De herdenking Kamp Amersfoort was heel indrukwekkend en erg goed georganiseerd. In mijn vorige dagboek heb ik er al gewag van gemaakt. Ik herhaal het maar even:
Waarom moest na de oorlog Kamp Amersfoort verzwegen worden? Waarom geen enkele aandacht voor dit Kamp vanuit het …. Er wordt onderzoek naar gedaan en de nieuwe directeur, met volledige steun van het bestuur, is aan het onderzoeken wat hier na de oorlog speelde. Want dat er iets niet koosjer was met Kamp Amersfoort na de oorlog lijdt bij mij geen twijfel. De nieuwe directeur wil met mij hierover spreken. Ik ben benieuwd en voelde me bijzonder welkom geheten bij de plechtigheid. Een gereserveerde plaats vooraan. Ik voelde een erkenning van wat ik ben: een Jood. In dit afschuwelijke kamp werd afgrijselijk geleden door iedereen, maar de Joden kregen daarbovenop nog een extra behandeling.
Dat er iets niet koosjer is in Kamp Amersfoort na-de-oorlog, staat voor mij als een paal boven water. Toen ik bij de opening van het Herinneringscentrum in 2004 een toespraak zou houden was er een brief gekomen bij de toenmalige directeur dat de rabbijn niet zou mogen spreken. Ook de directeur voordat hij directeur was en een andere functie bekleedde, werd in zijn vorige functie bedreigd met ontslag omdat hij een Herinneringscentrum wilde oprichten voor Kamp Amersfoort. En toen jaren later er een monument bijkwam voor onderduikouders, werd mij door een van de toenmalige bestuurders verteld dat zijns inziens er te veel aandacht aan de Joden werd besteed. Het feit dat ik nu zo duidelijk een warm welkom werd geheten toonde dat er een andere wind waait en er alles aan gedaan gaat worden om het “geheim” van Kamp Amersfoort na-de-oorlog boven water te krijgen. Waarom spreek ik van een “geheim”? De dag na de opening van het Herinneringscentrum in 2004 was ik in de gevangenis van Groningen voor de onthulling van een monument ter nagedachtenis aan de Expogé (ex-politieke gevangenen). Naast mij zat een oude man in een legeruniform met een waslijn aan medailles. Ik had nog de gedachte om mijn twee medailles van de avondvierdaagse op te doen… De oud-militair vertelde mij dat hij mij de dag tevoren had horen spreken in Kamp Amersfoort en dat hij bij de opening was geweest omdat hij in de oorlog in Kamp Amersfoort gevangen had gezeten. Op mijn vraag wat er aan de hand was met Kamp Amersfoort na-de-oorlog, vertelde hij mij dat er geheimen zijn die zo afschuwelijk zijn dat je ze meeneemt in je graf.
Maar wat het geheim ook moge zijn, er wordt door de nieuwe directie aan gewerkt om te achterhalen wat er verborgen moet worden gehouden.
Ondertussen wordt er op verschillende plaatsen gewerkt aan de zogenaamde restitutie-gelden. Het woord ‘restitutie’ klinkt heel netjes en zuiver, maar wat ermee bedoeld wordt is gewoon “gestolen geld en gestolen huizen aan de nazaten van de Joden die men heeft laten vermoorden terugbetalen”. Gelukkig zijn er vele gemeenten die uit volle overtuiging alle medewerking verlenen om de gemeentelijke diefstal in de huidige schijnwerpers te plaatsen. Echter, blijken vooralsnog tientallen Nederlandse gemeenten niet te willen meewerken aan dit onderzoek. Enige van hen geven als reden op dat er geen Joden meer woonachtig zijn in hun gemeente! En dus mag kennelijk de diefstal van Joodse bezittingen verzwegen worden. Met 4 mei in aantocht word ik er niet vrolijker op. Maar we moeten doorgaan. Am Jisraeel Chaj!
Velen hebben de gewoonte om dagelijks drie of één hoofdstuk te leren uit de Rambam, Maimonides. Zowel de lerners van één hoofdstuk per dag alsook de lerners van drie dagelijkse hoofdstukken hebben allen gisteren het boek Jad Hachazaka beëindigd. Het laatste hoofdstuk spreekt over de tijd van de Mosjiach. De wereld zal gewoon continueren, maar doordat ieder de aanwezigheid van G’d zal erkennen, zal er alom vrede heersen, echte sjalom. En dus geen oorlogen, geen jaloezie, geen afgunst. Ook geen lasjon hara, kwaadsprekerij. Woorden kunnen doden, vlijmscherp zijn, mensen letterlijk kapot maken. Maar met woorden kun je ook de medemens verheffen, moed geven, troosten, sjalom, innerlijke rust, brengen.
Gisteren sprak ik een bestuurder met wie ik eigenlijk weinig contact heb omdat hij geen voorzitter is, maar gewoon bestuurder van een van mijn Joodse Gemeenten. Out of the blue liet hij mij weten dat hij mijn inzet voor Joods Nederland zeer waardeert. Het gaf mij een goed gevoel. Kostte hem niets, maar was voor mij op dat moment van grote waarde, want ik zag het net even bijna helemaal niet meer zitten vanwege al die herdenkingen en het daaraan gekoppelde onbeschrijfelijke verdriet. Am Jisraeel Chaj, het Joodse volk leeft en overleeft…maar onderweg sneuvelen er zo ontzettend veel.
Een Nederlandse vriend die nu in Israël woont vroeg mij wat te antwoorden op de vraag waarom G’d al die onbeschrijfelijke misère tolereert. Mijn antwoord was dat er geen rationeel antwoord op die vraag bestaat, omdat de Ratio niet mijn afgod is, maar de G’d van Awraham, Jitschak en Jaäcov. En die G’d is in essentie niet te vatten. En dus ook zijn Zijn Daden vaak verstand-overstijgend. Maar uiteindelijk gaat alles zoals het moet gaan, ook als we het van geen kant kunnen plaatsen en bevatten.
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

Omdat 4 mei (herdenken) en 19 april Jom Hasjoa (herdenken) vlak na elkaar vallen huppel ik van herdenking naar herdenking. Dat klinkt ietwat moe (en zo voel ik ook), maar, de 4 mei herdenkingen nog te gaan, weet ik mij juist door de moeheid gesterkt.
“Een gezonde zomer” is de wens die we tot elkaar richten na afloop van Pesach. En dus wens ik u allen ook “een gezonde zomer”. U heeft mijn dagboek (hopelijk) gedurende de Pesach-dagen gemist. De reden was: Pesach! Vier dagen Jom Tov met de daaraan gekoppelde restricties die bijna even zwaar zijn als de sjabbat-wetten. En ook Chol Hamo’ed, de tussendagen, zijn weliswaar geen volle Jom Tov-dagen, maar wel halve. En dus heb ik Pesach niet aan de computer mijn dagboek zitten schrijven, maar ben ik nu dus weer terug met een sociale wens: “een gezonde zomer”.
Eind vorige week een tweedaagse internationale conferentie over “Israel on Trial”. En dus was ik woensdag jl. al vroeg in de ochtend in Den Haag in het Museon waar 160 deelnemers uit 16 verschillende landen bijeen waren gekomen om “Israel on trial” te bespreken. De conferentie stond los van de huidige politieke spanning in Israël want was lang voordien georganiseerd. En toen het toch zijdelings ter sprake kwam…moest ik even stiekem denken aan de beste stuurlui die aan wal staan!
Meer dan gebruikelijk was ik bezig met interviews en gezicht geven aan de niet-joodse omgeving die graag een Joodse stem en/of mening wil horen. En dus zat ik maandag jl., na zondag Middelburg, in Arnhem om te spreken over een in voorbereiding zijnde tentoonstelling over ‘Kunst in Duitsland onder het Naziregime’. Hoe kunnen ze deze tentoonstelling dusdanig inrichten dat er bij met name de Joodse gemeenschap geen nare gevoelens optreden, dat wilden de organisatoren graag horen. De tentoonstelling is niet bedoeld om de bezoekers te laten genieten van prachtige kunst, maar wat de makers van de tentoonstelling willen tonen is dat terwijl miljoenen mensen worden vermoord, door een kleine minderheid moordenaars, voor de grote meerderheid het gewone leven doorgaat alsof er niets aan de hand is. In feite is de tentoonstelling een keiharde waarschuwing die toont hoe makkelijk het gros van de mensen wegkijkt, het ziet gebeuren, het laat gebeuren en waar nodig om het eigenbelang te dienen, in het gareel meeloopt om de moordmachine te steunen, materieel en geestelijk.
Er zijn in het verleden al verschillende wetenschappelijke studies gepubliceerd die proberen te onderzoeken hoe je de leugen van de waarheid kunt onderscheiden”, zegt Bruno Verschuere. De Belgische professor en hoofddocent forensische psychologie aan de Universiteit van Amsterdam onderzoekt al jaren waarom mensen liegen, en hoe je kan weten wanneer ze niet de waarheid vertellen. En de conclusie is dat de aanwezigheid van details in het verhaal een teken van waarheid getuigt. Een leugenaar zal op zo’n min mogelijk details willen ingaan en de waarheidspreker brengt juist die details.
Interessant te zien en te horen dat velen mij benaderen en bemerken dat ik zoveel reis. Klopt dat? Ja en nee. Ik reis echt veel meer tijd niet, dan wel. Alleen als ik niet reis en gewoon een dag normaal thuis achter mijn computer of telefoon zit te werken of mensen thuis ontvang, is dat niet echt vermeldenswaard. “Ik heb eergisteren bijna vijf uur gewerkt aan de column die aanstaande donderdag online verschijnt!” Zo’n opmerking interesseert toch niemand! En dus vermeld ik deze vijf uur vergende activiteit niet in mijn dagboek. “Man bijt hond’ is nieuws en boeit lezers. “Hond bijt man”, is niets bijzonders en komt dus niet in de krant. Dat er meer honden mensen bijten dan mensen honden doet hier niet aan af. En dus schrijf ik in mijn dagboek uitsluitend gebeurtenissen waarvan ik aanneem dat die iets interessants vertellen waarmee u, geachte dagboekenier, gemotiveerd blijft om mij te blijven volgen. Maar, zo vraag ik mezelf nu dan even af, waarom zou u mij moeten volgen? En dan duik ik mijn moderne geschiedenis in. Helemaal aan het begin van de coronatijd, toen ik geen mensen kon bezoeken en geen cursussen mocht geven, de sjoels gesloten waren (behalve dan de tent-sjoel in onze tuin), werd ik benaderd door het Joods Cultureel Kwartier met de vraag om een dagboek te gaan schrijven onder de titel: ‘Opperrabbijn in coronatijd.’ Corona is voorbij, maar mijn dagboek is gebleven omdat ik ben gaan inzien dat ik met dit dagboek mensen bereik, ze iets Joods kan meegeven en ook door het schrijven, dus door het contact, sneller bereikbaar ben. En dat snellere bereikbaar-zijn is de uitgestoken hand die mijns inziens een rabbijn altijd zichtbaar moet maken. Er zijn voor de ander als hij, zij (of ‘het’) je nodig heeft. Maar dan moet de ander wel de weg naar de rabbijn kennen en dus moet de uitgestoken rabbinale hand altijd zichtbaar
Normaliter kan ik goed inschatten en weet ik hoeveel tijd ik moet uittrekken voor een gesprek. Maar als gesprek nummer één een kwartier te laat komt en gesprek nummer twee een kwartier te vroeg…En dus moest gesprek nummer twee even in de wacht. Nou hebben we thuis geen wachtkamer, maar mijn Blouma wordt dan ingeschakeld en bekommert zich over de deelnemers aan gesprek nummer twee aan de andere kant van onze kamer. En dus zat Blouma met de twee bestuursleden van de Stichting Herkenning de tijd te overbruggen. Nou heeft ze daar geen moeite mee, gelukkig, maar toch. Je even verplaatsen in de wereld van de ander. En het betrof hier wel een heel andere wereld, de wereld van “Kinderen van foute ouders”. Toen ik Blouma daar zo zag zitten dwaalden mijn gedachten af naar zo’n tien geleden toen Blouma hand in hand stond met de dochter van een SS’er. Beiden huilden. En nu zit ze met : “kinderen van foute ouders”. Waarom ze met mij een gesprek wilden heb ik niet echt begrepen. Ze hebben mij een boek aangeboden, dat ik nog moet lezen, over de problematiek waarmee zij werden en vaak ook worden geconfronteerd. Voor alle duidelijkheid: al hun leden hebben afstand genomen van de foute keuzen van hun ouders. Ik denk dat het ‘door mij begripvol worden ontvangen’ het ultieme doel was van hun bezoek. Voor mij betekende hun bezoek een mogelijkheid om het Joodse principe dat kinderen niet aansprakelijk gesteld mogen worden van fouten van hun ouders, van theorie tot praktijk te verheffen.