dagboek van de opperrabbijn 30 maart 2026

Dagboek van de Opperrabbijn, 30 maart 2026
Donderdag jl. was ik aanwezig in de ambtswoning van de Israëlische ambassadeur vanwege het afscheid van Arjan Lont als honorair-consul van Israel voor de noordelijke provincies van Nederland. Maar het klopt niet helemaal, zijn vertrek, want Lont moge dan officieel afscheid hebben genomen, zijn strijd voor Israel, tegen antizionisme en tegen antisemitisme gaat gewoon door en wellicht met nog meer overgave (haast niet voorstelbaar!). Nou had ik hem willen toespreken bij die receptie, maar soms is zwijgen verstandiger dan spreken, speciaal als er al een aantal toespraken zijn geweest en mensen ook met elkaar willen spreken. Maar, toch was er min of meer wel een toespraak van mij. De scheidende honorair-consul vermeldde namelijk uitgebreid in zijn toespraak onze bijzondere verhouding en bracht in herinnering een toespraak van mij van zo’n tien jaar geleden bij een reünie van nazaten van… Ja, van wie weet ik niet meer en ik denk dat ook Lont dat was vergeten. Maar mijn toespraak aan het graf van die voorouder van een paar honderd Joodse bijeengekomen nazaten, herinnerde hij zich nog wel. Dat wil zeggen, de inhoud was hij kwijt, maar de grap die ik ter inleiding vertelde was hem bijgebleven. Of mij dat een goed of een minder goed gevoel moet geven, weet ik even niet.
Een dominee spreekt aan het graf van een overledene en eindigt zijn toespraak met het leggen van honderd euro op de baar en spreekt daarbij de wens uit dat de overledene dit bedrag in het leven na het aardse bestaan zal kunnen gebruiken. De pastoor spreekt ook een treurrede uit en geeft de overledene ook honderd euro mee voor het toekomstige bestaan. Daarna komt de rabbijn. Ook hij spreekt over het vele goede dat de overledene heeft verricht tijdens zijn aardse bestaan, zegt ook honderd euro toe, schrijft een check uit van driehonderd euro, legt die check op de grafkist en neemt de tweehonderd van de pastoor en de dominee als wisselgeld. Wel grap, geen grap: onze geweldige verhouding werd voor alle aanwezigen meer dan duidelijk.
Woensdag was ik ook al in Den Haag. Maar nu niet voor een afscheid, maar voor een première: de eerste Loe de Jong-lezing. Door de coördinator antisemitismebestrijding, Eddo Verdoner, en zijn team, was een hele dag georganiseerd met workshops over de bestrijding van antisemitisme. En aan het eind van de middag, ter afsluiting, was er een soort gala-receptie met een inloop en een uitloop (heet dat zo?) met als hoogtepunt de eerste Loe de Jong-lezing, uitgesproken door Adriaan van Dis. Een geweldige spreker, voorzien van een indrukwekkende feitenkennis, die de toehoorder geboeid liet luisteren. Onderwerp was uiteraard antisemitisme en het conflict in het Midden-Oosten. Wat ik jammer vond was dat hij voor mijn gevoel te neutraal sprak en daardoor de noodzaak dat Israel vecht om te overleven en de tegenstanders uit zijn op de vernietiging van Israel en oproepen tot Jodenhaat in de gehele wereld, niet voldoende werd benadrukt. Maar de bijeenkomst en de Loe de Jong-Lezing waren in z’n geheel buitengewoon succesvol, zeker ook voor mii persoonlijk. Er bestond ruim de gelegenheid om te ontmoeten, netwerken, nieuwe contacten maken, oude contacten versterken. Ik heb daar een Islamitische wethouder uit Schiedam ontmoet en een Islamitische wethoudster (heet dit zo?) uit nota bene Amersfoort, mijn woonplaats. We gaan kijken hoe we bruggen kunnen bouwen. Met deze twee en met mij zal er aan weerskanten een kade zijn, dus is overbrugging denkbaar en kan er op z’n minst gepoogd worden om die brug, zelfs als het maar een fragile bruggetje zal zijn, van de grond te krijgen.
Sjabbat hadden we een moeder met haar twee kinderen te logeren. Het was een fijne sjabbat en mooi te zien hoe dit gezin dat woonachtig is in een plaats waar ze naar alle waarschijnlijkheid de enige Joden zijn, toch heel bewust en religieus met hun Jodendom bezig zijn. Knap! Maar nog knapper: beide kinderen gaan het komende schooljaar hun huidige middelbare school verlaten en hun verdere opleiding aan het Maimonides-Lyceum in Amsterdam vervolgen. Geweldig, maar ook triest, want hun openbare huidige school verlaten ze vanwege antisemitisch gepest! Welkom bij het door onze Overheid gesubsidieerde onderwijs. Waar is de Inspectie?? Of valt dit onder vrijheid van meningsuiting of misschien vrijheid van godsdienst?
Een jongere collega benaderde mij met de vraag over een vrouw van middelbare leeftijd die meent Joods te zijn omdat de moeder van haar moeder via de moederslijn via haar bet, bet, betovergrootmoeder Joods zou zijn. Een van haar voorouders heette Schenker en dat zou een verbastering zijn van Schonker, een Joodse familienaam. Weer een andere familienaam was Rast, en dat zou Kats zijn geweest. Bovendien zou een DNA test ook haar Joodse afkomst gedeeltelijk aantonen. Deze vrouw heeft een uitgebreide stamboom gestuurd met daarop haar bewijzen. Omdat al haar voorouders uit dezelfde stad kwamen en ik toevallig met die stad al vele jaren bemoeienis heb, heb ik contact opgenomen met de historicus die alle inns en outs kent van de Joden uit die plaats en er zelfs een boek over heeft geschreven. En zie hier zijn reactie:
Dit verhaal rammelt aan alle kanten. Het is een zeer verwarrend en historisch gezien uitermate zwak en onbetrouwbaar. Alles wordt er bijgehaald. En veel namen en beweringen zijn onjuist. Het lijkt alsof er gebruik is gemaakt van AI (kunstmatige intelligentie). Dit verhaal overtuigt totaal niet. Ook de feiten met betrekking tot de Joodse geschiedenis van deze stad kloppen niet. Het verhaal van de familie Schenker gaat naar mijn overtuiging uit van ongefundamenteerde veronderstellingen en aannames.
Ik zal haar uitnodigen voor een gesprek en kijken hoe en of ik haar kan helpen, want wel of niet Joods: hulp heeft ze nodig!
Pesach staat voor de deur, woensdagavond de eerste Seideravond. Per e-mail en ook telefonisch word ik benaderd met vragen over wat wel en wat niet gekasjerd kan worden. Mensen met speciale diëten zoeken vervanging voor matses. Hoe groot moet de beker zijn voor de vier bekers wijn? Is eigen gemaakte wijn van rozijnen ook goed voor de vier bekers? En waar kan ik een seiderviering bijwonen?
Mooi dat zovelen Pesach niet zomaar voorbij laten gaan. Maar ook heerst er bezorgdheid. Is het verantwoord om dit jaar een gezamenlijke Seider te vieren? En zullen de IDF-soldaten dit jaar überhaupt thuis de Seider kunnen vieren? We weten het niet en kunnen slechts bidden-dawenen dat er spoedig een einde zal komen aan de oorlog en aan de tientallen andere oorlogen op onze soms onbegrijpelijke aardbol.
De matses, de vier bekers wijn, de maror, de charoseth, het leunen als teken van vrijheid. Het is weliswaar geen oorlogswapen, maar ligt wel ten grondslag aan het overleven van het Joodse volk, want het traditionele Jodendom is het geheim van ons bestaan. Am Jisrael Chaj- we leven en overleven, ondanks Iran, Houties en allerlei soorten Hamas.
Het Joodse volk wordt gezien in onze heilige geschriften als een lichaam met ledematen, bloedvaten, organen, spieren. In een lichaam is alles met elkaar verbonden, op elkaar van invloed en op elkaar afgestemd.
De matses die wij dit jaar eten en de wijn die wij drinken, ons samenzijn, ons samen eten, ons samen zingen en vertellen, is niet alleen van belang voor de versterking van onze eigen identiteit, ons eigen Jood-zijn, onze nesjomme, maar het heeft ook invloed op onze soldaten die op de fronten vechten voor het voortbestaan van de Staat Israel en dus ook voor het overleven van de Joden, waar ook ter wereld.
Namens Blouma en mij:
Een koosjere Pesach en Lesjana Haba’a Bieroesjalajim, met de komst van de ultieme sjalom voor alle volkeren van Uw aarde.

Dagboek van de opperrabbijn 25 maart 2026

Er is de laatste dagen zoveel opeenvolgend gebeurd, dat ik letterlijk mijn agenda moest gaan raadplegen om te kijken wanneer wat zich precies afspeelde, want in mijn gedachten is alles door mekaar gaan lopen. Mijn vorige dagboek heb ik grotendeels zondag geschreven in het vliegtuig van Amsterdam naar Belgrado en maandagmiddag mocht ik alweer voet op vaderlandse bodem zetten. Waarvoor ik in Servië moest zijn had ik al aangegeven in mijn vorige dagboek en gezien het me meer en meer duidelijk wordt dat de meeste van mijn trouwe dagboekeniers mij van dagboek naar dagboek volgen, ga ik de reden van mijn flitsbezoek aan Servië niet nogmaals uit de doeken doen om doublures te voorkomen. Nog in Belgrado zijnde ontving ik maandagochtend in de zeer vroege uurtjes een whatsapp van mijn zoon uit Londen waarin hij mij liet weten dat vier van zijn ambulances in brand waren gestoken en dat de Metropolitan Police spreekt van een antisemitisch haatmisdrijf. Onze zoon woont in de traditioneel door veel Joden bewoonde wijk Golders Green in het noorden van de Britse hoofdstad. Met zijn ambulances bedoel ik de ambulances van de Joodse vrijwilligersorganisatie Hatzola, waarvoor hij, met nog zo’n veertig anderen, als vrijwilliger geheel belangeloos 24/7 inzetbaar is. Ik dus meteen naar Londen gebeld met de vraag hoe ze financieel die vier ambulances gaan vervangen, maar die vraag werd nog voor ik hem had kunnen stellen afgewimpeld. Geld, zo gaf mijn zoon aan, is van later zorg. Wat nu? Van hun zeven ambulances waren er nog maar drie over. Wat als ze dadelijk meer dan drie nodig hebben… dat was zijn primaire zorg!
Toen we gingen landen en verzocht werden om onze stoelriemen vast te maken, schrok ik wakker en moest ik even diep nadenken om me te oriënteren. Was ik op de heen- of op de terugweg en waarheen en vanwaar ook alweer. Zoals u zeker bekend is, zijn de Christenen voor Israel, ondanks de barre omstandigheden, nog steeds keihard bezig in Oekraïne met hun ‘Breng de Joden thuis’. En dus onder het mom van dit motto werd ik afgehaald door een van de vrijwilligers van Christenen voor Israel en was ik om vier uur ’s middags weer thuis, terug van weggeweest. De meeste tijd ging naar binnen- en buitenlandse e-mails en telefoontjes over de aanslagen in Luik, bij de Rotterdamse synagoge, het Cheider en nu dus ook de Londense ambulances. Mensen zijn bezorgd. Wanneer zal het ophouden? Kan de geweldspiraal nog stoppen? Kan de geest nog terug in de fles? Allemaal vragen die zinloos zijn. Kan dit? Kan dat? Alertheid is geboden, maar groter maken dan het is, is ongezond. Am Jisraeel Chaj – het Joodse volk leeft en overleeft, daarvan mogen we doordrongen zijn.
En om de daad bij het woord te voegen had ik maandagavond een aanstaand bruidspaar op bezoek om hun choepa te bespreken. Geweldig toch! Am Jisraeel Chaj.
Waar een ‘normale’ rabbijn deze dagen non-stop met de komende Pesach bezig is, gaat mijn meeste tijd naar het gezeur rondom geestelijke en fysieke beveiliging. En dus kreeg ik dinsdag bezoek uit de hogere politiekringen die vanuit het veld, dat ben ik dus, direct wilden vernemen hoe het gaat met Joods-Nederland. Overigens kreeg ik maandagmiddag, een half uur na mijn thuis-landing, uitgebreid bezoek van onze wijkagent. Dat voelde goed. Speciaal nadat ik n.a.v. een online interview was bekogeld met de meest afschuwelijke verwensingen waarvan de journalist me deelgenoot had gemaakt. Nou ja, ook weer niet helemaal deelgenoot. Want, zo liet hij me weten, hij was drie uur bezig geweest om vervloekingen en bedreigingen van het allerlaagste allooi te verwijderen. Zoveel haat had hij niet verwacht.
En toen mochten we vereerd worden met de vijf vrijwillige bestuursleden van een fonds dat als doel heeft: Joods Nederland tot steun te zijn en niet te potten. Er schijnen vele fondsen binnen Joods Nederland te bestaan die zich voornamelijk inzetten om het fonds in stand te houden omwille van het fonds. Dit fonds dus helemaal niet en daarom kwamen ze bij ons, bij Blouma en mij. Hoe kunnen ze de gelden zo effectief mogelijk inzetten en ook hoe het kaf van het koren te scheiden. Want overal, en dus zelfs in Joods Nederland, bestaat er kaf en koren! Het was inmiddels al over tienen en langzaam toog ik richting bed. De volgende ochtend, vandaag dus, om elf uur, zo las ik nu in mijn agenda, werd ik verwacht in een bekend Wegrestaurant aan de A1. Een tweegesprek voor een van onze landelijke dagbladen. Rabbijn van de Kamp en ondergetekende kregen een tiental stellingen voorgelegd en werden daarover bevraagd. De bedoeling was uiteraard niet dat we met elkaar zouden instemmen en eensluidende meningen verkondigen en dat gebeurde dan ook niet. Waar van de Kamp erg gelooft in het gesprek met de Moslimgemeenschap en ervan overtuigd is dat dat mogelijk is, zit ik er kritischer in. Ik wil dolgraag bruggen bouwen, doe, naar ik meen, erg mijn best, maar een brug vereist aan weerskanten een kade.
En terwijl we een boeiend en interessant gesprek voerden, in dat Wegrestaurant aan de A1, kwam een medewerker ons vertellen dat het niet was toegestaan om te fotograferen. Ons gezelschap bestond uit twee Joods-ogende rabbijnen, twee journalisten en een fotograaf. Die fotograaf fotografeerde uitsluitend ons beiden met als achtergrond een muur die geen enkel beeld vertoonde dat de locatie herkenbaar maakte. De journalisten antwoordden dat ze daags vooraf een tafel hadden gereserveerd en toestemming hadden gevraagd om te fotograferen. De medewerker reageerde daarop nauwelijks tot niet en wilde de foto’s zien die genomen waren. Die kreeg ze te zien en, na nogmaals duidelijk gesteld te hebben dat er niet gefotografeerd mocht worden, verliet ze ons tafeltje. Inmiddels was de fotograaf vertrokken en kwam de manager van het Wegrestaurant aan de A1 ons vragen of we hadden gefotografeerd en dat dat niet was toegestaan… Ons interview ging over antisemitisme in ons land. Dit fotografie-tafereel vormde voor mij een prachtige illustratie. Na afloop van het gesprek heb ik me tot de receptie van het Wegrestaurant aan de A1 gewend en aangegeven dat ik de bewuste manager wilde spreken. Hij kwam meteen opdagen en begreep mijn ongenoegen, mijn zorg, maar, zo gaf hij mij aan, hij had een bericht gekregen van de medewerker die ons in eerste instantie had gesommeerd om te stoppen met fotograferen, had de twee Joods-ogende rabbijnen nog helemaal niet gezien en wist dus niet dat het iets met Joden van doen had. Ik ben zo vrij geweest hem uit te leggen dat Joodse gezelschappen bijna geen zalen meer kunnen huren en dat het antisemitisme weelderig bloeit. Hij verzekerde mij dat dit bij hem niet speelde. Hij begeleidde mij naar mijn auto terwijl hij nogmaals zijn excuus aanbood. Ik geloof hem, ben nog niet overtuigd van de goede bedoeling van zijn medewerker, maar mijn negatieve beoordeling van hem, de manager, was onterecht. Niet achter iedere boom staat een antisemiet. Ik voelde me een beetje richting rabbijn van de Kamp nijgen, maar het interview was al geweest.
Ik word dadelijk afgehaald om naar Den Haag te gaan al waar de eerste Lou de Jong-lezing wordt gehouden. Ik ben benieuwd maar weet op voorhand dat het een goede en belangrijke avond zal worden omdat Eddo Verdoner, de nationaal coördinator antisemitisme bestrijding, het heeft georganiseerd en mij persoonlijk heeft uitgenodigd.

Dagboek van de opperrabbijn 22 maart 2026

“Geachte mevrouw de burgemeester, amice, Graag laat ik u weten dat ik de aanvraag voor een onderscheiding voor de heer Willy Lindwer van harte ondersteun. Hij heeft in de afgelopen decennia essentiële bijdragen geleverd aan het levend houden en levend maken van de herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland, in woord, in geschrift, in film en in daad, en met een bijzondere overgave, deskundigheid en betrokkenheid. Toeval bestaat niet en het is dan ook geen coïncidentie dat ik deze aanbevelingsbrief schrijf op de dag dat dadelijk, als het buiten al donker is, de acht lichtjes van de Menora zullen worden aangestoken. De heer Lindwer en ik kennen elkaar al meer dan 50 jaar! En daarom kan ik getuigen dat de persoon Lindwer, los van al zijn erkenningen, documentaires, etc. etc. het best vergeleken kan worden met de Menora. Zijn Jood-zijn, zijn familiegeschiedenis en de oorlog waren 24 /7 bij hem aanwezig. Gelijk Chanoeka herinnert aan de strijd die de Joden moesten voeren tegen een gigantische kwaadwillende overmacht, zo ook heeft Lindwer de jaren ’40–’45 zoveel mogelijk zichtbaar gemaakt. Maar ook heeft hij de zuivere vlammetjes die de eeuwen wisten te trotseren via diverse gremia laten stralen en uit de duisternis van de vergetelheid weten te halen. Juist in deze periode van opkomend antisemitisme is de toekenning van een hoge onderscheiding aan een Joodse man die als een Menora probeert de duisternis te verdrijven door juist de herinnering ook aan de duisternis te benadrukken, van groot belang. Niet alleen voor de persoon Lindwer, maar voor Joods Amsterdam, voor Joods Nederland.” En vrijdag jl. was het dan zover en kreeg Willy de Andreaspenning uitgereikt door de locoburgemeester van Amsterdam. Helaas was Femke Halsema verhinderd, jammer, maar ze werd goed vervangen hoewel ze eigenlijk mijns inziens onvervangbaar was bij deze plechtigheid in hartje voormalige Jodenbuurt. Ik was nog nauwelijks thuis of ik ontving uit het Frieslandse een indrukwekkende bede uit de christelijke Friese samenleving: Laat de sabbat vreugde, bescherming , troost en kracht schenken aan onze Opperrabbijn en aan alle rabbijnen die de Joodse gemeenschap in deze donkere nacht moeten dragen, aan Gerard Cohen, voorzitter van de Joods gemeente Friesland en aan allen om hem heen, aan de gekozen Joodse gemeenteraadsleden die in een vaak vijandige sfeer moeten werken en leiding proberen te geven, aan Joodse docenten op scholen en universiteiten die zich veelal in de steek gelaten voelen en eenzaam zijn en aan middenstanders die producten uit Israël verkopen…
Het is fijn bovenstaand spontane gebed te hebben ontvangen, dat steunt. En die steun kon ik net goed gebruiken want bij hoge uitzondering was ik ook gaan kijken naar reacties op mijn vorige dagboek. De meeste waren positief, en dat geeft de dagboek-schrijvende-burger moed, maar er was ook een sloot en wel bijna een oceaan aan haatdragend discriminerende antisemitische reacties.
Via het secretariaat van een van mijn vele Joodse Gemeenten binnen ons Inter Provinciale Opper Rabbinaat kwam ik in contact met een journalist die bezig was met een studie/verslag van de Joodse populatie in Europa. Dat de journalist geen groot kenner bleek te zijn van de EU en nog bijzonder eigenwijs ook, werd al snel duidelijk want zij bleef hardnekkig volhouden dat Kopenhagen de hoofdstad is van Nederland. Toen we eindelijk ter zake konden gaan spreken en ze inmiddels had aanvaard dat in Nederland niet alle Joden waren gered en koningin Wilhelmina niet demonstatief met een Jodenster liep, heb ik haar uitgelegd dat de geschiedenis van Anne Frank geen zwart-wit verhaal is en de les die door sommigen uit Anne Frank wordt getrokken dat alle moffen fout waren en alle Nederlanders goed, niet klopt. Maar (gelukkig?) leefde ze niet in die veronderstelling, want: ze had nog nooit van Anne Frank gehoord! Het is dat ik wist dat ik sprak met een onderzoeksjournalist uit de Verenigde Staten, anders had ik zomaar kunnen denken dat ik een nieuwe Nederlander sprak die nog geen inburgeringscursus had gevolgd!
Achteroverleunend in mijn vliegtuigstoel ben ik nu dit dagboek aan het schrijven. Ik vlieg naar Servië (en de piloot hopelijk ook!) voor minder dan 24 uur. Dat wil zeggen van vertrek uit Amsterdam tot terug in Amsterdam is iets meer dan een etmaal. En wat mag ik daar nou weer doen? Vanuit de RCE, Rabbinical Center of Europe, ben ik gevraagd om twee jongere rabbijnen te helpen met een echtpaar dat beweert Joods te zijn, maar bewijzen en aanwijzingen schijnen te ontbreken. Maar waarom zou iemand beweren Joods te zijn als ze dat niet zijn, hoor ik u vragen. En mijn antwoord is: geen idee! Maar, recentelijk heb ik van een paar kandidaten kunnen aantonen dat ze professioneel creatief met de waarheid weten om te gaan en proberen op sluwe wijze onze Joodse gemeenschap te penetreren, wellicht met kwade bedoelingen. Als iemand aangeeft piloot te zijn geweest in het leger van Irak en daar diende als piloot van een apache helikopter maar niet (meer?) weet hoe zo’n toestel werkt, dan is dat op z’n zachts uitgedrukt vreemd. En zo kan ik nog wel een paar dagboeken vullen met niet-joden die beweren Joods te zijn met bewijzen die aantoonbaar niet kloppen. En daarom even naar Servië en van een vraagteken echtpaar kunnen bewijzen dat zij niet behoren tot de penetranten, maar beiden Halagisch Joods zijn. Iedereen blij: het echtpaar, de rabbijn, het bestuur van de desbetreffende Joodse Gemeente en ik natuurlijk ook.

Toen ik het vliegtuig vanochtend uitkwam, kwam een Nederlandse man naast me lopen en complimenteerde mij dat ik niet bang was en gewoon met zwarte hoed, baard en tsietsiet uit mijn broek hangend, dus volledig zichtbaar Joods, rondliep en mijn Joodse identiteit van geen kant probeerde te verbergen. Het inspireerde hem.
Aanstaande sjabbat is het sjabbat hagadol – de grote sjabbat. Op de tiende van de maand Nisan moesten de Joden een lammetje in huis nemen, het slachten en het bloed aan hun deurposten smeren zodat God zou zien waar Joden woonden en daar zou de tiende plaag, het sterven van de eerstgeborenen, geen grip krijgen. Het lammetje was de afgod van de Egyptenaren en toen de Egyptenaren aan de Joden vroegen waarom ze hun afgod in hun huizen namen, hebben de Joden onverschrokken geantwoord dat ze het lammetje zullen offeren. Vervolgens zijn de Egyptische eerstgeborenen een burgeroorlog begonnen omdat zij de bui al zagen hangen. Ze vreesden voor hun leven omdat de Farao weigerde de Joden te laten gaan en de Farao daarmee dus de facto hun doodvonnis tekende. Maar, zo wordt de vraag gesteld, wat heeft die interne oorlog te maken met de Joden? Welk voordeel hadden zij hiervan? Ze konden Egypte niet eerder verlaten, het slavenbestaan behoorde al een half jaar tot de verleden tijd, de interne strijd was een Egyptisch gebeuren en had met ons Joden niets van doen. Maar: doordat de Joden een afgod in huis namen en de afgod veranderden in een heilig Pesach-offer, van kwaad maakten ze goed, duisternis veranderden ze in licht, hierdoor hebben zij ongewild de Egyptische samenleving beïnvloed en is de burgeroorlog uitgebroken.

De les: door zichtbaar als Joden te leven beïnvloeden we, vaak zonder dat we dat beseffen, de brede samenleving. En dat is een belangrijke taak die we hebben. We doen niet aan zending en missie, maar een positieve bijdrage aan de ons omringende samenleving is zeker een Joodse verplichting.

Dagboek van de opperrabbijn 18 maart 2026

“Wat moet het moeilijk zijn dat je in een land leeft (waar vroeger zoveel ruimte was voor onze Joodse naaste) waar zó met jullie wordt omgegaan. Waar zo met jullie wordt omgegaan, omdat men ten diepste niet weet waar het om draait, en maar seculiere media/sociale media volgt, die volledig eenzijdig is. De haat en de afkeer die jullie moeten voelen; niet, als Jood herkenbaar, veilig over straat te kunnen gaan. Het is het antisemitisme in haar grondhouding, ten diepste geen ruimte hebben voor het bestaan van de Jood en zijn godsdienst. Ik bewonder de moed en stellingname van u: niet gaan, maar blijven. Maar makkelijker wordt het er niet op, helaas. In Nederland hoort gewoon een Joodse gemeenschap, anders zijn wij niet compleet!! Weet dat we jullie niet vergeten. We bidden de God van Abraham, Izak en Jakob dat Hij de woorden uit Numeri 6:24-26 wil waarheid laten zijn voor u allen”
“Geachte opperrabbijn, beste Binyomin, Vandaag was de Nederlandse RK Bisschoppenvergadering in Den Bosch bijeen voor haar maandelijkse vergadering. Wij hebben een verklaring naar buiten gebracht n.a.v. van de aanslagen op Joodse instellingen. Inmiddels is deze verklaring geplaatst op de website van onze RK Kerkprovincie en in elk geval reeds op die van ons Aartsbisdom Utrecht. Ook de andere bisdommen hebben dat gedaan of zullen dat doen. De verklaring wordt breed verspreid. Hopelijk is deze de Joodse gemeenschap in ons land tot steun! Met vriendelijke groet, Herman W. Woorts”
Bovenstaande twee van de vele bemoedigende e-mails die ik de laatste dagen mocht en mag ontvangen. En weet u wat? Het geeft een erg fijn gevoel, het bemoedigt inderdaad. Vele van dit soort e-mails komen uit de christelijke hoek. Maar ook uit seculiere kringen komen er bemoedigende teksten, telefoontje van ‘mijn’ burgemeester en van de landelijke en lokale politie en politiek. Die spreken niet over bidden, want daarin geloven ze niet en halen geen teksten aan uit de Bijbel, maar toch is hun medeleven en begrip echt welgemeend.
De ontvangst door minister-president Jetten en minister van Justitie en Veiligheid (en van eredienst!) van Weel werd door mij ervaren als bijzonder positief en ondersteunend. Nu dus afwachten waartoe het gaat leiden, maar ik merkte warmte, begrip en medeleven. Ze zullen ons zeker niet in de kou laten staan. Hoewel ik dus een positieve beleving had in ontvangstzaal, de Blauwe Zaal, zal er uiteraard ook kritiek komen. Kritiek op onze minister-president en op onze minister van Justitie en Veiligheid en zeker ook op mijn persoon vanwege mijn opstelling die door menigeen gezien zal worden als naïef en wellicht ook nog ‘ernstig verwijtbaar’. Zij die mijn dagboeken volgen weten dat waar het mijns inziens nodig is, ik redelijk fel kan zijn. Mocht u eraan twijfelen, kijk dan maar even naar de voorganger van dit dagboek en zie!
Ik ben nu rustig aan het bijkomen in de lounge van het vliegveld van Stockholm in afwachting van mijn terugvlucht. Maandagavond heengevlogen en nu, woensdagmiddag, weer terug, nog net op tijd, hopelijk, om te kunnen stemmen. Ik was dus gisteren en eergisteren in Stockholm voor de conferentie van de EJA, de European Jewish Association. Het was goed om leiders van Europese Joodse gemeenten te ontmoeten en te vernemen hoe bij allen het antisemitisme bloeit en groeit, maar ook heeft binnen dat kader toch ieder land zijn eigen specifieke aanpak nodig afhankelijk van lokale en nationale overheden. Wat we allen wel gemeen hadden was educatie, educatie, educatie. Educatie naar onze eigen gemeenschap om onszelf sterk te kunnen blijven houden en vanuit vreugde de Eeuwige te blijven dienen. Maar ook educatie naar de omringende samenleving die weinig tot geen inzicht heeft in Joden, Israël, Holocaust. En onbekendheid en onbegrip, met alle gevolgen van dien, liggen in elkaars verlengde en zijn bijna synoniemen, gelijk antisemitisme en antizionisme.
Maar los van het bespreken van het antisemitisme: Stockholm heeft een gigantisch gemeenschapshuis waarin een koosjere supermarkt, scholen, restaurant, onderwijs en ook een sjoel. Het was opvallend dat de sjoel een ouderwetse en antieke aankleding had, dit in tegenstelling tot het hele gebouw dat een en al moderniteit uitstraalt. Ik waande me in een asjkenazische sjoel van voor de oorlog. En bij navraag bleek dat niet zo vreemd. Het interieur was afkomstig uit Hamburg. Tijdens de Kristallnacht was de sjoel onopgemerkt gebleven omdat de sjoel zich op een bovenverdieping bevond. Na de oorlog zijn alle banken, de Thora-kast, de Thora-rollen, de stoel voor de rabbijn en de biema, de plaats van waar af uit de Thora wordt voorgelezen, overgebracht naar Stockholm en is de oude Hamburger sjoel dadelijks in gebruik! Een mooier monument is niet denkbaar. Op die plaats op dinsdag en op woensdag het ochtendgebed te kunnen uitspreken was bijzonder en emotioneel.
Dat Zweden en überhaupt heel Scandinavië niet tot bekend terrein voor mij zijn, bleek wel toen ik een echtpaar ‘even’ naar me toe liet komen in Stockholm. Ze woonden in Noorwegen op de grens met Zweden ter hoogte van Göteborg. In mijn gedachten was dat zoiets als Den Haag – Amsterdam. De echtgenote van de rabbijn van Göteborg had een Joodse vrouw ontmoet die ook Joods was gehuwd. Alleen waren er geen papieren die zijn Jood-zijn konden bewijzen. En omdat ik toch in Stockholm was en mij dus was gevraagd om de man te ontmoeten, vroeg ik haar om de man en zijn echtgenote gisteren bij mij te laten komen. En aldus geschiedde. Ze kwamen. Maar de afstand van hun woonplaats naar Stockholm was, buiten het spitsuur, zes uur rijden. Gelukkig heb ik ze kunnen helpen en waren ze innig dankbaar en gelukkig. Dat was maar goed ook, want anders had ik me helemaal schuldig gevoeld. Scandinavische topografie was nooit mijn sterkste vak! Lees even hun reactie: “Thank you for giving us so much of your time and attention. In all the excitement we forgot about tzedakah. Please forgive us – we would like to give tzedakah in your name for the cause of your choice. Thank you so much again”
Maar er was nog iets dat indruk op me maakte: een van de sjoelbezoekers kwam naar me toe toen het bekend was geworden dat ik uit Nederland afkomstig ben. Hij had mijn voorganger gekend, opperrabbijn Eliëzer Berlinger. Opperrabbijn Berlinger was in de oorlog rabbijn in Malmö, wist hij mij te vertellen, en onder zijn leiding zijn ingaande Jom Kippoer de Deense Joden in bootjes vanuit het bezette Denemarken overgebracht naar het neutrale Zweden, Malmö. Maar los van die Jom Kippoer-Berlinger geschiedenis: deze man was getrouwd met de kleindochter van opperrabbijn Berlinger! Mijn eerste jaren rabbijn-in-Nederland kwamen plotseling weer helemaal boven in mijn geheugen. Berlinger was de eerste jaren nogal tegen mij, maar na zes jaar vroeg hij me toch als assistent en opvolger. De reden? Hij zag dat ik niet achteroverleunend invulling gaf aan mijn rabbinale-taak. En hoewel ik niet, gelijk Berlinger, het spoorboekje uit m’n hoofd kende, crosste ik wel per auto Nederland door om ook de Joden die erg ver weg wonen er juist bij te betrekken. En inmiddels is het niet alleen meer crossen, maar ook vliegen. Maar pas op, Binyomin, zeg ik tegen mezelf, pas op dat je met beide beentjes op de grond blijft, want daar ligt je taak.
We landen over tien minuten. Ik word gelukkig afgehaald, want ik ben bekaf. Morgen een vrij lege agenda, alleen ’s middags mijn sjioer-cursus ‘diepgang’. Maar vrijdag wordt pittig en volgende week ga ik weer de lucht in om een dag later weer terug te vliegen. Wat ben ik toch een gezegend mens dat ik anderen mag helpen!

Dagboek van de opperrabbijn 15 maart 2026

Door de TELEGRAAF werd ik als volgt geciteerd na de aanslag op de sjoel van Rotterdam: Opperrabbijn Binyomin Jacobs roept naar aanleiding van de brandstichting op om alert te zijn, maar te waken voor paniek. „We moeten vertrouwen op onze overheid en politie, die echt niet van antisemitisme beticht kunnen worden. En we moeten ons niet laten opjutten door allerlei online-berichten.” Maar toen was de aanslag op het Cheider nog niet geschied en vraag ik me nu dus af of mijnerzijds nog steeds dezelfde reactie van kracht is of moet ik toch oproepen om… Maar na uitgaande sjabbat de zeer vele e-mails en whatsapps te hebben gelezen, allen uitsluitend vol bemoediging, op sjabbat de volle sjoel en, na afloop, de prachtige Kiddoesj ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van een van onze meest fanatieke antisemitisme bestrijdsters te hebben bezocht, is mijn conclusie duidelijk: mijn inzicht is niet veranderd. Wat er hopelijk wel veranderd is, is de opstelling van de Overheid ten opzichte van de piepkleine resten van wat eens een Joodse Gemeenschap was van honderdveertigduizend zielen.
Maar pas op, een overbelichting van dat piepkleine groepje Joden, kan ook averechts werken! Zo volgde ik een uitzending van Nieuws van de Dag over de vraag of handhavers-boa’s wel of geen hoofddoekjes mogen dragen tijdens het uitoefenen van hun functie. Claire Martens (lid van de Tweede Kamer voor de VVD) is de stellige mening toegedaan dat ook de 25.000 boa’s neutraliteit dienen uit te stralen, gelijk de politie. Omdat de link naar deze uitzending mij was toegezonden met het nadrukkelijke verzoek om mijn persoonlijke mening kenbaar te maken, heb ik goed en aandachtig gekeken en geluisterd. Maar in plaats van mezelf een mening gevormd te hebben over wel of geen hoofddoekje, trof mij iets anders. Verschillende keren wordt er gesproken over het dragen van een hoofddoek of een keppel. Keppel? Hoeveel boa’s zijn er in Nederland die een keppel dragen??? Ik durf te beweren dat als ik het getal één noem, het al zwaar overdreven is. Waarom sleept mevrouw Martens de Joden erbij? We hebben al genoeg problemen zonder keppeltje! Ik ben ervan overtuigd dat ze er geen kwade bedoelingen mee had, maar toch.
En dan trof me nog iets. De politica geeft aan dat er een scheiding moet zijn tussen Kerk en Staat en tussen Moskee en Staat! Mevrouw Martens: als we spreken in het ABN, Algemeen Beschaafd Nederlands, over de scheiding tussen Kerk en Staat bedoelen we met het woord Kerk niet een bepaalde kerk, maar de betekenis van ‘Kerk’ is in dit verband ieder ‘gebedshuis’ ongeacht protestants, katholiek of welke godsdienst dan ook. Ik ben dan ook werkzaam als Joodse opperrabbijn bij het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, terwijl ik van geen kant christelijk ben en nooit naar de kerk ga! Door aan de Scheiding tussen Kerk en Staat een nieuwe betekenis te geven door naast Kerk ook te gaan spreken over Moskee, verkleint ze de Kerk tot een specifieke religie en verheft ze, onbedoeld, de Moskee tot een soort vertegenwoordiger van alle religies. Onbewust werkt ze mee met haar verkeerde taalgebruik aan de Islamisering van onze Nederlandse samenleving, terwijl ze juist met een hoofddoekjes-verbod dat probeert tegen te gaan. Jammer! Maar, als we dan toch ons aan het afvragen zijn wel of geen hoofddoekje bij boa’s en politie, wat gebeurt er in de wereld van geneeskunde? Als zo duidelijk oom of tante politie neutraliteit moet uitstralen omwille van de handhaving, waarom dan geen neutraliteit in ziekenhuizen omwille van de gezondheid? Pas op, want ik probeer mijn Nederlandse taal zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk te beheren.
Ik schrijf en benadruk hierbij het woord als, want ik heb mezelf nog geen mening gevormd over wel of geen hoofddoekje bij een functionaris in functie. Maar los van het hoofddoekje, hoort een vriendelijke, begripvolle en professionele opstelling bij boa’s, politie en ziekenhuis zelfs een keppeltje te overstijgen!
Ondertussen is mijn redelijk lege agenda voor morgen zich in (on?)-verwacht tempo aan het vullen met overleggen, optreden, een interview en een begrafenis en ben ik aan het regelen om me zo snel en veilig mogelijk te verplaatsen. U ziet, aan afwisseling geen gebrek.
Ik ga snel dit dagboek eindigen, maar niet na een Thora-gedachte met u te delen naar aanleiding van de Thora-voorlezing van gisteren-sjabbat en vanwege de actualiteit. Gisteren eindigden we het tweede boek van de Thora, Exodus. Dit tweede boek van de vijf boeken van Mozes wordt in de Joodse filosofie (Midrasj) genoemd als het boek dat de Uittocht uit Egypte (Exodus) beschrijft, ‘van duisternis naar licht’. Maar als we goed kijken wordt er voornamelijk gesproken over de slavernij, de duisternis, en niet over de Uittocht, het licht. En dat tweede boek eindigt met de woorden: dat de Eeuwige met hen was ‘op al hun reizen’. Maar met ‘al hun reizen’ wordt niet zozeer bedoeld dat ze onderweg waren, vertrokken, maar juist dat in alle plaatsen waar ze verbleven G’ds aanwezigheid zichtbaar en voelbaar was. En dan als ze ergens lang genoeg waren geweest, hun opdracht, vaak niet eens zichtbaar, hadden volbracht, dan trokken ze weer op naar de volgende rustplaats, om ook daar weer hun door Boven bepaalde opdracht uit te voeren.
We bevinden ons vandaag in een nare en gevaarlijke periode van hatelijk antisemitisme. Waarom? Wat is onze opdracht? Wat wil G’d van ons? Wat is Zijn bedoeling? Geen idee! Maar één ding is wel duidelijk: uiteindelijk komt alles van Boven, dienen we onze vijanden te bestrijden of, bij voorkeur, op andere gedachten te brengen door bruggen te bouwen en wederzijds respect te kweken. En dus moeten we ons hierop concentreren totdat er Boven is beslist dat we verder kunnen trekken, van duisternis naar licht.
En terwijl ik het woord ‘licht’ nog nauwelijks heb neergeschreven ontving ik de volgende whatsapp van onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Rianne Letschert: Beste Opperrabbijn, beste Binyomin. Heel veel sterkte, ik ben in gedachten bij jullie. Warme groet Rianne.

Dagboek van de opperrabbijn 11 maart 2026

Eergisteren was een vari?teitsdag. Om negen uur vertrokken naar Epe voor de herdenking van het tragische overlijden van Ds. Henk Vreekamp tien jaar geleden. Maar liefst tweehonderdtachtig theologen, familieleden en vrienden van Vreekamp vulden de Grote Kerk. Vreekamp was de grote Isra?l-kenner en bouwde een bijna onverwoestbare brug tussen christenen en Joden. Mij was verzocht om een van de sprekers te zijn en mijn band met Vreekamp in een toespraak/lezinkje van twintig minuten te delen met de aanwezigen. Normaliter zou ik dan een paar uur achter de computer moeten plaatsnemen om die twintig minuten aan het papier toe te vertrouwen. Helaas lukt me dat niet meer, misschien vanwege ouderdom of gewoon door gebrek aan tijd. Maar wat de oorzaak ook moge zijn, heb ik een manier van toespraken-voorbereiden ontwikkeld die qua tijd voordelig is, maar wel een beetje (onnodige) spanning geeft. Hoe ga ik te werk? Allereerst wordt ieder verzoek om voor iets of iemand een toespraak te houden serieus overwogen met de vraag: ben ik in staat om een zinnig woord te uiten over het voorgestelde onderwerp of de persoon die moet worden toegesproken. Als ik die vraag dan vrij snel voor mezelf heb beantwoord probeer ik erachter te komen wat de globale inhoud van mijn lezing of toespraak zou moeten zijn. Die globale inhoud of boodschap schrijf ik dan in mijn agenda middels drie of vier woorden. En dan sta ik, met die drie of vier woorden in mijn gedachten, voor de microfoon en begin mijn bijna spontane toespraak. En omdat een rabbijn, anders dan een radio, niet uitgezet kan worden en ik me volledig op mijn toespraak/lezing inhoudelijk concentreer en dus gevoel voor de klok kwijt ben, zorg ik er altijd voor dat er een wekker in de zaal zit op de eerste rij die een paar minuten voor het nog onbepaalde einde van mijn toespraak een seintje geeft, zodat ik aan de afronding kan beginnen. Heb ik Henk Vreekamp goed gekend? Goed niet, maar wel gekend. Over zijn leven, zo zag ik in het programma, zou voldoende worden gesproken en dus koos ik ervoor om niet zozeer over de persoon Ds. Henk Vreekamp zl. te spreken, maar over mezelf. Wat was zijn invloed op mijn leven? En dus heb ik, binnen de twintig minuten die mij waren gegeven, de positie van Vreekamp beschreven ten opzichte van de Joodse gemeenschap. Verbinden zonder het in Joodse kringen bekende ‘sjmaddertje onder het gras’. Voor mijn niet-Joodse dagboekeniers: sjmadden betekent bekeren. Wat dan de betekenis is van dat beruchte ‘sjmaddertje onder het gras’ mag u zelf uitdokteren. De twintig minuten kwamen luid en duidelijk over. Vreekamp was een bruggenbouwer die de kloof tussen Joden en christenen voor een zeer groot percentage heeft weten te overbruggen. Ik voelde me meer dan welkom en bijna thuis in Epe bij de vrienden van Vreekamp, onze vrienden.
En toen voor de afwisseling en om saaiheid te voorkomen: Schiphol. Hoewel de rabbijnen conferentie al om 13:00 uur was begonnen, kwam ik pas om 19:00 uur aan in Berlijn vanwege Epe. Honderdvijftig Europese rabbijnen waren bijeengekomen om te spreken over kasjroet. Hoewel de drie organisatoren, die in Jeruzalem woonachtig zijn, er alle drie waren, was de grote afwezige de Opperrabbijn van Isra?l. Hij had zeker willen komen maar ‘het luchtruim van het Midden-Oosten’ ontnam hem de mogelijkheid. Of ik hem nu wel of niet verving of dat mij als Binyomin Jacobs twee plaatsen op de sprekerslijst waren toebedeeld was mij niet duidelijk. Dat ik bij het galadiner moest spreken was mij bijtijds medegedeeld, maar dat ik ook in de Bundestage namens het bestuur van de RCE (Rabbinical Center of Europe) tien minuten aan het woord zou komen, was nieuw voor mij. Nog net voor de vergadering had ik een verbale ontmoeting met de RCE-conferentie-Berlijn organisatoren die mij lieten weten dat ik vooraan zal zitten. Over wel of geen toespraak werd niets vermeld en dus keek ik naar de maandagochtend uit, gewoon achteroverleunend, om aan de conferentie deel te nemen als toehoorder en anderen te horen spreken. Uiteindelijk heb ik dinsdagmiddag in de Bundestag gesproken, totaal onvoorbereid, en ’s avonds bij het Galadiner ook nog eens. Mijn boodschap was duidelijk: de Europese rabbijnen hebben de opdracht ervoor te zorgen dat het Europese Jodendom groeit en op z’n minst behouden blijft, ondanks het opkomend antisemitisme. Aan chantage, ook psychische, mag niet en nooit worden toegegeven. Alertheid, ja. Angst, niet en nooit. En natuurlijk mag ieder mens, ook iedere Jood, zelf beslissen om vrijwillig te verhuizen. Mijn ouders zaten in de jaren ’40-’45 gevangen, alle grenzen zaten voor hen op slot, geen kant konden ze op. Nu bestaat er een Staat Isra?l.
De conferentie ging over kasjroet, maar niet over het gewone dagelijkse, maar over de huidige complexiteit, speciaal in fabrieken. Vruchtensappen waaraan ongeoorloofd druivensap is toegevoegd, aroma’s van onbekende samenstelling en niet te vergeten de kleurstoffen. Koelkasten die een alarm laten horen als de deur te lang open staat. Is het toegestaan om de deur te sluiten? Maar, naast de studiesessies, de leerzame panels, waren er wandelgangen. En juist in die wandelgangen vinden de kennismakingen plaats, worden de visitekaartjes uitgewisseld en de rabbinale banden gelegd of verstevigd.
Bij het Galadiner waren zestien Europese ambassadeurs aanwezig. Iedere ambassadeur zat aan de tafel met zijn of haar vlag en met de rabbijnen uit zijn of haar land. En zo heb ik kennisgemaakt met de Nederlandse ambassadeur in Duitsland, mevr. Hester Somsen, die tot voor kort de deputy-plaatsvervanger was van de recentelijk gepensioneerde Nationaal Co?rdinator Terrorismebestrijding en Veiligheid Pieter-Jaap Aalbersberg. En gezien Aalbersberg een meer dan goede kennis van mij is uit inmiddels lang vervlogen tijden, hadden de ambassadeur en ik meteen een onverwachte band die hopelijk voor de toekomst vruchten zal afwerpen.
De conferentie is, nu ik de laatste regels van dit dagboek aan het schrijven ben, een kwartier geleden gesloten. Alle rabbijnen gaan terug naar hun eigen rabbinaat, terug vaak naar de rabbinale eenzaamheid, omringd door hun Joodse gemeenschap. Berlijn heeft laten zien en horen, door de Berlijnse burgemeester, dat vanuit een onbeschrijfelijke duisternis ook een groot licht kan ontstaan. Yudi Teichtel, de opperrabbijn van Berlijn, heeft een gigantisch gebouw neergezet, een bloeiende Joodse gemeenschap, vanuit zijn eigen gedrevenheid en met de onontbeerlijke steun van de lokale autoriteiten, waaronder zijn vriend de burgemeester van Berlijn. Ik ben trots op opperrabbijn Teichtel wiens schoonmoeder de volle nicht is van mijn Blouma.

dagboek van de opperrabbijn 8 maart 2026

De dag na Poerim heb ik rustig aan gedaan, dat wil zeggen bijgekomen van de Poerim party’s, heb ik e-mails beantwoord, bedankt aan allen die ons hadden bedacht om de mitswa van misjloach manot mee te vervullen, me verbaasd dat sommigen ons dit jaar hadden vergeten, telefoontjes gepleegd en. bijna 24/7 het nieuws in en rondom Isra?l gevolgd. Ik weet dat mijn nieuws-volgen weinig zinvol is, maar het houdt me desondanks voortdurend bezig. Maar ook als ik persoonlijk me er niet echt mee bezig zou willen houden, kan ik toch echt niet om die oorlog heen omdat de media Isra?l tot hoofdonderwerp hebben gemaakt en al het andere nieuws er slechts als een verpakking omheen zit.
Terwijl ik dit dagboek schrijf telt onze vredige aarde zo’n honderdtachtig brandhaarden. Dat duizenden en duizenden zwarte medemensen op dit moment in Afrika worden afgeslacht, verkracht en verminkt interesseert niemand. Waarover we ons wel regelmatig opwinden is over Zwarte Piet. Nog nooit ik heb bij het lachen om de stoute Zwarte Piet gedacht aan de onderdrukking van zwarte medemensen. Sterker nog, als tiener liet ik me begin december jarenlang schminken en was ik samen met Lexje, mijn vriendje van toentertijd, op de Anne Frankschool in de Niersstraat te Amsterdam de offici?le school-zwarte-piet. Overigens vind ik het bijna onbegrijpelijk dat niemand zich opwindt over Sinterklaas die zich zichtbaar schuldig maakt aan dierenmishandeling omdat hij al eeuwen op dat witte schimmel blijft zitten, zelfs op gevaarlijk hoge daken. Niemand die het opneemt voor dat witte schimmel en de witte schimmel-misbruiker aanpakt!
Maimonides leert ons: “Zoals iemand de opdracht heeft zijn vader te eren en hem met ontzag te behandelen, zo is hij ook verplicht zijn leraar te eren en hem met ontzag te behandelen.” Zoiets heet respect. Helaas is dat gewone reguliere ouderwetse respect nog nauwelijks aanwezig, zelfs niet na de taalzuivering van Zwarte Piet. Waarom ik dit plotseling te berde breng? Toen ik gisteren weer eens door een stelletje snotaapjes werd nageroepen belde ik meteen de wijkagent in de hoop dat hij in de buurt zou zijn en we de koe bij de horens zouden kunnen vatten en er een gesprek zou kunnen ontstaan tussen de Free-Palestine-snotaapjes en mij, met oom agent als gespreksleider. (Overigens al schrijvende vraag ik me af of onze taal niet ook gezuiverd moet worden van ‘de koe bij de horens vatten’, hetgeen geen diervriendelijke uitdrukking is.) en toen liep het mis! Op mijn mobieltje stonden twee telefoonnummers onder de kop ‘wijkagent’. De eerste nam niet op, maar de tweede wel, en die bleek een voormalige wijkagent te zijn die inmiddels elders in de politiewereld een baan had gekregen. Maar toen me dat duidelijk werd was het kwaad al geschied. ‘Mijnheer de agent, zojuist ben ik nageroepen door drie snotaapjes met free Palestine. Ziet u mogelijkheid om meteen te komen, als u toevallig in de buurt bent. Ik wil met ze spreken.’ De voormalige oom-wijkagent gaf me vermanend te kennen dat doordat ik die pro-Palestine knaapjes snotaapjes noemde er sprake was van discriminatie. Thuisgekomen ben ik meteen in het Woordenboek der Nederlandse taal gedoken, op Wikipedia gaan zoeken, vrienden en bekenden gaan bellen, maar snotaapjes werd nergens gekoppeld aan discriminatie. Voor mijn gevoel bestaan er zwarte, witte en zeker ook Joodse snotaapjes. Ik voelde me dus door oom agent absoluut niet gesteund en weer was mijn bruggen bouwende bedoeling mislukt. Op sjabbat kwam de echte oom wijkagent langs omdat hij had gezien dat ik hem vrijdag had gebeld, en ook hij zag geen discriminatie in mijn snotaapjes. Overigens om ieder misverstand te voorkomen: niets dan lof over de politie die dagelijks over mijn welzijn waakt. Hulde en dank! En ook mijn medeleven en mentale steun die jullie, oom en tante agent, helaas ook nodig hebben als ik zie, hoor en lees hoe respectloos jullie vaak worden bejegend.
Donderdagavond de eerste pro-Isra?l wandeling in Elburg. Een onverwacht grote opkomst. Geweldig te ervaren dat we ook echte vrienden hebben die pal achter ons Joden staan. De organisatie had niet meer dan vijf of zes deelnemers verwacht, maar die verwachting was met tientallen overschreden. Een grote groep Elburgers liep in het donker rond Elburg, zonder geschreeuw, zonder vlaggen, zonder leuzen, maar met waardigheid en godvrezendheid om te demonstreren tegen antisemitisme. Vertrekpunt synagoge-Elburg, eindpunt synagoge-Elburg. En al wandelend werd er een aantal keren gestopt en kregen we boeiende informatie van historicus en schrijver van ‘de Joden van Elburg’ Willem van Norel, over wat eens de Joodse Gemeente Elburg was. Er woonden in Elburg gedurende de oorlog twee NSB’ers, zo vertelde hij onder andere, die hadden te horen gekregen dat als zij verraad zouden plegen en Joodse onderduikers zouden aangeven aan de moffen, het niet goed met ze zou aflopen. De wandeling deed me goed, zoveel bemoediging, zoveel steun, zoveel liefde voor Joden en Isra?l. De snotaapjes was ik alweer helemaal vergeten en zelfs het doosje met ongebruikte tampons, dat in navolging van het bakje kwark in onze tuin was geslingerd, kon geen afbreuk meer doen aan mijn goede Elburg-gevoel. Overigens had ik die donderdagmiddag ook nog mijn tweewekelijkse sjioer online en in de ochtend een interview met cvandaag. Morgen, maandag, zal ik het interview ontvangen ter controle en daarna zal het online verschijnen.
En toen was het gisteren. Met onze kleindochter en haar man, die hier drie dagen zijn, naar Volendam voor de foto in klederdracht, om te voorkomen dat onze Nederlandse afkomst in de vergetelheid zou geraken. Daarna een wandelrondje Marken en natuurlijk voor Volendam-Marken een bezoek aan het Joods Museum, de Snoge, Joodse Schouwburg en het Holocaust-museum. En terwijl Blouma het jonge paartje (niets te maken met de witte schimmel waarover eerder geschreven!) in het Joods Cultureel Kwartier begeleidde, mocht ik een lezing geven in Amstelveen bij de Limmoed-dag. Onderwerp: is rabbijn een vak voor een nette Joodse jongen. Het antwoord is niet zo belangrijk, maar het was goed dat ik was gegaan, ik voelde me welkom en hoop dat mijn aanwezigheid, nog even los van mijn bijdrage, ook een gevoel van eenheid heeft gegeven aan de deelnemers die voor het grootste deel niet afkomstig waren uit de NIK-kringen.
Morgen, maandag, een lezing in Epe vanwege de tiende sterfdag van Ds. Vreekamp en dan naar Berlijn, deze keer niet met de auto maar gewoon vliegen.

Dagboek van de opperrabbijn 4 maart 2026

Uitgaande sjabbat kwamen we omstreeks 22:30 uur thuis na de sjabbat elders te hebben doorgebracht. Elders was dus Almere vanwege de bar-mitswa van het jongste Stiefeltje, waarover in mijn vorige dagboek uitvoerig geschreven als trotse opa Jacobs. De sjabbat was erg fijn, maar het thuiskomen aanzienlijk minder gezellig. Ons huis was beklad. Meteen de politie gebeld die ons sommeerde om vooral binnen te blijven, niets aan te raken omdat het onduidelijk was met welk wit spul ons raam en de voortuin waren besmeurd. Het zou zomaar giftig spul kunnen zijn. Binnen een mum van tijd was de politie ter plekke en naar ons toe niets dan vriendelijkheid en begrip. Gaf ons een enorm fijn gevoel. Na het uitlezen van de nodige vastgelegde beelden was het duidelijk wat voor soort Nederlanders gemeend hadden om ons te delen in hun vreugde vanwege het martelaarschap van hun geestelijk leider zaliger. En wat nu, dacht ik bij mezelf. Idee! Indertijd heeft het Hare Majesteit Koningin Beatrix behaagd om mij tot officier in de Orde van Oranje-Nassau te benoemen onder andere vanwege mijn inzet om bruggen te bouwen. En hier zag ik dus een unieke kans. Ik heb Blouma dringend verzocht om vooral de rotzooi niet te verwijderen en aan de Gemeente heb ik verzocht om een paar wijkbewoners uit te nodigen om met een bakje warm water en een sponsje in onze voortuin, zichtbaar voor alle passanten, te demonstreren dat we dit soort gore uitwassen niet accepteren. Het is inmiddels woensdagavond en we hebben de bekladding inmiddels zelf verwijderd. Jammer, een gemiste kans. Ik had de vrijwillige schoonmakers demonstratief van een kop koffie willen voorzien en daarbij ook nog een paar Hamansoren die we nog over hadden van Poerim. Ik heb inmiddels wel begrepen dat het bouwen van bruggen wel aan beide kanten een kade behoeft. Helaas moest ik constateren dat aan de Joodse kant een kade zat, maar aan de andere kant nog niet.
En toen het volgende: Een goede vriend van mij had een pakketje ontvangen uit Frankrijk, een of andere bestelling die zijn vrouw had gedaan bij een online bedrijf. Omdat het pakje te groot was voor de brievenbus werd het afgeleverd bij een afleverplaats die speciaal daarvoor is opgericht. Mijn vriendje komt daar maandagmiddag voorzien van QR-code die aan zijn pakje zat gekoppeld en sluit zich netjes aan in de geduldig wachtende rij pakjes-ophalers. En toen was het zijn beurt. “Sjosjanna Joosten, bent u dat? Neen, antwoordt mijn vriendje beleefd, dat is mijn vrouw. Is ze soms Joods want het is zo’n gekke naam? Ja, dat is ze. U ook soms?” en vervolgens wordt mijn vriend haarfijn uitgelegd door de pakjes-afleveraar dat het niet verbazingwekkend is dat Isra?l zich schuldig maakt aan genocide omdat ze 85-jaar geleden ook de Holocaust waren begonnen en het inmiddels wetenschappelijk is aangetoond dat Auschwitz nooit heeft bestaan.
En toch, helaas voor de bekladders en hun broertje de pakjes-afleveraar, heeft de Poerim-vreugde de nare gevoelens die ik had kunnen krijgen geen ruimte gegeven. Poerim was geweldig. Bewust zijn we op Poerim naar elders gegaan om elders, in Lelystad en in Almere, mee te feesten en ook om ze te bemoedigen. In Lelystad waar het Joodse leven nog maar net aan het beginnen is met de jonge rabbijn Shusterman en zijn even jonge echtgenote, waren tegen de zestig deelnemers komen opdagen. Niet gek, als tot voor kort er aan Joods leven totaal niets en niemand was. Hulde aan Shneur en Moessie! Voor het optreden van de goochelaar glipten Blouma en ik er stiekem tussenuit, op naar Almere. Daar werd ik met een loeiend applaus verwelkomd. Ook daar iedereen verkleed, een en al feest, muziek, dansen, Poerim-maaltijd! De bekladding en de pakjes-afleveraar was ik al bijna helemaal vergeten. Bijna, want ik wilde het gewoon vasthouden om het met u, mijn trouwe dagboekenier, te delen. Meer dan andere jaren droop de actualiteit van de Poerim-geschiedenis er af.
O ja, ik werd natuurlijk geacht om de feestende ietwat te vrolijk aangeslagen Poerim-vierders toe te spreken. Ik vraag dan ook uw aandacht voor een deel van mijn toespraak die eigenlijk meer te maken had met mijn taalkundig dagboekschrijven, dan met Poerim, maar Poerim staat alles op z’n kop, dus ook mijn toespraak die ik gekoppeld had aan mijn voornaamste taak in Almere, namelijk het verkopen van de loten en niet van de lotten.
Nederlands is moeilijk te leren, maar weten we ook waarom?

Men spreekt van ??n lot, en verschillende loten,
maar ’t meervoud van pot is natuurlijk geen poten.
Zo zegt men ook altijd ??n vat en twee vaten,
maar zult u ook zeggen: ??n kat en twee katen?
Laatst ging ik vliegen, dus zeg ik vloog,
maar zeg nou bij wiegen beslist niet: ik woog,
want woog is nog altijd afkomstig van wegen,
maar is dan ‘ik voog’ een vervoeging van vegen?

Wat hoort er bij ‘zoeken’? Jazeker, ik zocht,
en zegt u bij vloeken dus logisch: ik vlocht?
Welnee, beste mensen, want vlocht komt van vlechten.
En toch is ik ‘hocht’ niet afkomstig van hechten.
En bij lopen hoort liep, maar bij kopen geen kiep.
En evenmin zegt men bij slopen ‘ik sliep’.
Want sliep moet u weten, dat komt weer van slapen.
Maar fout is natuurlijk ‘ik riep’ bij het rapen.
Want riep komt van roepen. Ik hoop dat u ’t weet
en dat u die kronkels beslist niet vergeet.
Dus: kwam ik u roepen, dan zeg ik ‘ik riep’.
Nu denkt u: van snoepen, dat wordt dan ‘ik sniep’?
Alweer mis, m’n beste. Maar u weet beslist,
dat ried komt van raden, ik denk dat u ’t wist.
Komt bied dan van baden? Welnee, dat wordt bood.
En toch volgt na wieden beslist niet ‘ik wood’.
‘Ik gaf’ hoort bij geven, maar ‘ik laf’ niet bij leven.
Dat is bijna zo dom als ‘ik waf’ hoort bij weven.

Zo zegt men: wij drinken en hebben gedronken.
Maar echt niet: wij hinken en hebben gehonken.
’t Is moeilijk, maar weet u: van weten komt wist,
maar hoort bij vergeten nou logisch vergist?
Juist niet, zult u zeggen, dat komt van vergissen.
En wat is nu goed? U moet zelf maar beslissen:
hoort bij slaan nu: ik sloeg, ik slig, of ik slond?
Want bij gaan hoort: ik ging, niet ik goeg of ik gond.
En noemt u een mannetjesrat nu een rater?
Dat geldt toch alleen bij een kat en een kater.

dagboek van de Opperrabbijn

Wederom was ik aanwezig bij de viering van een bar-mitswa, deze keer niet in Berlijn-Duitsland bij een collega-ver-familielid, maar gewoon vlakbij in Almere bij onze kleinzoon. En het toeval, dat dus niet bestaat, wil dat hij voor het eerst werd opgeroepen voor de Thora op sjabbat 28 februari, mijn niet-Joodse en bij ons dus niet gevierde verjaardag. Nou ben ik ?berhaupt niet zo’n verjaardag vierder, maar de maatschappelijke datum komt al helemaal niet voor op mijn prioriteitenlijst. En toch vermeld ik nu dus 28 februari. De reden is omdat als ik ergens mijn geboortedatum moet opgeven, mondeling en niet per computer, tot vervelens toe te horen krijg dat ik een gelukkig en dankbaar mens moet zijn omdat als ik een dag later zou zijn geboren ik maar een keer in de vier jaar jarig zou worden. Onzin, want na 28 februari volgt drie keer in de vier jaar gewoon de eerste van de maand maart. De reden dat ik dit vermeld is dat de gemiddelde mens oppervlakkig denkt, berichten worden verdraaid en meningen makkelijk vanuit de oppervlakkigheid gevormd. En van die makkelijke be?nvloeding wordt dankbaar gebruik gemaakt door kwaadwillende criminelen of gewoon door influencers. Het hele fenomeen ‘influencer’ is voor mijn gevoel niet iets nieuws, het is van alle tijden, alleen door de moderne media kan het sneller en zichtbaarder zijn vaak manipulerende werk verrichten. Of het goed of slecht is, hangt af van de boodschap of van de opdracht die de influencer heeft of meent te hebben, maar duidelijk is het dat er altijd influencers bestonden, bestaan en zullen blijven. Overigens zijn de grootste, meest verbreide en verderfelijkste influencers geen personen, maar de sociale media en het is dan ook daarom dat ik mijn kleinzoon op zijn bar-mitswa wenste dat hij zal opgroeien tot een geleerde (talmid chacham), tot een Godvrezend persoon en tot een Chassid. Een Chassid behoort een persoon te zijn die zelf kiest door wie of wat hij zich laat leiden en <d.docs.live.net/eb7496925afbacdb/Bureaublad/5784%20column%20NIW%203 6%20.docx?web=1> be?nvloeden. Onze geleerde Maimonides schrijft hierover het volgende:
Voor mensen die lichamelijk ziek zijn, smaakt het bittere zoet en het zoete bitter. Sommige zieken verlangen zelfs naar dingen die niet geschikt zijn om te eten en haten gezonde voedingsmiddelen. Op dezelfde manier verlangen en houden mensen met een slechte moraal van minder goede eigenschappen, haten ze het goede pad en zijn ze te lui om het te volgen. Afhankelijk van hoe ziek ze zijn, vinden ze het buitengewoon zwaar om de juiste keuze te maken en zich niet door kwaadwillende stromingen te laten be?nvloeden. “Wee degenen die het slechte goed noemen en het goede slecht, die de duisternis voor licht aanzien en het licht voor duisternis, die het bittere voor zoet aanzien en het zoete voor bitter.” Hoe moeten deze dwalenden genezen worden? De man die vol hoogmoed is, moet zich diep vernederen. Hij moet op de meest vernederende plek zitten, gekleed gaan in gescheurde vodden die hem te schande maken totdat de hoogmoed uit zijn hart is uitgeroeid en hij terugkeert naar de middenweg, die de juiste weg is. Men zou met elk van de andere karaktereigenschappen een vergelijkbare aanpak moeten volgen. Iemand die naar een van de extremen neigt, zou zich in de richting van het tegenovergestelde extreme moeten bewegen en zich daar lange tijd aan moeten aanpassen, totdat hij is teruggekeerd naar het juiste pad, hetwelk voor iedere gevoelseigenschap de gulden middenweg is.” Na deze les Joodse filosofie voor beginners, geschreven in de auto op weg naar Groningen, zit ik nu in diezelfde auto, maar nu terug huiswaarts. Reden van mijn belerende en filosofische lesje is het gevolg van Iran. Een leider van 93 miljoen onderdanen die vanuit een persoonlijke criminele ego?stische hoogmoed, een heel volk naar zijn hand heeft gezet, duizenden en duizenden mensen de dood ingestuurd. En omdat hij dit aardse bestaan heeft verlaten en martelaar is geworden, moet ik nu hier in mijn Nederland extra alert zijn vanwege malloten die mij medeschuldig verklaren aan zijn dood, waarmee ik dus totaal niets van doen heb.
Groningen was voor mij een warme douche. De sjoel bestond honderdtwintig jaar. Na de oorlog waren slechts driehonderd van de drieduizend gemeenteleden ’teruggekeerd’. En dus liet de burgerlijke gemeente Groningen de sjoel een wasserij worden en gedeeltelijk een kerk. Vijftig jaar geleden kwam de sjoel weer min of meer terug daar waar een sjoel hoort te zijn: bij de Joodse Gemeenschap. Half van de veel te grote sjoelruimte werd een educatief centrum en half werd gewoon de sjoel van de Joodse Gemeente Groningen. Deze verheffing van de wasserij-sjoel tot sjoel-educatief Joods Centrum vond vijftig jaar geleden plaats. En ook dat werd vanmiddag gevierd in het volle educatieve-sjoel-centrum met Klezmer muziek en drie waardige en leerzame voordrachten over de sjoel toen, na de oorlog en nu. Ik mocht de bijeenkomst openen met een Jizkor ter nagedachtenis aan de zevenentwintighonderd leden van de Joodse Gemeente, met een kaddiesj en, hoewel het niet was afgestemd, met een gebed voor de IDF-soldaten die nu bezig zijn Isra?l te verdedigen. Men kwam na afloop naar me toe, het gebed had hen aangegrepen, tot tranen toe.
Geweldig te zien hoe niet-Joodse vrijwilligers met heel veel energie zich inzetten, belangrijk dat de sjoel zo behouden kan blijven, triest dat van de Joodse glorie van weleer zo weinigen zijn overgebleven, maar indrukwekkend hoe die weinigen zich niet uit het Joodse veld laten slaan en met man en macht aan de niet-Joodse samenleving tonen: we zijn er nog, Am Jisra?l Chaj-het Joodse volk leeft en overleeft, ook in Groningen de geboortestad van mij opa Jacobs, en we peinzen er niet over om onze sjoeldeuren te sluiten. Angst? No way. Alertheid? Dat wel, maar laten we bidden dat die alertheid spoedig overbodig zal zijn, omdat met de komst van de Mosjiach de gehele wereld de Eeuwige zal erkennen en dan voor duisternis en zelfs voor antizionisme geen plaats meer zal zijn en het educatieve deel van de sjoel gewoon weer sjoel zal worden.

Dagboek van de opperrabbijn 25 febr. 2026

Omdat Blouma enige jaren geleden in Berlijn was geweest en toen een bezoek had gebracht aan het J?disches Museum Berlin en zeer onder de indruk was van wat ze toen had gezien, wilde ze graag nu, alvorens we de terugreis uit Berlijn zouden aanvaarden, ons Berliner-verblijf afsluiten met een bezoek aan dat museum. ’s Morgens in sjoel had ik navraag gedaan bij een autochtone Berlijner over parkeergelegenheid, toegang, openingstijden en of zo’n bezoek de moeite waard was. Dat was het volgens hem alleen als ik ge?nteresseerd ben in moderne architectuur, was zijn reactie. Toch maar gegaan en helaas had hij gelijk. Wat ze veranderd hadden in het museum sinds Blouma daar was geweest, weten we niet, maar na vrij snel de nodige zalen te zijn doorgelopen, trap op, trap af, keerden we teleurgesteld terug naar onze auto en aanvaardden we de terugreis met drie uur vertraging vanwege het museum. De geschiedenis van de Berlijnse Joodse gemeenschap hadden we verwacht en een Joodse uitstraling. Ik vermoed, zeker in Duitsland, dat scholen aandacht besteden aan het zwaar gedecimeerde Joodse leven van voor de oorlog en dat binnen dat kader het J?disches Museum Berlin wordt bezocht. Maar welke les de leerlingen hier moeten meekrijgen is mij niet duidelijk. Aan de deuren geen mezoeza, het restaurant, waar ik graag iets had willen nuttigen, was niet koosjer. Wel aan de muur werden begrippen als parve, melkkost en vleeskost uitgelegd en hing er een recept voor het bakken van challe-broden. Overigens hing er ook een groot bord aan de muur met daarop in het Hebreeuws dat alle producten kersvers zijn. Nou bestaat in het Hebreeuws het woord ‘kersvers’ niet, maar om aan te geven dat iets kersvers is zeggen we ‘Tarik Meod’, maar dan geschreven in Hebreeuwse letters. De letterlijk vertaling hiervan luidt ‘Ergh Vers’. Beste dagboekenier: het zal u opgevallen zijn dat er normaliter in mijn dagboek geen spellingsfouten voorkomen en mocht ik die wel maken, dan zijn ze eruit gevist door mijn assistente. Bij deze, Joke mijn assistente: hartelijk bedankt voor je gevis. Als de fouten in de spelling uit mijn teksten worden verwijderd, waarom, hoor ik u vragen, staat ‘Ergh’ dan met een ‘h’ aan het eind? Antwoord: omdat er ook een spellingsfout zat in het Erg Vers zoals die aan de muur hangt van het niet-koosjere Joodse Museum restaurant. Zo’n beetje het enige wat er J?disch was aan het Museum, was voor zover ik dat heb kunnen bemerken, de naam J?disches Museum.
Mijn gedachten dwalen af naar het JCK, het Joods Cultureel Kwartier, dat in Amsterdam gevormd wordt door het Joods Museum, gevestigd in de voormalige Ashkenazische sjoel, de Portugese Synagoge (Snoge), het Holocaust Museum en de Hollandsche Schouwburg, waar de Joden werden verzameld alvorens op transport te worden gesteld. Het JKC heeft een uitstraling, het geeft mij iedere keer weer een bijzonder gevoel, waarschijnlijk omdat ik geboren en getogen ben in wat eens Mokum heette, omdat mijn vader in dat JCK naar de Joodse HBS was gegaan, ik vele jaren in mijn vrije tijd gids was in de Snoge, ook omdat ik tachtig procent van mijn familie nooit heb gekend. En juist daarom wil ik in het Museum-restaurant iets kunnen eten. Geen “Ergh Vers” in Hebreeuwse letters aan de muur, maar dat hoeft niet en zeker niet met een spellingsfout. Maar wat wel voor mijn gevoel belangrijk is en niet mag ontbreken is een hechsjer, kasjroet-verklaring, zodat iedere Jood er kan eten (vroom, vrij of normaal, eten doen we allemaal!). Ik miste dat in Berlijn en ik mis dat in mijn eigen Joods Amsterdam ook. Wat daarvoor nodig is? Twee partijen die beiden zoeken naar een aanvaardbare oplossing en beiden de wil hebben om die oplossing te vinden. Poerim staat voor de deur, op Poerim sturen we elkaar twee direct eetbare (koosjere) producten, Poerim hebben we een gezamenlijke (koosjere) Poerim-feestmaaltijd. In de IDF zijn de maaltijden koosjer omdat je niet kunt verlangen van een Jood die volgens de Halaga wil leven dat hij niet-koosjer eet, maar er zullen geen Joden zijn die om principi?le redenen een koosjere maaltijd zullen weigeren. (Hoewel ik er ??n ken die om bijna religieuze redenen niet-koosjer eet, maar dat tussen haakjes.) Vele Joodse toeristen doen het JCK aan. Wat mooi zou het zijn en hoe inspirerend om dan in het Joods Museum een echte Joodse (Poerim)maaltijd te kunnen nuttigen in een omgeving die eens was en nu niet meer is.
Op de terugreis kregen we berichten uit New York over burgemeester Mamdani die een verbod om op straat te gaan had uitgevaardigd. Er is nogal wat deining om zijn persoon. Moslim, anti-Isra?l en bepaald geen Jodenvriend. Natuurlijk had ik al een paar dagen eerder hierover gehoord, maar niet echt goed begrepen waarom hij de Joden aan het treiteren was. Antisemitisme kan soms vreemde vormen aannemen, dacht ik. Omdat we uren moesten rijden had Blouma, als ik reed, de gelegenheid om de whatsapps (voor)te lezen. En wat werd duidelijk? Sneeuw en onbegaanbare wegen waren de oorzaak van het uitgaansverbod. Had niets te maken met antisemitisme en zelfs niets met Isra?l. Voor mijn gevoel sta ik al tientallen jaren in de voorste gelederen van de strijd tegen antisemitisme en dus ook tegen het bagatelliseren van Jodenhaat met woorden zoals ‘het zal zo’n vaart niet lopen, het zal wel meevallen, het zijn de jaren ’30 niet’ en dus had ik het New Yorks uitgaansverbod meteen gekoppeld aan antisemitisme, want toen mochten de Joden ook de straat niet op. Ik had de plank dus volkomen misgeslagen, gelukkig alleen voor mezelf en binnenskamers. Waarom ik deze oppervlakkige antisemitisme bestempeling hier dan met u deel? Niet om tegen antisemitisme te waarschuwen, dat doe ik volgens sommigen al te veel. Neen, ik vermeld mijn Mamdani-misvatting, als waarschuwing dat niet achter iedere boom een antisemiet staat.
Vanmiddag werden verzetsstrijders herdacht tijdens de Nationale Herdenking Joods Verzet 2026, achter de Stopera in Amsterdam, midden in het Joods Cultureel Kwartier. Vele Joden zagen geen enkele uitweg, alle grenzen waren voor hen gesloten, geen land konden ze binnen, Nederland konden ze niet uit, de Staat Isra?l bestond alleen nog maar in theorie. Ze waren slachtoffers, onbewapend, zonder rechten, met als enige mogelijkheid om te overleven, zo dachten velen, ‘dan maar tewerkstelling in het Oosten’. En dan toch de wapens pakken, positie nemen tegen de bezetter met alle daaraan verbonden risico’s als Jood, jezelf volkomen wegcijferen. Toen ik de microfoon in de hand nam voor mijn toespraak, moest ik plotseling denken aan oom Joseph, de broer van mijn oma Sophie. Oom Joseph was een arts-internist. Hij was erin geslaagd om reeds aan het begin van de oorlog valse identiteitspapieren te krijgen, zonder J en met een valse naam. En toen hij die had en zonder risico de oorlog kon overleven, ging oom Joseph in het verzet. Hij werd opgepakt en als verzetsstrijder gefusilleerd. Duizenden Joodse verzetsstrijders als oom Joseph hebben we vandaag herdacht. Hulde aan de organisatoren van deze jaarlijkse herdenking om hen te eren en tevens om te waarschuwen dat wat toen geschiedde morgen en vandaag zo weer kan gebeuren. De minuut stilte galmt nog na in mijn hoofd.