dagboek van de opperrabbijn 13 mei 2026

Dagboek van de opperrabbijn,13 mei 2026

Ik heb een week gespijbeld en geen dagboek geschreven, waarvoor mijn oprechte excuses. Maar ik was zo gigantisch druk waardoor ik de rust die ik nodig heb om te schrijven, niet kon vinden. Nou is het druk hebben op zichzelf geen probleem, zoals we dagelijks in het ochtendgebed zeggen: ‘Moge het ons gegeven zijn dat we ons met Uw mitswoth, Uw geboden, intensief verbinden. Het Hebreeuwse werkwoord dat we voor dat intensief-verbinden gebruiken betekent in het moderne Hebreeuws als zelfstandig naamwoord ‘lijm’. Maar de vraag is natuurlijk waaraan ik me vastplak. Als we ons intensief bezighouden met drugs, gokken of andere negatieve verslavingen, dan is dat uiteraard niet de bedoeling en valt dat niet onder onze dagelijkse bede van ‘Moge het ons gegeven zijn’. Maar wat als ik me volledig inzet om drugs, onrecht, discriminatie, antisemitisme te bestrijden, dan is die inzet natuurlijk een geweldige mitswa, maar toch net even iets anders dan wanneer het onderwerp niet tégen iets is, maar vóór, bijvoorbeeld vóór naastenliefde.
Waarmee was ik de laatste dagen bezig?
Ziekenbezoek. Helaas waren er (te)veel zieken die een bezoekje van mij zouden waarderen. Helaas, natuurlijk niet dat ik voor hen iets mocht betekenen, maar wel helaas dat ze ziek zijn. Ondanks de grote mitswa van bikoer-cholim, het bezoeken der zieken, kan ik er niet zo goed tegen. Hoewel ik natuurlijk een rijke zieken-ervaring heb gehad als veertig jaar rabbijn van het Sinai Centrum, kan ik er nog steeds niet zo goed tegen, omdat ik het verdriet en de pijn van de ander meeneem. En vanaf deze plek dan ook wens ik de beste oplossing voor mijn pastorale ziekenbezoeken: gezondheid voor alle zieken. Gevolg is dan wel dat ik deze belangrijke mitswa van bikoer-cholim niet meer kan vervullen, maar liever geen mitswa zonder zieken, dan wel een mitswa met zieken!
Hoewel de zomervakantie nog ver weg is, waren we vorig jaar te laat begonnen om het Chabad-Zomer-Dagkamp, dat zo’n tweehonderd kinderen bereikte, tot een succes te maken en heb ik me bijna in de nesten gewerkt om het financieel tekort bijeen te krijgen, terwijl het Zomerkamp al in volle gang was. Dat gaat ons niet nog een keer overkomen. En dus waren we er dit jaar bijtijds bij en start ik eerstdaags met het inzamelen van de gelden om vooraf een sluitend budget te krijgen opdat de Chabad-Zomer-Dagkamp-leiding, onder leiding van Taiby Camissar, Chaya Koppenhol en Oshi Kluwgant, zonder financiële zorgen zich volledig kan concentreren op programma en kinderen.
Het voelt goed dat ik regelmatig, door mensen die ik helemaal niet ken, word benaderd en ze me vertellen dat ze mijn dagboek lezen. Maar er zit ook een nadeel aan. Het aantal verzoeken voor een gesprek van mensen die me dan willen spreken omdat ze Joods willen worden, is de laatste tijd sterk aan het toenemen. Ik betreur dat in zekere mate, omdat ik geen tijd heb om al die goedwillenden te woord te staan, maar ook: Jodendom doet niet aan zending en missie. Blijf wie je bent en dien de Eeuwige vanuit die positie!
Maar toch hebben wij wel een opdracht om een soort zending te bedrijven en daarmee een bijdrage te leveren aan de brede samenleving.
Volgende week is het Sjawoe’ot, het Wekenfeest. Op Sjawoe’ot stond het Joodse volk in het jaar 2448 (het is nu 5786, dus rekent u zelf maar uit hoe lang geleden dat is) bij de berg Sinai en heeft zich bereid verklaart om de totaliteit van Thora en Traditie op zich te nemen, waarin ook de opdracht zit om de zogenaamde Zeven Noachidische Wetten aan de ons omringende samenleving te verkondigen. Eerstdaags zal ik hierover wel iets schrijven in een van mijn dagboeken. Maar voor nu: het aantal verzoeken voor een gesprek om Joods te worden overstijgt mijn fysieke capaciteit, dus: blijf wie u bent en dien de Eeuwige vanuit de positie waarin hij u heeft geplaatst. Joods-zijn is momenteel niet altijd even gezellig en zeker niet ongevaarlijk!
Ik mocht me verheugen op een aantal belangrijke ontmoetingen. Elise Coolegem (Head of Unit buitenlandse zaken, Patriots fractie van het Europese Parlement) en Sebastian Kruis (MEP Patriots fractie) heb ik in Amsterdam mogen ontmoeten. Zij wilden geïnformeerd worden over Joods-Nederland en speciaal over het antisemitisme. En dus heb ik ze meegenomen naar de Cheider-bunker, alwaar de directeur mv. Jael de Jong-Weismann ze uitgebreid, professioneel en gedreven te woord heeft gestaan. Na afloop van dit bezoek hebben we uitvoerig gesproken bij kosher restaurant Meat Me, om de hoek van het Cheider. Bij een volgend bezoek, dat zeker gaat komen vanuit het Europarlement en hopelijk ook vanuit andere fracties, zal ik het bezoek beginnen in de JBO-bunker, de andere Joodse school.
Maar ook gewoon en in ons eigen land heb ik een langdurig onderhoud gehad met een van onze invloedrijke burgemeesters (m/v) en staan er nog twee burgemeester-afspraken in mijn agenda. Dit behoort tot mijn achter-de-schermen inzet. Juist met een vertrouwelijk gesprek kun je vaak meer bereiken dan met een met foto’s omlijste bijeenkomst.
Van de ontmoeting bij ons thuis met Kamran Ullah, hoofdredacteur van de Telegraaf, had ik zeker wel een foto mogen maken. Hoewel mijn contacten met de Telegraaf uitstekend zijn, ik kan ze zo’n beetje dag en nacht bellen en dat is wederzijds, had ik de hoofdredacteur slechts een keer kort ontmoet. Dat was bij de Auschwitz-herdenking op zondag 25 januari. Omdat ik aanwezig moest zijn in Gouda, de woonplaats van Mirjam Bikker, de fractievoorzitter van de CU, om daar bij het monument te spreken, kon ik bij de nationale Auschwitz-herdenking in Amsterdam slechts kort aanwezig zijn. Maar omdat ik geen zitplaats kreeg (terecht, want ik zou voor het begin van de feitelijke plechtigheid vertrekken) stond ik en zag daardoor dat de hoofdredacteur van het grootste Nederlandse dagblad tot mijn verbazing ergens achterin was geplaceerd. Die heb ik daar dus weggehaald en naar voren weten te brengen en hem een plaats geregeld (precies achter Femke Halsema!). De ontmoeting bij ons thuis, gisteren, was het directe gevolg van die Auschwitz-herdenking-verplaatsing. Zo loopt het in het leven. Van het een komt het ander en uiteindelijk, hoe we ook plannen, komt alles van Boven.
Überhaupt is mijn goede contact met de Telegraaf een verhaal op zichzelf. Zonder op de details in te gaan, hadden ze een flinke tijd, laat ik me netjes uitdrukken, niet zo positief over mij geschreven. Dat was mijns inziens en uiteindelijk aantoonbaar onterecht. Maar ook het vervelende komt uiteindelijk van Boven en heeft geleid tot het bezoek van de hoofdredacteur bij mij thuis, acht jaar later. Wat een geweldige man. Hij oogt, ondanks zijn belangrijke positie, heel eenvoudig, gespeend van iedere vorm van hoogmoed en heel duidelijk begaan met de situatie van ons Joden en ook van de Staat Israël. Gelijk ik regelmatig te horen krijg dat ik zo goed Nederlands spreek omdat ik als Jood in Israël zou zijn geboren (uiteraard!), zo krijgt ook hij (geboren en getogen in Nederland!) regelmatig hetzelfde compliment vanwege zijn uit Pakistaan afkomstige Islamitische ouders.
Ik had nog iets willen schrijven over de pogingen om de Joodse gemeenschap met kwade bedoelingen te infiltreren, maar dat bewaar ik voor een volgend dagboek.

Dagboek van de Opperrabbijn 7 mei 2026

Ik ben aan het bijkomen van 4 en 5 mei. Back to normal, terug naar het alledaagse en het gewone. Hoewel… ik denk niet dat ik momenteel al in staat ben om de gewone rabbinale draad weer op te pakken. Meer dan andere jaren hebben 4 en 5 mei mij aangegrepen. Waarom?
Zes mei heb ik bijna niets gedaan, alleen e-mails beantwoord, belletjes gepleegd en we hadden een hele fijne online sjioer/cursus. Deze sjioer heet: diepgang. We gaan iedere keer, om de week, een uur en vijftien minuten de Joods-filosofische diepte in. En vandaag, 7 mei, heb ik mijn dag verknald met belastingaangifte 2025. Volgens mijn berekening krijg ik geld terug, ik voel me dus nu al rijk, maar mijn verstand zegt me heel rationeel dat ik waarschijnlijk ergens verkeerd heb ingevuld en er geen enkele reden is om aan mijn verkeerde emotie ruimte te geven, want als het dadelijk tegenvalt… Emoties, gevoelens. Precies dat is de periode waarin we leven, de Omertijd. Vanaf Pesach, de Uittocht uit Egypte, tot Sjawoe’ot, het Wekenfeest, waarop het Joodse volk bij de berg Sinai de Thora van de Eeuwige ontving, tellen we de dagen, negenenveertig in totaal. De Joden waren uit Egypte getrokken, maar Egypte nog niet uit de Joden. De toenmalige verderfelijke cultuur had hen vergiftigd. Het vergif moest uit hun systeem opdat ze rein, met een zuivere geest, bij de berg Sinai van G’d de Tien Geboden zouden kunnen ontvangen. Iedere letter, iedere spatie, iedere regel heeft een betekenis. En dus rijst de vraag: waarom negenenveertig dagen, waarom niet vijftig of achtenveertig? De mens heeft negenenveertig gevoelseigenschappen en iedere dag nemen we een van die gevoelens onder het koosjere vergrootglas: hoe ging ik om met het gevoel van liefhebben, wat deed ik met strengheid, wat met de baas willen zijn en wat met hoogmoed? De Omertijd is dus een groot zelfonderzoek, aan jezelf werken om een beter mens te worden en daarmee automatisch de samenleving te verbeteren.
Op vier mei herdachten we allen die het niet overleefden, vermoord werden, op het slagveld als militair omkwamen, als gewone burger getroffen werden door een granaat, als gewone Joodse burger werden vergast. En dan van 4 mei springen we dansend de vijf mei, Bevrijdingsdag, in. Overal zien we op oude filmbeelden een juichende en joelende menigte. Wat waren ze blij, vreugdevol en dankbaar, vanwege de bevrijding.
Ik denk aan mijn lieve ouders. Zouden zij ook hebben gedanst met een rood-wit-blauw vlaggetje in hun hand? De Joden die het hadden overleefd waren meestal zwak, ziek en uitgeput en verkeerden in een bovenmenselijke spanning: Leven mijn drie kinderen nog? Zal mijn man terugkomen? Wat is er gebeurd met mijn ouders? Waar zijn mijn tantes en ooms? Mijn hoogbejaarde grootouders? De viertienhonderd bewoners van het Apeldoornsche Bosch? Vragen, onzekerheid, angst… bevrijding? Voor de meeste Joden was er geen bevrijding. Ik ben G.Z.D van na de oorlog, maar bij ons thuis was alles voor en na de oorlog. Het leek alsof in de oorlog nooit had bestaan, dat was niet bespreekbaar.
Maar waarom beleefde ik dit jaar 4 en 5 mei anders? Tot dit jaar was 4 en 5 mei iets uit een ver verleden, maar nu gaf het mij een gevoel van een nabije toekomst. De vier mei werd gevoeld en de vijf mei niet begrepen.
Vier mei waren we om 12 uur in Loenen bij de herdenking op het enorme ereveld. Een indrukwekkende bijeenkomst met zo’n drieduizend aanwezigen op strak militaire wijze georganiseerd. Het programma verliep tot op de minuut precies. De toespraken zaten boordevol educatieve bezinning, het ging o.a. over waarde en waarden, om maar even een gedachte te noemen. Een thuiswedstrijd voor mij, omdat ik in de adviescommissie zit van de Oorlogsgravenstichting, de eigenaar van het imposante en dramatische ereveld. Ik had nooit zo stilgestaan bij het woord ereveld, maar dit jaar voelde ik de eer die werd toebedeeld aan de gevallenen meer dan ooit. Waarom beleefde ik de graven en het hele huldebetoon meer dan andere jaren? Misschien omdat het meer nabij voelde en minder ver weg. Om 4 uur werden bloemen gelegd door burgemeester Bolsius bij het Joodse licht-monument in Amersfoort. De stadsvader hield in de plenzende regen een toespraak. We bleven niet lang, want ik moest, zonder Blouma, verder. Om klokslag zeven uur en dertig minuten zat ik in de Nieuwe Kerk op de Dam voor de Nationale Dodenherdenking in aanwezigheid van zijne majesteit de Koning en hare majesteit de Koningin. Na het binnenprogramma de twee minuten stilte bij het Nationale Monument buiten op de Dam waarna koffie en thee in Krasnapolsky. De opkomst was zoals ieder jaar, maar de beveiliging overtrof, helaas, de vorige jaren.
En toen 5 mei. De Nationale Viering Bevrijding, dit jaar in Utrecht. Waren de Dam en Loenen dit jaar qua programmastructuur gelijk aan de vorige jaren, de viering in de Dom was anders. Speels met duidelijke soms wat schurende boodschappen over tolerantie, anders mogen zijn. Bewust voor gekozen, vertelde mij Sharon Dijksma, Utrechts eerste burger. Dat ik niet geheel vrij van trots ben (hetgeen geen goede eigenschap is!) voelde ik toen bij de propvolle Bevrijdingsmaaltijd, na afloop van de Dom, plotseling onze nieuwe Minister-President (D66) tegenover me stond om een handje te schudden en een paar woorden te wisselen. Ook Hans Oosters (PvdA), de Commissaris van de Koning, was speciaal naar me toegekomen om me welkom te heten. Overigens had ik een vrij lang gesprek in Krasnapolsky met een parlementariër van Denk en een van Groen Links. En toen naar huis en op naar het Koninklijk Theater Carré aan de Amstel in Amsterdam voor de indrukwekkende Afsluiting Nationale Viering Bevrijding 2026, in aanwezigheid van onze Koning en Koningin en vele nationale prominenten uit de politiek. Blouma heeft daar haar vriendinnetje Gerdie Verbeet weer ontmoet en ik de mijne, Dilan Yesilgöz (VVD). Voor hen die niet weten hoe die Afsluiting in z’n werk gaat: eerst een ontvangst in Carré, daarna het programma op de Amstel, waarbij de genodigden letterlijk op de Amstel zaten op het gastenplatform, daarna weer bijeen “in Carré, voor de koffie en thee” (rijmt!). Bij de bijeenkomst voor en na het concert op de Amstel had ik de gelegenheid om verschillende ambassadeurs even te spreken, w.o. de ambassadeur van Israël, van Duitsland, van Australië. Overigens heb ik ook nog ergens bij een van de nationale plechtigheden Chris Stoffer (SGP) ontmoet en meerdere politici van CU. O ja, ook nog Wouter Koolmees, de huidige directeur van de NS. Waarom vermeld ik al die politici? Louter en alleen om mezelf te verantwoorden? Uit trots om zo’n goed netwerk te hebben? Neen! Door alle ontmoetingen te vermelden wil ik aangeven hoe belangrijk het is om als Joods Nederland zichtbaar (met baard en hoed) aanwezig te zijn. Chanan Hertzberger, onze super-actieve voorzitter van het CJO (Centraal Joods Overleg) zit er ook zo in en dus ben ik hem bijna overal tegengekomen.
Wat is mij het meest bijgebleven van al die bijeenkomsten? Dat ongevraagd, overal waar sprake was van een maaltijd, ook voor ‘ons Joden’ een speciale koosjere maaltijd was verzorgd. Dat proefde erg goed en gaf het gevoel dat er aan ons is gedacht en dat we erbij horen.
Ik zit nu, 7 mei 22:31 uur, in de auto dit dagboek te schrijven. Ik was in Drachten voor de eerste Solidariteitswandeling. Iedere eerste donderdagavond van de maand zal die plaatsvinden. Ik probeer zoveel mogelijk met zo’n eerste wandeling mee te lopen, vandaar nu Drachten. De organisatie had zich een beetje verkeken op het aantal deelnemers. Ze hadden twintig verwacht, maar als ik zeg dat het er tweehonderd waren, overdrijf ik niet (of misschien een klein beetje!). Geweldig! Wat een warmte. Wat een solidariteit met Israël, met ons Joden. Het Am Jisraël Chaj, het Joodse volk leeft en overleeft, klonk luidkeels in Drachten bij het oorlogsmonument aan het eind van deze eerste Solidariteitswandeling.

Dagboek van de Opperrabbijn, 4 mei in de vroege ochtend.

Het waren voor mij rustige dagen sinds mijn vorige dagboek. Ik heb niet vaker dan gewoonlijk het Free Palestine naar mijn hoofd geslingerd gekregen. Hoewel de wereld op z’n kop staat was ik zondag in Arcen. Gemakshalve ga ik ervan uit dat mijn gemiddelde dagboekenier Arcen niet helemaal weet te plaatsen, maar voor mij als ‘Medienestamper’ zeker geen onbekend terrein. Arcen is namelijk een ‘voorstad’ van Venlo. Op zondag 3 mei, gisteren, werden er vier Stolpersteine onthuld. Het initiatief lag bij de Stichting Heemkunde Arcen en stond in het teken van het herdenken van Joodse inwoners die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vervolgd en vermoord. De onthulling vond plaats op twee locaties in het dorp. Op Venlo.nieuws.nl was mijn aanwezigheid als volgt aangekondigd:
Bijzonder aan de bijeenkomst is de aanwezigheid van Opperrabbijn Jacobs, die een groot deel van het programma zal bijwonen en ook aanwezig is bij de onthulling van de Stolpersteine. Zijn betrokkenheid onderstreept het belang van deze herdenkingen, juist ook voor huidige en toekomstige generaties.
De grafzerken zonder graf werden gelegd voor Otto Sternheim aan de Koestraat en voor Hugo en Julie Terhoch-Levy en hun dochter Ilse Lina, aan de Grensweg, waar hun laatste woning stond. Met deze stenen kregen de slachtoffers – ruim tachtig jaar na dato – opnieuw een naam en een plek in de gemeenschap. De voorzitter van de Stichting Heemkunde Arcen: “Ook in een kleine gemeenschap als Arcen zijn deze verhalen dichtbij. Juist daarom is het belangrijk dat we ze zichtbaar blijven maken. Met de Stolpersteine brengen we de geschiedenis terug naar de straat en geven we de mensen achter die geschiedenis weer een plek in ons dorp.” Het is nu 3 uur in de vroege ochtend van 4 mei. Over een paar uurtjes word ik afgehaald om naar het Nationaal Ereveld Loenen te gaan waar de Oorlogsgravenstichting zijn jaarlijkse 4 mei herdenking houdt. Honderden, waaronder vele Vips, zullen aanwezig zijn. De officiële ceremonie begint om 13:30 uur met bijdragen van onder anderen oud-secretaris-generaal van de NAVO Jaap de Hoop Scheffer, president van de Oorlogsgravenstichting Jaap Smit en Timian Horst. Hij vertelt het verhaal van zijn betovergrootvader Willem van Boven die tijdens de oorlog boswachter was in Loenen en onderduikers, Engelse piloten en ontsnapte krijgsgevangenen in de bossen verborgen hield. Toppers als Jaap de Hoop Scheffer en Jaap Smit zullen voor u geen onbekenden zijn. Maar wie is Timian Horst (ik hoop dat ik z’n naam juist heb geschreven!)? En ik ben zo vrij te veronderstellen dat u ook nog nooit van zijn betovergrootvader heeft gehoord. Na deze grootse herdenking zal ik om 16:00 uur aanwezig zijn als burgemeester Bolsius van Amersfoort een krans legt bij het Joodse licht-monument op het Borneoplein waar op 4 mei alle 360 lichtjes branden, ter nagedachtenis aan de 360 Amersfoortse Joodse mannen, vrouwen en kinderen die ‘niet weerkeerden’, zoals we dat zo steriel kunnen zeggen. En dan de Nationale Herdenking op de Dam in Amsterdam.
Waarschijnlijk vraagt u zich af, mijn trouwe dagboeklezer, waar ik naartoe ga. En ik bedoel niet waarheen ik me fysiek ga bewegen, maar wat ben ik aan het vertellen, wat is mijn boodschap aan de vooravond van de vierde mei waarop dit jaar Free Palestine luidkeels zal weerklinken, Joden voor kindermoordenaars zullen worden uitgemaakt en via de sociale media wetenschappelijk, misleidend en haat zaaiend zal worden aangetoond dat er helemaal geen zes miljoen Joden werden vermoord maar slechts tweehonderdzeventig duizend, en waarschijnlijk, als Auschwitz überhaupt heeft bestaan, was het geen vernietigingskamp maar een soort vakantieoord. En bijna zeker zal ons Joden verweten worden dat wij, de nazaten van de overlevenden, de vier mei herdenking hebben gekaapt, want vier mei dient eigenlijk… Vult u zelf maar in.
Vele jaren geleden werd mij verweten dat ik waarschuwde voor het opkomend antisemitisme. Een rabbijn moet vreugdevolle boodschappen brengen, niet zeuren over narigheid waarvan er toen nog geen zichtbare sprake was. En inderdaad, mijn jarenlange waarschuwingen waren achteraf bezien totaal zinloos.
Vanavond, 4 mei, begint op de Joodse kalender Lag Ba’omer, de 33ste dag van de zogenaamde Omertelling. Na de Uittocht uit Egypte trokken de Joden door de woestijn naar de berg Sinai, alwaar ze op de 50ste dag de Tien Geboden zouden ontvangen. Maar om hiervoor geestelijk rijp te zijn was er geestelijke voorbereiding nodig, zelfreflectie. De Joden hadden Egypte, toonbeeld van immoraliteit, verlaten, maar Egypte nog niet de Joden. De negenenveertig dagen tussen de Uittocht uit de Egyptische slavernij en het ontvangen van Thora en Traditie, het Woord van G’d, waren en zijn dagen van zelfonderzoek, hoe zit het met mijn eigen persoonlijke minder goede neigingen? En midden in de toch enigszins minder gezellige periode, is het Lag Ba’omer, de drieëndertigste dag van die periode, een dag van grote vreugde gekoppeld aan Reb Simon bar Jochaj. Mocht u niet bekend zijn met Lag Ba’omer, stop gerust met mijn dagboek-lezing en google even. Op deze dag gaan duizenden en duizenden naar het graf in Miron, noord-Israël, van deze grote Rabbijn om te bidden en om vreugdevuren te ontsteken. De Sefardische Opperrabbijn van Israël, David Yosef, heeft keihard verboden om dit jaar naar Miron te gaan. Onverantwoord gevaarlijk. Het gaan naar Miron is een ‘gewoonte’, het jezelf in een levensgevaarlijke situatie brengen is een ‘verbod’ en een verbod weegt vele malen zwaarder dan een gewoonte.
Ik was dus in Arcen, duidelijk zichtbaar Joods. Moet ik mijn Jood-zijn gaan verbergen? Adviseren om geen davidster meer te dragen op bepaalde plaatsen in ons ‘bevrijde Nederland’?
Wat moeten we doen? Waarom spring ik van de hak op de tak? Van de Nationale Herdenking op de Dam in Amsterdam naar lokale Stolpersteine in Arcen? Omdat de enige manier om Nederland echt bevrijd te krijgen is door middel van educatie, vanuit de landelijke Overheid en vooral ook gewoon lokaal, op scholen, door het gesprek met elkaar, met andersdenkenden, met de ouders van de jongeren, met gewoonlijk een niet-Nederlandse achtergrond, die mij naroepen omdat ik een Nederlandse Jood ben. Inmiddels heeft de politie de eigenaar van de brommer gevonden die vorige week uitgaande sjabbat mijn gast voor kankerjood meende te moeten uitschelden. Volgens de politie waren zijn ouders erg ontdaan, dit hadden ze niet verwacht van hun lieve onschuldige zoontje die omstreeks elf uur ’s nachts op een fat bike door de straten scheurt. Het doet me goed dat de ouders schrokken, maar een bosje bloemen of een spijtbetuiging heeft mijn gast nog niet ontvangen. Ik ben bereid het gesprek met ouders en zoonlief aan te gaan. Niet om te vermanen, maar om een bruggetje te bouwen. Maar ik ben er bijna van overtuigd dat de wet op de privacy de bouw van dat bruggetje niet zal toelaten en het besmeuren van het Nationaal Monument op de Dam zal bevorderen.
En toch is er hoop en zijn er vele lichtpunten. Het aantal bemoedigingen en steunbetuigingen die mij bereiken is indrukwekkend. Nog nooit wordt mij op straat zo vaak sjalom gezegd en de begripvolle blikken spreken boekdelen. En weet u, zelfs onderduikadressen worden me aangeboden.

Dagboek van de Opperrabbijn, 4 mei in de vroege ochtend.

Het waren voor mij rustige dagen sinds mijn vorige dagboek. Ik heb niet vaker dan gewoonlijk het Free Palestine naar mijn hoofd geslingerd gekregen. Hoewel de wereld op z’n kop staat was ik zondag in Arcen. Gemakshalve ga ik ervan uit dat mijn gemiddelde dagboekenier Arcen niet helemaal weet te plaatsen, maar voor mij als ‘Medienestamper’ zeker geen onbekend terrein. Arcen is namelijk een ‘voorstad’ van Venlo. Op zondag 3 mei, gisteren, werden er vier Stolpersteine onthuld. Het initiatief lag bij de Stichting Heemkunde Arcen en stond in het teken van het herdenken van Joodse inwoners die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vervolgd en vermoord. De onthulling vond plaats op twee locaties in het dorp. Op Venlo.nieuws.nl was mijn aanwezigheid als volgt aangekondigd:
Bijzonder aan de bijeenkomst is de aanwezigheid van Opperrabbijn Jacobs, die een groot deel van het programma zal bijwonen en ook aanwezig is bij de onthulling van de Stolpersteine. Zijn betrokkenheid onderstreept het belang van deze herdenkingen, juist ook voor huidige en toekomstige generaties.
De grafzerken zonder graf werden gelegd voor Otto Sternheim aan de Koestraat en voor Hugo en Julie Terhoch-Levy en hun dochter Ilse Lina, aan de Grensweg, waar hun laatste woning stond. Met deze stenen kregen de slachtoffers – ruim tachtig jaar na dato – opnieuw een naam en een plek in de gemeenschap. De voorzitter van de Stichting Heemkunde Arcen: “Ook in een kleine gemeenschap als Arcen zijn deze verhalen dichtbij. Juist daarom is het belangrijk dat we ze zichtbaar blijven maken. Met de Stolpersteine brengen we de geschiedenis terug naar de straat en geven we de mensen achter die geschiedenis weer een plek in ons dorp.” Het is nu 3 uur in de vroege ochtend van 4 mei. Over een paar uurtjes word ik afgehaald om naar het Nationaal Ereveld Loenen te gaan waar de Oorlogsgravenstichting zijn jaarlijkse 4 mei herdenking houdt. Honderden, waaronder vele Vips, zullen aanwezig zijn. De officiële ceremonie begint om 13:30 uur met bijdragen van onder anderen oud-secretaris-generaal van de NAVO Jaap de Hoop Scheffer, president van de Oorlogsgravenstichting Jaap Smit en Timian Horst. Hij vertelt het verhaal van zijn betovergrootvader Willem van Boven die tijdens de oorlog boswachter was in Loenen en onderduikers, Engelse piloten en ontsnapte krijgsgevangenen in de bossen verborgen hield. Toppers als Jaap de Hoop Scheffer en Jaap Smit zullen voor u geen onbekenden zijn. Maar wie is Timian Horst (ik hoop dat ik z’n naam juist heb geschreven!)? En ik ben zo vrij te veronderstellen dat u ook nog nooit van zijn betovergrootvader heeft gehoord. Na deze grootse herdenking zal ik om 16:00 uur aanwezig zijn als burgemeester Bolsius van Amersfoort een krans legt bij het Joodse licht-monument op het Borneoplein waar op 4 mei alle 360 lichtjes branden, ter nagedachtenis aan de 360 Amersfoortse Joodse mannen, vrouwen en kinderen die ‘niet weerkeerden’, zoals we dat zo steriel kunnen zeggen. En dan de Nationale Herdenking op de Dam in Amsterdam.
Waarschijnlijk vraagt u zich af, mijn trouwe dagboeklezer, waar ik naartoe ga. En ik bedoel niet waarheen ik me fysiek ga bewegen, maar wat ben ik aan het vertellen, wat is mijn boodschap aan de vooravond van de vierde mei waarop dit jaar Free Palestine luidkeels zal weerklinken, Joden voor kindermoordenaars zullen worden uitgemaakt en via de sociale media wetenschappelijk, misleidend en haat zaaiend zal worden aangetoond dat er helemaal geen zes miljoen Joden werden vermoord maar slechts tweehonderdzeventig duizend, en waarschijnlijk, als Auschwitz überhaupt heeft bestaan, was het geen vernietigingskamp maar een soort vakantieoord. En bijna zeker zal ons Joden verweten worden dat wij, de nazaten van de overlevenden, de vier mei herdenking hebben gekaapt, want vier mei dient eigenlijk… Vult u zelf maar in.
Vele jaren geleden werd mij verweten dat ik waarschuwde voor het opkomend antisemitisme. Een rabbijn moet vreugdevolle boodschappen brengen, niet zeuren over narigheid waarvan er toen nog geen zichtbare sprake was. En inderdaad, mijn jarenlange waarschuwingen waren achteraf bezien totaal zinloos.
Vanavond, 4 mei, begint op de Joodse kalender Lag Ba’omer, de 33ste dag van de zogenaamde Omertelling. Na de Uittocht uit Egypte trokken de Joden door de woestijn naar de berg Sinai, alwaar ze op de 50ste dag de Tien Geboden zouden ontvangen. Maar om hiervoor geestelijk rijp te zijn was er geestelijke voorbereiding nodig, zelfreflectie. De Joden hadden Egypte, toonbeeld van immoraliteit, verlaten, maar Egypte nog niet de Joden. De negenenveertig dagen tussen de Uittocht uit de Egyptische slavernij en het ontvangen van Thora en Traditie, het Woord van G’d, waren en zijn dagen van zelfonderzoek, hoe zit het met mijn eigen persoonlijke minder goede neigingen? En midden in de toch enigszins minder gezellige periode, is het Lag Ba’omer, de drieëndertigste dag van die periode, een dag van grote vreugde gekoppeld aan Reb Simon bar Jochaj. Mocht u niet bekend zijn met Lag Ba’omer, stop gerust met mijn dagboek-lezing en google even. Op deze dag gaan duizenden en duizenden naar het graf in Miron, noord-Israël, van deze grote Rabbijn om te bidden en om vreugdevuren te ontsteken. De Sefardische Opperrabbijn van Israël, David Yosef, heeft keihard verboden om dit jaar naar Miron te gaan. Onverantwoord gevaarlijk. Het gaan naar Miron is een ‘gewoonte’, het jezelf in een levensgevaarlijke situatie brengen is een ‘verbod’ en een verbod weegt vele malen zwaarder dan een gewoonte.
Ik was dus in Arcen, duidelijk zichtbaar Joods. Moet ik mijn Jood-zijn gaan verbergen? Adviseren om geen davidster meer te dragen op bepaalde plaatsen in ons ‘bevrijde Nederland’?
Wat moeten we doen? Waarom spring ik van de hak op de tak? Van de Nationale Herdenking op de Dam in Amsterdam naar lokale Stolpersteine in Arcen? Omdat de enige manier om Nederland echt bevrijd te krijgen is door middel van educatie, vanuit de landelijke Overheid en vooral ook gewoon lokaal, op scholen, door het gesprek met elkaar, met andersdenkenden, met de ouders van de jongeren, met gewoonlijk een niet-Nederlandse achtergrond, die mij naroepen omdat ik een Nederlandse Jood ben. Inmiddels heeft de politie de eigenaar van de brommer gevonden die vorige week uitgaande sjabbat mijn gast voor kankerjood meende te moeten uitschelden. Volgens de politie waren zijn ouders erg ontdaan, dit hadden ze niet verwacht van hun lieve onschuldige zoontje die omstreeks elf uur ’s nachts op een fat bike door de straten scheurt. Het doet me goed dat de ouders schrokken, maar een bosje bloemen of een spijtbetuiging heeft mijn gast nog niet ontvangen. Ik ben bereid het gesprek met ouders en zoonlief aan te gaan. Niet om te vermanen, maar om een bruggetje te bouwen. Maar ik ben er bijna van overtuigd dat de wet op de privacy de bouw van dat bruggetje niet zal toelaten en het besmeuren van het Nationaal Monument op de Dam zal bevorderen.
En toch is er hoop en zijn er vele lichtpunten. Het aantal bemoedigingen en steunbetuigingen die mij bereiken is indrukwekkend. Nog nooit wordt mij op straat zo vaak sjalom gezegd en de begripvolle blikken spreken boekdelen. En weet u, zelfs onderduikadressen worden me aangeboden.

Dagboek van de opperrabbijn 29 april 2026

“We wilden u graag een kaart sturen om te laten weten dat we aan u denken” en terwijl ik die kaart ontving las ik in een van onze grootste landelijke dagbladen: Wat bij extremismeonderzoekers al langer bekend is, is nu ook doorgedrongen tot de AIVD: Hamas heeft een dikke vinger in de pap bij veel pro-Palestijnse demonstraties in Nederland. Verbazingwekkend dat dat nu pas is doorgedrongen tot de AIVD, terwijl een beetje weldenkend mens dat al jaren ziet gebeuren. Het is wat het is, zeg ik tegen mezelf, terwijl ik verder ga met het schrijven van mijn dagboek en de meeste Nederlandse media bijna fanatiek verder gaan met het demoniseren van Joden. De laatste dagen heb ik me, na mijn zondagse bliksembezoek aan Kopenhagen, niet met politiek beziggehouden, maar bezoeken afgelegd aan zieken en bejaarden. Als gevolg van die bezoekjes ben ik best wel triest. Toen ik nog werkzaam was in het Sinai Centrum en de dagelijkse confrontatie had met misère nam ik die narigheid niet mee naar huis. Maar nu, kennelijk vanwege mijn leeftijd, voel ik het lijden van de ander veel dieper en blijft het in mijn gedachten spoken. Totaal zinloos, destructief en het helpt niemand. Moet ik mee zien om te gaan, such is life!
En ondertussen komt het bericht binnen van de aanslag in Golders Green, komt het antisemitisme dichterbij en wordt het steeds normaler en gewelddadiger, terwijl wij in Nederland druk bezig zijn te overleggen over de wet op de privacy en de vrijheid van meningsuiting.
Maar er is ook goed nieuws en wel vanuit ons buurland België: De Brusselse kerk heeft haar excuses aangeboden voor een beschuldiging tegen Joden uit 1370 en heeft een gebrandschilderd raam dat het zogenoemde bloedsprookje‑beschuldiging afbeeldde, vervangen door een gedenkplaat met excuses. Tijdens een bijeenkomst op woensdag vorige week onthulden aartsbisschop Luc Terlinden en mijn collega de Brusselse opperrabbijn Albert Guigui een plaquette in de Kathedraal van Sint‑Michiel en Sint‑Goedele, waarin het antisemitische karakter van het “Mirakel van het Sacrament” wordt erkend.
Het Mirakel van het Sacrament zou hebben plaatsgevonden ergens in 1370, dus al meer dan een week geleden, toen minstens zes Joden uit Brussel ervan werden beschuldigd hosties te hebben gestolen en deze met een mes te hebben doorstoken. Vervolgens vond er een of ander wonder plaats. Voor informatie over de details van het wonder verwijs ik u door naar een RK-geestelijke, daar ik dat niet tijdens mijn Rabbinale opleiding heb meegekregen. Wel weet ik dat er Joden hiervoor levend werden verbrand en de Joodse gemeenschap uit de stad werd verbannen. Deze gebeurtenis vormde de basis voor een jaarlijkse processie die eeuwenlang werd gehouden en begin twintigste eeuw werden gebrandschilderde ramen met karikaturale afbeeldingen van Joden toegevoegd. Nu dus zijn de ramen verwijderd en vervangen door plaquettes waarop staat dat Joden in het verleden ten onrechte werden beschuldigd en dat dit onlosmakelijk verbonden was met antisemitisme. Ook vragen de teksten de Joodse gemeenschap om vergiffenis voor het leed dat hun werd aangedaan. “We kunnen het verleden niet veranderen, maar we kunnen wel beslissen hoe we het doorgeven. En daarin schuilt een enorme verantwoordelijkheid: ervoor te zorgen dat verhalen die ons ooit verdeelden, kansen worden voor verzoening,” sprak opperrabbijn Guigui.
Overmorgen, vrijdag 14 Ijar-1 mei, is het Pesach Sjenie, de tweede Pesach. Als in de tijd van de Tempel in Jeruzalem iemand gedurende Pesach door omstandigheden het Pesach-offer niet had kunnen brengen, hij was bijvoorbeeld onrein of onderweg, dan was 14 Ijar, precies een maand na Pesach, een herkansing mogelijk. Het Pesach-offer kunnen we niet brengen zolang de Tempel niet is herbouwd, maar ook de wetten die fysiek niet (meer) bestaan, blijven hun eeuwigheidswaarde behouden. Met andere woorden: er bestaat nooit een te laat! Te laat dus niet, maar laat wel. Het is inmiddels erg laat, al in de vroege uurtjes van donderdag en verlaat ik dit dagboek, maar niet na eerst mijn dank te hebben uitgesproken voor de prachtige bos bloemen die een van mijn trouwe lezers heeft gestuurd. Was bestemd voor Pesach, gaf de afzender aan, maar toen waren wij niet thuis. Maar omdat het Pesachoffer bij afwezigheid ook een maand later gebracht kon worden, zal hetzelfde ook wel gelden voor de bloemen, die komen nooit te laat! Dank!
O ja, ik zou het bijna vergeten. Om tien uur precies stonden ze voor de deur, vanochtend, en iets voor enen gingen ze weer weg. Ze, is de Tv-ploeg van Dit is De Kwestie dat elke week een uitzending maakt over een maatschappelijke kwestie op het snijvlak van geloof en samenleving. En in die bijna drie uur filmden ze, spraken met mij en Blouma en werkten aan een uitzending over de Joodse gemeenschap die bezorgd is en zich afvraagt of ze hier nog wel kunnen blijven. Mijn mening heb ik duidelijk kenbaar gemaakt: ik woon hier al vele generaties en laat me niet wegpesten, hoewel het storend is en eigenlijk totaal onaanvaardbaar dat mijn schoondochter uit Londen, waar net die aanslag is gepleegd, voor vakantie niet meer met haar gezin durft in te trekken in ons huis vanwege de vele en inmiddels genormaliseerde antisemitische scheldkanonnades. En leest u dit even, wat een van de gemeenteleden, mijn gast op sjabbat, ons schreef: “Beste Opperrabbijn. Dank dat ik sjabbat bij u mocht zijn voor de maaltijden. Maar ik heb op straat tot drie keer toe nare ervaringen gehad en dat wil ik toch, ondanks de lekkere maaltijden en de fijne sjabbat-sfeer, met u delen. Vrijdagavond liep ik langs een schoolpleintje op weg naar uw huis, toen ik beledigend werd nageroepen door jeugd. Ik keek om en zag tot mijn verbazing dat bij de scheldende kinderen een volwassen persoon stond, die het allemaal maar prima en normaal leek te vinden want van correctie naar de kinderen of excuses naar mij, was geen sprake. Op de terugweg in hetzelfde wijkje werd ik nagescholden voor kankerjood door een jongen op een scooter met een kenteken dat ik aan de politie heb doorgegeven maar om geen gezeur te krijgen met de wet op de privacy ik hier niet vermeld. Een fietser reed naast hem. Sjabbat-middag in het drukke centrum werd ik wederom, dit keer zelfs uitgebreid, beledigend nageroepen door een stel mannen. Het leek me niet verstandig om om te kijken. Vele voorbijgangers en omstanders hoorden en zagen het gebeuren, maar het werd kennelijk aanvaard, want niemand greep in of zei iets tegen de mannen of tegen mij. De Jood heeft het maar te accepteren.”

Dagboek van de opperrabbijn 26 april 2026

Dagboek van de opperrabbijn, 26 april 2026

Het Gouvernement aan de Maas (wij gewone Nederlanders noemen dat het Provinciehuis) bestaat veertig jaar en de Gouverneur, de Commissaris van de Koning de heer Roemers, grijpt deze gelegenheid aan om een jaar lang te vieren (daar zijn ze in Limburg erg goed in!) en aandacht te vragen voor de democratie, dus het aangename met het nuttige te combineren. Ik had de eer om bij de opening van het feestjaar uitgenodigd te zijn en zitting te nemen in een panel onder de zeer professionele leiding van niemand minder dan Twan Huys. Hoewel ik uiteraard het belang van een democratie onderschrijf, moeten we ook ervoor waken om de democratie te verheerlijken en idealiseren. Ook een democratie moet alert blijven en voorkomen dat er geen verkeerde leiders democratisch worden gekozen die vervolgens op democratische wijze de democratie de das omdoen. Speciaal voor mij en Blouma was er een koosjere lunch verzorgd, hetgeen een erg warm gevoel gaf. Natuurlijk had ik ook zelf mijn boterhammetje kunnen meenemen, maar dat was voor Gouverneur en organisatie onacceptabel. Hopelijk was mijn bijdrage aan de paneldiscussie waardevol, maar zelfs als die niet veel voorstelde was mijn aanwezigheid met hoed en baard voor mijn gevoel belangrijk. We zijn er nog, zelfs in Limburg! Hoewel, de heer Benoit Wesly, tot voor kort nog de honorair-consul van Israël in Maastricht en voorzitter van de Joodse Gemeente Limburg, heeft de aanwezigheid door de jaren heen wel goed en positief zichtbaar gemaakt. Overigens doet de huidige voorzitter van de Joodse Gemeente, Ernst de Reus, het ook fantastisch. Maar desondanks zijn we piepklein achtergebleven, ook in Limburg.
Het panel discussieerde over democratie, een politiek onderwerp. Maar, achteraf bezien, was het juist dat ik me met de politiek inliet? Een rabbijn is een geestelijke en dient zich van politieke uitspraken te onthouden. Hij is er voor de mensen van de Joodse gemeenschap, ook voor degenen die wellicht een andere politieke opvatting hebben dan de rabbijn. En terwijl ik daarover aan het peinzen was, ontving ik onderstaande e-mail:
Ik ben een trouw lezer van uw dagboek en zou graag in contact komen met u. U schreef een stuk over de verschillen tussen antisemitisme en antizionisme. Op zichzelf wel boeiend. Vervolgens schreef u zonder duiding dat u aanhanger bent van Netanyahu. Ik vroeg me af waarom u uw politieke voorkeur in uw stuk betrok. Ik heb deze korte zin als polariserend ervaren maar vraag me af of dit zo is bedoeld. Ik weet ook niet of anderen dit zo hebben gelezen. Ik denk dat veel van uw dagboek-lezers politiek ambivalent zijn. Het is daarom mooi deze ambivalentie te bespreken. Dit zal velen aanspreken. Zeker in de aanloop naar 4 en 5 mei is dit wat we nodig hebben. Ongetwijfeld is bovenstaande niet volledig of niet volledig duidelijk. Daarom zou ik graag eens in een gesprek met u van gedachten wisselen.
Als u mij een beetje kent zal het u niet verbazen dat ik binnen een mum van tijd in de telefoon ben geklommen, een afspraak heb gemaakt en ondertussen zit ik te peinzen. Ja, ik ben voor Netanyahu, vandaag en gisteren. Maar zal ik ook morgen pro zijn? En los van mijn pro of contra, mijn mening heeft weinig waarde, alleen in Nederland heb ik stemrecht. Maar waarom schreef ik zo uitdagend dat ik pro-Netanyahu ben? Ik denk dat half Israël voor is en half tegen, niets mis mee. Ik laat me daarover ook duidelijk niet uit. Maar of ik voor of tegen Netanyahu ben wens ik zelf te bepalen en ik weiger mee te doen aan de anti-Israël stemming die van ons eist om tegen Netanyahu te zijn! Ik bepaal mijn mening over zionisme en ik weiger mijn mening te laten bepalen door media, als bijvoorbeeld de N…!
Donderdag was een landelijke bijeenkomst van het OJEC, het overlegorgaan Joden- Christenen in de Portugese Synagoge. Een boeiende rondleiding, een buitengewoon interessante lezing door Prof. Emile Schrijver, mijn vriendje, en tenslotte afscheid van Piet van Midden die zich tientallen jaren als voorzitter van het OJEC heeft ingezet om binnen de Christelijke samenleving begrip te kweken voor het Jodendom en voor Israël.
Beste dagboekenier, ziet u wat er gebeurt? Jodendom, religie, en Israël, politiek. Het is onafscheidelijk. En dus, hoewel ik me verre van politiek houd, lopen politiek en religie vaak sterk door elkaar. In ieder geval: Beste Piet, dank voor je geweldige inzet voor het Ojec, de verhouding Joden-Christenen en vooral: blijf gezond en blijf pro-Israël en anti-antisemitisme columns schrijven.
In de pauze van de Ojec-Snoge-middag, het weer was schitterend, mochten we van de nieuwe voorzitter in de binnenplaats van het Synagoge-complex een luchtje scheppen. En toen overkwam me iets vreemds. Gelijk ik vanaf dag één van mijn rabbijn-schap in Nederland me had voorgenomen om na mijn pensionering Nederland in te ruilen voor Israël als woonplaats, had ik zo rond mijn 65ste besloten om gids te worden bij de Snoge en met de oprichting van het Holocaust Museum had ik me voorgenomen om als vrijwilliger een dag per week zichtbaar aanwezig te zijn in het museum om met toeristen te spreken en te vertellen over eeuwen Joods leven in mijn Nederland. Waarom welden die pensioneringsgedachten in me op, terwijl ik tot geen pensioen te bewegen breng? Een Amerikaanse toerist die ik tijdens mijn frisse luchtje op de binnenplaats trof, begon een gesprek. Hij wist dat alle Joden in Nederland de Holocaust hadden overleefd en dat onze koningin Wilhelmina in de oorlog met een Jodenster rondliep als protest tegen de Jodenvervolging. Ondertussen was de Amerikaanse toerist, hij was Joods, verheugd om met een Nederlandse rabbijn te spreken. In zijn woonplaats had hij geen contact met rabbijnen.
En zo zie je maar weer dat wat de Ba’al Sjem Tov heeft gezegd geen theorie is, maar praktijk. Van alles wat een mens in het leven tegenkomt dient geleerd te worden, toeval bestaat niet, niets is zinloos, Dat luchtje scheppen, was niet alleen voor het luchtje, maar ook voor die Amerikaanse toerist die kennelijk dat rabbinale contact nodig had.
Vandaag, zondag, was ik in Kopenhagen. Ik mocht een gezin helpen met een probleem en ik denk dat ik ze inderdaad heb geholpen. Ik heb met ze gesproken van drie tot vijf, slechts twee uur. Als ik dadelijk thuis ben gaat de mevrouw nog even met Blouma spreken via zoom en dan denk ik dat het probleem is opgelost. Nou, niet helemaal opgelost, maar ze weten nu hoe ze het probleem kunnen hanteren en als een mens weet hoe met zijn probleem om te gaan, dan is het probleem geen echt probleem meer, maar een uitdaging.
Mijn dagboek is klaar en mijn vliegtuig, vlucht KL1276, gaat landen. Mijn auto staat op Schiphol en mijn dag zit er weer op.

Dagboek van de opperrabbijn 22 april 2026

Dagboek van de opperrabbijn 22 april 2026

Een trouwe lezer van mijn dagboeken, die ik toevallig ontmoette en aangaf dat hij met veel belangstelling mijn dagboeken leest, verzocht mij om mijn dagboeken iets korter te maken, want hij vond ze aan de lange kant. Wat moet ik daar nu mee, vroeg ik mezelf af. Inkorten kan natuurlijk, maar klinkt eenvoudiger dan het is. Mijn wekelijkse column in het papieren NIW moet precies vierhonderd woorden tellen en dat is lastiger dan u denkt. Ik wil namelijk een bepaalde gedachte overbrengen, kom dan al schrijvend op te veel woorden uit en dan is inkorten, zonder afbreuk te doen aan de boodschap die ik wilde overbrengen, lastig en vooral tijdrovend. Dus ik zou allen die vinden dat mijn dagboek te lang is adviseren: lees eerst de eerste helft en een dag later de rest. Gezien mijn dagboek twee keer per week verschijnt, treffen we elkaar dan dus vier keer per week en wordt mijn dagboek dan dus bijna een echt iedere-dag-boek, waarbij ik uitga van een vijfdaagse werkweek, ook voor een rabbijn van wie 24/7 inzet wordt verwacht.

Het waren emotionele dagen. Zondagavond in Amos de Jom Hazikaron – herdenking van de gesneuvelde Israëlische soldaten, omgekomen in de strijd om het (voort)bestaan van de Staat Israël. Het concept van de plechtige herdenking was gelijk vorige jaren, alleen weer meer soldaten die herdacht moesten worden. Speciale indruk maakte op mij de toespraak van Zvi Aviner Vapni, de nieuwe ambassadeur van Israël in ons land. Als kind was zijn vader gesneuveld. Met deze kennis kijk ik plotseling anders tegen hem aan. Hij is nu niet meer voor mij een gewone beroepsambassadeur, maar met zijn geschiedenis is hij echt geworden, niet meer een ambassadeur van politiek-Israël, maar van Israël-zelf.
Maandag een lezing tijdens de Landelijke Ontmoetingsdag van Kerk en Israël in Nijkerk. In Nijkerk en niet in het gebouw van het Israël Producten Centrum? Ik kon me er niets bij voorstellen, ik wist niet goed wat ik ervan moest verwachten, maar het viel enorm mee. Enorm mee? Het was geweldig, een kleine honderdvijftig toehoorders. Het is me nog niet helemaal duidelijk wat en of er verschil is met Christenen voor Israël. Het onderwerp wat mij was gegeven luidde: Geboden samengevat in Tenach en Talmoed. Geen idee wat ik daarover moest vertellen en dus ben ik mijn inleiding begonnen met een parabel van de Maggid van Dubno. Hij sprak altijd in parabels maar eens was hij in een sjoel waar hij een toespraak had zullen houden, maar de voorzitter van de Joodse gemeente liet hem spreken op voorwaarde dat hij geen parabel zou gebruiken. De Maggid beloofde dat en begon zijn toespraak met… een parabel: ik was te voet op weg van Lemberg naar Lodz. De weg was uiterst modderig en het was moeizaam lopen. Tot mijn verbazing komt mij een paard zonder berijder tegemoet. Ik vraag het paard vanwaar hij komt en waarheen hij gaat en het paard antwoordt dat hij onderweg is van Lodz naar Lemberg, maar de juiste weg niet kan vinden (Er bestond nog een GPS!). Als ik nou jouw berijder word en we naar Lodz (terug)gaan, ga je daarmee akkoord? Zeker niet, antwoordde het paard, daar kom ik net vandaan. Okay, zeg ik, als ik op je rug mag zitten gaan we samen naar Lemberg. Na een paar uur wordt de bewoonde wereld zichtbaar en roept het paard uit: we komen uit in Lodz. Je had me beloofd dat we naar Lemberg zouden gaan. Dat klopt, antwoordde ik hem, maar die belofte deed ik voordat ik de teugels in handen had, maar toen ik eenmaal op je rug zat heb ik mijn eigen richting gekozen. Beste mensen, sprak de Maggid van Dubno, ik heb beloofd om geen parabels te brengen, maar dat was voordat ik op het spreekgestoelte stond… en toen begon hij zijn toespraak met een parabel.
Zo ook geachte toehoorders, sprak ik de zaal toe, heb ik toegezegd om met u te spreken over Geboden samengevat in Tenach en Talmoed, maar dat was voordat u mij de microfoon had gegeven. En toen heb ik een lezing gegeven waarin de oorsprong van Tenach en Talmoed wordt teruggebracht tot de eerste twee van de Tien Geboden. Precies het onderwerp dat gevraagd was, maar dan op z’n kop.
Maar rabbijnen houden niet alleen toespraken, ook de pastorale zorg is des rabbijns en heb ik daaraan ook enige uurtjes besteed om vervolgens ook nog een Europese jongere collega-rabbijn in de Halagische problemen te hebben mogen helpen.

Inmiddels is het gisteren geworden, ben ik in de ochtend enige uren bezig geweest met een kanjer van een huwelijksprobleem en toen was het richting Barneveld. Meer dan veertienhonderd vrienden van Israël waren naar de christelijke studio Het Kruispunt getogen om samen met de Joodse Gemeenschap Jom Ha’atsmaoet te vieren. Ik had min of meer dezelfde toespraak willen gebruiken die ik de dag tevoren had gegeven in de vorm van een lezing. Met een beetje taalkundige handigheid verandert een lezing van driekwartier in een toespraak van vijftien minuten. Mais non! Ik bemerkte nog net op tijd dat een aantal van Nijkerks toehoorders ook hier waren komen luisteren. En dus, ik had de microfoon reeds in mijn hand, moest ik mijn rede aanpassen. De bijeenkomst was geweldig. Zo professioneel georganiseerd. Schitterende muziek. Indrukwekkend gezang. Geweldige presentatie. De manifestatie was een grote pro-Israël demonstratie die keihard uitriep: Am Jisraeel Chaj-het Joodse volk leeft en overleeft, dankzij de Eeuwige, de Schepper van de wereld, en met een ongelofelijke steun van christenen die weigeren ons te bekeren, maar alles doen om ons te helpen. Met geld, met liefde en met een door en door oprechte overgave. Dank christenen voor Israël! Jullie zijn zo voor Israël dat zelfs de anti-Joodse media de aanslag op jullie christelijke Israël centrum gedoopt hebben tot het Joodse Israël Centrum in Nijkerk.

Inmiddels ben ik net terug uit Maastricht, maar te vermoeid om daar nu over te schrijven en bovendien wilde ik, op verzoek, mijn dagboek iets inkorten.

Dagboek van de opperrabbijn 19 april 2026

Het was een geweldige conferentie, perfect georganiseerd en ongeveer 150 deelnemers. En toch was ik niet erg gelukkig met het programma in vergelijking met het programma van zo’n dikke tien jaar geleden. De EJA-Jewish European Association is bedoeld voor bestuurders van Joodse gemeenten, verenigingen en organisaties. En ook voor niet-Joden die ‘iets hebben met Joden’, zoals politici, lokale en landelijke overheden en belangenorganisaties. En dus stond er tot enige jaren geleden op het programma workshops hoe met bepaalde leeftijden om te gaan, lezingen door deskundigen over opvoeding, hoe het publiek te binden, antwoorden op moderne vraagstukken, ethiek… kortom alles wat de Joodse gemeenschap nodig heeft en/of betreft. Daarnaast was er misschien wel enige aandacht voor het toen nog opkomend antisemitisme, maar als er al een spreker over antisemitisme het woord mocht voeren dan was de participatie niet erg groot. Bijna niemand kon toen bevroeden dat nu anno 2026 antisemitisme en antizionisme nagenoeg het hele programma zouden vullen. Maar niet alleen op het gedrukte programma, ook in de wandelgangen was antisemitisme=antizionisme het onderwerp van gesprek. En dus, hoor ik u denken, hebben al die gesprekken, panels en verklaringen van vooraanstaande deskundige politici het tij doen keren? En zo niet, wat is dan het nut van ‘spreken over’?
En toch kwam ik terug van de conferentie, en ik ben ervan overtuigd dat ik niet de enige ben, met een goed gevoel, want alle deelnemers waren van mening: we laten ons niet wegpesten. Wij steunen Israël onvoorwaardelijk, maar wij laten ons niet verdrijven uit ons Europese land van inwoning. Velen van ons wonen al vele generaties in ons Europese geboorteland. Wij gaan verhuizen als wij dat willen en als het onze eigen vrijwillige beslissing is gebaseerd op van alles en nog wat, maar niet opgedrongen door angst. Want als angst onze keuze gaat bepalen, worden we gechanteerd. En aan chantage mag nooit worden toegegeven, ook niet als het niet-toegeven mijn positie of mijn privéleven kan schaden… want als het niet zwichten geen nadeel zou opleveren, is het geen chantage!
Maar ook de aanwezigheid van niet-Joodse autoriteiten en niet-Joodse politici kwam warm over. Er zijn G.Z.D nog vele niet-joden die Israël niet laten stikken en hun kop uitsteken in de strijd tegen antisemitisme en antizionisme. Neem nou ons eigen Christenen voor Israël. Vooraan staan ze in de strijd voor Israël, geen risico is hun te groot en geen pro-Israël project te klein. Zelfs hun eigen privéleven brengen ze vrijwillig en geheel belangeloos in gevaar. Aan concessies hebben ze geen boodschap, duivelse filosofieën die Israël in het verdomhoekje duwen bestaan bij hun niet en hoe meer ze door de brede samenleving worden ‘vervolgd’, des te sterker stellen ze zich op. Het was daarom ook geweldig dat tijdens de conferentie onder luid applaus een oorkonde werd uitgereikt aan Frank van Oordt, directeur van Christenen voor Israël Nederland en aan David Vandeputte, directeur van de Belgische Christenen voor Israël. Op het prachtig ingelijste certificaat, dat hopelijk een zichtbare plaats zal krijgen in het Israël Producten Centrum in Nijkerk, lezen we:
For their unwavering courage and moral clarity
in standing with the Jewish people and the State of Israel,
even in the face of intimidation, hostility and violence,
Christians for Israel embody the true meaning of a mensch.
At a time when support too often comes at a cost,
they have chosen principle over pressure,
conviction over convenience, and solidarity over silence.
In honoring them, we recognize not only their steadfast friendship, but also
the enduring values of decency, integrity and shared responsibility that
binds us together.

Ik ben trots dat mijn Blouma op het podium het certificaat mocht uitreiken en ik ben dankbaar dat ik door velen gezien word als de opperrabbijn van de Christenen voor Israël, zowel in Christelijke kringen als binnen Joods Nederland.
Maar, pas op: niet alle christelijke kringen kunnen mijn hechte vriendschap met C4I waarderen en ook in mijn eigen Joodse gemeenschap vindt niet iedereen het juist dat ik me bezighoud met niet-rabbinale zaken en dus indirect niet-rabbinale-zaken verhef (of degradeer) tot rabbinale-taken (een doordenkertje!).
Zo was er een bevriende collega die elders zijn ongenoegen is gaan spuien dat ik onlangs was uitgenodigd door minister-president Jetten naar aanleiding van de aanslag op het Cheider. Ik vond het jammer dat hij mij niet persoonlijk heeft benaderd met zijn klacht, verdenk hem zeker niet van primitieve jaloezie, maar vermoed dat zijns inziens dit soort politieke ontmoetingen niet des-rabbijns behoren te zijn. Ik zou tot hem willen zeggen: neem contact op met rabbijn Yehuda Kaploun. President Donald Trump heeft hem namelijk in april 2025 aangesteld als speciale gezant voor het monitoren en bestrijden van antisemitisme, een positie met de rang van ambassadeur. Rabbi Kaploun was een van de eregasten in Brussel en is een toonbeeld van de combinatie van ambassadeur en rabbijn, rabbijn en ambassadeur. Natuurlijk moet een rabbijn onder alle omstandigheden rabbijn blijven, maar dat impliceert niet dat een rabbijn uitsluitend binnen moet blijven en het buiten vooral buiten houdt. Mijns inziens behoort iedere rabbijn, als de gelegenheid zich voordoet, ook een ambassadeur te zijn.
Aan het begin van Sanhedrin (een van de traktaten van de Talmoed) wordt gesproken over de samenstelling van een Beth Din, een Joodse rechtbank. Zo’n Beth Din kan uit drie dayanim, rechters, bestaan of uit eenenzeventig, afhankelijk van de kwestie waarin een uitspraak moet worden gedaan. De uit eenenzeventig dayanim bestaande rechtbank heet het Sandedrin en is lokaal gebonden aan de Tempelberg en aan een functionerende Tempel. Momenteel is er dus geen Sanhedrin en zal er pas een Sanhedrin zijn met de komst van de Mosjiach. De dayanim die deel uit maakten waren allen Joods-juridische toppers van het allerhoogste niveau. Aan het eind van het traktaat Sanhedrin wordt gesproken over de aanwezigheid van het kwaad in de wereld, dus niet alleen in Israël en zeker niet uitsluitend in Jeruzalem. Het begin van een traktaat en het eind hebben altijd een bepaalde verbintenis, maar die verbintenis lijkt hier volledig zoek. De eenenzeventig dayanim van het Sanhedrin waren geleerden die zich bezighielden met de meest ingewikkelde juridische kwesties en voor de gewone beslommeringen, vetes en gezeur waren kleinere rechtbanken en lokale rabbijnen. Maar toch werd ook van de Halagische toppers verwacht dat ze van tijd tot tijd Jeruzalem verlaten en eropuit trekken om ook in de wereld van het dagelijkse gezeur te strijden tegen het kwaad. En dus, als dat erop uittrekken al gold voor de top van de rechtsgeleerden, hoeveel te meer geldt dat voor mij als eenvoudige rabbijn. Het is goed te lernen, kennis te blijven verrijken, binnen te blijven. Maar ook de Joodse kamergeleerde rabbijn dient zich te begeven in het buiten. En was voor mijn gevoel het juist dat ik de uitnodiging van Jetten heb aanvaard.

Dagboek van de opperrabbijn 15 april 2026

Plotseling valt het me op dat mijn spierpijn in mijn nek verdwenen is na de acht dagen matses. Een van de onverwachte fysieke bijwerkingen van de matse? Of misschien toch psychisch, en doordat ik Pesach (bijna) helemaal weg was van de dagelijkse rabbinale beslommeringen en lichaam en geest nauw met elkaar verbonden zijn, hebben die spieren kennelijk rust gevonden en besloten om mij (tijdelijk?) met rust te laten.
Maar na Pesach was het weer: alle hens aan dek. Een scala aan e-mails, besprekingen, interne en externe politiek, mensen met problemen, uitnodigingen om lezingen te geven en natuurlijk ook mooie en bemoedigende ontmoetingen.
Vandaag zijn Blouma en ik afgereisd naar Brussel voor de jaarlijkse conferentie (die voor mijn gevoel vaker dan eens per jaar wordt gehouden) van de EJA, European Jewish Association. Onderwerp? Antisemitisme, want dat is helaas de grote zorg van alle Joodse Gemeenten in Europa. Maar gelukkig is zo’n conferentie veel meer dan alleen het onderwerp. Er vinden ontmoetingen plaats, bestuurders (want EJA is bedoeld voor bestuurders van Joodse Gemeenten) leren elkaar kennen en bespreken hun successen en moeilijkheden en wellicht ook hun rabbijnen.
Maar voor dag-één-Brussel had ik dinsdag, gisteren dus, een dagje Den Haag. Eerst een kop koffie met onze nieuwe Minister van Defensie Yesilgöz en daarna in de Tweede Kamer met CDA-fractievoorzitter Bontenbal en Tijs van den Brink, die de portefeuille antisemitisme beheert. Wel grappig om Van den Brink regelmatig tegenover me te hebben gehad hebben als interviewer bij o.a. Dit is de Dag en nu dus als CDA-portefeuilledrager. De boodschap die ik wilde overbrengen was dat beveiliging van Joodse gebouwen en personen valt onder de categorie symptoombestrijding, maar paracetamol neemt de kwaal niet weg. De enige manier om de kwaal te elimineren is door middel van educatie, educatie, educatie… op onze scholen, universiteiten, in de thuis-entourage en in de AZC’s. Ik was om 16:00 uur thuis en toen om 18:00 uur naar de Hollandsche Schouwburg voor de jaarlijkse herdenking van de Holocaust.
Ook dit jaar weer een indrukwekkend gebeuren, hoewel een van de zeer goede sprekers aan het eind van haar sterke en indrukwekkende persoonlijke oorlogsgeschiedenis kennelijk even was vergeten dat de jaarlijkse herdenking een herdenking van de moord op honderdtweeduizend Nederlandse Joden was en niet bedoeld om een uitgesproken mening te laten horen over de politiek in het Midden-Oosten. Jammer, want wat kan ik nu nog als verweer gebruiken als op een school tijdens de educatie over de Holocaust de Midden-Oosten problematiek wordt geïmporteerd en de herdenking van wat onze samenleving liet gebeuren wordt gekaapt door huidige Jodenhaat. Maar verder was het indrukwekkend en weer geweldig georganiseerd en daarom had ik bovenstaande wanklank beter niet moeten vermelden, maar wat staat, staat en uitgummen lukt niet zo goed op het digitale papier.
Donderdag, dag twee dus van de EJA-conferentie, komen twee medewerkers van de Gouverneur van Limburg naar Brussel. Niet voor de EJA-conferentie, maar om met mij voor te bespreken “40-jaar Gouvernement aan de Maas”. Tijdens die viering op 22 april zal er namelijk een panelgesprek zijn in de Feestzaal van het Gouvernement voor een publiek van ca. 250 personen in de stijl van college tour, met als gespreksleider Twan Huys. Het thema waarover gesproken en gevraagd zal worden is democratie, ethiek en nog een aantal randvoorwaarden waaraan een samenleving dient te voldoen om als vredige en tolerante maatschappij te kunnen bestaan, zonder chaos en polarisatie. Mede omdat er voorkomen moet worden dat de Midden-Oosten problematiek wordt geïmporteerd in het Limburgse, willen de organisatoren vooraf met mij, en naar ik verwacht ook met de andere panelleden, een voorgesprek. Omdat mijn agenda de komende week propvol zit en dus even naar Maastricht vanuit het verre Westen er niet inzit, treffen we elkaar in Brussel tijdens de EJA-sluitings-lunch. Reden dat ik dit vermeld, terwijl de viering pas volgende week is, omdat de organisatie de 40-jaar wil vieren en een kaping van de viering door het importeren van Iran, Libanon of Gaza wil voorkomen. Voelt u waarom dit plotseling al schrijvende over de herdenking in de Hollandsche Schouwburg in mijn gedachten opkomt?
De conferentie is geweldig. Op de vraag of je als Jood bang bent om anno 2026 zichtbaar Joods op straat te lopen, was de uitslag (stemming met de mobile telefoons) 50% – 50% en op de vraag of de Joodse gemeenten zich na 7 oktober in de steek gelaten voelden door hun lokale en nationale overheden gaf 72% van de Joodse bestuurders aan dat ze zich niet gesteund wisten. Maar desondanks gaf de overgrote meerderheid duidelijk te kennen dat ze er niet over peinzen om hun Europese geboorteland te verlaten. Alleen de vertegenwoordiger van Ierland, woonachtig in Dublin, wil haar kinderen niet in haar geboorteland zien opgroeien. De reden: in Ierland wordt er van overheidswege geen enkele vorm van beveiliging geboden. De Joodse gemeenschap moet dat zelf verzorgen en bekostigen.
Terwijl ik zit te luisteren naar een paneldiscussie, moet ik dit dagboek afronden om het op tijd bij u, mijn trouwe volgers, te krijgen. Er wordt nu gesproken over de vraag of er voor de bescherming van de Europese Joden een aparte legale status moet worden gecreëerd om Joden te beschermen, maar wel of geen status apartus, allen zijn het erover eens dat in een situatie waarin Joden niet meer zichtbaar als Joden kunnen leven, dat het dan een legale verplichting van de overheid is om ons te beschermen, geen gunst!
Achter het spreekgestoelte neemt nu plaats ambassadeur rabbi Yehuda Kaploun, aangesteld door president Trump als speciale gezant voor het monitoren en bestrijden van antisemitisme. Hoe meet hij zijn succes, vraagt hij zichzelf af. Hoe weet hij of hij iets heeft bereikt? En het antwoord dat hij zichzelf geeft luidt: als ik wakker word in de ochtend en er was die nacht/dag geen aanslag gepleegd, heb ik iets bereikt. Hij, reeds dertig jaar bevriend met Trump, benadrukte de inzet van Trump om antisemitisme te bestrijden en zijn vriendschap met Israël en het Joodse volk.
Ondertussen is ook Frank van Oordt aangekomen en gaf David Vandeputte een uiteenzetting over de inzet van Christenen voor Israël. Ik was daarvan niet onder de indruk, want ik ken Christenen voor Israël als mijn eigen broekzak. Maar alle anderen waren diep onder de indruk. Dat wij Joden lijden onder antisemitisme, is inmiddels normaal, want we zijn Joods. Maar dat Christenen door zich keihard in te zetten voor Israël en tegen antisemitisme strijden en dan ook de volle laag over zich heen krijgen, creëerde respect en misschien wel verbazing.


Dagboek van de Opperrabbijn 6 april 2026

Aanslag op Joods Israel-Centrum in Nijkerk.

Eigenlijk had ik vanwege de tussendagen van Pesach geen dagboek willen schrijven. Even helemaal weg, geen nieuws volgen en moeten constateren dat mijn wel of niet geïnformeerd zijn over wat zich in de grote wereld afspeelt, zelfs in het Midden-Oosten, totaal niet wordt beïnvloed door mijn ‘op de hoogte blijven’.

Maar na het begin van de Hagada te hebben gelezen op de Seideravond (en na de aanslag op het IPC-Israel Producten Centrum in Nijkerk), ben ik toch maar weer achter mijn laptop gaan zitten om mijn gedachten met u te delen.

Dit is het brood der ellende dat onze voorouders in Egypte hebben gegeten. En vervolgens nodigen we iedereen uit die hongerig is om onze gast te zijn. Een vreemd begin van de vertelling van de geschiedenis van meer dan drieëndertighonderd jaar geleden, de geschiedenis van de Uittocht uit Egypte, het einde van de vierhonderd jaar durende slavernij. Dit is het brood der ellende dat onze voorouders in Egypte hebben gegeten. En, zo vervolgt de Hagada, als onze voorouders toen niet uit Egypte zouden zijn bevrijd, zouden wij nog steeds slaven zijn van de Farao in Egypte.

Als we een beetje nadenken moeten we tot de conclusie komen dat deze introductie op z’n zachtst uitgedrukt vreemd is. Want de matse die we nu voor ons op tafel hebben liggen, is echt geen drieëndertighonderd jaar oud. En los hiervan, hebben onze voorouders bij de Uittocht uit Egypte inderdaad matses gegeten, maar niets wijst erop dat ze ook gedurende de slavernij zelf matses zouden hebben moeten eten. En de bewering dat als we toen niet zouden zijn bevrijd we nog steeds in Egypte zouden zijn, terwijl G’d nadrukkelijk aan onze aartsvader Abraham had aangegeven dat de slavernij niet langer zou duren dan vierhonderd jaar, klopt dus ook van geen kant.

Omdat u mij nu leest omdat ik een dagboek ben en geen Joods-filosofische les, zal ik u een uitgebreid antwoord besparen, maar heel in het kort:
De volledige bevrijding uit de slavernij heeft nooit plaatsgevonden. Nog steeds bevindt het Joodse volk zich in ballingschap, zelfs in het Heilige Land Israel. De Uittocht uit Egypte heeft ons weliswaar uit de toenmalige slavernij bevrijd, maar het fenomeen slavernij is gebleven en blijft tot de uiteindelijke verlossing zal komen, de Tempel in Jeruzalem weer zal functioneren en er echte Sjalom zal heersen voor alle volkeren van G’ds aarde.

Toen ik na de eerste twee dagen Pesach mijn zorgvuldig weggestopte laptop weer opende om te zien hoe het klimaat in onze wereld ervoor stond, las ik tot mijn schrik en verbazing: “Politie onderzoekt explosie bij Israëlcentrum in Nijkerk. Dit is het vierde incident bij een Joodse instelling in Nederland in een maand tijd.”

Natuurlijk mag eenieder het oneens zijn met de politiek van Netanyahu. Ik vermoed dat de helft van de Israëliërs tegen Netanyahu is. Maar hun tegen-zijn betekent niet dat ze vinden dat de Staat Israël van de kaart geveegd moet worden en dat Joden, waar ze zich ook bevinden, vervolgd mogen worden, louter en alleen vanwege hun Jood-zijn. Ook kan ik me nog voorstellen dat iemand tegen de oprichting van de Staat Israël was in 1948, maar absoluut geen Jodenhater. Antizionisme was dus niet het synoniem van antisemitisme. Maar als we de mening zijn toegedaan dat een antizionist niet per definitie een antisemiet is, dan zouden er ook antisemieten moeten bestaan die weliswaar vervuld zijn met Jodenhaat, maar desondanks pro-Israël! En dit soort zionistische antisemieten heb ik in Nederland nog niet ontmoet.

En daarom verbaast het me niet dat Christenen voor Israël op de website van een gerenommeerd Nederlands dagblad een Joodse instelling wordt genoemd: een antisemiet is namelijk niet te onderscheiden van een antizionist en antisemitisme en antizionisme zijn in de loop der jaren synoniemen geworden: antisemitisme = antizionisme.

Nog steeds bevinden we ons in de toenmalige slavernij en is dus de aanslag op het gebouw van Christenen voor Israël niet verbazingwekkend. Maar met de toenmalige Uittocht uit die slavernij hebben we de kracht gekregen om uiteindelijk tot de ultieme sjalom te komen, de definitieve uittocht uit een ballingschap waarin we ons nog steeds bevinden. Gelijk toentertijd de Uittocht gepaard ging met beproevingen en wonderen, zo vergaat het ons ook nu.

Maar we gaan de goede kant op als zelfs dat gerenommeerde dagblad, dat gewoonlijk niet verdacht kan worden van pro-Israëlische denkbeelden, al volmondig toegeeft dat antisemitisme en antizionisme hetzelfde is en daarom het Christelijke Israël Producten Centrum te Nijkerk niet meer christelijk is, maar gewoon Joods, en ik dus terecht regelmatig in bepaalde Christelijke kringen, die niet zo pro-Israël zijn, word gezien als de Opperrabbijn van Christenen voor Israël!