Er is de laatste dagen zoveel opeenvolgend gebeurd, dat ik letterlijk mijn agenda moest gaan raadplegen om te kijken wanneer wat zich precies afspeelde, want in mijn gedachten is alles door mekaar gaan lopen. Mijn vorige dagboek heb ik grotendeels zondag geschreven in het vliegtuig van Amsterdam naar Belgrado en maandagmiddag mocht ik alweer voet op vaderlandse bodem zetten. Waarvoor ik in Servië moest zijn had ik al aangegeven in mijn vorige dagboek en gezien het me meer en meer duidelijk wordt dat de meeste van mijn trouwe dagboekeniers mij van dagboek naar dagboek volgen, ga ik de reden van mijn flitsbezoek aan Servië niet nogmaals uit de doeken doen om doublures te voorkomen. Nog in Belgrado zijnde ontving ik maandagochtend in de zeer vroege uurtjes een whatsapp van mijn zoon uit Londen waarin hij mij liet weten dat vier van zijn ambulances in brand waren gestoken en dat de Metropolitan Police spreekt van een antisemitisch haatmisdrijf. Onze zoon woont in de traditioneel door veel Joden bewoonde wijk Golders Green in het noorden van de Britse hoofdstad. Met zijn ambulances bedoel ik de ambulances van de Joodse vrijwilligersorganisatie Hatzola, waarvoor hij, met nog zon veertig anderen, als vrijwilliger geheel belangeloos 24/7 inzetbaar is. Ik dus meteen naar Londen gebeld met de vraag hoe ze financieel die vier ambulances gaan vervangen, maar die vraag werd nog voor ik hem had kunnen stellen afgewimpeld. Geld, zo gaf mijn zoon aan, is van later zorg. Wat nu? Van hun zeven ambulances waren er nog maar drie over. Wat als ze dadelijk meer dan drie nodig hebben
dat was zijn primaire zorg!
Toen we gingen landen en verzocht werden om onze stoelriemen vast te maken, schrok ik wakker en moest ik even diep nadenken om me te oriënteren. Was ik op de heen- of op de terugweg en waarheen en vanwaar ook alweer. Zoals u zeker bekend is, zijn de Christenen voor Israel, ondanks de barre omstandigheden, nog steeds keihard bezig in Oekraïne met hun Breng de Joden thuis. En dus onder het mom van dit motto werd ik afgehaald door een van de vrijwilligers van Christenen voor Israel en was ik om vier uur s middags weer thuis, terug van weggeweest. De meeste tijd ging naar binnen- en buitenlandse e-mails en telefoontjes over de aanslagen in Luik, bij de Rotterdamse synagoge, het Cheider en nu dus ook de Londense ambulances. Mensen zijn bezorgd. Wanneer zal het ophouden? Kan de geweldspiraal nog stoppen? Kan de geest nog terug in de fles? Allemaal vragen die zinloos zijn. Kan dit? Kan dat? Alertheid is geboden, maar groter maken dan het is, is ongezond. Am Jisraeel Chaj – het Joodse volk leeft en overleeft, daarvan mogen we doordrongen zijn.
En om de daad bij het woord te voegen had ik maandagavond een aanstaand bruidspaar op bezoek om hun choepa te bespreken. Geweldig toch! Am Jisraeel Chaj.
Waar een normale rabbijn deze dagen non-stop met de komende Pesach bezig is, gaat mijn meeste tijd naar het gezeur rondom geestelijke en fysieke beveiliging. En dus kreeg ik dinsdag bezoek uit de hogere politiekringen die vanuit het veld, dat ben ik dus, direct wilden vernemen hoe het gaat met Joods-Nederland. Overigens kreeg ik maandagmiddag, een half uur na mijn thuis-landing, uitgebreid bezoek van onze wijkagent. Dat voelde goed. Speciaal nadat ik n.a.v. een online interview was bekogeld met de meest afschuwelijke verwensingen waarvan de journalist me deelgenoot had gemaakt. Nou ja, ook weer niet helemaal deelgenoot. Want, zo liet hij me weten, hij was drie uur bezig geweest om vervloekingen en bedreigingen van het allerlaagste allooi te verwijderen. Zoveel haat had hij niet verwacht.
En toen mochten we vereerd worden met de vijf vrijwillige bestuursleden van een fonds dat als doel heeft: Joods Nederland tot steun te zijn en niet te potten. Er schijnen vele fondsen binnen Joods Nederland te bestaan die zich voornamelijk inzetten om het fonds in stand te houden omwille van het fonds. Dit fonds dus helemaal niet en daarom kwamen ze bij ons, bij Blouma en mij. Hoe kunnen ze de gelden zo effectief mogelijk inzetten en ook hoe het kaf van het koren te scheiden. Want overal, en dus zelfs in Joods Nederland, bestaat er kaf en koren! Het was inmiddels al over tienen en langzaam toog ik richting bed. De volgende ochtend, vandaag dus, om elf uur, zo las ik nu in mijn agenda, werd ik verwacht in een bekend Wegrestaurant aan de A1. Een tweegesprek voor een van onze landelijke dagbladen. Rabbijn van de Kamp en ondergetekende kregen een tiental stellingen voorgelegd en werden daarover bevraagd. De bedoeling was uiteraard niet dat we met elkaar zouden instemmen en eensluidende meningen verkondigen en dat gebeurde dan ook niet. Waar van de Kamp erg gelooft in het gesprek met de Moslimgemeenschap en ervan overtuigd is dat dat mogelijk is, zit ik er kritischer in. Ik wil dolgraag bruggen bouwen, doe, naar ik meen, erg mijn best, maar een brug vereist aan weerskanten een kade.
En terwijl we een boeiend en interessant gesprek voerden, in dat Wegrestaurant aan de A1, kwam een medewerker ons vertellen dat het niet was toegestaan om te fotograferen. Ons gezelschap bestond uit twee Joods-ogende rabbijnen, twee journalisten en een fotograaf. Die fotograaf fotografeerde uitsluitend ons beiden met als achtergrond een muur die geen enkel beeld vertoonde dat de locatie herkenbaar maakte. De journalisten antwoordden dat ze daags vooraf een tafel hadden gereserveerd en toestemming hadden gevraagd om te fotograferen. De medewerker reageerde daarop nauwelijks tot niet en wilde de fotos zien die genomen waren. Die kreeg ze te zien en, na nogmaals duidelijk gesteld te hebben dat er niet gefotografeerd mocht worden, verliet ze ons tafeltje. Inmiddels was de fotograaf vertrokken en kwam de manager van het Wegrestaurant aan de A1 ons vragen of we hadden gefotografeerd en dat dat niet was toegestaan Ons interview ging over antisemitisme in ons land. Dit fotografie-tafereel vormde voor mij een prachtige illustratie. Na afloop van het gesprek heb ik me tot de receptie van het Wegrestaurant aan de A1 gewend en aangegeven dat ik de bewuste manager wilde spreken. Hij kwam meteen opdagen en begreep mijn ongenoegen, mijn zorg, maar, zo gaf hij mij aan, hij had een bericht gekregen van de medewerker die ons in eerste instantie had gesommeerd om te stoppen met fotograferen, had de twee Joods-ogende rabbijnen nog helemaal niet gezien en wist dus niet dat het iets met Joden van doen had. Ik ben zo vrij geweest hem uit te leggen dat Joodse gezelschappen bijna geen zalen meer kunnen huren en dat het antisemitisme weelderig bloeit. Hij verzekerde mij dat dit bij hem niet speelde. Hij begeleidde mij naar mijn auto terwijl hij nogmaals zijn excuus aanbood. Ik geloof hem, ben nog niet overtuigd van de goede bedoeling van zijn medewerker, maar mijn negatieve beoordeling van hem, de manager, was onterecht. Niet achter iedere boom staat een antisemiet. Ik voelde me een beetje richting rabbijn van de Kamp nijgen, maar het interview was al geweest.
Ik word dadelijk afgehaald om naar Den Haag te gaan al waar de eerste Lou de Jong-lezing wordt gehouden. Ik ben benieuwd maar weet op voorhand dat het een goede en belangrijke avond zal worden omdat Eddo Verdoner, de nationaal coördinator antisemitisme bestrijding, het heeft georganiseerd en mij persoonlijk heeft uitgenodigd.
Toen we gingen landen en verzocht werden om onze stoelriemen vast te maken, schrok ik wakker en moest ik even diep nadenken om me te oriënteren. Was ik op de heen- of op de terugweg en waarheen en vanwaar ook alweer. Zoals u zeker bekend is, zijn de Christenen voor Israel, ondanks de barre omstandigheden, nog steeds keihard bezig in Oekraïne met hun Breng de Joden thuis. En dus onder het mom van dit motto werd ik afgehaald door een van de vrijwilligers van Christenen voor Israel en was ik om vier uur s middags weer thuis, terug van weggeweest. De meeste tijd ging naar binnen- en buitenlandse e-mails en telefoontjes over de aanslagen in Luik, bij de Rotterdamse synagoge, het Cheider en nu dus ook de Londense ambulances. Mensen zijn bezorgd. Wanneer zal het ophouden? Kan de geweldspiraal nog stoppen? Kan de geest nog terug in de fles? Allemaal vragen die zinloos zijn. Kan dit? Kan dat? Alertheid is geboden, maar groter maken dan het is, is ongezond. Am Jisraeel Chaj – het Joodse volk leeft en overleeft, daarvan mogen we doordrongen zijn.
En om de daad bij het woord te voegen had ik maandagavond een aanstaand bruidspaar op bezoek om hun choepa te bespreken. Geweldig toch! Am Jisraeel Chaj.
Waar een normale rabbijn deze dagen non-stop met de komende Pesach bezig is, gaat mijn meeste tijd naar het gezeur rondom geestelijke en fysieke beveiliging. En dus kreeg ik dinsdag bezoek uit de hogere politiekringen die vanuit het veld, dat ben ik dus, direct wilden vernemen hoe het gaat met Joods-Nederland. Overigens kreeg ik maandagmiddag, een half uur na mijn thuis-landing, uitgebreid bezoek van onze wijkagent. Dat voelde goed. Speciaal nadat ik n.a.v. een online interview was bekogeld met de meest afschuwelijke verwensingen waarvan de journalist me deelgenoot had gemaakt. Nou ja, ook weer niet helemaal deelgenoot. Want, zo liet hij me weten, hij was drie uur bezig geweest om vervloekingen en bedreigingen van het allerlaagste allooi te verwijderen. Zoveel haat had hij niet verwacht.
En toen mochten we vereerd worden met de vijf vrijwillige bestuursleden van een fonds dat als doel heeft: Joods Nederland tot steun te zijn en niet te potten. Er schijnen vele fondsen binnen Joods Nederland te bestaan die zich voornamelijk inzetten om het fonds in stand te houden omwille van het fonds. Dit fonds dus helemaal niet en daarom kwamen ze bij ons, bij Blouma en mij. Hoe kunnen ze de gelden zo effectief mogelijk inzetten en ook hoe het kaf van het koren te scheiden. Want overal, en dus zelfs in Joods Nederland, bestaat er kaf en koren! Het was inmiddels al over tienen en langzaam toog ik richting bed. De volgende ochtend, vandaag dus, om elf uur, zo las ik nu in mijn agenda, werd ik verwacht in een bekend Wegrestaurant aan de A1. Een tweegesprek voor een van onze landelijke dagbladen. Rabbijn van de Kamp en ondergetekende kregen een tiental stellingen voorgelegd en werden daarover bevraagd. De bedoeling was uiteraard niet dat we met elkaar zouden instemmen en eensluidende meningen verkondigen en dat gebeurde dan ook niet. Waar van de Kamp erg gelooft in het gesprek met de Moslimgemeenschap en ervan overtuigd is dat dat mogelijk is, zit ik er kritischer in. Ik wil dolgraag bruggen bouwen, doe, naar ik meen, erg mijn best, maar een brug vereist aan weerskanten een kade.
En terwijl we een boeiend en interessant gesprek voerden, in dat Wegrestaurant aan de A1, kwam een medewerker ons vertellen dat het niet was toegestaan om te fotograferen. Ons gezelschap bestond uit twee Joods-ogende rabbijnen, twee journalisten en een fotograaf. Die fotograaf fotografeerde uitsluitend ons beiden met als achtergrond een muur die geen enkel beeld vertoonde dat de locatie herkenbaar maakte. De journalisten antwoordden dat ze daags vooraf een tafel hadden gereserveerd en toestemming hadden gevraagd om te fotograferen. De medewerker reageerde daarop nauwelijks tot niet en wilde de fotos zien die genomen waren. Die kreeg ze te zien en, na nogmaals duidelijk gesteld te hebben dat er niet gefotografeerd mocht worden, verliet ze ons tafeltje. Inmiddels was de fotograaf vertrokken en kwam de manager van het Wegrestaurant aan de A1 ons vragen of we hadden gefotografeerd en dat dat niet was toegestaan Ons interview ging over antisemitisme in ons land. Dit fotografie-tafereel vormde voor mij een prachtige illustratie. Na afloop van het gesprek heb ik me tot de receptie van het Wegrestaurant aan de A1 gewend en aangegeven dat ik de bewuste manager wilde spreken. Hij kwam meteen opdagen en begreep mijn ongenoegen, mijn zorg, maar, zo gaf hij mij aan, hij had een bericht gekregen van de medewerker die ons in eerste instantie had gesommeerd om te stoppen met fotograferen, had de twee Joods-ogende rabbijnen nog helemaal niet gezien en wist dus niet dat het iets met Joden van doen had. Ik ben zo vrij geweest hem uit te leggen dat Joodse gezelschappen bijna geen zalen meer kunnen huren en dat het antisemitisme weelderig bloeit. Hij verzekerde mij dat dit bij hem niet speelde. Hij begeleidde mij naar mijn auto terwijl hij nogmaals zijn excuus aanbood. Ik geloof hem, ben nog niet overtuigd van de goede bedoeling van zijn medewerker, maar mijn negatieve beoordeling van hem, de manager, was onterecht. Niet achter iedere boom staat een antisemiet. Ik voelde me een beetje richting rabbijn van de Kamp nijgen, maar het interview was al geweest.
Ik word dadelijk afgehaald om naar Den Haag te gaan al waar de eerste Lou de Jong-lezing wordt gehouden. Ik ben benieuwd maar weet op voorhand dat het een goede en belangrijke avond zal worden omdat Eddo Verdoner, de nationaal coördinator antisemitisme bestrijding, het heeft georganiseerd en mij persoonlijk heeft uitgenodigd.

