En hoe kunnen we dan zeggen dat ieder woord voor ieder betekenis heeft? Het antwoord: het moge dan zo zijn dat ik geen Hoge Priester ben, in de letterlijke zin van het woord, maar figuurlijk dient ieder mens wel degelijk zich dienend op te stellen en hebben we allen de opdracht om licht te verspreiden, zeker als er om ons heen zoveel duisternis heerst. Die bos bloemen bracht voor mij op dat moment, in mijn duisternis, licht. En daarom probeer ik waar ik me ook bevind licht te brengen. En dus ben ik dankbaar dat ik in de Irenestraat vlak bij de Beethovenstraat, vlak bij het Montessori Lyceum waar ik mijn gymnasiumdiploma mocht behalen, licht mocht brengen door te vertellen over Jodendom, indirect in de strijd tegen de weelderig bloeiende Jodenhaat die in mijn schooltijd zeker in de Beethovenbuurt niet aanwezig was, althans niet zichtbaar.

Woensdagavond, we deden of het donderdagavond was want het moest lijken op een live-uitzending, werd ik in de studio van de EO verwacht voor een tv-opname die zou worden uitgezonden op NPO2 onder de titel De Joodse Wereld. Ik ga hierover weinig schrijven want u kunt gewoon even kijken via deze link: npo.nl/start/afspelen/de-joodse-wereld_11. Ik zou het waarderen als u mij schrijft hoe u de uitzending vond en dan natuurlijk mijn optreden. Was ik te gematigd of te scherp?

En toen was het de volgende dag. Een afwisselende agenda. De ochtend stond in het teken van e-mails beantwoorden of deleten. Hoewel, deleten? Het is vaak lastig om ellenlange vragen te beantwoorden of een e-mail te lezen die maar geen eind schijnt te krijgen of dusdanig verward overkomt dat er geen staart (ook geen Joodse) aan valt vast te knopen. En toch probeer ik zoveel mogelijk te beantwoorden of op z’n minst te reageren, want als ik iets onzinnig vind, betekent het niet dat het onzinnig is. Ik herinner mij een jongeman die, laat ik me netjes uitdrukken, niet erg intelligent was. Hij vroeg de Lubavitcher Rebbe wat voor cadeau hij zijn zusje moest geven voor haar verjaardag. Ik heb het antwoord gezien. In een uitgebreid schrijven heeft de Rebbe omstandig uitgelegd wat hij voor haar moest kopen! De vraag was onzinnig en het antwoord overbodig, in mijn optiek. Maar voor de vraagsteller die niet over een hoog IQ beschikte, was de vraag een realistisch en belangrijk probleem. En dus heeft de Rebbe van zijn kostbare tijd genomen om een passend antwoord te geven en probeer ik iedere e-mail te beantwoorden, ook als ik er geen touw aan kan vastknopen!

In Utrecht was een indrukwekkende bijeenkomst. Twee tragedies, een oude en een recente, kwamen bijeen. Achter de sjoel van de Joodse Gemeente Utrecht, op terrein van de Joodse Gemeente, staat een bouwval. Eens was dit het leslokaal van de Joodse Gemeente en in de oorlog werd hier zelfs nog in het diepste geheim een sjoeldienst gehouden. Ter nagedachtenis aan Omer Moshe en Omer wordt nu onder de voortvarende leiding van Rachel Levy, bestuurder van de Joodse Gemeente, gepoogd om deze ruïne een bestemming te geven, een studentenhuis dat ruimte gaat bieden aan hen die de toekomst van Joods Nederland zullen moeten bepalen. Maar wie zijn/waren Omer Moshe en Omer? Twee IDF-soldaten die recentelijk sneuvelden. Jonge mannen, wier toekomst bruut werd afgebroken in een oorlog waarom Israël niet had gevraagd, maar die gevoerd moest en moet worden om te voorkomen dat Israël van de kaart wordt geveegd. Maar niet alleen Israël, want de vijand richt zijn peilen op Joden, waar ook ter wereld, de vijand zoekt de Endlösung, en zoekt herhaling van wat toen uiteindelijk niet is gelukt, maar diepe wonden heeft nagelaten. Jozef (Jo) van Gelder was de rabbijn van Utrecht gedurende en na de oorlog. Hij was de oom van rabbijn Ies Vorst zl., de broer van zijn moeder die in de oorlog was omgekomen. Het studentenhuis wordt vernoemd naar Omer Moshe en Omer, beiden directe nazaten van rabbijn van Gelder. Een monument ter nagedachtenis is mooi, belangrijk. Maar dit studentenhuis in Utrecht wordt veel meer dan een monument, het wordt een voortzetting van waarvoor zij sneuvelden, de overleving van de Staat Israël, de voortzetting ook van Jodendom in Nederland. In aanwezigheid van de vitale hoogbejaarde zoon van rabbijn van Gelder, speciaal met echtgenote en kinderen overgekomen uit Israël, in aanwezigheid van de Nederlandse Vorst-familie en van leden van de Joodse Gemeente Utrecht, werd op bijzonder indrukwekkende wijze een begin gemaakt met de herbouw van de Joodse school en werd het nieuwe studentenhuis gekoppeld aan rabbijn Jo van Gelder en aan Omer Moshe en Omer, zijn achterkleinkinderen.

Ik besloot de dag met een solidariteitswandeling in Zwolle. Iedere eerste donderdag van de maand wordt er (ook) in Zwolle van het stadhuis naar de sjoel gelopen. Zonder vlaggen, zonder posters, zonder geschreeuw. Een stille zichtbare wandeling met gebed, stilte, respect. Vóór vrede en tégen antisemitisme. Aangekomen bij de sjoel openden zich onverwacht en onaangekondigd de sjoeldeuren en bood Ingrid Petiet, voorzitter van de Joodse Gemeente Zwolle, alle deelnemers bescherming tegen de net beginnende plensbui. Ik mocht de stille lopers toespreken over het licht dat zij brengen in de duisternis van het groeiende antisemitisme. Zij bemoedigen ons en het doel van mijn meelopen was om ook hen namens de Joodse gemeenschap te bemoedigen en te danken voor hun maandelijkse solidariteitswandeling.

Dagboek van de opperrabbijn 1 juni 2026

Mijn vorige dagboek eindigde ik met de mededeling dat ik moest stoppen met schrijven omdat ik binnen afzienbare tijd zou worden afgehaald om deel te nemen aan de eerste Solidariteitswandeling in Rotterdam. De opkomst had weliswaar groter mogen zijn, maar al solidariteit-wandelend groeide de groep, om na een stevige wandeling bij de sjoel te arriveren waar onder andere door Rotterdams rabbijn Juda Vorst alle deelnemers werden bedankt en waar de rabbijn ook de schade liet zien die de aanslag had veroorzaakt en uitlegde wat de aanslag had kunnen veroorzaken als de synagoge niet voorzien zou zijn geweest van kogelvrij glas.
Het is nu, nu ik dit dagboek begin te schrijven, dinsdagochtend 6:30 uur. Hoewel ik zondagavond dit dagboek had moeten schrijven, was ik gelukkig en helaas dusdanig bezig dat het gewoonweg niet eerder lukte.
Na een vredige en fijne sjabbat vertrokken we zondag om 10:00 uur. Nou klinkt 10:00 uur niet erg vroeg, maar voorafgaande aan vertrek moet ik wel sjachariet, het ochtendgebed, hebben gedawend en mijn dagelijkse lern-programma hebben afgewerkt. En toen begon mijn rabbinale afwisselende dag. Afwisselend omdat we, Blouma was mee, begonnen met een sjiwwe-bezoek in Amstelveen. Er werd dus, zoals dat heet, sjiwwe gezeten. Even een korte educatieve uitleg, want per slot van rekening is een rabbijn een leraar. Als iemand een eerstegraads familielid heeft verloren, zit hij/zij een week lang na de lewaja, begrafenis, sjiwwe. Sjiwwe is een treurweek waarin geen werk wordt verricht en waarin bekenden en vrienden op bezoek komen om te condoleren. We begonnen de dag dus met verdriet, maar eindigden met vreugde. Een bespreking in Rosmalen met een echtpaar in spé over hun bruiloft over een paar maanden in de synagoge van Nijmegen. Om 22:00 uur waren we weer thuis. Na Amstelveen reden we naar Antwerpen. Een bespreking met een gioer-kandidaat uit Zeeland. Deze kandidaat, om tot het Jodendom toe te treden, heeft al een heel voortraject achter de rug en los hiervan is het bijna zeker dat hij al Joods is, maar tastbaar bewijs ontbreekt. En dus is hij in het gioer-traject beland en zal er op korte termijn een afronding plaatsvinden en is de actieve Joodse Gemeente Zeeland weer een lid rijker. Waarom ik hem ontmoette in Antwerpen? Omdat we daar moesten zijn voor de jaarlijkse vergadering van het bestuur van de Joodse Gemeente Zeeland met het bestuur van de Stichting Synagoge Middelburg, de eigenaar van de sjoel. En omdat deze jaarlijkse vergadering vele jaren geleden door mij in het leven was geroepen om een toenmalig pijnlijk conflict de wereld uit te helpen, is de traditie ontstaan om jaarlijks bijeen te blijven komen, punten die aandacht behoeven te bespreken en vooral te genieten van de koosjere maaltijd bij Hoffy’s. De ‘vergadering’ duurde van twee uur tot half zes. Ik heb ‘vergadering’ maar even tussen aanhalingstekens geplaatst, want de meeste tijd werd aan de koosjere gerechten besteed. U, mijn trouwe dagboekenier, ziet dat het rabbinale baantje zeker ook zijn aantrekkelijke kanten kent! Helaas moest er ook gesproken worden over sloten en vluchtwegen in de sjoel, want dat is heden ten dage standaard bij alle Joodse gemeenten, zelfs in een vredig Middelburg. En los van alles met betrekking tot de sjoel, kwam natuurlijk ook ter sprake het antisemitisme en de vraag hoelang Joden nog in Nederland kunnen blijven wonen. Mijn mening: zolang onze lokale en landelijke Overheid niet oproept tot Jodenhaat en ons, de Joodse gemeenschap, goedgezind is, en dat zijn ze, blijven we gezellig waar we zijn en laten ons niet intimideren, zelfs niet door media die als dagelijkse kop het Midden-Oosten opvoeren en Israël, en dus Joden, demoniseren. Overigens werd bij de koosjere Zeeland-maaltijd ook nog uitgebreid gesproken over abortus, wat dat met de sjoel of de maaltijd te maken had, weet ik niet meer, maar wel uitgebreid gedelibereerd over hoe de Halaga, de Joodse wet, werkt. Kort samengevat: er bestaan zwarte wetten, witte wetten en een grijs gebied. En in dat grijze gebied is de Rabbijn, de jurist werkzaam. Abortus mag zeker niet, tenzij het ongeboren kind een levensbedreigend gevaar vormt voor de moeder. Ook de Brit Mila, de besnijdenis, kwam ter tafel, geestelijk bedoel ik. Dat kon dus niet ontbreken omdat we ons in de Joodse wijk van Antwerpen bevonden alwaar twee top-mohalim (besnijders) met veel bombarie waren gearresteerd. Over enige weken zal de zaak bij het parket voorkomen. Ik ben benieuwd! Maar zelfs als ze worden vrijgesproken: het fenomeen dat deze religieuze ingreep ter discussie staat, is niet goed, antisemitisme pur sang!
Gisteren, maandag dus, eerst een sjioer in sjoel Amstelveen, daarna overleg met de voorzitter van de stichting die mijn auto financieel rijdende houdt, een ziekenbezoek en toen: het Vondelpark. Overigens is de voorzitter van mijn stichting voor mij geen onbekende want in eerdere jaren was hij voorzitter van de Joodse Gemeente Enschede, voorzitter van het dagelijks bestuur van het IPOR, voorzitter van de Permanente Commissie van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap enz. Joods Nederland is klein en wordt geleid door een beperkt aantal vrijwilligers die zich onbezoldigd met hart en ziel inzetten om Joods Nederland overeind te houden. Vanaf dit dagboek: hulde aan alle vrijwillige bestuurders die met zoveel overgave en motivatie in een moeizame tijd zich blijven inzetten om dat wat eens was zoveel mogelijk te behouden.
En toen naar het Vondelpark waar de jaarlijkse Sobibor-herdenking plaatsvond. Wederom vrijwilligers die een bijeenkomst organiseerden ter nagedachtenis aan die afschuwelijke plaats waar bijna alle Joden direct na aankomst zich moesten ontkleden om hun leven te beëindigen in de gaskamers. Indrukwekkende toespraken, een toneelstuk door jongeren opgevoerd dat toonde hoe complex en gevaarlijk een samenleving is en kan zijn. Waarom Vondelpark, vraagt u zich wellicht af. De bijeenkomst was trouwens niet in het Vondelpark, maar voor het hek van het park, aan de buitenkant. Hier stond eens een bordje “VOOR JODEN VERBODEN”.
In het theaterhart van Amersfoort prijkte zondag “No business as usual. Culturele boycot Israel”. De Flint wordt zwaar gesubsidieerd door de Gemeente Amersfoort en bevindt zich daar waar eens de Joodse wijk van Amersfoort was, die niet meer is…
Toen Koning Willem Alexander moederziel alleen op 4 mei in de coronaperiode op de Dam zijn toespraak hield, refereerde hij op indrukwekkende en moedige wijze aan het bordje bij het hek van het Vondelpark toen hij zei: Sobibor begon in het Vondelpark met een bordje “voor Joden Verboden”.
Excuus dat ik Vondelpark en de Flint door mekaar haalde, foutje (?).

Dagboek van de Opperrabbijn 28 mei 2026

Dagboek van de Opperrabbijn 28 mei 2026
Nadat we dinsdagochtend om 8:00 uur weer voet hadden gezet op vaderlandse bodem, was ik ’s avonds in Hilton Hotel Den Haag voor de viering van de Onafhankelijkheidsdag van Azerbeidzjan op 28 mei. De ambassadeur is een goede bekende van mij en daarom vond ik dat ik niet mocht ontbreken. Los hiervan, en dat is natuurlijk nog veel belangrijker, Azerbeidzjan is een Islamitisch land en tegelijkertijd heeft het een zeer goede band met Israël. Met G’ds hulp zullen meerdere Islamitische landen volgen! Dat mijn aanwezigheid werd gewaardeerd bleek onder andere uit de wijze waarop ik welkom werd geheten. Nog geen voetstap had ik gezet in het Hilton Hotel Den Haag, waar de viering plaatsvond, of de persoonlijk assistent van de ambassadeur kwam me letterlijk tegemoet hollen om me binnen te laten. Ik voelde me dan ook meer dan welkom en realiseer me dat dat welkom-zijn niet zozeer mijn persoontje betreft, maar het is een uitgestoken hand naar de Joodse gemeenschap en dus ook richting de Staat Israël! Een van de genodigden was Jan van Zanen, Den Haags eerste burger, die spontaan mij bemoedigde door nadrukkelijk aan te geven om door te gaan met de strijd tegen antisemitisme en vooral niet op te geven. Tegelijkertijd, en dat was goed om te horen, gaf hij ook duidelijk aan dat er meer en meer stemmen hoorbaar worden die een tegengeluid laten horen en zicht- en hoorbaar afstand nemen van het inmiddels alom aanwezige antisemitisme. Zo nodig, benadrukte hij, kan ik hem altijd op zijn 06 nummer bereiken!
Dit neergeschreven hebbend moest ik terugdenken aan zo’n tegengeluid dat ik, naar ik meen, nog niet met u had gedeeld of wel gedeeld maar vergeten hetgeen me niet zou verbazen. Precies twee weken geleden kreeg ik bezoek van Kamran Ullah, de hoofdredacteur van de Telegraaf, die zich duidelijk profileert als een vriend van Israël. Geboren en getogen in Nederland, maar vanwege zijn Pakistaanse voorouders en zijn niet-Nederlands klinkende voor- en achternaam, wordt hem regelmatig gevraagd of hij Nederlands spreekt. Ik voelde me meteen partner in crime! Want zelfs ik, zonder een niet-Nederlands klinkende voor- en achternaam werd een paar dagen geleden weer eens goedbedoelend gevraagd sinds wanneer ik Nederland woon en hoelang het mij nam om Nederlands te leren. Ik kreeg er nog wel even een complimentje bij want vraagsteller vond het erg knap van mij dat ik bijna accentloos mijn Nederlands beheerste.
En toen was het woensdag en vertrokken we om 11:00 uur ’s ochtends om zojuist, donderdag 28 mei om14:00 uur, weer voet op vaderlandse bodem te hebben gezet. Het was anderhalve dag Antwerpen. Anderhalve dag klinkt niet zoveel, maar toch waren die anderhalve dag zeer intensief en intens. Maaltijden en programma bij Hoffy’s, overnachten in Hotel Maek op vierhonderd meter afstand. Honderdvijftien leden van de vierhonderd leden tellende businessclub van Christenen voor Israël waren vanuit heel Nederland afgereisd naar de Lange Kievit straat. De deelnemers werden na ontvangst in drie groepen gedeeld om ieder op eigen wijze van de (eigenwijze) gids Joods Antwerpen te bezoeken. Mijn groep, ik was een van de drie gidsen, was numeriek in de meerderheid. Ik denk dat de reden daarvan was dat we met z’n allen de jesjiwa gingen bezoeken. Normaal kom je daar als buitenstaander niet binnen, want een jesjiwa is geen museum waarvoor je een entreekaartje koopt en vervolgens, gelijk in de Antwerpse Dierentuin, gaat (Joodse) aapjes-kijken. Ik had met de directeur afgesproken dat hij de kinderen zou vragen of ze bereid zouden zijn om hun speelkwartier op te offeren, een keer geen voetbal, maar in plaats daarvan spreken met de gasten uit Nederland die allen, stuk voor stuk, onwrikbaar en eensgezind achter Israël staan en vele joodse instellingen in Israël met hart en ziel steunen. Los van hun substantiële financiële support zijn ze ook politiek actief om op te komen voor Israëls belangen en strijden ze tegen iedere vorm van antisemitisme. Er waren veel nieuwe gezichten en dus heb ik velen mogen ontmoeten die ik niet kende maar de meesten wisten wel wie ik was, vaak vanwege mijn dagboek. Voor de restauratie en leefbaar makende inrichting van een miklat, schuilkelder, in Be’er Sjewa werd even tussen de bedrijven door € 95.000 opgehaald. Het was indrukwekkend hoe de jongetjes van de jesjiwa in gesprek raakten met de gasten. Ik had ze eerst even kort uitgelegd wat een jesjiwa is en daarna verzocht om gewoon de leerlingen, naast te gaan zitten of staan en te vragen. Alles mocht gevraagd worden en de jongens genoten zichtbaar van de gesprekken die ze mochten voeren en de vragen die ze moesten beantwoorden.
De Hoffy’s brothers hadden een geweldige catering geleverd, as usual, iedereen was meer dan tevreden. Uiteraard heb ik ook een aantal keren de meute mogen toespreken, maar voor mij was het gesprek aan de bar, ’s avonds, eigenlijk het hoogtepunt. De vragen die loskwamen, de antwoorden die ik mocht geven. Hoewel ik die avond geen enkele Urker ontmoette, liep het de volgende ochtend bij het ontbijt totaal anders. Ik ging gewoon ergens zitten aan een tafel waar nog niemand zat en toen ik even weg was en weer terug was gekomen, wist ik mij omringd door een en al Urk. Dat de Urkers soms een beetje last hebben van (te)veel eigenwaarde, bleek wel weer toen mij, zonder een glimp te vertrekken een van de Urkers aangaf dat nr. 1: Urk is de hoofdstad van Nederland en 2: de zestienduizend Urkers vormen de kern van Nederland waar behalve die zestienduizend Urkers ook nog achttien miljoen vreemdelingen wonen. Het schijnt dat Urk inmiddels zijn vlag heeft bijgesteld, zo wist een van de Urkers mij te vertellen (of wijs te maken?). Het is een gewone vlag van Israël met daarin ook de afbeelding van een vis. De vis natuurlijk omdat Urk een vissersdorp is, hoewel het aantal Urkse business-club leden dat in de bouw zit zeer aanzienlijk is en misschien wel de vishandelaren overstijgt.
Ik stop nu, want zo dadelijk word ik afgehaald om naar Rotterdam te gaan voor de eerste lokale Rotterdamse solidariteitswandeling.

Dagboek van de Opperrabbijn 24 mei 2026

We waren Sjawoe’ot, het Wekenfeest, in Londen (niet te veel aan een feest denken. Weken’feest’ heet ook alleen in het Nederlands ‘feest’, maar dat leg ik nog wel een keertje uit, want een feest is niet echt een feest.). We waren dus eerst in de Joodse wijk Stamford Hill en daarna in Golders Green, recentelijk helaas bekend van die aanslagen. De vier ambulances die kennelijk vernietigd moesten worden om de mensen in Gaza te helpen, werden onder andere door onze zoon, vrijwilliger bij Hatzola, gereden. Hatzola is een soort eerste hulp bij ongelukken die voor iedereen, ongeacht geloof, geaardheid of afkomst letterlijk 24/7 klaarstaat. Gezien de geweldige support uit de wijk en met overheidssteun werd de hulp waarvoor ze staan, niet gestagneerd, zelfs niet tijdelijk. Vier nieuwe ambulances zijn al in de maak en voor een jaar heeft London Ambulance Service vier splinternieuwe nog niet eerder gebruikte ambulances gratis voor een jaar ter beschikking gesteld.
In Stamford Hill, de Joodse wijk, waar we de twee Jom Tov dagen verbleven, was duidelijk meer beveiliging aanwezig. Ik merkte bij mezelf dat ik wel extra alert ben geweest. Steeds omkijken, iedere niet-jood die er afwijkend uitzag toch extra in de gaten houden. Een paar keer de straat overgestoken, terwijl ik niet aan de overkant moest zijn.
Als mijn herinnering me niet te veel in de steek laat, ben ik vijftien jaar geleden begonnen te waarschuwen tegen het, toen nog opkomend, antisemitisme. Dat vond niet iedereen even leuk, want een rabbijn moet vooral een positieve boodschap brengen, mensen bemoedigen en na een rabbinale toespraak moet de goegemeente opgewekt en geïnspireerd huiswaarts keren. Nou heb ik niet in iedere toespraak mijn zorg kenbaar gemaakt en ik herinner me niet ooit mijn hele droosje aan Jodenhaat te hebben gewijd, maar ik kan de kritiek zeker plaatsen. Sterker nog, ik vraag me af of al mijn gewaarschuw enig nut heeft gehad en moet ik daarom beter vanaf nu over polarisatie, antisemitisme en antizionisme zwijgen? Schoenmaker, blijf bij je leest en rabbijn, bemoei je niet met politiek.
Op Sjavoe’ot ontving het Joodse volk bij de berg Sinai de Tien Geboden of beter vertaald: de Tien Woorden. Want het moge dan zo zijn dat in het Nederlands wordt gesproken over de Tien Geboden, de juiste vertaling luidt niet Geboden, maar Woorden. Vertalingen geven niet altijd precies weer wat er staat, want vertalen is verklaren. Enfin, 3300 jaar geleden stonden onze voorouders dus bij de berg Sinai en kregen de Tien Woorden aangereikt, de basis van het Jodendom. In de Joodse filosofie wordt benadrukt dat de Joden op ieder van die tien basisprincipes unaniem instemmend positief hebben gereageerd, maar ten aanzien van hoe precies hun reactie was, hoe ze hun instemming hebben verwoord, is er een discussie tussen rabbi Shmuel en rabbi Akiva. Rabbi Shmuel geeft aan dat ze op de geboden reageerden met een instemmend ‘ja, we zullen het doen’, en op de verboden zeiden ze ‘nee, we zullen U volgen en de overtreding niet begaan’. Rabbi Aviva daarentegen is van mening dat zowel op de ge- als op de verboden eenzelfde reactie werd gegeven: ‘ja, we stemmen in met het ge- en verbod’.
Wat is hun discussie? Waarom maakt rabbi Akiva geen verschil tussen ge- en verboden, en waarom maakt rabbi Shmuel dat onderscheid wel?
Plotseling komt tante Beppie zl. in mijn gedachten. Zij woonde bij ons in de buurt en zij en Gerhard haar man kwamen vaak bij ons e n gingen zeker eens per maand met onze kleintjes naar de Dierentuin. Ik ben altijd erg terughoudend geweest om overlevenden van de oorlog met onze kinderen te confronteren. Op mijn bureau stonden nooit foto’s. Velen van hen hadden immers ook kinderen ‘gehad’… Beppie had echter nooit een kind kunnen baren, ze was in de experimentenbarak geweest van Auschwitz. Maar Beppie wilde juist met mijn kinderen optrekken, ze genoot ervan. Ze was ook altijd opgewekt, tevreden en dankbaar. Was Beppie vroom? Als ik hiermee bedoel Joods praktiserend, dan denk ik het niet. Maar als ik met vroom echt vroom bedoel…
Terug naar de discussie tussen Rabbi Akiwa en Rabbi Shmuel: Rabbi Akiwa ziet dat ook het negatieve, zelfs het summum van kwaad, van Boven komt en als daarmee wordt omgegaan, zoals een Beppie en zoveel andere overlevenden dat hebben gedaan, dan is dat minstens net zo positief als het naleven van de geboden, want ge- en verboden zijn bij de Eeuwige, van Boven naar beneden bezien, minstens gelijkwaardig.
Rabbi Shmuel beseft echter dat wij ons beneden bevinden, in een materialistische wereld en dat we daarom weliswaar kommer en kwel dienen te aanvaarden, maar dat we alles in het werk moeten stellen om het kwaad te verdrijven, ‘Aanvaarden, ja. Accepteren, neen.’
Mijn gevecht tegen antisemitisme-antizionisme zet weinig zoden aan de dijk, maar toch blijf ik strijden, ook als sommigen dat niet leuk vinden, en zelfs een enkeling daarom meent die ene keer per jaar dat hij naar sjoel kwam, nu niet meer te komen. De reden van mijn volharding? Ik bevind me beneden op deze politieke aardbol en daar is geen plaats voor polariserende en demoniserende Jodenhaat.
We varen morgen terug. Ik vermoed dat ik me in Nederland veiliger voel, maar of dat inderdaad zo is, kan ik niet zeggen. De vraag uit Joodse en uit niet-Joodse hoek luidt steeds vaker waarom we in Nederland blijven wonen. Mijn rationele antwoord is en blijft dat ik me niet laat verdrijven. Wij, de families Jacobs, de Leeuw, Sander en Elkus, wonen hier al eeuwen en zullen vooralsnog, zolang de Mosjach nog onderweg is maar nog niet aangekomen, hier blijven. Ik ben allergisch voor chantage, zeker ook als het ‘slechts’ psychologische intimidatie is.
Am Jisraeel Chaj, we leven en overleven, zelfs in Nederland.

Dagboek van de Opperrabbijn 20 mei 2026

Hoewel ik na mijn 5½ uur nachtrust (nadat ik gistermiddag wel een flinke uil had geknapt) prima uitgeslapen ben, word ik toch met gemengde gevoelens wakker. Het spookbeeld ‘burgemeester in oorlogstijd’ gonst door mijn hoofd.
Trouwe lezer van mijn dagboek, ik excuseer me op voorhand dat dit dagboek geen echt dagboek gaat worden. Terwijl ik nog helemaal niet weet wat er uit mijn digitale pen gaat vloeien, zie deze compositie als een therapeutisch “van-me-af-schrijven”, misschien wel een noodkreet, een en al bezorgdheid. Maar ik weet bijna zeker dat de laatste regel positief zal zijn, want zo zit ik in elkaar.
Ik herinner me dat ik bij de onthulling van het monument ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden in Elburg (3 mei 1985) aan de toenmalige burgemeester vroeg waarom ik recentelijk, veertig jaar na de oorlog, zo vaak word opgetrommeld om monumenten te onthullen ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden. Waarom nu pas? Ik herinner me heel goed zijn antwoord: “Mijn oudere collega’s willen liever de oorlog achter zich laten, want ze waren bevreesd dat hun eigen optreden, of beter geformuleerd hun niet-optreden, of soms zelfs het actief laten gebeuren, dan aan de kaak kan worden gesteld. Burgemeester in oorlogstijd.”
Ik denk erover om Frans Timmermans te gaan bellen en hem te vragen: “Beste Frans, help ons! Je hebt je uit de politiek teruggetrokken, nu kun je jezelf zijn. Ik ben er nog steeds volledig van overtuigd dat je geen antisemiet bent en ook zeker Israël niet van de kaart wilt vegen.” Maar politiek is politiek en gaat over stemmen, achterban, je eigen positie bewaren en bewaken, vaak ten koste van… Hetzelfde geldt ook vaak voor huidige politici en zelfs voor burgemeesters (m/v).
En wat met mezelf, Binyomin? Is het geen tijd om je Nederlandse mede-Joden op te roepen om…? Je hebt je mening veranderd ten aanzien van de individuele leden van de Joodse Raad; je denkt niet meer dat ze per definitie egoïstische schurken waren. Maar hun optreden bleek, zeker achteraf bezien, catastrofaal verkeerd te zijn geweest. Ja, als de geallieerden Nederland veel en veel eerder zouden hebben bevrijd, dan waren zij met hun pappen en nathouden de grote redders geweest, maar de geallieerden kwamen niet eerder.
En dus heeft dat telefoontje dat ik gisteren kreeg van een niet-Joodse vriend bij mij verwardheid gezaaid. “Binyomin, bega niet de fout van de Joodse Raad!” Toeval bestaat niet en alles heeft een doel en betekenis.

Enige maanden geleden was ik vanuit de EJA, European Jewish Association, in Krakau/Auschwitz met zo’n honderdvijftig politici uit geheel Europa. Bij het monument in Birkenau moest ik het kaddiesj-gebed uitspreken en een paar woorden van bezinning brengen. Omdat ik gewoonlijk mijn toespraken niet van papier oplees, maar uit het hoofd spreek, weet ik nooit helemaal van tevoren wat ik ga zeggen. En dus eindigde ik, zelfs tot mijn eigen verbazing en schrik, mijn overdenking als volgt: ik hoop dat onze nazaten hier over tachtig jaar niet wederom zullen staan om te herdenken… Auschwitz Twee!
Inmiddels heb ik al heel wat koffie op. Als ik ’s nachts niet kan slapen, neem ik drie koppen koffie als slaapmiddel. En als ik ’s morgens wakker ben, dan weer twee, maar dan om wakker te blijven. Ik heb net twee koppen koffie tot me genomen en kan nu weer realistischer en dus positiever denken.
Hoe je het draait, wendt of keert: onze overheid kan en mag niet vergeleken worden met de nazi-overheid van toen. Mocht u gedacht hebben dat ik dat vóór mijn ochtendkoffie bedoelde, dan bied ik mijn welgemeende excuses aan, ik heb dat niet geschreven en absoluut niet gedacht! De Nederlandse overheid zorgt goed voor ons Joden. Onze twee Joodse dagscholen zijn bunkers met de Koninklijke Marechaussee voor de deur. Synagogen in den lande krijgen extra bescherming en ikzelf ben innig dankbaar voor de bescherming die mij van overheidswege, landelijk en door lokale burgemeesters (m/v), positief wordt ‘opgedrongen’.
Antisemitisme is van alle tijden, een muterend virus dat voor ieder geneesmiddel resistent is geworden. En dus achteroverleunen? No way! Bruggen bouwen, educatie, educatie, educatie. In AZC’s, op middelbare scholen, in het basisonderwijs, al op de kleuterschool en vooral thuis.
Wet op de privacy? Iedere wet heeft als doel om de gezondheid van de samenleving voor alle burgers te bevorderen, en dus ook de wet op de privacy. En dus moet er ook met ouders van kleuters gesproken kunnen worden als hun kleuter mij publiekelijk naroept: “Jehoed” of “Free Palestine”.
Educatie, educatie, educatie! Politici en zeker burgemeesters hebben een voorbeeldfunctie; tegen hen wordt opgekeken. Zij dienen er onkreukbaar uit te zien, zij dragen een ambtsketen, voor een burgemeester moet je opstaan, zij hebben invloed.
We staan aan de vooravond van Sjawoe’ot, het Wekenfeest, vrijdag en sjabbat aanstaande. Op Sjawoe’ot stond het Joodse volk na de Uittocht uit de Egyptische slavernij, meer dan drieëndertighonderd jaar geleden, bij de berg Sinai. Daar heeft G’d de totaliteit van Thora en Traditie gegeven en vond als het ware de geboorte van het Joodse volk plaats. Tot dat moment waren er Joden, maar van een volk was nog geen sprake.
Met het ontstaan van het Joodse volk ontstond ook de opdracht om je als volk en als Joods individu niet van de omringende samenleving af te zonderen, maar aan de maatschappij een positieve bijdrage te leveren door haar bekend te maken met de zogenaamde Zeven Noachidische Wetten, basisprincipes die nodig zijn om een vredige samenleving te hebben.
Dat betekent ook bruggen bouwen, ook met medemensen die wellicht heel anders denken of anders leven. Van mening verschillen mag, maar haat, of nog erger, moeten we niet willen. En daarom is het soms verstandig om bepaalde onderwerpen (tijdelijk?) niet te bespreken. En dan zie je na verloop van tijd dat ook uiterst gevoelige onderwerpen, zonder eruit te komen, toch bespreekbaar worden.
Kijk naar de verhouding tussen Joden en christenen in ons eigen Nederlandje. Tussen Jodendom en christendom bestaan essentiële, onoverbrugbare verschillen en toch was maandag jl. de nieuwe scriba van de PKN, ds. Kees van Ekris, begeleid door de beleidsmedewerker van Kerk en Israël, Eeuwout Klootwijk (wij kennen elkaar al tientallen jaren!), bij mij thuis voor een kennismaking en om te bezien hoe we kunnen samenwerken op die gebieden die we gemeenschappelijk dragen.

Ik ga me voorbereiden op Sjawoe’ot. Het bestaan van het Joodse volk is een wonder. Ja, het was en is niet altijd even eenvoudig, en nu druk ik me netjes uit. Maar als ik in een onverhoopte en bijna depressieve gemoedstoestand ga doemdenken, dan duw ik dat snel weg met de gedachte dat mijn ouders geen kant op konden, maar dat er voor mij een piepklein landje bestaat waar ik altijd welkom ben.
Stop! Deze laatste zin had ik misschien niet moeten schrijven. Het Joodse volk leeft en overleeft. Am Jisraeel Chaj, zeker ook in mijn/ons Nederland!