Dagboek van de Opperrabbijn van 21 mei 2023

Steeds vaker wordt het verleden het heden. Twee keer afgelopen dagen werd ik benaderd door kinderen van ouders met wie Blouma en ik, toen we pas in Nederland waren gearriveerd, contact hadden. Een van de twee kinderen, die inmiddels al lang geen kind meer is, is bezig om het leven van zijn ouders op schrift te zetten. Omdat er kennelijk bepaalde delen uit het (gecompliceerde) leven van pa en ma ontbreken, omdat er thuis kennelijk niet over werd gesproken, ben ik benaderd. De vraag is natuurlijk of ik alles wat ik weet kan en mag vertellen. Anderzijds is er totaal geen sprake van criminaliteit of een andere vorm van beschamen als ik uit de school zou klappen. Ik moet dus even rustig nadenken wat ik wel en wat ik niet kan prijsgeven. Het moge duidelijk zijn dat zijn ouders niet meer tussen ons zijn en toestemming vragen dus niet aan de orde is. Pa en ma, beiden kind-overlevenden van de Shoa, waren door allerlei omstandigheden, onafhankelijk van elkaar, in zwaar christelijke kring beland en waren daar buitengewoon gelukkig en volledig geaccepteerd. Maar wij, Blouma en ik, hebben onbewust in hun rustige vrome christelijke leven roering gebracht. Ons eerste bezoek en de daaropvolgende contacten hebben beiden langzaam maar zeker tot hun echte Joodse identiteit teruggebracht. Maar dat terug-naar-het-Jodendom ging niet zonder problemen. De warme confrontatie met ons werd als bedreigend ervaren en bracht ze ertoe om te gaan verhuizen, ver weg van de Jacobs-familie. Maar het ontvluchten van de Joodse identiteit ging niet zo simpel en een verhuizing loste het probleem niet op…en zo, zonder dat ik dat wist, kwamen ze langzaam maar zeker terug naar het geloof en de leefwijze van hun ouders, die alle vier hun einde vonden in Sobibor.

De tweede verbintenis met onze Nederlandse beginperiode, was een jongeman, second generation, die op aliya wil gaan en daarvoor een verklaring van ons Rabbinaat nodig heeft dat hij echt Joods is en dus aanspraak kan maken op de zogenaamde Wet op de Terugkeer. Uiteraard ga ik helpen, hoewel de persoon in kwestie niet in mijn ressort woont en dus niet onder mijn rabbinale jurisdictie valt. Maar ik weet zeker dat een telefoontje aan mijn collega, die dus eigenlijk de rabbinale verklaring zou moeten afgeven, collegiale instemming zal krijgen. De jongeman verzoeken mijn collega te bellen zal door hem misschien als lastig worden ervaren en onnodige barrières opwerpen richting emigratie naar Israël moeten we niet doen. De Israëlische papierenwereld kennende zullen er nog genoeg wegversperringen komen.

Vanwege de honderdste geboortedag van een van de grote leiders van Azerbeidzjan was er een concert gevolgd door een receptie in Sociëteit de Witte op Plein in Den Haag. Ook de/onze ambassadeur van Israël was aanwezig. Ik was gegaan op uitdrukkelijk verzoek van de ambassadeur van Azerbeidzjan.  Wat het nut was? Weet ik niet, maar dit soort bijeenkomsten ga ik niet bijwonen omwille van het nut, maar omdat ik er wellicht moet zijn. En inderdaad: Een vrij jonge dame kwam naar me toe die bezig is met de oprichting van een Holocaust museum in Azerbeidzjan, naar ze mij vertelde, en wil met mij hierover een gesprek. Ik werd op voorhand al uitgenodigd om naar Azerbeidzjan te komen voor de opening, over enige jaren. Vreemd was echter dat ze mij vroeg wie de ambassadeur was en dat ik een dag na de receptie al een e-mail van haar ontving om een afspraak te maken met als aanhef: Beste Binyomin… in prima Nederlands, terwijl ze tijdens de receptie het Nederlands niet machtig bleek te zijn. Dat, die afspraak, gaat hem dus niet worden! Wel zal ik proberen na te trekken of zij inderdaad belast is met een Holocaust-Museum in Bakoe en zo ja, dan delegeer ik haar graag naar mijn echtgenote die heel goed is in geschiedenis, veel beter dan ik en mij graag zal vertegenwoordigen bij de opening van het nieuwe Holocaust Museum.

Het congres in Oporto, dinsdag en woensdag jl., ben ik nog verre van vergeten. De hele week komen er artikelen binnen over die bijzonder geslaagde conferentie. De inhoud is weliswaar steeds dezelfde, maar het publiek dat die artikelen leest is steeds een andere groep in een ander deel van de (Joodse) wereld.  Een voormalig lid van de Knesset, die tijdens de conferentie een van de spreeksters was, en die nauw betrokken was bij de Abraham Akkoorden, wil een gesprek met mij. Ze wil kijken of we kunnen samenwerken. We gaan een zoom-gesprek regelen en kijken waar we elkaar (en dus Israël en Jodendom in Europa) kunnen helpen. Waar we elkaar kunnen aanvullen/helpen/bijstaan kan ik nog niet overzien. Maar zo werken dus de wandelgangen en de wereld van netwerken. “Shaping the future of European Jewry together” was de titel van de conferentie. Speciaal dat “together” was indrukwekkend aanwezig. Geen onderlinge politiek, geen jaloezie, geen concurrentie, Joden en niet-Joden. Het waren twee bomvolle dagen van achdoet-eenheid om antisemitisme te bestrijden, Jodendom te versterken in Europa en Israël te steunen op alle fronten. Het was echt warm in Oporto, zeker ook geestelijk, waar ook koosjere Port werd geserveerd tijdens het galadiner. En nog belangrijker: de éénheid straalde alle kanten op. En dat hebben we nodig, onderling als Joodse gemeenschap, maar even zozeer met de brede samenleving waarvan de Joodse gemeenschap een onlosmakelijk onderdeel vormt.

 

 

 

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

Dagboek van de opperrabbijn Conferentie17 mei 2023

Inmiddels heb ik al heel wat heidagen en conferenties mogen bijwonen. Je steekt er altijd wel wat van op, maar, laat ik heel eerlijk zijn, het voornaamste doel van een Heidag is ‘elkaar beter leren kennen’ en op conferenties staat ‘uitbreiding netwerk’ centraal. De conferentie van de EJA, European Jewish Association, van gisteren en eergisteren in Oporto was voor mijn gevoel anders dan normaal. Natuurlijk heb ik resultaat geboekt in de vorm van een uitnodiging om elders in Europa een lezing te geven, kennis gemaakt met de directeur van het Joods museum van Warschau, een zeer vermogende zakenman ontmoet uit Zagreb die aangaf dat ik waar nodig een beroep op hem kan doen, ik heb een ontmoeting gehad met de rabbijn/tandarts van Oporto (die financieel niet afhankelijk wilde zijn van het bestuur van zijn Joodse Gemeente en daarom ook tandarts is geworden) en ik had een verrassende ontmoeting met een Joodse vrouw uit Montenegro. Tot enige EJA-antisemitische-conferenties geleden kende ik het bestaan van Montenegro nauwelijks tot niet. Maar inmiddels, omdat er op iedere conferentie een Joodse of niet-Joodse Montenegrose-VIP aanwezig was, weet ik waar Montenegro ligt en dat Joodse bijeenkomsten en de synagoge geen bewaking vereisen, omdat antisemitisme/antizionisme daar niet bestaan.  Maar deze vertegenwoordiger van de EU-Republiek Montenegro was gewoon een Joodse vrouw die uitsluitend een VIP-status kreeg vanwege haar lidmaatschap van de Joodse Gemeente. Ik dus gezellig met haar gesproken, zonder netwerk-gedachte in mijn achterhoofd, en wat hoor ik: ook in Montenegro bestaat antisemitisme. Weliswaar niet zichtbaar, maar de vooringenomen denkbeelden over de invloed van Joden, dat ze zo slim zijn en alle andere karakteristieken zijn sluimerend bij velen aanwezig. Als het maar sluimerend blijft, dacht ik. Who cares!

Maar nu, weer terug op vaderlandse bodem en na enig denkwerk, zie ik dat sluimerende antisemitisme toch als een gevaar. Sterker nog: zichtbaar antisemitisme heeft als pluspunt dat het gezien wordt en dus zal de Jood, en hopelijk de brede samenleving, alertheid betrachten. Maar als het slechts sluimert…Een beetje antisemitisme kan geen kwaad, het is als een vaccin. Je krijgt een beetje van de ziekte ingespoten om de ziekte aan te kunnen!

Twee dagen intensief luisteren, spreken en zien hoe het antisemitisme voortwoekert, ook daar waar het er ogenschijnlijk niet is, want onzichtbaar en afwezig zijn geen synoniemen.  Dit was in het kort wat er in Oporto bij de conferentie van de EJA (European Jewish Association) weerklonk.  Dit lijkt ietwat fatalistisch en complotachtig, maar ik weet niet hoe de realiteit anders te verwoorden.  En dus moet er keihard worden opgetreden.  Educatie op scholen, in kerken, moskeeën en universiteiten. Er zullen symposia georganiseerd moeten worden en de media zullen moeten waarschuwen. Maar we dienen er wel van doordrongen te zijn dat hoe intensief we ook zullen (be)strijden: gelijk het Joodse volk alle eeuwen weet te trotseren, zo ook zal Jodenhaat onuitroeibaar blijven.

Een van de sprekers bepleitte een Europees verbod op de verkoop en tentoonstelling van nazisymbolen. Hakenkruizen, nazivlaggen, helmen van soldaten, de jurk van Eva Braun… Maar wat is er mis met de handel in dit soort prullaria? Misschien juist zichtbaar maken en onderdeel laten zijn van de strijd tegen het antisemitisme?

Mijn gedachten dwalen af naar de oorlogsbegraafplaats Ysselsteyn. Tussen de gewone Duitse soldaten liggen daar Nederlandse collaborateurs van het ergste soort en Duitse SS’ers. Toen enige jaren geleden er met afschuw werd geconstateerd dat er jaarlijks op deze nazibegraafplaats wordt herdacht en kransen worden gelegd, onder anderen door ons eigen Ministerie van Defensie, rees de vraag: Hoe gaan we hiermee om? De begraafplaats sluiten? Laten verwilderen? Onze handen er vanaf trekken? De kwestie Ysselsteyn werd dankzij de inzet van de Oorlogsgravenstichting en de Duitse ambassade opgelost, maar niet, zoals ik eerst voor ogen had, door onze handen ervan af te trekken en dus geen controle meer te hebben over de graven van moordenaars. Binnen een mum van tijd zou Ysselsteyn dan van een onbekende dodenakker kunnen verworden tot een bedevaartsoord voor neonazi’s en ander tuig.

Hetzelfde gevaar dreigt met de verkoop en tentoonstelling van nazisymbolen. Zolang het zichtbare en onzichtbare antisemitisme bestaat, worden nazi-prullaria in een mum van tijd antisemitische relikwieën. En dus de oproep voor een Europees verbod.

Maar wat met social media, doorspekt met beelden van Joden met lange neuzen, zittend op geld, verkrachters van kinderen?  En ondertussen luisteren de Verenigde Naties naar een rede waarin Israël wordt beticht van nazipropaganda, heeft Nederland gelukkig tegen de anti-Israël motie gestemd maar zijn er toch weldegelijk onder ons Nederlanders die lijden aan selectieve antisemitisme-doofheid en, helaas, helaas beschuldigen Nederlandse christelijke organisaties Israël van (een niet-bestaande) christen-discriminatie, maar zwijgen over de christen-vervolging in vele andere landen.

We moeten niet overdrijven en het antisemitisme niet groter maken dan het is.  We moeten beseffen dat die paar malloten bestaan dankzij de gratie van de journalist die zijn lens op hen focust en ze daarmee te veel eer en podium geeft.  Maar ontkennen en wegkijken is zeker geen oplossing. Ondertussen raakt Israël, en dus de Jood, in een steeds groter isolement. Zien we christelijk Nederland meer en meer verwijderen van hun collectieve schuldbelijdenis (2020) voor de vervolging van Joden door de eeuwen heen en zijn we allen, Jood en niet-jood, getuige van een mondiale polarisatie.

De vraag of ik overweeg om Nederland te verlaten werd me tot een paar jaar geleden nooit gesteld, maar behoort nu bijna tot het dagelijkse ritueel. Of, wanneer en waarom ik naar Israël verhuis? Mijn antwoord is kort: ik verhuis als ik wil verhuizen en ik ga geen keuze maken die mij door angst wordt afgedwongen.

Het is mooi zonnig weer. Lijkt wel Oporto!

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

 

Dagboek van de Opperrabbijn 14 mei 2023

Sjabbath jongstleden, gisteren dus, ontmoette ik een oud-leerlinge van mij. Haar innemende echtgenoot, die ik eigenlijk nauwelijks kende, gaf aan mij goed te kennen. Hij las namelijk mijn dagboeken en was, zo vertelde hij mij, tot de conclusie gekomen dat ik meestal blijmoedig ben, maar toch ook vaak verdrietig. Klopt helemaal! En dus begon ik na sjabbat mezelf af te vragen of het wel juist is dat ik kennelijk ook een sombere uitstraling heb. Een rabbijn wordt toch geacht het toonbeeld van tevredenheid en acceptatie te zijn!

Nog nauwelijks begonnen aan de interne controle van mijn globale gemoedstoestand gisteravond, kreeg ik vanochtend een telefoontje terwijl ik in de KLM-Lounge op Schiphol zat. Enige maanden geleden had ik een pastoraal bezoekje gebracht aan een oude vrouw, die weliswaar oud was, maar niet bejaard (of moet ik zeggen, bejaard maar niet oud?). Wat ik bedoel te zeggen is dat zij, ondanks haar hoge leeftijd en fysiek niet meer honderd procent, geestelijk sterker en helderder was dan menig persoon van middelbare leeftijd. Ze was toentertijd net terug uit het ziekenhuis, waar ze was beland vanwege een hersenschudding ten gevolge van een val. Wat was haar verhaal hedenochtend? Ze wilde iets met me delen wat haar erg dwars zat en voor haar zo storend dat ze het bij mijn bezoekje niet wilde/kon vertellen. Een van haar kinderen had haar naar het ziekenhuis gebracht. Ze was gewoon gestruikeld, op haar hoofd gevallen en voor de zekerheid… Er volgde een opname en, volkomen terecht, een grondig onderzoek. Er werden haar allerlei vragen gesteld en onder andere, althans zo had ze het begrepen, of zij indien onverhoopt nodig gereanimeerd wilde worden. ‘Natuurlijk’, was haar duidelijke en zeer spontane antwoord. Maar daar ging het mis. De arts had niet gevraagd of ze gereanimeerd wil worden, maar gaf aan dat zij niet voor reanimatie in aanmerking komt omdat ze te oud was. Die mededeling heeft deze vitale intelligente dame als zeer traumatisch ervaren. Ze heeft letterlijk doodsangsten uitgestaan in het ziekenhuis. ‘Als ik gewoon op straat in elkaar zou zakken, word ik gereanimeerd. Maar als me hier iets overkomt in het ziekenhuis, laten ze me doodgaan?!’

Dit soort telefoontjes maken me verdrietig. Een medemens, de arts, die je lot gaan bepalen, die meent te mogen beschikken over leven en dood. De Halaga, de Joodse wetgeving, leert ons dat alles in het werk moet worden gesteld om een mensenleven te redden. Of de levensverwachting tien jaar betreft of tien dagen mag niet meespelen. Leeftijdsdiscriminatie is vanuit de Joodse optiek (en ik kan dat weten want mijn vader was opticien/optometrist!) niet toegestaan. Nodeloos een leven rekken is ook niet geoorloofd en natuurlijk komen redden en rekken vaak erg dicht bij mekaar. Maar deze arts speelde G’d, en dat deugt niet. De arts is aangesteld om te genezen en pijn te bestrijden en mensen zoveel mogelijk levenskwaliteit te geven.

Overigens had ik gisteren ook nog met mijn sjabbat-middag-lern-maatje een fikse wandeling gemaakt. Dat moet kracht geven en opbeuren, relaxen, past binnen de sjabbat. Maar ook daar ging weer iets mis. Bij het verlaten van het park werden we geconfronteerd met een Davidster, een is-gelijk-teken (=) en een Hakenkruis met graffiti op een brug gespoten.

Het schijnt dat Oporto een erg mooie plaats is. Vele Joden zijn daar in de tijd van de Inquisitie op de brandstapels beland omdat ze weigerden hun Jood-zijn in te wisselen voor christendom. Wat ik ga doen in Oporto? Symposium over antisemitisme. Wat we ertegen kunnen doen binnen de EU. Geen opbeurend onderwerp en een prachtige plaats met een schrijnende geschiedenis. Speciaal als ik ervan overtuigd ben dat antisemitisme even onuitroeibaar is als het Joodse volk, wordt het geen gezellig congres!

Genoeg mineur! De piloot geeft net aan dat we over Londen vliegen vanwege vliegbeperkingen boven Frankrijk. Een langere route, maar we komen wel op de verwachte tijd aan. Ben benieuwd of wij (Blouma, Ellen van Praagh -voorzitter NIK- en nog enkele bestuurders uit Joods-Nederland, zijn ook mee) nu extra Flying Blue Miles krijgen want die Miles, de punten, schijnen aan de feitelijk afgevlogen miles gekoppeld te zijn.

Bijna vergeten: ik ben bezig te bemiddelen tussen twee niet-joodse organisaties, eigenlijk groeperingen. Beiden hebben me benaderd. ‘Heb je niets beters te doen? Je moet af en toe ook nee kunnen zeggen’, zult u wel denken. Klopt, maar medemensen helpen is een plicht en als ik het probleem kan oplossen, geeft dat uitstraling en bestrijden we op een positieve manier ook automatisch, zonder het te benoemen, het antisemitisme.

Nog vijftig minuten en dan landen we. Het schijnt in Oporto een uur eerder te zijn. Dat is dan mooi meegenomen, want het symposium begint pas morgenochtend om 9:45 uur. Dus een paar uur langer vakantie! Zal ik telefoon en computer uitschakelen?

 

 

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

 

 

Dagboek van de Opperrabbijn van 10 mei 2023

“We gaan eraan”, zijn de woorden van mijn opa Siegfried de Leeuw uit Steenwijk die op tien mei, de dag van de Duitse inval, jaarlijks door mijn hoofd gonzen. Vanaf mijn zeer jonge jaren vertelde mijn lieve moeder mij ieder jaar weer dat op 10 mei mijn opa Siegfried, toen hij de Duitse vliegtuigen zag overvliegen, zijn handen ten hemel richtte en uitriep: “Mijn G’d, we gaan eraan…”. Wonderwel hebben opa en oma met hun drie kinderen de oorlog overleefd dankzij Wiersma, de politieagent uit Boskoop, het verzet in Friesland leidde en honderden Joden heeft laten onderduiken., waaronder mijn moeder. Voor zover ik me herinner had mijn opa Siegfried al zijn kinderen een zak met geld gegeven en tegen hen zei, toen het duidelijk was dat er ondergedoken moest worden: neem dit geld en vind je weg. En dus, zo vertelde mijn moeder mij naar ik me herinner, liep mijn moeder van Steenwijk naar Wolvega alwaar ze haar eerste duikadres vond. Hoe ze dat adres heeft gevonden, weet ik niet. En hoe en waarom ze vanuit dat adres naar vele anderen plaatsen werd overgeplaatst, is me nooit verteld. En ik heb het haar ook nooit gevraagd.

Toen ik maandagavond, ingaande Lag Ba’omer, aanwezig was op het schoolplein van het Cheider voor het aansteken van de vreugdevuren en ik zag en hoorde het jongenskoor dezelfde liederen zingen die ook in Miron, op datzelfde moment, gezongen werden, welden plotsklaps bij mij de emoties op.  Am Jisraeel Chaj. Ondanks alles zijn we er nog, ook in ons Nederland.

Doordat ik een veelheid van herdenkingsplechtigheden heb bijgewoond in de achter ons liggende weken, kreeg ik, dit jaar veel vaker dan andere jaren, de vraag of ik van mening ben dat Joden Nederland zouden moeten verlaten en op aliya moeten gaan naar Israël. “En wanneer gaat u zelf. Hebt u al plannen?” Van kinds wijs af aan stond het voor mij als een paal boven water dat in Israël mijn toekomst zou liggen. Mijn kamer hing vol met JNF-posters die mijn vriendje Lex van Straten voor mij wist te regelen want zijn opa Wolf, die bij het JNF werkte, kon die makkelijk krijgen. Maar hoewel ik vanaf 1975 in Nederland mijn rabbinale inzet (hopelijk naar eer en geweten) voor de resten van Joods Nederland gebruik, hield ik steeds vast aan mijn verlangen om na mijn pensionering in Israël te gaan wonen. Maar inmiddels ben ik bijna de tien jaar na mijn pensioengerechtigde leeftijd gepasseerd en zit ik nog steeds in mijn Nederland, het land van mijn ouders, grootouders, overgrootouders en nog een aantal generaties voor hen. Ik ben daarover niet blij. Maar naar Israël verhuizen en daar achteroverleunend genieten van mijn oude dag, past niet zo erg bij mij. En bovendien was de Lubavitcher Rebbe, van wie ik een volgeling ben, de mening toegedaan dat rabbijnen niet met pensioen horen te gaan. En dus mag ik nog steeds me inzetten voor Joods Nederland.

In Leeuwarden werden postuum op drie mei aan vijf echtparen de Yad Vashem medaille uitgereikt, ik had er uitgebreid over geschreven in mijn vorige dagboek. Wat ik nog niet had vermeld was dat ook bij die bijeenkomst ik meerdere malen werd geconfronteerd met de vraag: blijft u nog in Nederland? Wanneer vertrekt u naar Israël?

Voorafgaande aan de feestelijke bijeenkomst op het Cheider, was ik in de Uilenburgersjoel, aan de Uilenburgerstraat in Amsterdam. Hier was eens de Jodenbuurt en hierheen moesten in de latere oorlogsjaren alle Joden verhuizen. In de sjoel vond de presentatie plaats van “Canon 700 jaar Joods Nederland”. Als ik het goed begrepen heb was het de bedoeling van deze prachtige heruitgave, om met name de huidige Joodse jeugd te bereiken en ze bewust te maken van hun verantwoordelijkheid om Joods Nederland overeind te houden, gebaseerd op het rijke Joodse leven van voor de oorlog. JMW, organisator van deze bijeenkomst, wil proberen te bouwen aan een Joodse toekomst in Nederland, een nobel streven en geweldig dat het geprobeerd gaat worden. Maar of het realistisch is, betwijfel ik. Ik denk dat als we Joodse kinderen willen redden we het advies moeten geven om te vertrekken, helemaal nu ook hier in Nederland het antisemitisme sterk groeit: Am Jisraeel Chaj-het Joodse volk leeft, maar of dat ook van Joods Nederland gezegd kan worden, durf ik, helaas, te betwijfelen. Ik hoop dat ik het helemaal verkeerd zie.

En toen was ik maandagavond om 21:00 uur op het Cheider en hoorde ik het indrukwekkende Cheider-koor. Ik zag mijn kleinkinderen zingen, het was als een licht in duisternis. En toevallig ben ik deze week benaderd om twee choepot te geven en vind er ook binnenkort een derde Nederlandse Choepa, huwelijksinzegening, plaats in Israël. Maar als we helaas in heel Nederland afgelopen jaar niet meer dan 15 choepot hebben gehad…waar is dan de toekomst?

En toch heb ik een contract voor onbepaalde tijd en zal ik dus tot de laatste Jood Nederland heeft verlaten, hier moeten blijven.

En toen hoorde ik weer de Cheider-jongens zingen en besefte dat er ook veel initiatieven worden ontplooid om jongeren en ouderen bijeen te krijgen. Dat er ondanks alles overal Joodse Gemeenten hun uiterste best doen om bijeenkomsten te organiseren, op vele plaatsen in Nederland de vreugdevuren vanwege Lag Ba’omer en BBQ’en werden georganiseerd. En dus besef ik dat ik misschien minder pessimistisch moet zijn.

Binyomin, zeg ik tegen mezelf, je hebt gewoon een kater na al die herdenkingen, na de tig-keer een minuut stilte, na de kransleggingen, de Jizkor ’s met de namen van de concentratie- en vernietigingskampen en voor de zoveelste keer Kadiesj… Pessimisme deugt niet. Uiteindelijk komt alles van Boven, ook de moeizamere tijden. En natuurlijk: ook in ons calvinistische kikkerlandje Nederland houden we gewoon ons Jodendom in stand.

 

 

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

 

 

Dagboek van de Opperrabbijn 7 mei 2023

Loeidruk, waren de afgelopen dagen. Herdenking na herdenking. Woensdag 3 mei stond Leeuwarden op het programma. Daar werden in de Harmonie postuum vijf Yad Vashem onderscheidingen uitgereikt. Maar voor het zover was, had ik eerst thuis bezoek van een technicus met microfoon en camera. Van half elf tot na het nieuws van elf uur zat ik namelijk in de uitzending van Spraakmakers op NPO 1. Naar aanleiding van een uitzending over gestolen erfgoed op televisie (pointer.kro-ncrv.nl/het-verdwenen-joodse-vastgoed) werd er hieraan ook op de radio aandacht besteed. Mij was gevraagd om voor deze uitzending in de studio in Hilversum aanwezig te zijn, maar dat zou ik niet redden omdat ik om 13:00 uur in Leeuwarden werd verwacht en hoewel het programma in Leeuwarden pas om 14:00 uur echt zou beginnen, probeer ik zoveel mogelijk al bij de zogenaamde inloop aanwezig te zijn. Want, en dan spreek ik als ervaringsdeskundige, de inloop en het na-afloop, zijn pastoraal bezien de meest geschikte momenten. De Joodse Gemeente Friesland had een perfect staaltje van organisatietalent getoond. Honderden aanwezigen waren getuige van een indrukwekkende plechtigheid. Vijf helden-die-geen-helden waren kregen uit handen van de ambassadeur van Israël de Yad Vashem onderscheiding als dank voor het actief redden van Joden gedurende de bezetting door de nazi’s. Een indrukwekkende bijeenkomst die een coproductie was van de ‘Vrienden van Yad Vashem Nederland’, de ambassade van Israël en de Joodse Gemeente Leeuwarden. In mijn toespraak verbond ik verleden met heden. Zij die de onderscheiding kregen toebedeeld waren mijns inziens geen helden. Als ze helden hadden willen zijn, hadden ze met groot gevaar voor eigen leven, niets gedaan. Neen, zo benadrukte ik, ze bleven mens in een periode dat negentig procent van de mensen hun besef van menselijkheid waren vergeten. Zo’n beetje dezelfde gedachte die tijdens de Nationale 4 mei herdenking in De Nieuwe Kerk op indrukwekkende wijze werd gebracht door Marcel Möring onder de titel “Mens en medemens”. Marcel Möring had de moed om, nota bene ten overstaan van Koning Willen Alexander, de laakbare opvang van Joden, Roma en Sinti na de bevrijding te vermelden. Koningin Wilhelmina vond na de oorlog dat er geen onderscheid gemaakt mocht worden tussen Nederlanders. En dus geen extra opvang en steun voor de overlevenden van de concentratiekampen…Overigens bekritiseerde onze koning zelf publiekelijk in 2020 zijn overgrootmoeder voor haar rol in de bezettingsjaren.

Maar tot het de Nationale Herdenking op de Dam was, waren Blouma en mijn persoontje op 4 mei om 13:00 uur (aanvang plechtigheid 14:00 uur, maar inloop 13:00 uur!) op het Ereveld in Loenen. Een door de Oorlogsgravenstichting op militaire wijze georganiseerde plechtigheid met honderden en honderden aanwezigen, waaronder vele nazaten, ambassadeurs van acht landen, de burgemeester van Apeldoorn, de Commissaris van de Koning en de Minister van Defensie Kasja Ollongren die een indrukwekkende rede uitsprak. Wellicht een onbelangrijk detail, maar bij de inloop in de VIP-tent waren er voor ons beiden koosjere broodjes geregeld. Het gaat me niet om de broodjes zelf, maar de warmte die die broodjes uitstraalden, het gevoel van welkom, jullie zijn een van ons, maakte indruk. Hoezeer onze aanwezigheid werd gewaardeerd kwam ook tot uiting bij de kranslegging aan het eind van de emotionele plechtigheid. De laatste krans werd namelijk gelegd door Jaap Smit, commissaris van de koning in Zuid-Holland, in zijn hoedanigheid als President van de Oorlogsgravenstichting en door mij, als lid van de Adviesraad van de Oorlogsgravenstichting.

Toen ik vorig jaar bij de herdenking samen met de Ambassadeur van Duitsland een krans legde, was dat een overduidelijke boodschap. Kinderen en kleinkinderen mag je gedrag van (groot)ouders niet verwijten, als ze afstand hebben genomen, in dit geval, van het nazi-gedachtengoed. Maar dit jaar zat er ook, althans zo beleefde ik het, een onderliggende boodschap in de kranslegging van de Commissaris van de koning en mij als Jood. Die gezamenlijke handeling symboliseerde voor mij de strijd die we hand in hand zullen moeten voeren tegen het opkomend antisemitisme. Als het al niet te laat is!

Toen ik gisteren, sjabbat, naar sjoel liep, kwam een leswagen heel zachtjes naast me rijden. Het raampje werd geopend en de rijinstructeur feliciteerde me op een buitengewoon warme en hartelijke wijze met het vijfenzeventig bestaan van Israël, het Heilige Land. Am Jisraeel Chaj, voegde hij er ook nog aan toe. Het maakte mijn sjabbat.

Maar na sjoel ging het mis. Twee fietsende snotaapjes van een jaar of twaalf meenden luidkeels mij de nodige verwensingen te moeten toeschreeuwen waaronder het bekende kanker-jood en ‘ga weg uit dit land’. En uitgaande sjabbat las ik dat in Amsterdam 154 voetbalsupporters waren opgepakt vanwege het zingen van antisemitische liederen. En op mijn whatsapp kreeg ik foto’s van een Davidster, een is-gelijk-teken en een hakenkruis. Op vier plaatsen in mijn woonplaats waren die aangebracht.

Het warme gevoel van de saamhorigheid en het dit-nooit-weer dat ik had gekregen door de televisiedocumentaire KRO-NCRV Pointer op 2 mei, de radio-uitzending van 3 mei, de bijeenkomst daarna in Leeuwarden, de herdenkingsplechtigheden op 4 mei en de rijinstructeur op sjabbat, waren in één keer (bijna) verdwenen.

Am Jisraeel Chaj, het Joodse volk leeft en zal altijd overleven, maar ook in Nederland gaat het ondertussen echt niet goed met de groeiende polarisatie, intolerantie en het steeds meer zichtbaar en geaccepteerd wordende antisemitisme.

Maar om toch (een beetje) positief te eindigen:

Beste Louk,

Het liet me niet onberoerd, toen ik jou, samen met je kleinzoon, als overlevende van concentratiekampen en als trotse Jood (nadat je voor Fl. 7,50 was verraden), de krans zag leggen, bij de Nationale Herdenking op de Dam.

 

 

 

 

Dagboek van de Opperrabbijn van 30 april 2023

Met de vierde mei in aantocht ben ik aan het nadenken over de toespraken die ik zal gaan houden. Wat wordt mijn boodschap? En als ik de boodschap voor mezelf duidelijk heb, ga ik daarna nadenken over ‘de verpakking’ waarin ik die boodschap ga gieten. Dat ‘nadenken over’ doe ik niet gestructureerd, dat wil zeggen, ik ga niet van 15:00 uur tot 16:30 uur ‘zitten nadenken’. Het gonst gewoon door mijn hoofd tot ik de boodschap heb gevonden. En daarna blijft het gonzen in mijn hoofd op zoek naar de verpakking.

Ondertussen heb ik nog niets gevonden en wacht ik op de opwelling. Het moeizame is dat ik bij een herdenkingsbijeenkomst in feite altijd hetzelfde zeg, maar dan wel op zo’n manier dat hetzelfde in andere bewoordingen wordt gebracht. Ik kan ook van het onderwerp niet afwijken en over iets gaan spreken dat met de herdenking niets te maken heeft. Dus met andere woorden:  moet ik steeds hetzelfde verkondigen.

Als ik ergens voor het eerst kom, is dat geen probleem. Maar neem bijvoorbeeld mijn toespraak bij het Kindermonument in Kamp Vught. Ik spreek daar al vanaf 1999, ieder jaar met dezelfde boodschap, maar toch steeds weer in een andere verpakking. Lastig, maar dat is mijn vak. En dus denk ik nu de hele tijd na hoe en wat ga ik zeggen bij de 4 mei herdenkingen en om inspiratie op te doen (en om Blouma te helpen) ga ik nu het gras maaien.

Op 3 mei begint het voor mij met twee toespraken in Leeuwarden. Mijn column voor het papieren-NIW dat op 4 mei verschijnt, heb ik al klaar en heb ik al ingestuurd. Zo’n column is lastiger dan een dagboek. De column zit gekoppeld aan een vastgelegd aantal woorden en een column moet als het ware een begin en een eind hebben met daarin een bericht, gelijk een toespraak.

In mijn NIW-4 mei-column benadruk ik het verschil tussen de geestelijke en de fysieke bevrijding. Een mens kan lichamelijk vrij zijn, maar geestelijk nog diep in het gevang zitten. Ik doel niet op trauma’s die blijven en het slachtoffer zijn/haar gehele verdere leven beïnvloeden, maar ik denk aan bevrijding op ethisch gebied. Want het gewoon in gevangenschap is anders dan het gewoon in vrijheid. Een ordinaire diefstal na de bevrijding kan niet vergeleken worden met een diefstal van een stukje brood in het concentratiekamp waar dat kleine stukje brood het laatste redmiddel kan zijn om te overleven, maar voor de doodzieke, al half overleden medegevangene… En nu kom ik dan, al schrijvend, tot mijn boodschap: Ook vrijheid heeft grenzen nodig, om vrijheid te garanderen.

Ben ik vrij? Kan ik in vrijheid opkomen tegen onrecht? Of laat ik me chanteren om te overleven en schend ik daarmee de echte vrijheid?

Ik zal mijn filosofische woorden uitleggen, het probleem waartegen ik ben aangelopen donderdag jongstleden. Om het probleem onherkenbaar te maken koppel ik het aan X-land.  Een bevolkingsgroep uit X-land wordt en werd al jaren vervolgd. Een aantal hunner is naar Nederland gevlucht om hier een nieuw bestaan op te bouwen, in vrijheid. Die Nederlandse X-landers willen nu een campagne beginnen om het onrecht dat hun is aangedaan in hun X-land bekendheid te geven en vragen mij advies in die strijd. Ik sta volledig achter ze. Wat er met hen geschiedde is totaal onacceptabel. Hun broeders en zusters worden nog steeds vervolgd, belanden in gevangenissen, worden geestelijk en lichamelijk kapot gemaakt. Ik sta geheel achter hun campagne en was in eerste instantie zondermeer bereid vooraan te gaan staan, m’n nek uit te steken. Maar na enig nadenken kwamen er twijfels bovendrijven. Want door hen te steunen zal er vanuit X-land wraak worden genomen op de Joodse X-landse gemeenschap. En ook zal de Nederlandse Overheid tot de orde worden geroepen en heeft Israël er belang bij om vooral de banden met X-land goed te houden. De opperrabbijn van X-Land heeft me verzocht om vooral aan de zijlijn te blijven staan want zodra in zijn X-land mijn naam zichtbaar wordt, zal hij tot de orde worden geroepen. Ik heb als uitgangspunt dat ik niet en nooit aan chantage toegeef, maar als mijn principiële opstelling leidt tot gevaar voor derden. Maar dan nog, gonst het in mijn hoofd, hoe kan ik zwijgen en weigeren openlijk tegen onrecht te strijden.

Tijdens een van de herdenkingen hoorde ik hoe een verzetsstrijder uit de oorlog een boom had gelegd op de weg om de voortgang van Duitse troepen tegen te gaan. De boom heeft vertraagd, maar heeft ook geresulteerd in liquidatie van tientallen onschuldige medeburgers door de moffen! En moet ik dus nu maar beter de adviesvraag van de vluchtelingen uit X-Land maar negeren? Had die verzetsstrijder die boom beter niet kunnen leggen?

Ik kan iets doen vanuit mijn opper-rabbinale positie, maar wat het de een helpt, schaadt het de ander. Dus maar op z’n beloop laten? Het onrecht laten zegevieren?  In de Tweede Wereldoorlog was volgens prof. Presser 5% van de Nederlanders fout. In het verzet zat ook 5%. En de 90% zag en liet het gebeuren. Ga ik me nu voegen bij die 90% die wegkeken en het lieten gebeuren? Meedoen met kuddegedrag? Maar als ik me aansluit bij het verzet, ben ik wel de oorzaak van liquidatie, maatregelen tegen, harde woorden vanuit de regering van X-Land. Lieve lezer van mijn dagboek: ik verzin dit niet en weet niet wat mijn opstelling moet zijn!

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

 

 

Dagboek van de Opperrabbijn van 26 april 2023

Maandag was er bij ons thuis, voor mij voor de voor de laatste keer, een vergadering van Nettie. De Nettie van Zwanenberg-stichting wordt door de insiders, de bestuursleden, gewoonlijk gewoon “Nettie” genoemd. Dat klinkt erg gemoedelijk en dat is nu precies wat Nettie is. Uit de nalatenschap van Nettie van Zwanenberg (Organon! Oss) is een stichting ontstaan die als enig doel heeft om daar waar de nood aan de man (of vrouw) is steun te verlenen. Het gaat niet om grote bedragen, maar de jaarlijkse bestuursvergadering gaat wel gepaard met veel overgave en zorgvuldigheid. We geven geen druppels op gloeiende platen, maar springen wel met kleine bedragen bij om te helpen met een activiteit binnen Joods Nederland, het ondersteunen van een project of de betaling van een Apk-keuring voor een mijnheer die financieel helemaal in de knel zit. Achtendertig jaar geleden ben ik als opvolger van Opperrabbijn Berlinger erbij gekomen en benoemd in de functie van voorzitter van de Raad van Toezicht. Het verschil tussen dagelijks bestuurder en Raad van Toezicht is reglementair vastgelegd, maar meer dan dat is het niet. Wel heb ik als voorzitter van de Raad van Toezicht meerdere Bestuursvoorzitters mogen toespreken bij hun komen en bij hun gaan. Voor deze gelegenheid was, voor mij als verrassing, een oud-bestuursvoorzitter speciaal opgeroepen om mij uit-te-spreken. Mijn Blouma werd voorzien van een prachtige bos bloemen en ik kreeg een zwaan (het symbool van Nettie) van plastic die gevuld was met €492, de getallenwaarde van Nettie van Zwanenberg. De plastieke zwaan was een tsedaka-busje en de vulling, de euro’s, mochten door mij voor tsedaka (liefdadigheid) naar keuze aangewend worden. Geweldig toch! In een woelige wereld waar enige dagen geleden weer een moordende terroristisch aanslag in Jeruzalem was gepleegd, in de schaduw van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne waarvan niemand kan voorspellen hoe die afloopt en wat de onverhoopte gevolgen zijn voor de rest van de wereld, in de periode vlak voor alle 4 mei herdenkingen…om in die periode als Nettie samen te zitten en uitsluitend bezig te zijn met het helpen van de medemens, is geweldig!

Ook kreeg ik een positieve kick van het telefoontje van een hoge Nederlandse bestuurder. Ik had hem meerdere keren gebeld, maar kreeg geen antwoord. Gezien de man zeer druk is en ik dus volledig begreep dat mijn hulpverzoek bijna nul-waarde had ten opzichte van de veel grotere problemen die hij op zijn politieke bord krijgt, was ik meer dan blij verrast een telefoontje van hem te ontvangen. Hij vermoedde dat ik boos op hem zou zijn vanwege zijn niet-reageren! Helemaal niet dus, maar zijn excuus, volledig ten onrechte, kwam wel bij mij binnen.

Wat ook binnenkwam, maar dan op een heel andere wijze, was de reactie op mijn vorige dagboek over kamp Amersfoort. Ik citeer:

“Bedankt voor het dagboek over Kamp Amersfoort. Tijdens het lezen kwam bij mij de herinnering terug van het verhaal van mijn ouders. De hele familie van mijn vader was gedeporteerd en vermoord. Pas jaren na de oorlog ontdekte hij, dat een verre nicht en een neef het ook hadden overleefd. Van mijn moeders kant had alleen een enkele neef de Shoah-dood ontsprongen. De rest was verdwenen is het duistere gat van de vergetelheid via de schoorstenen van Sobibor.

Mei 1945, net bevrijd en op weg naar hun ouderlijk huis, vonden zij, dat hun appartement in de Rivierenbuurt door foute Nederlanders werd bewoond. Mijn ouders hadden geen recht op teruggave. Zij moesten wachten tot de bewoners een ander huis hadden gevonden. De Gemeente Amsterdam bood in het geheel geen hulp aan. Pas maanden later mochten zij terug naar hun appartement. De foute bewoners hadden de gehele inventaris van mijn ouders mee mogen nemen. Mijn ouders keerden terug in een geheel leeggeroofd huis. Ook fornuis, gordijnen en vaste vloerbedekking waren verdwenen. 

Toen mijn ouders moesten onderduiken, heeft hun garagehouder aangeboden de auto van mijn vader in bewaring te nemen. Deze auto had hij achter in zijn garage opgeslagen en bewaard. Vrome RK-vrienden van mijn ouders hadden contant geld voor hen opgeslagen, begraven in wekflessen in hun tuin. De auto en het geld hadden de oorlog ‘overleefd’ en werden teruggegeven. Ja, er waren ook eerlijke mensen, hoewel ze helaas niet tot de meerderheid gerekend kunnen worden.

Toen de Gemeente. Amsterdam erachter kwam dat de personenauto weer in het bezit was van mijn ouders, heeft de Gemeente beslag gelegd op dit voertuig. De auto werd ter beschikking gesteld van een hoge gemeenteambtenaar. Af en toe mocht mijn vader zijn auto even lenen van de Gemeente. Tot in 1946 heeft dit geduurd., nadien kreeg hij zijn eigen auto weer terug. Meer dan een jaar na de bevrijding. Huur en/of km vergoeding werd uiteraard niet betaald.

Nooit ben ik erachter gekomen, hoe de mooie collectie -antieke- joodse gebedenboeken van mijn grootvader zijn teruggekomen. Mijn getraumatiseerde vader heeft daar nooit over kunnen praten. Deze boeken heb ik nu. Onze (klein-)kinderen hebben er geen belangstelling voor.

Bovenstaande gedachten kwamen zomaar in me op, naar aanleiding van uw dagboek. De geschiedenis herhaalt zich!”

Ik, Binyomin Jacobs, dagboekschrijver en in mijn vrije tijd opperrabbijn, heb hieraan niets toe te voegen. Zo vlak voor 4 mei loopt bij mij alles door elkaar. Boosheid en dankbaarheid, moordenaars en weldoeners, Auschwitz en de liefdadigheids-Stichting van Nettie waarvan ik achtendertig jaar lang deel mocht zijn.

 

 

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

 

 

Dagboek van de Opperrabbijn van 23 april 2023

De herdenking Kamp Amersfoort was heel indrukwekkend en erg goed georganiseerd. In mijn vorige dagboek heb ik er al gewag van gemaakt. Ik herhaal het maar even:

Waarom moest na de oorlog Kamp Amersfoort verzwegen worden? Waarom geen enkele aandacht voor dit Kamp vanuit het …. Er wordt onderzoek naar gedaan en de nieuwe directeur, met volledige steun van het bestuur, is aan het onderzoeken wat hier na de oorlog speelde. Want dat er iets niet koosjer was met Kamp Amersfoort na de oorlog lijdt bij mij geen twijfel. De nieuwe directeur wil met mij hierover spreken. Ik ben benieuwd en voelde me bijzonder welkom geheten bij de plechtigheid. Een gereserveerde plaats vooraan. Ik voelde een erkenning van wat ik ben: een Jood. In dit afschuwelijke kamp werd afgrijselijk geleden door iedereen, maar de Joden kregen daarbovenop nog een extra behandeling.

Dat er iets niet koosjer is in Kamp Amersfoort na-de-oorlog, staat voor mij als een paal boven water. Toen ik bij de opening van het Herinneringscentrum in 2004 een toespraak zou houden was er een brief gekomen bij de toenmalige directeur dat de rabbijn niet zou mogen spreken. Ook de directeur voordat hij directeur was en een andere functie bekleedde, werd in zijn vorige functie bedreigd met ontslag omdat hij een Herinneringscentrum wilde oprichten voor Kamp Amersfoort. En toen jaren later er een monument bijkwam voor onderduikouders, werd mij door een van de toenmalige bestuurders verteld dat zijns inziens er te veel aandacht aan de Joden werd besteed. Het feit dat ik nu zo duidelijk een warm welkom werd geheten toonde dat er een andere wind waait en er alles aan gedaan gaat worden om het “geheim” van Kamp Amersfoort na-de-oorlog boven water te krijgen. Waarom spreek ik van een “geheim”? De dag na de opening van het Herinneringscentrum in 2004 was ik in de gevangenis van Groningen voor de onthulling van een monument ter nagedachtenis aan de Expogé (ex-politieke gevangenen). Naast mij zat een oude man in een legeruniform met een waslijn aan medailles. Ik had nog de gedachte om mijn twee medailles van de avondvierdaagse op te doen… De oud-militair vertelde mij dat hij mij de dag tevoren had horen spreken in Kamp Amersfoort en dat hij bij de opening was geweest omdat hij in de oorlog in Kamp Amersfoort gevangen had gezeten. Op mijn vraag wat er aan de hand was met Kamp Amersfoort na-de-oorlog, vertelde hij mij dat er geheimen zijn die zo afschuwelijk zijn dat je ze meeneemt in je graf.

Maar wat het geheim ook moge zijn, er wordt door de nieuwe directie aan gewerkt om te achterhalen wat er verborgen moet worden gehouden.

Ondertussen wordt er op verschillende plaatsen gewerkt aan de zogenaamde restitutie-gelden. Het woord ‘restitutie’ klinkt heel netjes en zuiver, maar wat ermee bedoeld wordt is gewoon “gestolen geld en gestolen huizen aan de nazaten van de Joden die men heeft laten vermoorden terugbetalen”. Gelukkig zijn er vele gemeenten die uit volle overtuiging alle medewerking verlenen om de gemeentelijke diefstal in de huidige schijnwerpers te plaatsen. Echter, blijken vooralsnog tientallen Nederlandse gemeenten niet te willen meewerken aan dit onderzoek. Enige van hen geven als reden op dat er geen Joden meer woonachtig zijn in hun gemeente! En dus mag kennelijk de diefstal van Joodse bezittingen verzwegen worden. Met 4 mei in aantocht word ik er niet vrolijker op. Maar we moeten doorgaan. Am Jisraeel Chaj!

Velen hebben de gewoonte om dagelijks drie of één hoofdstuk te leren uit de Rambam, Maimonides. Zowel de lerners van één hoofdstuk per dag alsook de lerners van drie dagelijkse hoofdstukken hebben allen gisteren het boek Jad Hachazaka beëindigd. Het laatste hoofdstuk spreekt over de tijd van de Mosjiach. De wereld zal gewoon continueren, maar doordat ieder de aanwezigheid van G’d zal erkennen, zal er alom vrede heersen, echte sjalom. En dus geen oorlogen, geen jaloezie, geen afgunst. Ook geen lasjon hara, kwaadsprekerij. Woorden kunnen doden, vlijmscherp zijn, mensen letterlijk kapot maken. Maar met woorden kun je ook de medemens verheffen, moed geven, troosten, sjalom, innerlijke rust, brengen.

Gisteren sprak ik een bestuurder met wie ik eigenlijk weinig contact heb omdat hij geen voorzitter is, maar gewoon bestuurder van een van mijn Joodse Gemeenten. Out of the blue liet hij mij weten dat hij mijn inzet voor Joods Nederland zeer waardeert. Het gaf mij een goed gevoel. Kostte hem niets, maar was voor mij op dat moment van grote waarde, want ik zag het net even bijna helemaal niet meer zitten vanwege al die herdenkingen en het daaraan gekoppelde onbeschrijfelijke verdriet. Am Jisraeel Chaj, het Joodse volk leeft en overleeft…maar onderweg sneuvelen er zo ontzettend veel.

Een Nederlandse vriend die nu in Israël woont vroeg mij wat te antwoorden op de vraag waarom G’d al die onbeschrijfelijke misère tolereert. Mijn antwoord was dat er geen rationeel antwoord op die vraag bestaat, omdat de Ratio niet mijn afgod is, maar de G’d van Awraham, Jitschak en Jaäcov. En die G’d is in essentie niet te vatten. En dus ook zijn Zijn Daden vaak verstand-overstijgend. Maar uiteindelijk gaat alles zoals het moet gaan, ook als we het van geen kant kunnen plaatsen en bevatten.

 

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

 

 

Dagboek van de Opperrabbijn 19 april 2023

Omdat 4 mei (herdenken) en 19 april Jom Hasjoa (herdenken) vlak na elkaar vallen huppel ik van herdenking naar herdenking.  Dat klinkt ietwat moe (en zo voel ik ook), maar, de 4 mei herdenkingen nog te gaan, weet ik mij juist door de moeheid gesterkt.

Maandag jl. kwam ik aangevlogen uit New York en dinsdag de eerste herdenkingsbijeenkomst in Warnsveld. In het psychiatrisch centrum GGNet werd ten tijde van corona een namenmonument onthuld zonder aanwezigen. Twintig namen van patiënten die vanwege hun Jood-zijn werden afgevoerd om in Sobibor te worden vergast. Moos, een van de patiënten, zei voor zijn vertrek aan een van de verpleegkundigen dat ze een uitstapje gingen maken…Misschien, zo dacht ik toen ik dit hoorde tijdens de herdenking, maar beter dat hij niet besefte wat er gebeurde. Vrolijk liep hij door de poort op weg naar de gaskamer, want hij was geestesziek en Jood, dubbel gehandicapt. De inzet, de overgave, de motivatie waarmee deze bijeenkomst was georganiseerd was geweldig. Toen ik mijn toespraak hield zag ik op de eerste rij van de Vredes Kapel de geestelijk verzorgster van GGNet en hoofdorganisator van de geweldige bijeenkomst met tranen in haar ogen naar mij luisteren. Er werd gehuild om wat hun werd aangedaan…Ook mijn chauffeur, een jongeman uit Amersfoort die eind mei op aliya gaat naar Israël, liep te huilen toen bij de poort de namen werden voorgelezen van de twintig patiënten en het Jizkor, het herdenkingsgebed werd uitgesproken. Dank organisatie, dank alle aanwezigen, dank directie en bestuur van GGNet, dank vooral ook burgemeester voor jullie aanwezigheid en betrokkenheid.

Toen snel naar Amsterdam gereden waar de poorten van de Snoge om 18:15 uur open zouden gaan voor de nationale Holocaust herdenking. Zoals alle jaren een grote opkomst, maar dit jaar had ik het gevoel dat er veel meer jongeren aanwezig waren. Een perfect met veel nesjomme-bezieling georganiseerde plechtigheid op de plaats waar na de oorlog Joden, de overlevenden, bijeenkwamen voor de eerste sjoeldienst na de bevrijding. Toen aan het eind van de plechtigheid het Wilhelmus werd gezongen dacht ik aan mijn vader die toentertijd aanwezig was als een van de weinige overlevenden van zijn/onze familie. Een korte maar erg duidelijke toespraak van burgemeester Halsema: een en al waarschuwing (helaas, maar keihard nodig!). En dan de toespraak van de overlevende die aan het eind van de oorlog vier jaar was en zichzelf daarom een combinatie noemde van eerste en van tweede generatie. Knap heeft ze heel subtiel aangegeven hoe zeer niet welkom de overlevenden waren. Nu moest ik aan mijn moeder denken die dankzij niet-joodse medemensen de oorlog had mogen overleven. Rechtvaardigen onder de Volkeren, die met gevaar voor eigen leven mijn moeder en vele, vele anderen hadden gered. Dankzij die helden besta ik nu. Maar aan mij werd nauwelijks iets verteld over de oorlogsjaren. Wel werd mij van kind wijs af aan op het hart gedrukt dat ik niet bang hoefde te zijn, want het zou nooit weer gebeuren. Maar wat dat ‘het’ was, bleef onbenoemd. Wel heb ik vaak moeten horen dat mijn moeder na de oorlog al haar spaargeld kwijt was. Zo zuinig als mijn lieve moeder was, had ze alle spaarcentjes netjes op een spaarrekening gezet bij de lokale bank. Maar omdat ze er niet in was geslaagd haar spaarbankboekje ook te laten onderduiken, kon ze haar spaarcentjes van jaren sparen niet meer opnemen. Welkom terug in bevrijd Nederland waar het welkom van geen kant door overlevenden werd gevoeld als een welkom, maar als een helaas overleefd. Mijn moeder kwam dus uit Steenwijk. Ik laat de houding van de burgemeester tijdens de oorlog even buiten beschouwing, maar denk aan de jaren na de oorlog, na de bevrijding. Geen opvang, uitsluitend rekeningen, confisqueren, diefstal. Toen, ik denk zo’n dertig jaar geleden, op de Joodse begraafplaats het Metaheerhuisje was gerestaureerd en er rondom die restauratie een herdenkingsplechtigheid werd gehouden, liet de burgemeester verstek gaan, want hij moest die zondagmiddag tennissen: de schurk! Als ik nu anno 2023 de graven van mijn grootouders, overgrootouders en vele familieleden wil bezoeken, dan is de sleutel niet te verkrijgen op het Stadhuis of op een andere nette plaats. Neen, de sleutel zit in een flesje verstopt onder de aarde ergens voor de poort. Het geeft mij het gevoel, nog steeds, als nazaat van vele generaties Joodse Steenwiekers, dat ik nog steeds niet welkom ben.

Vanmiddag, donderdag, een zeer bijzondere herdenking van de bevrijding op 19 april 1945 van Kamp Amersfoort. Waarom moest na de oorlog Kamp Amersfoort verzwegen worden? Waarom geen enkele aandacht voor dit Kamp vanuit het …. Er wordt onderzoek naar gedaan en de nieuwe directeur, met volledige steun van het bestuur, is aan het onderzoeken wat hier na de oorlog speelde. Want dat er iets niet koosjer was met Kamp Amersfoort na de oorlog lijdt bij mij geen twijfel. De nieuwe directeur wil met mij hierover spreken. Ik ben benieuwd en voelde me bijzonder welkom geheten bij de plechtigheid. Een gereserveerde plaats vooraan. Ik voelde een erkenning van wat ik ben: een Jood. In dit afschuwelijke kamp werd afgrijselijk geleden door iedereen, maar de Joden kregen daarbovenop een nog een extra behandeling.

Omdat ik nog moet kunnen slapen stop ik met de herdenkingen en de daaromheen emotionele gevoelens die die herdenkingen bij mij teweegbrengen. Het grijpt me te veel aan. In het volgende dagboek ga ik wel verder. Maar de Whatsapp die ik ontving van een Joodse vrouw die met een niet-jood is getrouwd, wil ik u niet onthouden:

“Mijn man heeft een boek geschreven en vandaag was de presentatie. Mijn niet-joodse man vermeldt terloops dat hij met mij, zijn Joodse echtgenote, gelukkig is getrouwd. Mooi. Komt na afloop van zijn speech een van de aanwezigen naar me toe met de vraag hoelang ik al (vanuit Israël), in Nederland woon?? …Huh…Er is nog een wereld te winnen.”

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

 

 

Dagboek 16 van de Opperrabbijn van april 2023

“Een gezonde zomer” is de wens die we tot elkaar richten na afloop van Pesach. En dus wens ik u allen ook “een gezonde zomer”.  U heeft mijn dagboek (hopelijk) gedurende de Pesach-dagen gemist. De reden was: Pesach! Vier dagen Jom Tov met de daaraan gekoppelde restricties die bijna even zwaar zijn als de sjabbat-wetten. En ook Chol Hamo’ed, de tussendagen, zijn weliswaar geen volle Jom Tov-dagen, maar wel halve. En dus heb ik Pesach niet aan de computer mijn dagboek zitten schrijven, maar ben ik nu dus weer terug met een sociale wens: “een gezonde zomer”.

Eigenlijk past het wel bij Pesach. Hoewel de Seideravond, het begin van Pesach, zo’n beetje het summum van Joodse gezelligheid is met kinderen en gasten, is Pesach toch ook een vrij asociaal gebeuren, je leeft ietwat teruggetrokken en hoort, nadat al het gerezene verbrand was, je te concentreren op het ongerezen brood, de matzes. Spiritueel vertaald: na de vernietiging van het gerezen gevoel, hoogmoed en egoïsme, ligt de nadruk, acht dagen lang, op bescheidenheid, het ongerezen gevoel. Maar na dat in onszelf gewijzigde gedrag moeten we juist de wereld intrekken om aan onze directe en ook verre omgeving een positieve bijdrage te leveren. Vandaar o.a. direct na Pesach elkaar gewoon een goede zomer te wensen. Niets hoogdravends, gewoon vriendelijk, down to earth.

Blouma en ik waren gedurende Pesach weliswaar niet uit Egypte getrokken richting Israël, maar we waren wel weg. Wat mij gedurende onze afwezigheid opviel was dat een gewoon vriendelijk woord, een glimlach, een how-are-you, zo ontzettend fijn kan overkomen. Laat ik iets duidelijker zijn. Toen we de maandag van de Tussendagen-Pesach, van Montreal naar New York vlogen, hadden we te nauwer nood onze vlucht gehaald. Het vliegtuig moest om 18:00 uur vertrekken en wij zaten om 18:03 uur pas in het toestel. De reden: de USA-paspoortcontrole op het vliegveld van Montreal duurde meer dan twee en een half uur want voor zo’n 500 passagiers waren er slechts drie grenscontroleurs. En wat zie je dan gebeuren: sommige mensen gaan met de smoes dat ze hun vlucht gaan missen (iedereen had dus hetzelfde probleem!) voordringen. Je ziet ook medewerkers van het vliegveld die totaal gevoelloos zijn voor de problemen waarmee de reizigers worden geconfronteerd. Maar ook heel veel mensen steunen elkaar. Een jonge vrouw die achter ons in de rij stond en zeker haar vlucht al niet meer kon halen, adviseerde ons om een bepaalde app op te laden, die in te vullen en dan zouden we sneller, als we eindelijk aan de beurt zouden zijn, door de controle kunnen komen. Uiteindelijk konden we geen gebruik maken van die app omdat daarvoor de USA-nationaliteit was vereist, maar toch. Ze wilde helpen. Toen we eindelijk bij het vliegtuig aankwamen was het personeel van Air Canada een en al vriendelijkheid en begrip voor onze verlate aankomst bij de gate. In de verschillende sjoels waar ik heb gedawend, was ook iedereen bijzonder vriendelijk. Ik voelde me echt welkom. Uiteraard mocht ik de nodige toespraken houden, want zo werkt dat in de rabbinale wereld. Privé en werk, en werk en privé zijn één. Maar de warmte die ik mocht voelen, is me niet in de koude kleren gaan zitten.

Op dit moment zit ik in het vliegtuig tussen New York en Amsterdam. Ik heb nog nauwelijks het middaggebed uitgesproken of ik moet snel het avondgebed doen voordat het ochtendgebed aan de beurt is. Deed me even denken aan de Halagische-Joods wettelijke vraag hoe vaak iemand, die met een satelliet rond de aarde vliegt, per week de sjabbat moet houden. Mijn koosjere maaltijd heb ik inmiddels genuttigd. Prima kwaliteit, alleen het verwijderen van de dubbele verzegelde verpakking is altijd een gevecht dat ik doorgaans wel win maar meestal ten koste van de nodige vlekken op mijn overhemd.

Voordat ik in de hogere sferen een uiltje ga knappen kijk ik nog even naar mijn agenda voor de komende week. Uiteraard wordt dadelijk eerst de mededeling op mijn computer dat ik tijdelijk afwezig ben verwijderd. Vandaag, inmiddels is het dus maandag, eerst mijn post doornemen en een aantal e-mails beantwoorden. Dinsdag er weer keihard tegenaan. Om 9:00 uur een podcast opname. Een waslijst van vragen, die me zijn toegestuurd, zal ik moeten beantwoorden. Ik ga ze echter niet van tevoren bekijken, want dan is de spontaniteit er af. Bovendien kost de podcast me dan twee keer zoveel tijd. De opname zal bij mij thuis zijn, dat scheelt. Daarna herdenking Warnsveld en van Warnsveld naar Amsterdam naar de Snoge voor de jaarlijkse herdenking van de Sjoa.

Terug dus naar het dagelijks leven, hopelijk vanuit nederigheid en respect voor (bijna) ieder medemens. Als die nederigheid gaat ontbreken is Pesach zinloos geweest. Er staan herdenkingen op het programma de komende weken, ik zal weer de nodige toespraken moeten voorbereiden, een aantal zieken moeten bezoeken en politiek moeten bedrijven. Voor dinsdag heb ik al een vrijwillige chauffeur geregeld, maar ik heb er nog op korte termijn twee nodig voor een rit naar Antwerpen en voor mijn Brussel-dag voor de RCE, Rabbinical Center of Europe. Wie stelt zich kandidaat? Wel een verzoek aan de vrijwillige chauffeur: houdt u aan de snelheidsbeperking, want een van mijn vrijwilligers heeft het gepresteerd om recentelijk op één dag vier bekeuringen binnen te halen, uiteraard op mijn conto!

Over de jongeman die al vanaf 2016 in een afschuwelijk land in een nog afschuwelijkere gevangenis zit weg te kwijnen enkel en alleen omdat hij een Jood is, heb ik vernomen dat hij misschien een dezer dagen vrij komt en dat hij het fysiek en geestelijk toch nog redelijk maakt. Of ik nog iets moet betekenen in deze kwestie is mij nog niet bekend. Mijn gesprek met de ambassadeur van een Arabisch land waarvan ik nauwelijks het bestaan wist, had niets opgeleverd, zo werd me verteld. Maar nu, via een ander kanaal en als gevolg van de veranderde oorlogssituatie in het land waar de stumper gevangen zit, is er weer hoop.  

Waarover ik een dezer dagen ongetwijfeld, mezelf kennende, zal schrijven is nieuwe informatie over het oorlogsverleden van Steenwijk, de geboortestad van mijn moeder. De opstelling tijdens de oorlog, maar zeker ook na de oorlog, van de HH-burgemeesters, riekt niet fris, om het netjes te verwoorden. Blouma attendeerde mij erop dat ze vermoedt dat in een andere Gemeente de restitutiegelden niet aan de Joodse gemeenschap worden (terug)gegeven of anderzijds ten goede komen van de Joodse Gemeenschap, maar worden aangewend om een monument te bekostigen ter nagedachtenis aan de Joden die werden vermoord. Als dat klopt, maar ik heb me er nog niet in verdiept, voelt dat alsof de Joden die vermoord werden ook nog eens hun eigen grafzerken moeten betalen…mooier kan ik het niet verwoorden!

Het licht gaat aan in het vliegtuig. Het is 5:15 uur NL-tijd. Voor mij nog maar 23:15 uur New York tijd. Verwachtte aankomsttijd is 6:50 uur.

 

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .