In de Sidra, Thora-lezing, van aanstaande sjabbat zien we dat de mens vergeleken wordt met een boom in het veld. Gelijk bij een boom de vruchten het doel zijn, zo ook moet ieder mens ervan doordrongen zijn dat de hoofdreden van zijn verblijf hier op aarde is om voor derden vruchten af te werpen, van betekenis te zijn voor de medemens, de samenleving. Er is nog een aantal vergelijkingen die getrokken kunnen worden, maar die ik hier niet wil brengen omdat ik dan niet genoeg ruimte meer heb om mijn grote zorg die ik met u wil delen in dit dagboek van de zondag na de sjabbat van gisteren, kenbaar te maken.
Eigenlijk staat er niet dat de mens vergelijkbaar is met een boom in het veld, maar er staat dat de mens een boom in het veld is! Als u niet helemaal de nuance aanvoelt, lees dan nog even rustig over wat ik tot nu toe heb geschreven en ga dan daarna verder.
Ik ben een Amsterdammer. Geboren en getogen in de Pijp. Amsterdamser kan bijna niet. Maar ik woon al bijna zestig jaar buiten Mokum. Niets bijzonders, hoor ik u denken. Bijna niemand blijft gekoppeld aan zijn/haar geboortelocatie, sterker nog: ook als iemand in hetzelfde huis blijft wonen, dan nog zit hij niet vast aan zijn geboorteplek. Hetzelfde geld voor beesten. Ook die worden ergens geboren, maar blijven niet aan hun geboorteplek vastzitten. Wel een boom! Die blijft op de plaatst waar hij zich heeft ontwikkeld van een piepklein zaadje tot een kanjer van een boom. Iedereen kan zien vanwaar hij zijn kracht heeft gekregen en nog steeds ontvangt.
Een mens moet een boom zijn en voortdurend bewust zijn van zijn oorsprong: de scheppende kracht van de Eeuwige. Als een mens zo leeft, als hij ervan doordrongen is dat hij een boom is, dan kan hij heerlijke en gezonde vruchten afwerpen. Positief bijdragen aan de brede samenleving.
Maar wat als de grond waarop de boom gedijt zwaar verontreinigd is? Als er zich in zijn grond giftige stoffen bevinden? De kans dat de vruchten dan ook buitengewoon ongezond zijn, is dan volop aanwezig.
Gisteren werd mijn heilige sjabbat ziekelijk verstoord door een demonstratie die als motto had: Nee, tegen zionisme! Iedere vorm van zionisme moest volgens de honderd vijftig demonstranten uit Amersfoort verdreven worden. Omdat er geen zionist in Amersfoort te vinden is, kan het niet anders dan dat ze gewoon de Amersfoortse Joden bedoelden. Ze hoefden hiervoor niet eens te erkennen dat antizionisme = antisemitisme. Overigens was aan duidelijkheid geen enkele twijfel, want de afsluitende en inspirerende woorden aan het begin van de demonstratie logen er niet om:
“we sluiten af en dit is mijn favoriete afsluiting, Wij steunen het verzet in Gaza, in Jenin, in Tulkarem, in Libanon, en Jemen, En wij zijn het verzet, wij blijven in verzet, totdat ons doel bereikt is. En dat is één staat, niet twee. Hoor mij goed. Een staat genaamd Falestin, met de hoofdstad Al-Quds.”
En toen ik mijn gebruikelijke wandeling van sjoel naar huis liep, werd ik nog even nagescholden door een nieuw-Nederlands snotaapje: Joden, Joden! Waarschijnlijk bedoelde hij: Zionisten, zionisten! Hoe komt zo’n kind hierop? Waarom scheldt hij mij uit, want ik heb het bange vermoeden dat zijn “Joden, Joden” niet complimenteus bedoeld was.
De mens is een boom. Een boom wordt gevoed en blijft verbonden met de bodem van waaruit hij is ontstaan. Als die bodem zwaar verontreinigd is door schadelijke en ziekelijke vervuiling, dan zijn giftige vruchten het resultaat.
Als dit wordt getolereerd door zich te verstoppen achter allerlei wetgevingen, door weg te kijken, door een pappen-en-nathouden-politiek… Als er niet wordt opgetreden tegen dit soort gevaarlijke bodemverontreiniging… Als er geen duidelijk signaal komt vanuit de bestuurlijke overheid, dan….
Maar weet de betekenis van de kanarie in de kolenmijn. Het begint met de Joden. In de Tweede Wereldoorlog zijn zes miljoen Joden vermoord. Maar meer dan tweeënvijftig miljoen mensen lieten het leven. Door moord, afpersing, uitbuiting of door gewoon burgerslachtoffer te zijn als gevolg van het bombardement op Hiroshima of de bombardering van gewone Duitse steden vol onschuldige burgers. Want oorlog betekent per definitie doden. Ik hoop dat ik overdrijf, maar ik ben er niet zo zeker van.
Het speelde zich af afgelopen sjabbat in Amersfoort, vlak bij de synagoge. Maar kanaries en kolenmijnen zijn ook elders,

Het gebeurt niet vaak dat ik me afvraag: waarover zal ik nu eens schrijven. Kennelijk waren er geen gebeurtenissen die mijn aandacht trokken en dus mij inspireerden om er een dagboek-verhaal aan te wijden. En toen kreeg ik geheel onverwachts een vraag die misschien negatief klonk, maar, de vraagsteller kennende, gewoon oprecht gemeend was. Waar was G’d 7 oktober? Ik was meteen weer bijna 50 jaar terug. Mijn eerste week als rabbijn werkzaam in het Sinai Centrum en de confrontatie met overlevenden van de hel, het zien van medemensen met een ziekte die hun volledig gek maakt en het voelen hoe mensen tegen mij aankeken en me maar niets vonden omdat ik werkte in een gekkenhuis met medemensen die gewoonweg niet functioneerden en niet-functioneren al een terminologie is die voor hen te hoog is gegrepen.
Ik mag me dagelijks verheugen met veel e-mails en probeer iedere e-mail te lezen en waar nodig te beantwoorden. Soms lijkt een e-mail gezeur, maar ook wat ik als gezeur beschouw, kan voor de zeurder iets heel waardevols zijn en is dus geen gezeur. Met andere woorden, zoals het ook in de Spreuken der Vaderen wordt gebracht: verplaats je in de gedachtewereld van de ander. En dat probeer ik dus braaf te doen, maar soms is dat verdraaid lastig en uit ik dan sporadisch mijn frustratie via dit dagboek waarmee mijn dagboek plotsklaps een extra dimensie krijgt, namelijk die van een therapeutische. Is overigens niets mis mee, maar was niet mijn dagboek-opzet. Neen, het doel dat ik voor ogen had en heb is om de medemens, ieder medemens, tot steun te zijn, want dat is de essentie van af en toe een e-mail met u delen.





