Hij maait het gras op de begraafplaats

Tot nu toe heb ik er geen aandacht in mijn dagboek willen besteden aan het volledig onverwachte overlijden van de zoon van mijn collega rabbijn en mevrouw Heintz uit Utrecht. 24 jaar jong! Reden? Weet ik niet. Misschien vond ik het ongepast of lag het voor mij te emotioneel. Hij woonde in Brooklyn New York en was manager van twee koosjere bekende pizza stores. Eind vorige week viel hij weg, na een kort ziekbed. Iedereen kende hem, want hij was gewoon heel vriendelijk en aardig. Een door en door goede jongen.

Het was dan ook niet verbazingwekkend dat honderden en honderden aanwezig waren, ondanks corona, bij zijn lewaja, begrafenis, op de Joodse begraafplaats waar ook de Lubavitscher Rebbe begraven ligt.  22 Jaar geleden verloren wij onze 15-jarige zoon Awremmel zl. op 5 Elloel en nu op 6 Elloel werd Levi Heintz zl. uit het aardse leven weggerukt. De komende jaren kunnen wij dus aansluitend aan elkaar de jaartijden in acht nemen met de daaraan gekoppelde sjoeldiensten.

Hoe kan je de ouders tot steun zijn, vraag je jezelf bliksemsnel af? Troosten is nog niet aan de orde en überhaupt wat valt er te troosten? Verwerken heet zoiets. Er bestaan Joodse wetten en beschreven adviezen, afgeleid uit Thora en Talmoed, over ziekenbezoek. Maar ook over de begeleiding en bejegening van bloedverwanten bij onverhoopte sterfgevallen. Door die wetten heen voel ik een vette regel lopen: Zorg dat je er bent voor hen die getroost moeten worden. Maar nog belangrijker is: Dring je niet op en dring niet aan. Gun mensen de vrijheid om het verlies en het verdriet op een persoonlijke wijze te plaatsen en te verwerken! En ga vooral niet vertellen dat jij alles begrijpt want jij hebt hetzelfde meegemaakt! Klinkt logisch, maar is dat helaas niet. Zie het als volgt: ik ben bij de huisarts omdat ik pijn heb aan mijn grote teen. Nadat ik mijn pijn heb beschreven begint de dokter mij te vertellen dat hij ook pijn heeft aan zijn grote teen. Dat is natuurlijk zielig en ik zou hem best willen helpen, maar ik kom bij die huisarts om zelf geholpen te worden en ben eigenlijk, als ik het even ongenuanceerd mag zeggen, totaal niet in zijn teen geïnteresseerd. Gun mensen die verdriet hebben ruimte, probeer je in hun situatie te verplaatsen en schakel jezelf uit.

Toen wij vorige week op de begraafplaats waren vanwege de jaartijd (de sterfdag) van onze zoon, schrokken wij van het achterstallige onderhoud. Er schijnt geen geld beschikbaar te zijn om het gras te maaien. Persoonlijk vind ik dat niet zo erg. Wel hoog gras, niet hoog gras. Maar sjabbatochtend na de sjoeldienst in onze privé tuintentsjoel/sjoeltenttuin bracht Blouma tijdens de sjabbat maaltijd het hoge gras ter sprake en vroeg onze gast of hij het misschien zou willen maaien. En zo heeft de begraafplaats in onze stad een begraafplaats die weer onderhouden gaat worden en waar het gras weer zal worden gemaaid. Deed me trouwens denken aan die Ierse vrouw die haar zoon schrijft dat zijn vader een ongeluk heeft gehad. Hij was gevallen in een groot vat whisky. De brandweer moest hem uit het whisky-vat redden, maar, zo schrijft de moeder “je vader heeft zich kranig geweerd”. En daarna schrijft de moeder verder en vertelt dat z’n vader promotie heeft gemaakt. “Hij heeft nu achthonderd mensen onder zich. Hij maait het gras op de begraafplaats!”

Een zeer ervaren en kundig psycholoog in het Sinai Centrum heeft mij eens uitgelegd dat humor een mechanisme is om te overleven.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks. 

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Het zogenaamde Andere Joodse Geluid

Het was een fijne sjabbat in onze tuin-tent-synagoge. De ochtenddienst begon om 10 uur, maar om 9:30 uur was de eerste deelnemer al aanwezig. Nou ja, niet echt een deelnemer, maar een uiterst vriendelijke politieagent die kwam vragen of alles goed was. Voor de zekerheid was hij ook nog even langs de echte synagoge in de binnenstad gegaan, waarschijnlijk om te kijken of die er nog stond (grapje!). Ik ben dankbaar dat er zo over ons wordt gewaakt en speciaal met de manier waarop dat gebeurt. Absoluut niet afstandelijk. Vriendelijk en betrokken.

Tijdens mijn sjabbatmiddag wandeling viel het weer op dat mensen vriendelijker worden. Bijna iedereen die ik op mijn wandeling ontmoet groet. En op sjabbat hoor ik meerdere keren sjabbat-shalom, uit de mond van niet-joden.

Dat is voor mij dan een tegenwicht voor het geluid van EAJG, een piepklein groepje dat zichzelf noemt: Een Ander Joods Geluid. Ten eerste is het schandalig dat ze zich doen voorkomen alsof ze een grote Joodse achterban vertegenwoordigen, want ze maken veel Geluid en worden dus helaas gehoord. Het doet me denken aan een uitzending over vaccinatie. Er zijn dus duizenden en duizenden deskundige artsen die aan de hand van wetenschappelijk onderzoek bepleiten dat kleine kinderen worden ingeënt tegen de mazelen. Daar tegenover is er dan een piepklein groepje gedreven anti-vaccinatie-moeders die de wereld proberen uit te leggen, gebaseerd op onwetenschappelijk emotie, dat vaccinatie leidt tot autisme. En dan is er een tv-uitzending waarbij de arts en de anti-vaccinatie-moeder beiden evenveel zendtijd krijgen terwijl ze qua achterban onvergelijkbaar zijn.

Zo zie ik dat zogenaamde andere Joodse geluid ook. Wie, behalve de heer Hamburger zelf, zit er nog meer in dat clubje? Waarom ik me daarover opwind? Ik weet dat hun geluid in Den Haag gehoord wordt. Jammer, want ze vertegenwoordigen bijna niemand. Maar wat ze nu weer in de wereld hebben geslingerd is “de mogelijkheid dat Israël een initiërende rol heeft gespeeld bij de rampzalige explosie in Beiroet”. En dan volgt hun zeer overtuigende wetenschappelijke onderbouwing: “Er is evenmin een aannemelijke andere verklaring voorhanden”. En dus is Israël schuldig! Sic. Het doet me denken aan dat ironische grapje dat ik enige maanden geleden met u heb gedeeld: Vraag: Wie is er schuldig? De Jood of de lantaarnpaal? Wedervraag: Hoezo de lantaarnpaal?

Israël beschuldigen zonder enige vorm van onderbouwing is slecht, verfoeilijk en leidt tot niets. Sorry, het leidt tot bijna niets, want het bevordert wel het antisemitisme. Ik weet, heer Hamburger, dat uw clubje niet bedoelt het antisemitisme aan te wakkeren. Maar dat gebeurt wel, want de scheidslijn tussen antizionisme en antisemitisme is flinterdun. 

We bevinden ons is de Joodse maand Elloel, de voorbereidingsmaand voor Joods Nieuwjaar. Iedere dag wordt er op de sjofar geblazen als oproep tot inkeer. Wordt wakker, kom terug naar de juiste weg. Heer Hamburger, weet dat het nooit te laat is, ook niet voor u, om naar de juiste weg terug te komen. En naar de Overheid, waarvan mij bekend is dat ze ook het geluid van die enkelingen die pretenderen een Joods Geluid te vertegenwoordigen horen, zou ik willen zeggen: Gelijk u geen aandacht besteed aan die paar anti-vaccinatie-moeders, die u niet serieus neemt, luister zo ook niet naar dat zogenaamde Andere (on)Joodse Geluid.

Maar gelukkig heb ik ook weer iets moois mogen beleven. Ik ben gevraagd lid te worden van het Comité van Aanbeveling van een stichting die wil komen tot de uitgave van het boekje ´’Een ver-Urkte Israëliet, het levensverhaal van Japien de Joode’. ‘Op’ Urk (en niet ‘in’ Urk, voor de Neerlandici onder u) gaan een aantal vrijwilligers dit boekje nu als een stripverhaal uitgeven. In 1995 was het uitgegeven als gewoon boek. Ik heb voor dat boekje indertijd een inleiding geschreven, als ik me goed herinner. Het gaat over het leven van de enige Joodse familie die op Urk woonde en in de oorlog vermoord werd in Sobibor, de familie Kropveld. De uitgevers van vijfentwintig jaar geleden willen het nu uitgeven in de vorm van een stripverhaal dat op alle basisscholen op Urk onderdeel gaat worden van de lessen. Een geschiedenis die zich in hun eigen woonomgeving heeft afgespeeld, in dezelfde straat waar zij nu wonen of om de hoek, in een periode dat het normaal werd bevonden, zelfs ethisch volledig verantwoord, dat Joden niet meer naar de gewone school mochten, dat Joden moesten verhuizen naar Amsterdam, dat Joden op transport werden gesteld……

Heer Hamburger: kijk hoe niet-joden zich voor ons inzetten. U mag van hen leren!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

 

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Ethiek is eng

Zoals wellicht bekend hebben alle letters in het Hebreeuws een getallenwaarde. De eerste letter, de Alef, is 1 in getallenwaarde. De tweede letter, de Beth, is 2. Mijn oog viel op de uitspraak van de Ba’al Shem Tov, de stichter van het Chassidisme, die benadrukte dat het Hebreeuwse woord voor ‘licht’ dezelfde getallenwaarde heeft als het Hebreeuwse woord voor ‘geheim’. Als een leraar het ‘geheim’ van de leerstof kent, kan hij bij zijn leerling ‘licht’ brengen. Anders geformuleerd: een leraar moet de materie door en door kennen om de les op de juiste wijze te kunnen overbrengen. Zo niet dan brengt hij geen licht, misschien nog net geen duisternis, maar zeker wel schemering.

Helaas moet ik constateren dat er vaak meningen of visies worden verkondigd zonder het ‘geheim’ van de onderliggende materie goed te kennen en dus is de boodschap erg ‘schemerig’. Met andere woorden: zolang je geen zicht hebt op de echte betekenis, is wat je ziet duister. En dat is nu precies wat we dagelijks steeds vaker zien. Aan de hand van uiterlijk vertoon, misleidende demagogie, worden conclusies getrokken, hele volksstammen opgejut. Als volksleiders op de juiste manier de waarheid verkondigen is dat prima, maar helaas…….Hetzelfde geldt voor journalisten, de media. Media kunnen misleiden, weten vaak niet het ‘geheim’ van de situatie en doen daardoor aan berichtgeving die geen ‘licht’ brengt.

Maar gelukkig heb ik het gevoel dat een deel van de media in ons land zich wel verdiept in de materie, aan grondig onderzoek doet, doordringt tot de kern en daardoor problemen blootlegt die onzichtbaar waren (gemaakt). Ik denk dan aan de onderzoekjournalistiek die zich nagenoeg niet laat afleiden door uiterlijk vertoon en misleidende demagogie. Deze tak van de journalistiek belicht de diepere achtergrond, die vaak heel anders is dan de zichtbare schijnvertoning. In vele andere landen echter blijft de oppervlakkigheid de waarheid verduisteren of is er sprake van censuur. Het gevolg: er ontstaat in onze brede mondiale samenleving een steeds groter wordende kloof tussen de leugen en de waarheid, tussen misleiding en verdieping, tussen duisternis en licht.

Gisteren werd ik gebeld door een bevriende niet-Joodse huisarts (even notitie: ik heb ook niet-Joodse vrienden, mocht u daaraan twijfelen!) met een ethische vraag. Een van zijn patiënten ziet het leven niet meer zitten en wil er een eind aan maken: het zogenaamde voltooide leven, zoals de nieuwe naam voor zelfmoord luidt! De niet-Joodse huisarts zit ermee ‘in zijn medische maag’ of beter geformuleerd: ‘in zijn ethische maag’. Want met geneeskunde heeft dit niet van doen. Dit is een ethisch probleem dat door de Overheid geplaatst is in de spreekkamer van de medische huisarts. Dat is eng, want het politieke besluit wordt beïnvloed door propaganda, door wat de meute ervan vindt, door de potentiële kiezers. Ook natuurlijk door de media en daar speelt dat de krant moet verkocht worden, de TV naar kijkcijfers hunkert en de website naar likes en clicks snakt. Resultaat? Niets is variabeler dan ethiek. Wat vijftig jaar geleden als een doodzonde gold, is nu geaccepteerd. En wat nu onacceptabel is, was toen probleemloos. Dat visies opnieuw worden bekeken en getoetst is meer dan prima. Dat situaties veranderen is logisch. Dat land A niet land B is, moge duidelijk zijn, maar toch zijn er grenzen.

We lazen sjabbat jl. in de synagoge (Deuteronomium 16;20) “Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zult gij najagen”. Waarom staat hier twee keer “rechtvaardigheid”? Een keer “rechtvaardigheid” ware toch voldoende geweest? Maar hier ligt een belangrijke les en levenswijsheid. Als een rechter om een oordeel wordt gevraagd en hij neemt, zonder aanziens des persoons, het wetboek, de Thora en/of de Talmoed, voor zich, hij verdiept zich in de materie, vindt het antwoord, kijkt op naar de vragensteller die voor hem staat en komt tot een rechterlijke uitspraak: Dat is “rechtvaardigheid”. Maar in de Thora staat twee keer na elkaar het woord “rechtvaardigheid” om ons te vertellen dat het alleen in de wet kijken en uitspraak doen niet voldoende is. Wie is de persoon die beoordeeld moet worden.

Is hij rijk of arm, intelligent of zwakbegaafd, hoogbejaard of jong, uit welk milieu stamt hij? Oordelen over de medemens, mag nooit zwart-wit zijn, maar steeds genuanceerd. Vandaar “rechtvaardigheid, rechtvaardigheid”, twee keer.

Ethiek is eng, kan ontsporen als wij mensen zelf de grenzen bepalen. Ethische beslissingen zijn vaak het resultaat van de demagogie van wereldleiders die primair zichzelf verafgoden. De politiek betaalt en bepaalt. Het Joodse standpunt is dat wij mensen te klein zijn om zelf waarden en normen te bepalen. De grote lijnen zijn in het Jodendom duidelijk weergegeven, liggen vast. Maar de toepassing is altijd maatwerk. Een mens mag vanuit de Joodse optiek bezien niet doden, niet anderen en ook niet zichzelf. Wanneer het leven voltooid is wordt Boven bepaald, dat mag geen mensenwerk zijn. Maar hoe ermee om te gaan als de politiek haar mening aan de gemeenschap oplegt en de arts gedwongen wordt om braaf te volgen, is een ander verhaal dan sec de vraag of voltooid leven acceptabel is volgens de halaga-de Joodse wet.

Wat mijn antwoord was aan de bevriende niet-joodse huisarts? Dat vertel ik u dus niet, want mijn antwoord aan hem is niet per se mijn antwoord aan u.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Oeigoeren beheersen mijn geweten – Dagboek van een opperrabbijn

Ik zit in een dubio, een gewetensconflict. Verschillende keren ben ik benaderd door iemand die aangeeft aandacht te vragen voor de Oeigoeren. Het doet me denken aan die tentoonstelling in Nijkerk over de “Redders in Nood”, een tentoonstelling speciaal voor kinderen over mensen die in de jaren ’40-’45 verzet boden met gevaar voor eigen leven.

In die tentoonstelling sta je op een gegeven moment voor drie deuren. Als je op de bel drukt van deur 1 hoor je een geluidsopname die laat horen hoe Ds. Verduin, de verzetsstrijder, aanbelt bij een lid van zijn gemeente en vraagt of dat gemeentelid voor slechts een nacht onderdak kan bieden aan twee Joden die in grote nood verkeren. Bewoner van huis 1 reageert woedend en verwijt de dominee dat hij zijn gemeenteleden in gevaar brengt. Bewoner 2 geeft aan erg graag te willen helpen, maar is bang voor onverhoopte gevolgen voor haarzelf en haar gezin. Ze durft niet. Bewoner 3 neemt de twee Joodse mannen in huis.

Oeigoeren worden in China niet erg netjes behandeld, om het maar even zeer cynisch te verwoorden. Mij wordt nu gevraagd om hen te steunen, de politiek in te schakelen, een petitie te ondertekenen. De man die mij benadert is een mij onbekende en op mijn vraag aan hem of de leadership van de Rooms Katholieke Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland ook de petitie ondertekenen, krijg ik als antwoord het verzoek of ik hen wil benaderen. Ik kan me er eenvoudig uitdraaien door aan te geven dat ik geestelijke ben en geen bestuurder en dat het CJO, Collectief Joodse Overleg, zijn aanspreekpunt moet zijn.

Maar ja, denk ik dan, dat heeft Ds. Verduin ook niet gedaan. En zelfs als CJO al benaderd zou zijn en actie heeft ondernomen, waarom zou ik dat dan ook niet doen. Anderzijds word ik mogelijk in een politiek gesleept waarop ik echt niet zit te wachten, vraagt hij van mij actief betrokken te zijn en zegt een satanisch stemmetje in mij dat ik niet de verantwoordelijkheid op me kan nemen voor de gehele wereld. Ook weet ik niet wie die persoon is die mij benadert. Is hij wie hij zegt te zijn? In de oorlog zijn vele niets vermoedende echte verzetshelden omgekomen door intern verraad. Het knaagt aan mij, ook nadat navraag over deze wellicht zeer oprechte persoon niets negatiefs over hem oplevert. Hij komt ietwat naïef over, is naar zijn zeggen naar mij verwezen omdat ‘Jacobs overal binnen kan komen’, maar wie hem naar mij heeft verwezen weet ik niet en of hij inderdaad de Oeigoeren vertegenwoordigt is mij ook niet duidelijk. Maar dat Oeigoeren worden vervolgd lijdt helaas geen enkele twijfel.

De drie deuren in Nijkerk blijven maar in mijn gedachten bovenkomen.

Ondertussen weer een verzoek voor een rabbinale verklaring die iemand nodig heeft om lid te kunnen worden in het buitenland van een Joodse Gemeente. Op zichzelf geen probleem, alleen beschik ik niet over een goede secretariële ondersteuning die hiermee kan omgaan en ben ikzelf al maanden niet meer op kantoor geweest. Niemand die zich afvraagt hoe ik e.e.a. draaiende houd in de coronese tijden. Ook nog een hulpvraag van een gescheiden Joodse vrouw met vier kinderen die in Italië woonachtig is, geen contact meer heeft met haar man, een vriendin heeft in een van mijn zeer kleine Joodse Gemeenten en door die vriendin geadviseerd is om in die piepkleine Joodse Gemeente te gaan wonen ‘want daar kunnen haar kinderen aan het Joodse leven deelnemen en wekelijkse Joodse lessen krijgen’. Of ik het even kan regelen.

O ja, ook nog een vraag van de functionaris die belast is met de begraafplaatsen. Op een van de meer dan 200 Joodse begraafplaatsen die Nederland rijk is, stond een zieke iep. Die is gekapt en de vraag is nu wat er moet of mag gedaan worden met het hout: Op de begraafplaats laten liggen of weg laten halen. En wat te doen dan met de opbrengst van het hout als het hout wordt verkocht.

Een vriend van mij is stadsarcheoloog, wordt door mij ingeschakeld bij het (sporadische) herbegraven, werkt vanwege corona van huis uit (even onduidelijk voor mij hoe een archeoloog van huis uit opgraaft!) en wil graag weten hoe de katholieken dat doen. En dus legt hij deze vraag bij mij neer, omdat hij geen bisschoppen kent. We zijn er inmiddels uit. Niet via de bisschop, want niet iedere bisschop zal zich in deze materie verdiept hebben, maar wel via een Hoogleraar die ik goed ken en die in mijn (Joodse) optiek het summum is van kennis over Rome en alles daaromheen.

En inderdaad binnen een halve dag weten de archeoloog en ik beiden hoe Rome omgaat met grafrust. Ik citeer: “Graven mogen nooit geschonden worden. Daar staan kerkrechtelijke straffen op. Maar mensen mogen wel worden herbegraven. Dat wordt niet gezien als een schending van de grafrust. Vaak gebeurt dat bij mensen die worden zalig of heilig verklaard. Als dat is gebeurd, wordt het stoffelijk overschot vaak overgebracht (translatio) naar een altaar, waar het onder de altaarsteen wordt bijgezet.” Interessant om te weten, maar of deze kennis past in het dagboek van een rabbijn betwijfel ik ten zeerste.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Dagboek van een Opperrabbijn 25 augustus 2020, Bijna betrapt bij oplichting

Om onze rol als opa en oma ook naar behoren te vervullen en we met de kleinkinderen uit Londen een uitstapje hadden gemaakt, was het een grootouderlijke verplichting om ook aandacht te besteden aan de kleinkinderen van de Zuidas in Amsterdam. En dus met de auto van onze zoon, vanwege de kinderzitjes, naar de Zaanse Schans. Zeepjes gemaakt, een molen bezocht, de kaasfabriekaangedaan en een boottocht. Bij de boottocht moest ik even ervoor waken om geen onwaarheid te verkondigen. Onze kleinzoon is namelijk net 4 jaar, maar als ik hem opgeef voor drie zal niemand dat bemerken en het zou me €7,50 schelen. Maar is dat de moeite waard, gonsde het door mijn hoofd. Is dat geen diefstal en wat als onze dierbare pientere kleinzoon zelf gaat uitroepen dat hij al vier is? En wat voor opvoeding geef ik aan de twee oudere meisjes als ze horen dat ik lieg om een paar euro te besparen? Dadelijk haal ik de voorpagina van de Telegraaf: Opperrabbijn betrapt bij oplichting. De kop zou het goed doen en het antisemitisme door mijzelf notabene goed gevoed: Joden-zwendelaars. En dus heb ik gewoon de waarheid gezegd: hij is vier! Achteraf bezien maakte het trouwens niets uit of hij drie of vier was, want we kwamen in aanmerking voor een familiekaart! Maar toch, het kwaad had toch even door mijn brein geflitst en dat klopt niet. Ik heb dus nog wel e.e.a. te repareren voor de Grote Verzoendag! Het uitstapje was verder prima en thuisgekomen opende ik mijn email en lees de volgende anekdote die mijn schoondochter uit Londen, onwetend van ons uitje naar de Zaanse Schans, mij heeft gestuurd:

Een rabbijn had een nieuwe aanstelling gekregen in een van de synagogen in Houston, USA. In de eerste week van zijn benoeming bezocht hij een van zijn gemeenteleden. Omdat hij nog geen auto had maakte hij gebruik van de bus. Nadat hij het kaartje had gekocht bij de chauffeur en plaats had genomen, bemerkte hij dat de chauffeur hem een quarter (25 $ cent) te veel wisselgeld had gegeven. Hij stond op het punt om naar de chauffeur te gaan om hem de quarter terug te geven, maar bedachtzich. Het busbedrijf zal nooit merken dat hij een quarter te weinig heeft betaald. Los daarvan verdienen ze belachelijk veel aan al die ritten, dus waarom teruggeven? Ik beschouw het als een gift van G’d, een soort welkomgeschenk van Boven en een stimulans om me in te zetten voor mijn gemeenteleden. Toen hij was aangekomen op de plaats van bestemming en voorbij de chauffeur moest uitstappen, gaf hij toch aan de buschauffeur de quarter terug. De chauffeur glimlachte en zei tegen hem: Rabbi, ik ben ook Joods. Ik wist dat u de nieuwe rabbijn was geworden. Al weken denk ik eraan om me toch weer aan te sluiten bij een synagoge. Maar de ziel van de Joodse Gemeente is de rabbijn. Toen ik u zag instappen heb ik u opzettelijk een quarter te veel teruggegeven. Ik wilde weten hoe u hiermee omgaat, hoe uw bezieling, uw gedrag is in het gewone alledaagse leven buiten de synagogale diensten. Aanstaande sjabbat ziet u mij in de synagoge! Maar als u de quarter niet zou hebben teruggegeven, dan…….
Toen de rabbijn de bus was uitgestapt hief hij zijn handen ten hemel en zei: Lieve G’d. Het had niet veel gescheeld of ik had voor een quarter een mede-Jood de toegang tot de synagoge en de Joodse gemeenschap ontzegd.

In de Joodse wetgeving is een wet die zegt dat een rabbijn niet mag rondlopen met een vlek op zijn kleren, want als hij met een vlek rondloopt dan kan dat tot gevolg hebben dat er wordt gegeneraliseerd en wordt verteld dat alle Joden vies en onverzorgd zijn. Die wet geldt niet alleen voortastbare vlekken, maar vooral ook voor vlekken in het gedrag. En die vlek, die hijzelf heeft veroorzaakt, zal dan weer gebruikt kunnen worden om het antisemitisme aan te wakkeren. Maar ook geestelijken van andere denominaties mogen deze wet tot zich nemen. Want wangedrag van een geestelijke is een wapen in de strijd tegen religie in het algemeen, het is een vlek tegen de Eeuwige
onze G’d en kan gebruikt worden als een troef om secularisatie te vergoelijken. Kijk maar, zal geredeneerd worden, geestelijken prediken goede zeden, maar zelf leven ze er maar op los! Mijn kleinzoon is dus pas kortgeleden vier jaar geworden. En vier is vier en echt niet drie, ook als dat een paar euro bespaart.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Dagboek van een opperrabbijn, 24 augustus 2020. Even geen wereldpolitiek

De maand Elloel is begonnen, de Hoge Feestdagen naderen. Iedere dag blazen we al tien tonen (anderen vier) op de sjofar, de ramshoorn als voorbereiding voor Rosj Hasjana, Joods Nieuwjaar. Ik voel de gebruikelijke spanning. Rosj Hasjana, tien dagen daarna Jom Kippoer, de Grote Verzoendag en dan daarna Soekot, het Loofhuttenfeest. De spanning heeft te maken met de voorbereidingen voor de diensten, het uitnodigen van de gasten, de aanschaf van de loelav (zal ik over enige weken wel uitleggen), de loofhut……………….maar dit jaar worden deze Elloel gedachten overschaduwd door de vraag of en hoe we überhaupt synagogediensten kunnen hebben. Juist voor de minder betrokkenen van de Joodse gemeenschap zijn dit de dagen die ze nodig hebben voor de versterking en instandhouding van hun Joodse identiteit. De diensten ingaande Jom Kippoer, uitgaande Jom Kippoer, het blazen op de sjofar. Zal het doorgang kunnen vinden dit jaar? Ik voel me de depressieve kant opgaan. Maar, zeg ik dan tegen mezelf, kop op. Waar klaag je over? En als jij het niet meer ziet zitten, hoe komt dat over? Je bent opperrabbijn, voorbeeldfunctie, gedraag je ernaar! In je toespraken roep je mensen op om steeds G’d met vreugde te dienen. Klopt! En dus, zeg ik tegen mezelf, stop met het negatieve gezeur tegen jezelf en kijk hoe mooi de afgelopen sjabbat was verlopen. Geen sjoeldienst in onze prachtige synagoge in de binnenstad, maar wel een nieuwe stevige professionele tent in onze tuin. Onze synagoge is een probleem. Niet de 1½ m. Het wekelijkse aantal bezoekers vormt (helaas!) geen probleem, hoewel dat wel met de Hoge Feestdagen (hopelijk!) een probleem gaat opleveren. Neen, het probleem zit hem in de ventilatie. Nou kan dat ventilatieprobleem eenvoudig worden opgelost door ramen en deuren te openen, maar dan lopen we op tegen het veiligheidsprobleem. Waar de kerken alleen van doen hebben met de 1½ m. en de ventilatie, zitten wij met veiligheid. Open ramen en deuren is belachelijk als je als Joodse gemeente voor kapitalen aan kogelvrij glas hebt geïnvesteerd. Maar de synagoge gesloten houden is natuurlijk ook weer niet de bedoeling. In onze tuin hebben we nu twee stevige wind en weer bestendige tenten staan met perfecte natuurlijke ventilatie. En daar houden we nu onze diensten. Maar dat is een surrogaatoplossing. Veiligheid speelt hier veel minder omdat mijn huis en dus ook mijn tuin zeer goed beveiligd zijn. Alles uiteraard in overleg met politie die geen oogje, enkelvoud, in het (tent)zeil houdt, maar meerdere ogen! Bij deze: dank aan mijn politie! Maar waarvoor we moeten waken is interne spanning. Niet dus alleen in mijzelf, maar binnen de gemeenschap. Wel dienst, geen dienst? Is het verantwoord om op de sjofar – ramshoorn te blazen in de synagoge of moeten we dit uitsluitend in de tuin van de synagoge doen? Minimumaantal sjofarklanken of gewoon als andere jaren alle honderd klanken? Aan het uiteinde van de sjofar een mondkapje? Moeten we strikter zijn dan RIVM of niet vromer dan de paus? Al dit soort discussies, die af en toe ontaarden in felle discussies en interne spanningen veroorzaken, zijn onnodige en ongewenste neveneffecten van de hele coronatoestand. En natuurlijk word ik hierin ook weer meegesleept. Want wees ervan doordrongen dat er altijd vriendjes zijn die waar mogelijk toeslaan. U kent het wel: “hoofd boven het maaiveld.”  Moet ik me dan gedeisd houden? Zwijgen? Niet van me laten horen? In de luwte blijven? Dan krijg ik te horen: Jacobs doet niets. En dus blijf ik actief. Bewust heb ik vandaag even niet te veel nagedacht over de grote gebeurtenissen in de grote wereld.  Wie zal beter zijn voor Israël: Trump of Biden?  Is het historische vredesverdrag tussen Israël en de Emiraten inderdaad zo historisch, er was toch al vrede met Egypte en Jordanië? En hoe zit het met het diepgewortelde anti-Israël gevoel, is dat nu plotseling verdwenen? Aan een voormalig Opperrabbijn van Israël werd eens gevraagd wanneer hij vrede met de Israel omringende landen verwacht. Zijn antwoord was kernachtig en to the point: zolang er in de schoolboeken in de Arabische landen haat wordt gekweekt tegen Joden en tegen Israël, zal geen duurzame vrede mogelijk zijn.

Ik heb me even beperkt vandaag tot gewoon het telefoontje naar de bejaarde mevrouw Pompstock en gewoon met haar even gekletst over Hollandse koetjes en kalfjes. Eenzaamheid doorbreken, gewoon even aandacht. Op de verkiezingsuitslag in de VS heb ik toch geen invloed. En ook Netanyahu gaat niet bij mij te rade. Maar aan die eenzaamheid bij de hoogbejaarde mevrouw Pompstock kan ik wel wat doen, hoewel zij daarmee haar in de oorlog vermoorde man en kinderen natuurlijk niet terugkrijgt.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

36 Joden bestaan alleen nog in het mapje ‘Iran’ op mijn computer

Twee bestuurders van een van mijn Gemeenten kwamen op bezoek om iets te bespreken. Omdat het onderwerp voor iemand een plezierige verrassing moet zijn, kan ik dus niet aangeven wat dat ‘iets’ inhoudt. Uiteraard zaten we om corona-technische reden in onze tuin, ontworpen en onderhouden door mijn Blouma. Een klein paradijsje in het hectische leven van een rabbijn. (Ik bedoel dus de tuin….) 

Van het een komt het ander en Blouma toont een speciaal tafelkleed uit Iran dat wij ooit cadeau hebben gekregen, omdat ik iemand heb mogen en vooral kunnen helpen via mijn netwerk. Netwerken zijn leuk. Recepties, acte de préséance geven, vooraan zitten, foto’s, maar vooral: netwerken zijn nuttig en zijn er om te gebruiken! Door dat tafelkleed kwam bij mij Iran weer opborrelen in mijn herinnering en ik begon spontaan te vertellen, misschien wel omdat het precies op de dag af 9 jaar geleden is dat ik een VIP-ontvangst had geregeld op een van onze ministeries om hulp te bieden aan een groep Joden die in Iran in grote nood verkeerden.

Van de ene gedachte komt de andere boven: Een telefoontje van bekende advocaat. Een probleem waarbij mijn hulp noodzakelijk is. De advocaat en ik zijn tegenpolen van elkaar. Hij is van de harde aanpak, ik niet. Als mensen kwaad op hem zijn, is hij tevreden. Ik kan daar niet zo goed tegen. Maar juist die karakterverschillen maken het dat wij vaak heel veel mooie zaken samen mochten oplossen. Mochten? Momenteel zijn we weer samen iets aan het regelen. Hij de felle jurist, ik de aantrekkelijke verpakking.

Maar in het geval van het telefoontje lag de nadruk niet zozeer op onze samenwerking, maar op mijn zorgvuldig opgebouwde netwerk. Op Schiphol was een man gearresteerd met een vals paspoort. Hij zou ten hoogste twee weken in het gevang kunnen belanden en dan zou de KLM, die toen nog volledig in de lucht was, hem naar zijn land van herkomst moeten terugsturen. In dit geval: Iran. Wat speelde hier? De man, zeventig jaar oud, was geboren en getogen in Iran. Daar had deze rijke zakenman ook nog steeds vele panden, hoewel hij inmiddels met kinderen en kleinkinderen in Israël woonde. Maar om zijn Iraanse nationaliteit niet kwijt te raken en daardoor al zijn onroerend goed in Teheran te verliezen, heeft hij de Israëlische nationaliteit nooit aangenomen en zijn Iraanse paspoort behouden.

In 2002, als ik me goed herinner, was zijn Iraanse paspoort verlopen en in Israël was er nog geen consulaat van de Iraanse Republiek, zelfs niet in Jeruzalem. En dus probeerde hij in verschillende landen op het consulaat van Iran een nieuw paspoort te krijgen. Overal werd hij weggestuurd omdat hij niet woonachtig was in het land waar dat consulaat gevestigd was. Uiteindelijk, vlak voor de datum dat het paspoort verliep, vond hij een consulaat dat bereid was om hem, voor veel geld, een nieuw paspoort te geven. Vanaf 2002 tot 2008 reisde hij hiermee de wereld rond, totdat hij in 2008 Nederland wilde binnenkomen en hij werd gearresteerd omdat zijn paspoort vals was. Het probleem was niet dat hij veroordeeld zou worden en twee weken de cel zou indraaien. Neen, probleem was de serieuze dreiging dat hij na de twee weken detentie per KLM teruggestuurd zou worden naar Iran. Hoe de ontvangst van deze Joodse Israëliër in Iran zou zijn, laat zich raden. En dus werd ik ingeschakeld door deze advocaat. 

Het was vrijdagmiddag, een paar uur voor sjabbat. Ik bel een contactpersoon uit mijn netwerk waarvan ik denk dat hij hierin iets kan betekenen. Hij zal er meteen achteraangaan en inderdaad, een paar minuten na sjabbat, inmiddels diep in de nacht, belt hij terug: “Binyomin, maak je geen zorgen. Het komt goed!” En het kwam goed, want de daaropvolgende maandag werd door de rechter asiel aangeboden. En mocht hij daarin niet geïnteresseerd zijn, dan zal de marechaussee hem op het vliegtuig zetten naar een land van zijn keuze. Maar naar één land mogen ze de zakenman niet terugsturen: Iran. Ik mocht een schakeltje zijn in de redding van één mens.

Ja, met Iran heb ik nog een succes geboekt. Een bruid, al meer dan 13 jaar in de USA woonachtig, maar afkomstig uit Iran, wil zo graag dat haar moeder bij haar choepa-bruiloft aanwezig zal zijn. Maar de moeder kan in Iran geen visum krijgen voor de USA. Ook daar heb ik iets mogen betekenen. Als dank heb ik dat tafelkleed gekregen dat bij mij Iran weer in mijn gedachten bracht. Twee successen. Maar in een andere kwestie waar het tientallen levens betrof en waarin ik wederom een heel klein schakeltje had kunnen zijn, mislukte het volledig. Mijn netwerk deed het prima. Buitenlandse Zaken deed meer dan ze konden, maar toch liep het mis en verdwenen zesendertig gevangengenomen Iraanse Joden in het duistere gat der vergetelheid. Alleen hun namen en het vermoedelijke adres van hun gevangenis zit nog ergens in het mapje ‘Iran’ op mijn computer.

En ondertussen wordt er nauwelijks, gewoon hier in ons eigen landje, aandacht besteed aan de bekladding van een viaduct in Wildervanksterdallen. “Arbeit macht Frei”. “Verboden voor Joden”. Het is wel onleesbaar gemaakt. De racistische tekst is visueel verdwenen, maar het onderliggende antisemitische probleem niet. Waarschijnlijk waren de daders jongeren of verward……….

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks. 

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Reprimande van ministerie voor Nederlandse consul die duizenden Joden redde

Gisteren waren we fruitplukken met de kleinkinderen uit Almere en daarna een bezoek aan het Israël Product Centrum in Nijkerk. Een week eerder hadden we hetzelfde uitstapje gemaakt met onze kleinkinderen uit Londen. Er is daar, in Nijkerk, een imposante tentoonstelling, speciaal gericht op de jeugd van het Basis Onderwijs, over verzetsstrijders die met gevaar voor eigen leven Joodse medeburgers ondergedoken hadden of anderzijds zich hebben ingezet om o.a. mijn moeder te redden.

De oorlog komt daar voor mij erg dichtbij. Ik denk daar aan de mensen in Friesland die mijn ouders en ik in mijn kinderjaren regelmatig bezochten. Duikouders van mijn moeder. Zonder die mensen zou mijn moeder de oorlog niet hebben overleefd. De naam Wiersma komt in mij op. Hij was de politieagent uit Boskoop die aan het hoofd stond van de verzetsbeweging die voor mijn moeder en mijn oom en voor vele vele anderen de onderduikplaatsen regelde. Ik heb me voorgenomen om mijn enige nog in leven zijnde tante namen en adressen te vragen. Misschien weet zij die nog. En dan nazaten opsporen en hun vertellen dat ik leef dankzij hun ouders/grootouders/overgrootouders.

Na gezellig fruitplukken in Putten op de plukboerderij, naar Nijkerk, verre van gezellig. En toch neem ik mijn kleinkinderen mee. Ik wil dat ze weten dat ondanks het opkomend antisemitisme er ook goede niet-joden waren aan wie wij en zij ook hun leven te danken hebben. Jan Zwartendijk, de medewerker van het consulaat der Nederlanden die duizenden Joden in Litouwen voorzien heeft van een stempel waarmee ze naar de Nederlandse Antillen konden reizen en de hel van de nazi’s ontvluchten. Zijn zoon Piet heb ik mogen ontmoeten enige jaren geleden in Brussel op de ambassade van Litouwen waar zijn vader en de consul van Japan, Sugihara, die al die Joden een doorreisvisum verleende, geëerd werden.

Zwartendijk heeft na de oorlog van het ministerie van Binnenlandse Zaken een reprimande gekregen want wat hij had gedaan (tussen de 3000-10.000 Joden het leven gered!) was niet conform de wettelijke regels, illegaal. Sic! En ook de Japanse consul Sugihara is gestraft voor zijn illegale doorreisvisa. In Brussel waren zoon Piet Zwartendijk en de kleindochter van Sugihara aanwezig. Ik herinner me dat ik die kleindochter, een volwassen vrouw, wel wilde omhelzen om haar te danken. Mijn kleinkinderen moeten weten dat er ondanks de Holocaust, ondanks het opkomend antisemitisme, er ook niet-joden waren die ons gered hebben. De tentoonstelling is niet eng, maar wel confronterend. Misschien voor mij wel meer als voor mijn kleinkinderen.

Terug naar het nu. Rabbijn Mendel uit Mariupol heeft financiële steun nodig om een andere locatie te krijgen voor zijn synagoge annex Joods Centrum. Na de aanslag van enige weken geleden is hij bang. En terecht. De synagoge staat op een plaats die niet te beveiligen valt, ondanks de beveiliger die voor de deur staat. En hoewel het Mendel en zijn vrouw niet ontbreekt aan Godsvertrouwen is er een belangrijke regel in de Halaga -de Joodse wet- dat we niet mogen vertrouwen op wonderen. En dus mag ik meedenken hoe we dit nieuwe complex financieel van de grond kunnen krijgen.

Het gaat lukken want in de Joodse wereld staat tsedaka hoog in het vaandel. Tsedaka zouden wij in het Nederlands liefdadigheid noemen. Maar de letterlijke vertaling van tsedaka is niet liefdadigheid, maar gerechtigheid. De arme man of vrouw heeft recht op mijn financiële steun, het komt hem toe. Want de rijkdom die ik bezit is een zegen van Boven. En ik heb die zegen uitsluitend gekregen om er anderen mee te helpen. Dit nog even los van de Joods wettelijke verplichting dat iedere Jood verplicht is om minstens tien procent van zijn inkomen aan tsedaka te geven. Maar ook vanuit de niet-joodse achterban, speciaal vanuit de christelijke hoek, verwacht ik bijdragen.

Ik werd vandaag met nog een vraag om financiële steun geconfronteerd. Een van mijn Joodse Gemeenten was benaderd door een man die, naar zijn zeggen, in grote financiële nood zit. Het bestuur weet geen raad met dit verzoek en wendt zich dus tot hun geestelijk leider met een puur niet-geestelijke vraag: moeten we dit materiele verzoek wel of niet honoreren? Natuurlijk moeten we ieder medemens in nood bijstaan, maar de vraag is vaak of je iemand helpt door hem geld te geven of dat het wellicht beter is om hem geld te lenen, ook als je weet dat hij die lening niet kan terugbetalen. Door een lening te geven moedig je hem namelijk aan om te werken en niet uitsluitend van de bedelstaf te leven. Als je de medemens middels een lening (weer) in het arbeidsproces kan krijgen, dan heb je een veel betere daad verricht dan als je hem uitsluitend cash zou hebben gegeven.

Maar in dit specifieke geval is het nog iets ingewikkelder. De man schrijft aan de Joodse Gemeente dat hij in het buitenland woonachtig was, gescheiden is van zijn wettige echtgenote, voor zijn ex moest vluchten, dat hij zeer orthodox is, inwoont bij zijn moeder, wellicht Nederland wordt uitgezet en een vriendin heeft en een baby. Natuurlijk moeten we zo’n man helpen, maar de vraag is waarmee. De eerste vraag die in mij opwelt en mij een nare bijsmaak geeft is: Waarom benadrukt hij dat hij orthodox is? En waarom ontvluchtte hij zijn ex? Moet hij wellicht alimentatie betalen? Meent hij daarmee dan extra recht te hebben op financiële ondersteuning van de Joodse Gemeente? En als hij dan zo orthodox is, waarom woont hij in een dorp waar geen Joodse Gemeente is? En sinds wanneer woont een orthodoxe Jood samen zonder burgerlijk en religieus huwelijk? Ik ga ervan uit dat hij niet wettelijk is getrouwd, omdat hij spreekt over zijn vriendin en niet over zijn echtgenote! Misschien is hij niet officieel gehuwd omdat hij nog niet is gescheiden van zijn (eerste) vrouw. Vraagtekens, vraagtekens, vraagtekens.

En ondertussen zet hij goedwillende vrijwillige bestuurders van de kleine Joodse Gemeente onder morele druk. En dus mag ik ertussen springen en neem ik het op mijn rabbinale schouders om deze man met zijn warrige verhaal vooral geen financiële steun te bieden uit de tsedaka-kas van de Joodse Gemeente. We zien wel hoe hij gaat reageren. Ik zal de goedwillende bestuurders steunen, want hij zal ze niet zo snel met rust laten als hij een afwijzing zal ontvangen. Hij zal morele druk uitoefenen en niet iedereen is daartegen opgewassen.

Morgen is de eerste van de maand Elloel, de maand voorafgaande aan Rosj Hasjana, Joodse Nieuwjaar. Er wordt dan op de sjofar, de ramshoorn, geblazen als voorbereiding voor de Hoge Feestdagen. Vandaag heb ik al even een enkele toon geblazen om te oefenen. Lukte prima, ik heb een gezonde blaas……….

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

 

 

 

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Schrijf nooit iets op als je geïrriteerd bent

Een telefoontje uit Zevenaar. Om een lang verhaal kort te maken. Er was daar ooit een kaasfabriek gevestigd en die verkochten ook koosjere kaas. Via Facebook “Joodse Geschiedenis in Nederland” kwamen ze aan mijn adres. De historicus, die de kaasfabriek vanuit historisch perspectief bestudeert, had uitgevonden dat er eens per maand een korte man met zijn zus met de auto naar Zevenaar kwamen om die kaas op te kopen. De zuster reed de auto, want haar broer was kennelijk wel de kaaskunst meester, maar beheerste niet de rijkunst.

En nu is dus die historicus aan het uitvissen wie die korte Joodse man met zus kan zijn geweest, zo’n 60 jaar geleden. En dus komt hij uit bij de rabbijn. En terecht, want het was bijna meteen bingo! Dat moet Kaas-Kohn zijn geweest met zijn zuster. Zij woonden ergens in de buurt van de Wielingenstraat in Amsterdam Zuid, vlakbij de plaats waar nu de Nieuwe RAI zo’n 60 jaar geleden is verrezen. Hij was een soort groothandelaar in kaas en ik herinner mij dat we af en toe bij hem de kaas kochten en dat de opbergruimte waar de kaas lag opgeslagen niet een koeling was. Neen, de kaas lag altijd onder zijn bed in zijn slaapkamer.

Overigens wilde de historicus ook weten of er nog nazaten bestonden van Kaas-Kohn, zoals de heer Kohn in de wandelgangen werd genoemd. En inderdaad kon ik hem het adres van zijn zoon geven die een koosjere groothandel heeft in Londen. En raadt eens wat zijn voornaamste handelsproduct is? Inderdaad: kaas. Overigens vroeg ik mezelf wel af hoe mijn dagboek terechtgekomen is op de Facebookpagina van Joodse Geschiedenis in Nederland. Maar als 70+ moet ik dat maar zonder te veel nadenken gewoon aanvaarden.

Wat ik niet aanvaard is de onderstaande reactie die ik ontving op mijn dagboek van een paar dagen geleden:
“Met veel belangstelling volg ik uw dagboeken. Helaas nu met een bijsmaak, sinds u schreef over de persoon met een Joodse opa. Van mijn vader ken ik de verhalen over de afwijzing die hij regelmatig ervaren heeft als zijnde ‘Vader-Jood’. Zelf werd ik als kind voor Jood, of Jodenjong uitgemaakt, terwijl ik niet wist waarom, de buurt blijkbaar wel…, waardoor er Joods of niet, toch een zekere verwevenheid met het Jodendom is ontstaan in onze identiteit. Natuurlijk zou er vandaag de dag, geen Joods volk bestaan, zonder dit principe, ‘alleen Joods via de moeder’. Wij zijn, Zionistisch ingestelde bastaarden (Heidenen? Samaritanen?) mijn vader, broer, oom en nichtjes, als kleine kudde, overgebleven van 79 naar Auschwitz en Sobibor, weggevoerde familieleden, inschikkelijk, we doen een stapje terug voor het ‘hogere doel’, maar auw! Best pijnlijk dat zo duidelijk door u onder de neus gewreven te krijgen, met ook de venijnigheid waarmee u het schreef, dat wou ik u toch even gezegd hebben… Als bastaarden en heidenen, maar net zo goed 2e en 3e generatie, hebben ook wij de klap van de zweep tot aan de dag van vandaag gevoeld, graag uw begrip daarvoor, we zijn niet besmettelijk en nog steeds geschapen naar Gods beeld, net als u.…”

Oeps, was mijn primaire spontane en geschrokken reactie.

Meteen ben ik het betreffende dagboek gaan herlezen, een keer, twee keer. Ik begrijp dat iemand de vertaalslag heeft gemaakt, maar het staat er niet en bovendien weet ik van mezelf dat ik zoiets bots ook nooit zou schrijven. En dus heb ik meteen een email gestuurd met het verzoek mij te bellen of als de schrijver mij zijn telefoonnummer geeft, bel ik hem. Binnen enkele minuten hadden we elkaar aan de lijn. Ik ben begonnen met een onvoorwaardelijk excuus en daarna als toevoeging dat mijn geïrriteerde passage uit het betreffende dagboek betrekking had op de dwangmatigheid waarmee het verzoek werd gedaan aan mij om aan een mij onbekende man een rabbinale verklaring af te geven. Hij klaagde over de Israëlische Overheid omdat hij jaarlijks een leges moest betalen voor een verblijfsvergunning omdat hij kennelijk in Israël woonachtig was. Mijn geïrriteerdheid, aan het digitale papier toevertrouwd, had helemaal niets te maken met de vraag of de persoon in kwestie wel of niet conform de halaga -de Joodse wet- als Jood werd beschouwd.

We hebben een heel fijn gesprek gehad, over en weer excuus aangeboden. Ja, als zoon van een Joodse vader en een niet-Joodse moeder voelde hij zich tussen wal en schip. Ik begrijp dat erg goed, probeer ook waar ik kan tot steun te zijn in dit soort lastige situaties. Maar laat ik heel duidelijk zijn: Voor de buitenwereld is mijnheer Cohen, ook als alleen zijn bet-bet-overgrootvader Joods zou zijn geweest, nog steeds een Jood en heeft hij evenveel te lijden van antisemitisme als ik. En dus: waar mogelijk zal ik hem helpen en voor zijn belangen opkomen.

De les voor mij: 1: raak nooit geïrriteerd. 2: schrijf nooit iets op als je geïrriteerd bent. Boosheid is een slechte eigenschap, staat halagisch bezien op het niveau van afgodendienst. En zelfs als je bewering goed bedoeld was en er geen spijker tussen te krijgen is: boosheid zal altijd een negatieve uitwerking hebben, en dat moet ik niet willen! En raadt eens wat: gelijk ik nu mijn spijt betuig via dit dagboek, na het al persoonlijk telefonisch gedaan te hebben, ontving ik ook voor de tweede keer een excuus e-mail van de ‘tegenpartij’. Ons contact had een vervelend begin, maar van ‘tegenpartij’ is nu helemaal geen sprake meer. We zijn onuitgesproken vrienden geworden!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Dagboek van een opperrabbijn 18 augustus 2020. Er is zoveel dat ik niet begrijp…

Mijn schoolvriendje van de lagere school die ik een paar maanden geleden na bijna zestig jaar weer heb ontmoet, plaatste een kritische opmerking. Hij kreeg het gevoel dat ik hem benaderde als rabbijn en niet als vriendje. En die opmerking zette mij aan het denken over de vraag: Wie ben ik? En alras kwam ik tot de conclusie dat ik ook in het privéleven rabbijn ben en dat rabbijn ook mijn privéleven is. Recentelijk maakte een collega van mij verschil tussen zijn persoonlijke mening en zijn rabbinale visie. Dat onderscheid werd niet echt geaccepteerd. Neem bijvoorbeeld de professionele entourage van het Sinai Centrum, waarin ik meer dan 40 jaar mocht werken. Voor iedereen was het duidelijk dat een psychiater soms geen dienst heeft. Dan was hij gewoonweg niet bereikbaar, ook niet voor een spoedgeval, want hij heeft vrij. Maar van mij werd 24/7 verwacht, want een rabbijn heeft geen baan. Een baan zit gekoppeld aan een dienst. Je werkt van 9:00 – 17:00 uur en uiteraard heb je een vijfdaagse werkweek, dat is algemeen aanvaard. Maar een rabbijn hoort er altijd te zijn, ook buiten diensttijd. De reden: hij heeft geen dienst, want hij heeft geen baan. Voor mijn gevoel ben ik werkeloos en word ik door de gemeenschap onderhouden. Vandaar ook dat er voor mij geen verschil bestaat tussen voor en na de pensioengerechtigde leeftijd. Sterker nog: na mijn 65ste is het voor mij nog duidelijker dat ik werkeloos ben, zonder baan, maar wel 24/7 beschikbaar. Waarbij uiteraard als kanttekening dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de 24/6 en die ene 24/1=de sjabbat. Dit wat betreft de uren. Maar wat met de inhoud? In de Joodse filosofie wordt uitgelegd dat alles van Boven komt en dat het aan de mens is om al hetgeen op zijn weg komt te gebruiken om Hem te dienen. Met andere woorden: met al hetgeen ik op mijn levensweg ontmoet, moet ik iets doen. In een valkuil moet ik niet vallen en als iemand in nood aanklopt is het aan mij om te helpen en de hulpvraag niet te negeren. En dus was ik vorige week een avond naar Baarlo. De cateraar die jaarlijks in Beekbergen gedurende de gehele zomer orthodox-Joodse gasten heeft uit Engeland, België, Israel, Zwitserland, USA zag zijn zomerseizoen volledig uitvallen. Een weekje was hij nog open in Baarlo. En omdat ikzelf liever niet vanwege corona tussen zijn gasten wilde vertoeven, ben ik gewoon een paar keer heen en weer gereden. Waarom dat? Omdat zijn gasten willen dat het eten 100% koosjer is. En hoewel de cateraar zelf echt niet iets zal doen met de maaltijden dat ritueel ongeoorloofd is, is hij natuurlijk partijdig. Het is denkbaar dat hij te soepel omgaat met de wetten van kasjroeth. En dus moet hij als het ware gedekt zijn met een soort Joods religieus rabbinaal KEMA-keur. En dat ben ik. Wat ik hieraan verdien? Niets dus. Want als ik eraan zou verdienen dan ben ik weer partijdig. Maar stiekem verdien ik er toch wel aan. Ik vind het namelijk fijn om het te mogen doen. Ik houd iedere ochtend na het ochtendgebed een korte predicatie. Ik heb hiermee in de loop der decennia een bekendheid opgebouwd in de orthodox-Joodse internationale wereld, wat dan weer gebruikt kan worden voor andere aangelegenheden. Maar dit jaar dus waren de zes weken gereduceerd tot een krappe zes dagen. En de normaal meer dan tweehonderd gasten overstegen dit keer de twintig nauwelijks. Het is zoals het is. Uiteindelijk komt dus alles van Boven en is het aan ons om ermee om te gaan. Wat er nu wel is bijgekomen: choepot. Een choepa is een bruiloft. Choepot is de meervoudsvorm. In datzelfde Hotel in Baarlo heeft een choepa plaatsgevonden en binnenkort weer een. Ik leg uit: het schijnt dat in België de beperkingen voor een huwelijksfeest net iets strikter zijn of waren (want de coronaregels veranderen naar mijn gevoel per dag) als in Nederland. En dus is een bruiloft uitgeweken, een paar weken geleden, naar Baarlo en is er vooralsnog een choepa in aantocht. Op zichzelf heeft die Belgische choepa met mij niet van doen. maar: omdat het zich afspeelt binnen mijn rabbinale ressort zorg ik er wel voor, uiteraard na collegiaal overleg, dat de choepa ook bij ons wordt geregistreerd en dat de religieuze inzegening voorafgegaan is door een burgerlijk huwelijk, conform de Nederlandse wet. In Israel is de religieuze huwelijksvoltrekking tevens de burgerlijke. Maar in Nederland zijn dat twee aparte aangelegenheden. Ik ben uiteraard voor een religieuze inzegening en voor een burgerlijke administratieve vastlegging. Het instituut huwelijk mag geen wankel gebouw zijn, niet administratief en niet religieus. Maar wat ik niet kan vatten is: van de burgerlijke wet is het toegestaan om zonder enige vorm van binding samen te wonen al dan niet langdurig, aan partnerruil te doen, pornografie te bekijken, prostitutie is toegestaan…..Maar als ik een choepa geef zonder burgerlijk huwelijk vooraf ben ik strafbaar. Maar ja, denk ik dan, er is zoveel dat ik niet begrijp…….

 

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail