Mijn dagboek over de opening van het Holocaustmuseum kreeg 19 duizend lezers op de website. Eigenlijk begrijp ik dat aantal niet zo goed. Ik snap dat het onderwerp met de protesterende anti-Joodse meute qua public relations aanspreekt, maar hoe weet de lezer voordat die het dagboek heeft gelezen of het een artikel is dat hem aanspreekt? Ik weet niet of ik me erin moet gaan verdiepen om te snappen hoe een en ander gekoppeld aan algoritmen werkt, maar duidelijk is dat ik bereik heb/krijg en dat dien ik ten goede aan te wenden.
En dus heb ik duidelijk kenbaar gemaakt, uren na de opening van het Holocaustmuseum, hoe storend de anti-Joodse protesten waren en hoe die tijdens de plechtigheid in de Portugese Synagoge als een storende, vals klinkende en beschamend kwetsende achtergrondmuziek klonken. Intussen besef ik dat burgemeester Femke Halsema de schuldige was en een lading kritiek over zich heen heeft gekregen. Of dat terecht is, betwijfel ik. Ze had anders moeten optreden of ter plekke moeten ingrijpen, ik begrijp dat helemaal. Maar haar nu zwaar beschuldigen vind ik onterecht. De schuldigen zijn de betogers tegen Israël die zich verlaagden tot het niveau van de jaren ’40-’45. Halsema toonde haar vriendschap door de vlag van Israël direct na 7 oktober uit te hangen en door jonge Joodse en islamitische Amsterdammers in aanwezigheid van de koning en de koningin bijeen te roepen. Of zoiets resulteert in meer onderling begrip, weet ik niet. Ieder mag daarvan het zijne denken, maar Halsema’s initiatief was moedig en goed bedoeld. En dus kan ik de aanval op haar niet waarderen. Ja, ze had kunnen en moeten ingrijpen, maar om haar nu te verwijten … Mijn instemming kan dat niet wegdragen.
Ik ontving een whatsapp die me op een nette en beleefde manier bekritiseerde. Enige weken geleden was er een overlijden. Ik had de lewaja gedaan en de familie was dankbaar voor mijn toespraak, maar … taal noch teken van mij om de alleen achtergebleven weduwe te bezoeken of op z’n minst een belletje met de vraag ‘hoe gaat het met u?’ Op mijn e-mailadres kwam ook een bericht met een ander verwijt. Een gioer-kandidaat had niets meer van mij vernomen terwijl ik wel een reactie had toegezegd. Hoewel ik een goede reden kan aanvoeren waarom ik niet heb kunnen reageren, blijft het onjuist dat ik niets van me heb laten horen. Inmiddels heeft mijn Blouma een afspraak met de alleen achtergebleven weduwe gemaakt en heb ik de gioer-kandidaat gemaild.
Het is dus prachtig, die score van 19 duizend lezers en zeker zal er nog een veelvoud zijn via Facebook en andere social media waar ik (kennelijk) te vinden ben, maar ik moet oppassen niet uitsluitend te schrijven over grote pr-toppers en de ‘kleintjes’, zoals vermeld, te vergeten. Want wie zegt mij dat de kleintjes minder waardevol zijn dan de zwart gedrukte en graag gelezen vette krantenkoppen?
Het is nu ramadan en het aantal boze gezichten die mij treffen als ik langs de moskee loop, is tot nu toe hoog. Tegelijkertijd ontving ik in een dienstenveloppe van de politie een uitnodiging voor woensdag 20 maart 2024 vanaf 17:30 uur. Geen locatie, geen telefoonnummer, geen verdere uitleg en op de dienstenveloppe met de hand geschreven mijn naam en mijn adres. Pas een week later komt er duidelijkheid, in dezelfde soort dienstenveloppe met mijn naam en adres en wederom met de hand geschreven. Maar nu is er verduidelijking: “In de huidige tijd is het gemakkelijk om elkaar te verliezen in tegenstellingen […] Graag nodigen wij u vanuit de verbinding uit voor een Iftar-bijeenkomst […] Heeft u speciale dieetwensen, waaronder een koosjer of vegetarisch diner …”.
Wellicht een goedbedoelde poging om vriendschap te tonen, maar ik vind het toch wel sukkelig mij zo uit te nodigen. Van een overheidsinstantie had ik een telefoontje vooraf verwacht met uitleg. Want, beste overheid, wat kan ik van zo’n bijeenkomst verwachten? Wordt daar in mijn aanwezigheid opgeroepen tot een boycot of veroordeling van Israël? Zal ik als ik daar zit meegesleurd worden in een ‘gezamenlijke verklaring’? Gaan we daar gezellig en spontaan samen zingen ‘From the river to the sea’ en wat met een groepsfoto waarop ik ook zichtbaar ben? Om het nog sukkeliger over te laten komen, staat nergens een telefoonnummer vermeld, mocht ik vragen hebben. Mocht u, initiatiefnemers van deze uitnodiging, mij alsnog na dit dagboek gelezen te hebben, geruststellend willen bellen, bespaar u de moeite want woensdag 20 maart heb ik een bijeenkomst in het noorden des lands.
Inmiddels ben ik door diverse bestuurders van Joodse gemeenten gevraagd om advies: wel of niet de uitnodiging naar een Iftar-bijeenkomst aanvaarden? Mijn reactie: als vertegenwoordigers van een van de moskeeën, die een oproep hebben gedaan om de aanwezigheid van president Herzog bij de inwijding van het Holocaustmuseum te veroordelen, deelnemers zijn aan deze Iftar of misschien wel de organisatoren, dan moeten wij zeker geen acte de présence geven.
Voor alle duidelijkheid: zoals op Poeriem de Jood Mordechaj zijn nicht Ester aanspoorde om in gesprek te gaan met koning Achasjwerosj, zo ook ben ik voor de dialoog. Maar niet alleen dialogen, we zullen ook aan de versterking van onze eigen identiteit moeten werken, onszelf moeten verdedigen, ook fysiek. En vooral niet zwichten voor de ontsporende publieke opinie.

We witness here today the combination of the normal and the abnormal, the acceptable and the not acceptable, a regular new Jewish cemetery and the awful 7 October monument. And we see with tears in our eyes that the world accepts the non-acceptable by condemning Israel and by accepting antisemitism. Met deze woorden eindigde ik mijn toespraak gisteren in Porto bij de inwijding van de nieuwe begraafplaats en tegelijkertijd met de onthulling van het monument waarop de namen van allen die op 7 oktober op beestachtige wijze werden vermoord.
Ik benadruk keer op keer dat de meeste slachtoffers van ISIS islamieten zijn. En toen een topper uit onze overheid tegen mij zei, toen we over antisemitisme spraken, dat in Nederland het huidige antisemitisme voor 98% afkomstig is van de in ons land woonachtige moslims, heb ik hem aangegeven dat toen 80% van mijn familie werd vermoord er in Nederland geen enkele moslim te bekennen was, zo schreef ik in mijn dagboek van 7 februari 3 dagen geleden. Ik wil hieraan toevoegen dat daags na 7 oktober ik een telefoontje kreeg van onze Minister van Algemene Zaken, van Gennip, die belangstellend vroeg hoe het met mij ging en mij vertelde dat zowel de Marokkaanse als de Turkse gemeenschap in Nederland de gebeurtenissen van 7 oktober niet acceptabel vinden.
Dinsdag waren we bij de première van de film ‘Rebellie van de hoop’’ en de presentatie van het gelijknamige boek. Het was eigenlijk geen première, maar een geweldige happening. Maar… vooropgesteld dat het een perfecte film was en weergave van de geschiedenis uit de jaren
Deze week wordt voor ons een filmweek.
Er is iets nieuws ontstaan dat er, althans voor mijn gevoel, niet eerder was. Als ik op sjabbat, zichtbaar Joods als ik ben, naar sjoel loop dan is het inmiddels de minhag, het gebruik, dat ik word nageroepen met woorden die geen pijn doen, maar wel pijnlijk bedoeld zijn. Toeterende auto’s met wel of niet openende raampjes die het getoeter begeleiden met schreeuwende Arabische kreten die ik meestal niet eens kan verstaan, behoren inmiddels tot het normaal. Maar nieuw is dat tot voor kort de uitschelders alleen jongens waren, maar sinds sjabbat jongstleden ook Moslima’s mij nastaren en trakteren op boze blikken. Verbale uitingen van haat heb ik nog niet kunnen onderscheiden, maar het is niet gezegd dat die er niet waren, maar gezien de afstand niet door mij werden gehoord. Ik kom in sjoel aan en bij de kiddoesj verneem ik dat ook een andere sjoelganger de eer te beurt is gevallen om sinds zeer recentelijk door jonge Islamitische dames te worden nagescholden. In ieder geval heeft het feit dat ook dames nu naschelden ook een positieve kant. Al jaren probeer ik erop te hameren dat vluchtelingen die we in Nederland binnen laten komen omdat ze in hun eigen land vervolgd worden, voorzien moeten worden van brood, bed en bad, maar ook van een vierde B, namelijk de B van basisnormen. En tot die basisnormen behoort: geen Joden, christenen of medemensen met een andere geaardheid discrimineren. Maar ook afstand nemen van de visie dat vrouwen gebruiksvoorwerpen zijn. Nu dus niet alleen heren, maar ook dames ons Joden naschelden, is dat voor ons niet gezellig, maar wel een positieve stap in de richting van de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Een beetje positief denken in een wereld die vaak erg negatief eruitziet, kan geen kwaad!
Het was/is de laatste weken wel veel vliegen, want nadat ik maandag was teruggekomen uit Montreal vertrok ik donderdag in alle vroegte naar Wenen om vrijdagochtend om 8:30 uur weer terug te zijn op Schiphol.
In mijn aanstaande column voor het papieren NIW ga ik in op de zegen en de vloek die social media kunnen brengen. Want het moge dan zo zijn dat als er twitter zou zijn geweest in de Shoa de wereld had kunnen vernemen over de vernietigingskampen, maar mijns inziens zou dat niet veel hebben uitgemaakt, want een berichtje over de gaskamers zou worden weggehoond door duizenden berichtjes die dat ene berichtje of die ene video naar het land der (bloed) sprookjes zouden verwijzen. Maar nog voordat mijn column in NIW 20 is verschenen, worden we naar aanleiding van 7 oktober overspoeld met “aanwijzingen en bewijzen” dat Israëlische soldaten zich schuldig maken aan martelingen van onschuldige Palestijnse gevangenen en verkrachting van Palestijnse vrouwen…
Mijn computer geeft aan in de balk onderaan het scherm: -11 C en lichte sneeuw. U begrijpt dus dat ik waarschijnlijk niet in ons natte kikkerlandje ben. Klopt! Vandaag vliegen we terug naar Nederland na een kleine Montreal-week. Bar-Mitswa van de oudste zoon van onze jongste dochter.
Hoewel ik geen groot krantenlezer ben, viel mijn oog op een interview in het ND (Nederlands Dagblad, voor krant-analfabeten) van 13 februari met Caspar Veldkamp, lid van de Tweede Kamer en voormalig ambassadeur der Nederlanden in Israël. De kop van het artikel luidde: “Ik zie grote misverstanden in debat over Israël”. Een genuanceerd verhaal met een genuanceerde kop. Die kop is essentieel omdat helaas de gemiddelde krant-lezende Nederlander niet verder komt dan de koppen. De kop van een ander artikel, naast het interview met Veldkamp, luidde “Winkeliers samen in actie tegen winkeldief”. Dat artikel beschrijft hoe de winkeliers in Hoog Catharijne lijden onder terreur, want zo klinkt het, van brutale ongeremde winkeldieven. Het gaat zelfs zo ver dat er toestemming is verkregen om beelden van de dieven/oproerkraaiers, zichtbaar op de vele camera’s, openbaar te maken.