Wat ben ik dankbaar met mijn baantje. Af en toe (en vaker af dan toe) wordt er (on)nodige rotzooi over me uitgestort, maar zo gaat het nu eenmaal. Als er geen kritiek komt, pas dan moet ik me zorgen maken en mezelf afvragen of ik nog wel functioneer. Ik herinner me dat rabbijn Vorst en mijn persoontje samen (onbezoldigd) werkten voor Jad Achat, de educatieve afdeling van het NIK die opgericht was in 1977. Wij moesten/mochten deze door de Overheid bekostigde instelling invulling geven. Het was een groot succes. Dia’s, tapes, films, Joodse boeken en spelletjes. Later ontstond er in het gebouw van de Joodse Gemeente Amsterdam ook de bekende Jad Achat winkel. Het bleek een en al succes, niemand sputterde tegen, alleen maar lof. En dus vroegen we ons toen ernstig af: zijn we wel goed bezig? Maar gelukkig ontstond, net nadat we ons zorgen maakten over het succes, kritiek. Wat die kritiek omvatte herinner ik me niet meer, maar de essentie was dat er tegenstand was, teken dat we goed bezig waren.
En nu we het over succes hebben: Vrijdag was de laatste dag van twee weken Tzivot Hashem, het bekende zomer-dagkamp dat dit jaar voor de tiende keer kinderen in de grote vakantie een Joods samenzijn heeft geboden. Lof en hulde voor de Taiby Camissar en Chaya Koppenhol-van Halem en alle vrijwillige madrichiem en madrichot die deels uit ons land afkomst waren en deels vanuit Israel en de VS waren ingevlogen. Sommige kinderen hadden het geluk om beide weken aanwezig te kunnen zijn, anderen een week en sommigen kwamen maar een paar dagen omdat ze ook met hun ouders op vakantie gingen. Maar zelfs die paar dagen waren meer dan waardevol, want iedere dag was een combinatie van spel, uitstapje, samen eten en bensjen en Joodse vriendjes en vriendinnetjes maken. Speciaal voor kinderen die de Joodse dagscholen niet bezoeken, waren, zelfs als het slechts een paar dagen betrof, van vitaal Joods belang. Ieder kind nam iets mee naar huis. En ik bedoel dan niet de zelfgebakken challa op vrijdag, maar de Joodse sfeer die iedere dag werd geboden en die de kinderen zal bijblijven.
Tien dagen geleden was het 9 Aw, de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem en het begin van het galoeth, het ballingschap. De gewoonte bestaat om in een Joods huis, speciaal in een sjoel of gebouw van de Joodse Gemeente, een stukje van de muur onafgewerkt te laten: ter herinnering aan de Verwoesting van de Tempel. Om te tonen dat hoe mooi ons huis ook moge zijn, we dienen te beseffen dat het nog steeds een ballingschap is waarin we ons bevinden. Om dezelfde reden breekt de bruidegom onder de choepa een glas. Niet omdat ‘scherven brengen geluk’ maar om juist op het moment van grote vreugde te benadrukken dat er helaas nog veel leed bestaat op onze aarde. En dus was er ook in het geweldige zomer-dagkamp iets negatiefs, ter herinnering aan… Donderdagavond werden in Amstelveen drie van de madrichiem, allen uit de USA afkomstig, toen ze op straat liepen, met stenen bekogeld. Ze kwamen er met de schrik vanaf, maar toch… Het was een teken dat het zomer-dagkamp goed was. Zonder deze stenen hadden we stiekem mogen twijfelen!
Het is nu zondagavond en we zijn net terug uit Maastricht waar we de sjabbat hadden doorgebracht. Het was buitengewoon fijn. ’s Ochtends voor sjoel een sjioer gegeven. Er werd aandachtig geluisterd en vragen werden gesteld. Iedere week geeft rabbijn Cohen om 9 uur, een uur voordat de sjoel hoort te beginnen, les aan de goegemeente. Nu was aan mij de eer, of beter verwoord, het genot om die cursus te geven. Ik schrijf opzettelijk ‘hoort te beginnen’. Want gelijk in het zomer-dagkamp er ook iets negatiefs was, zoals bij de beginjaren van Jad Achat en gelijk ook ik af en toe onder een negatief vuur lig, was er ook iets dat voor mijn gevoel verbetering behoeft. Niet de maaltijd voor alle sjoelbezoekers op vrijdagavond. Niet de maaltijd na afloop van de ochtenddienst op sjabbat. Maar wel het zogenaamde Limburgs Kwartiertje, dat bij de NIHS Limburg neigt uit te lopen tot een Limburgs Halfuurtje! Alles is even gemoedelijk, speciaal het begrip tijd. Maar of ik me nou wel of niet aan erger, als ‘herinnering aan de verwoesting van de tempel’ functioneert het fantastisch. Rabbijn en rebbezin Cohen: jullie doen geweldig werk. En ik denk dan niet alleen aan de sjoeldiensten, de maaltijden na afloop in sjoel, de wekelijkse maaltijden bij jullie thuis, maar ook en speciaal aan de vele individuele steun die jullie aan mensen in nood weten te geven. Geweldig! Dank!
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .


De dagen voorafgaand aan 9 Aw, de zogenaamde negen dagen, ervaar ik jaar-in jaar-uit als vervelend en deprimerend. Negen Aw, is de dag waarop zowel de Eerste Tempel alsook de Tweede Tempel in Jeruzalem, werden verwoest, het begin van het Galoeth, het ballingschap waarin we ons nog steeds bevinden. Galoeth is niet alleen buiten de grenzen van het Heilige Land Israël, maar ook in Israël zelf. Totdat de komst van de Mosjiach, want dan zal er sjalom zijn in Israël en voor de gehele mensheid waar ook ter wereld. Maar tot die tijd… Als we voor een reguliere Jom Tov staan, is er voorbereiding op culinair gebied, Jom Tov kleding wordt klaar gelegd, het huis wordt opgepoetst en de passende speciale liederen voor Jom Tov galmen door de gangen, zeker als vader de chazan, (voorzanger) zal zijn. En naarmate het tijdstip van het begin van de Jom Tov nadert, de kaarsen al op tafel staan, beginnen de geuren van de speciale culinaire Jom Tov gerechten het huis meer en meer binnen te dringen. De voorbereiding voor shabbos.
De vakanties zijn inmiddels in vele delen van ons land aangebroken. Maar het is niet overal feest. De bij dit dagboek geplaatste foto lijkt op een gezellig uitstapje, mensen staan er blij op, bepakt en bezakt. Ze zijn ook echt blij, heeft de maker van de foto mij verzekerd. Maar ze gaan niet op vakantie. Ze vertrekken, laten hun achtergrond achter, vluchten uit Oekraïne voor het dreigende oorlogsgeweld. Onze Koen Carlier is bezig met reddingsactie nr. xxx. Deze mensen zijn dankbaar dat ze naar veiliger plaatsen kunnen ontsnappen, daarom kijken ze blij. Maar het is verre van een blij vakantie-uitstapje! Maar ook aan de Russische kant van de oorlog wordt gevlucht, sneuvelen jonge mannen omdat ze toevallig in Rusland woonachtig zijn. En wij maar blij zijn als we horen dat aan de Russische kant mensen zijn gesneuveld.
Over afwisseling niet te klagen. Maar voordat ik mijn dagboek begin en nog niet weet of ik het vanavond nog ga afmaken (het is al bijna middernacht!), wil ik eerst een aantal onmisbare vrijwilligers achter mijn dagboek-schermen bedanken. Op een aantal sites en facebooken worden mijn dagboeken geplaatst. De plaatsers, deels vrijwilligers en deels betaalde krachten, gaan ook met vakantie. Maar toch: allen, zonder uitzondering, hebben vrijwillig toegezegd om het dagboek te blijven plaatsen ondanks hun vakantie. Misschien, zo gaf een van hen aan, zal het een dag later dan gebruikelijk verschijnen, maar verschijnen zal het!
De onthulling van het monument voor de voormalige sjoel van Sneek was een groot succes. Een schitterend ontwerp dat een combinatie van leegte, warmte en wat-eens-was symboliseerde. De organisatie rondom de plechtigheid was subliem, de opkomst groot. Voeg daarbij de optimale weersgesteldheid en de conclusie is: het kon niet beter! Dat neemt natuurlijk niet weg dat de aanleiding een grote tragedie is. Niets meer over van wat eens een bloeiende Joodse Gemeente was. Ja, ik kreeg complimenten voor mijn toespraak (vanaf deze plaats ook lof voor de andere sprekers!) en mijn aanwezigheid heb ik zelf als nuttig ervaren. Maar: bijeenkomen om te herdenken wat uit ons midden werd weggerukt, ervaar ik emotioneel als pijnlijk. Ik kwam niet thuis met een voldaan gevoel, in tegendeel. Ik begon mezelf af te vragen of het geestelijk wel zo gezond is dat ik tijd besteed met herdenkingen en begon een excuus te zoeken om de dag na Sneek niet naar de Molukkenstraat in Amsterdam te gaan. Weer die oorlog, weer stilstaan bij onschuldige slachtoffers die vermoord moesten worden. Wat was er in de Molukkenstraat? Bij de jaarlijkse herdenking van het Apeldoornsche Bosch is ieder jaar, jaar in jaar uit, een niet-joodse accordeonist aanwezig die op zeer gevoelige wijze de muziek verzorgt. Hij doet dat zo goed dat ik menig keer zijn gegevens heb doorgegeven aan organisatoren van herdenkingen die op zoek waren naar passende muzikale begeleiding. En nu, geheel onverwachts, kreeg ik enige maanden geleden een verzoek van deze accordeonist om aanwezig te zijn bij de plaatsing van vier Stolpersteine die in Amsterdam in de Molukkenstraat voor zijn grootouders, zijn moeder en zijn oom zouden worden gelegd. Aan mij dan de vraag of ik een gebed wilde uitspreken en een daarbij behorende overpeinzing. En dus begreep ik dat als zijn grootouders vermoord waren in de oorlog vanwege hun Jood-zijn, onze niet-joodse muzikant Joods is. Uiteindelijk had ik besloten om toch maar wel te gaan en niet af te bellen met een of ander excuus, wetend dat ik er depressief van thuis zal komen. Voornaamste reden was niet omdat de accordeonist Joods is, maar dat als ik wel naar Sneek was gegaan, een grote bijeenkomst met veel publiciteit, en niet naar een kleine bijeenkomst, waar misschien nauwelijks iemand aanwezig zou zijn en er als het ware geen eer mee te behalen valt, dit enorm tegen mijn eigen principe zou indruisen. Waarom ga ik naar dit soort bijeenkomsten? Voor mezelf? Of om anderen, ongeacht of dat er honderd, tien of twee zijn, tot steun te zijn. En ook uit respect voor hen die herdacht worden. En dus belde ik niet af en bevond me donderdag jl. om 14:00 uur precies in de Molukkenstraat waar op de stoep (en deels op het fietspad) voor nummer 154 een grote meute stond te wachten op het begin van de plechtigheid. Mijn aanwezigheid werd enorm gewaardeerd. De moeder van mijn accordeonist heeft me na afloop van de plechtigheid het volgende doen toekomen:
Het interview met het Joods Cultureel Kwartier was bijzonder. Bij een interview denk je normaliter aan een verslaggever die je vragen stelt over een bepaald onderwerp. Maar hier speelde iets anders. Het Nationaal Holocaustmuseum wil geschiedenis vastleggen. Nu de overgrote meerderheid van de overlevenden er niet meer is en de enkelingen die er nog wel zijn (tot in lengte van jaren en minstens tot 120!) meestal in de oorlog geboren baby’s waren met daardoor een beperkt verhaal, mocht ik de eerste zijn die zijn verhaal deed als ‘geboren in de schaduw van de oorlog’. Want wij, de generatie van “direct-na”, heeft ook een geschiedenis en bovenal voel ik mezelf verplicht om het stokje van de overlevenden over te nemen opdat het nooit zal worden vergeten. Ik mocht een deel van mijn eigen levensverhaal vertellen, hoe ik ge/vervormd ben tot wat en wie ik nu ben. Mocht u geïnteresseerd zijn, dan kunt u op de site van het Joods Cultureel Kwartier een kijkje nemen. Maar wat deed dit interview met mij om terug te koppelen naar mijn prille kinderjaren en dan bewust een link te leggen met het leed dat mijn ouders hadden moeten meemaken en waarvan zij zo intensief hadden geprobeerd om mij erbuiten te houden. Zonder het hele interview van anderhalf uur in geest te gaan herhalen wil ik twee onverwachte momenten delen. Politierapport nr. 197 Politie Amsterdam bureau Stadhouder kade van den 16 den juli 1942. Ik citeer: “namens moeder opsporing verzocht van Aron Salomon Jacobs, geb. te Amsterdam 3-1-1919, kantoorbediende, won. Ferd. Bolstraat 94-1, alhier, die sinds hedenmorgen spoorloos is. Ongeluk wordt gevreesd. Tel. verzonden, met volledig signalement.” Tijdens het interview werd mij het bovenstaande politierapport getoond. Ik wist het meteen te plaatsen. Mijn vader was opgeroepen voor tewerkstelling, zoals dat zo mooi heette en is meteen ondergedoken, ondanks dat hij in het bezit was van valse papieren. Waarom hij geen gebruik wilde maken van het persoonsbewijs zonder J is me nooit helemaal duidelijk geworden. Mijn oma, een zeer intelligente vrouw, heeft zich dramatisch bij de politie gemeld. Met nog een politierapport werd ik geconfronteerd. Mijn opa had na de oorlog, in bevrijd Nederland, aangifte gedaan van vernieling. De bewoners van de Ferd. Bolstraat 94 die het geroofde huis uiteindelijk moesten verlaten hadden, nadat ze alle kranen hadden opengedraaid, rondverteld dat mijn grootouders en mijn vader hadden gecollaboreerd met de Nazi’s en dus werden hun ruiten ingegooid. Volgens mijn vader door dezelfde mensen die JUDEN op hun ramen hadden gekalkt aan het begin van de oorlog. Welkom terug in Bevrijd Nederland!
Of u het wel of niet heeft gemerkt, maar ik heb een dagboek overgeslagen omdat we een paar dagen weg waren, even op adem komen. Ik had willen doorschrijven, maar door een verhevigde concentratie e-mails en telefoontjes, kwam het dagboek in het gedrang. We waren in Maastricht, onze vaste jaarlijkse vakantieplaats toen onze kinderen nog de kleintjes waren. Je hebt daar het gevoel helemaal weg te zijn. Ik loop (stiekem) in een katoenen broek, T-shirt en sandalen (zonder stropdas en zelfs zonder mijn lintje… En nu maar hopen dat niemand me ziet of zag.
Uiteraard gesproken met Benoit Wesly, de koning van Maastricht, voormalig voorzitter van de Joodse gemeente Limburg, voormalig bestuurder van het IPOR, honorair consul van Israël, enz., enz. Maar bovenal is hij mijn adviseur en goede vriend op wie ik altijd kan terugvallen als het me even te heet wordt onder mijn rabbinale voeten. Morgen via Antwerpen terug naar “gewoon”, waarvan ik me regelmatig afvraag hoe gewoon het gewone wel is.