Dagboek van de Opperrabbijn 1 januari 2025
Het leek me wel zo netjes om er met Nieuwjaar even tussenuit te gaan. Ik bedoel niet met vakantie (of nog erger), maar even te stoppen met mijn dagboek-geschrijf, hoewel ik dat eigenlijk ook niet bedoel! Neen, wat ik wilde aangeven is dat omdat ik zo’n beetje non-stop aan het schrijven ben, moeten al die vrijwilligers ook aan de slag om mijn dagboek op de diverse social media te krijgen met alles wat daarbij komt kijken. En vrijwilligers mogen ook af en toe rust hebben. Dus voor jullie, mijn vrijwilligers die mijn dagboek vooraf telkens weer corrigeren op taalfouten, vergissingen en doublures, etc.: allemaal alsnog een goed en gezond jaar gewenst, een jaar van sjalom. Ik heb dus de Chanoeka-dagen vrij van dagboekenen (nieuw woord) genomen.
Waar heb ik de lichtjes (hopelijk) niet alleen fysiek ontstoken maar ook spiritueel?
Het eerste lichtje was heel bijzonder, afwijkend van de gewone Jacobs-Chanoeka-Toer. Een voormalig bestuurder en vriend was wegens ziekte dit jaar niet in staat om naar de publieke Menora te gaan. En dus gingen Blouma en ik met nog twee vrienden van de zieke naar zijn huis. Als Mozes niet bij de berg komt, dan komt de berg bij Mozes. Ik weet niet of de uitdrukking bestaat, zo niet, dan vanaf heden wel. Dat eerste lichtje was bijzonder, warm, oprecht en hoewel niet publiekelijk, voelden we allen de geweldige uitstraling. Mochten we volgend jaar nog niet met de komst van de Mosjieach in Jeruzalem zijn, dan gaan we onze vriend niet nogmaals in zijn huis bezoeken, maar gewoon bij de publieke Menora. Vanaf dit dagboek voor hem en voor allen die een refoe’a sjeleema, een spoedig herstel, nodig hebben, of een bevrijding uit gevangenschap of een verlossing van misère: een goed en gezond jaar, vol licht, vreugde en sjalom!
Maar na die eerste dag verliep alles volgens het jaarlijkse Chanoeka-plan. Waar we waren? Dag twee in Bourtange, voor het eerst niet onder leiding van de heer Fokkens die vanaf dag één de grote leider was. Heer Fokkens: vanaf deze plaats dank voor al uw inzet. U was en blijft, zeker voor mij, de Ambassadeur van Joodse Nederland in de Noordelijke Provincies. Dank ook dat u voor perfecte opvolging hebt gezorgd en dus Bourtange weer een groot succes was, qua kwaliteit en qua kwantiteit. Bijna 150 aanwezigen. Dag drie, vrijdagavond, ging mis. Normaliter plaats ik een grote advertentie in het NIW met de locaties, data en tijden waar de menora publiekelijk wordt aangestoken. Omdat sommigen juist niet willen komen dit jaar als er te veel ruchtbaarheid aan is gegeven, heb ik van die advertentie afgezien. Niet omdat ik de angst terecht vind, absoluut niet, maar omdat ieder het recht heeft om bang te zijn. Geen landelijke advertentie dus. En desondanks zeer grote lokale opkomsten. Uitgaande sjabbat was ik in Kampen bij mijn vriend de burgervader Sander de Rouwe. Gigantische opkomst. Helaas, er moet altijd iets fout gaan, had het bestuur van Zwolle, waar Kampen onder ressorteert, geen uitnodiging ontvangen. Foutje! Volgend jaar beter.
Als vrijwillige chauffeur had ik drs. Leopold Smole meegenomen omdat hij in Kampen als rabbinaal-archeoloog momenteel actief is in verband met de voormalige en dus verplaatste oude Joodse begraafplaats waar mogelijk nog stoffelijke resten zouden kunnen zijn achtergebleven. De meeste chauffeurs gaan mee omdat ze het interessant vinden de lezing of plechtigheid te beleven en omdat ze van alles en nog wat te zien krijgen dat ze anders nooit zouden hebben zien en/of horen. De boodschap van mijn toespraak, had ik Leo op de heenweg uitgelegd, is het verlichten van de duisternis. Die boodschap werd door hem iets te letterlijk opgevat. Ik leg het uit: omdat we niet wisten waar te parkeren heb ik mijn vriend de Kamper- burgemeester gebeld omdat bij de plaats-der-ontsteking geen parkeergelegenheid was. En dus moesten we naar het Gemeentehuis rijden, parkeerden op een van de parkeerplaatsen bestemd voor het college van B&W naast de auto van de burgervader en liepen toen met burgermeester en zijn echtgenote naar de ontstekingsplaats. Om een lang dagboek kort te houden. Toen we enige uren later bij onze auto arriveerden bleek onze Leo de verlichtingsboodschap te letterlijk opgevat te hebben, want de autolampen brandden nog steeds omdat hij de motor niet had uitgeschakeld. Licht in duisternis! Misschien moet dit Kamper-Chanoeka-Wonder jaarlijks herdacht worden, want het was onbegrijpelijk dat de accu het had overleefd.
Na zondag samen met de Brabander rabbijn Simcha Steinberg in Eindhoven voor het Stadhuis in aanwezigheid van burgemeester Jeroen Dijsselbloem de menora te hebben aangestoken en gisteren Lelystad en Zutphen te hebben gedaan, ga ik nu mijn Nieuwjaarsdag-dagboek stoppen want ik moet dadelijk naar Apeldoorn om vervolgens de Chanoeka-Toer-5785/2024/2025 in Amersfoort af te sluiten.
Moge het voor ons liggende jaar de echte en blijvende sjalom brengen voor “alle bewoners van Uw aarde, wie ze ook zijn en waar ze zich ook bevinden”.
Chanoeka 5785
Het klopt dat de Hellenistische heerschappij het niet toeliet dat de Joden op hun eigen Joodse manier wilden leven. Het is juist dat het kleine groepje Maccabeeërs de strijd aanbond met de Griekse overheersing en keihard weigerde om mee te doen met de Hellenistische manier van doen en laten, die alles liet draaien om het welzijn van het lichamelijke. En het is ook waar dat op Chanoeka, het Inwijdingsfeest, de Joden hun vrijheid van G’dsdienst heroverden.
Maar het is pertinent onjuist om de vrijheid van G’dsdienst, die de Maccabeeërs wisten te verwerven, te verbreden tot een alomvattende en mondiale vrijheid van denken. Vrijheid kent zijn beperkingen en zijn grenzen, zoals ook democratie zijn beperkingen moet hebben. Als democratie misbruikt gaat worden om andersdenkenden te elimineren…als vrijheid betekent dat respect voor de medemens niet meer van kracht is…als er een zienswijze ontstaat die de mens tot G’d wil verheffen en hem het recht geeft te oordelen over leven en dood… dan is dat niet de vrijheid waarvoor de Maccabeeërs streden. De vrijheid van G’dsdienst kent grenzen en juist daarom is het een echte vrijheid. Maar als we naar de Menora kijken zien we niet alleen de geschiedenis van toen met vertaalslagen naar de huidige samenleving. Het is geen fakkel die brandt in de Menora, maar het zijn kleine zuivere en kwetsbare vlammetjes. Vlammetjes die, naast de grote geschiedenis, ook de individuele mens met zijn emoties demonstreren.
Een jongen van 24 jaar, terwijl hij uit het raam van de trein kijkt, roept luidkeels: Pa, kijk, de bomen verliezen van ons, want wij gaan veel sneller! De vader kijkt naar zijn zoon vol zichtbare vreugde en met een innige glimlach. Een jong stelletje, dat in dezelfde coupé van de trein zit, kijkt verbaasd naar de reactie van de vader. Zij begrijpen niet dat de vader de infantiele opmerking met een glimlach afdoet, maar komen tot de trieste conclusie dat de volwassen ogende zoon lijdt aan een ernstige psychische stoornis. Een tijdje later brult de zoon geëmotioneerd: Papa, de wolken in de lucht gaan net zo snel als onze trein!
Het stelletje kan nu zijn mond niet meer houden en zegt tegen de vader: mijnheer, we willen ons niet bemoeien met uw zoon en met zijn gezondheid, maar het zou verstandig zijn om met hem naar een goede dokter te gaan, bij voorkeur naar een psychiater. Oprechte dank voor jullie advies, reageert de vader, maar mijn zoon komt net terug van een verblijf van enige weken in het ziekenhuis en heeft een ingewikkelde behandeling ondergaan. Niet van een psychiater, maar van een neuroloog. In jullie optiek vertoont mijn zoon een afwijkend en gestoord gedrag. Maar jullie moeten weten dat mijn zoon vanaf zijn geboorte blind was. Vandaag is de eerste dag in zijn leven dat hij kan zien! Voor mij is het een onbeschrijfelijk wonder! Het jonge stelletje schoot vol tranen, was volkomen verbouwereerd en tegelijkertijd vol schaamte over hun foutieve en kwetsende opmerking.
Ieder mens heeft in zich een vlammetje. En ieder vlammetje is uniek. Ieder vlammetje heeft ook een eigen geschiedenis. De Menora wordt aangestoken voor het raam, als het buiten donker is. Meestal zijn alleen de vlammetjes zichtbaar, maar de olie en ook het lontje onttrekt zich aan het gezichtsveld. Waarvandaan het mooie warme lichtje komt, is dus eigenlijk onbekend. Maar tegelijkertijd, zo luidt de Joodse wet, als het vlammetje het resultaat is van een brandstof met een onfrisse geur, dan kan hiermee de Menora niet worden verlicht. Met andere woorden: Als de uitstraling van de medemens afkomstig is van een stinkende bron, dan is het ogenschijnlijk positieve licht niet-koosjer. Maar als de bron zuiver is, ook als wij het lontje en de brandstof niet kunnen zien, de geschiedenis is ons onbekend, dan moeten wij ervoor waken om te (ver)oordelen.
Dit leert ons het licht van de Menora, ook en juist anno 5785 -2024!
Dagboek van de Opperrabbijn 18 december 2024

Ik raak een beetje in de war. Chanoeka is in aantocht en ik weet niet precies meer hoe ik me moet gaan gedragen en waar ik met Chanoeka wel en niet mag zijn, of ik dat wel of niet mag aankondigen en uiteraard is het me niet meer duidelijk wat ik wel of niet mag zeggen. Nog niet zolang geleden werd me nog verteld dat ik vooral moet blijven doen wat ik deed. “Jij doet wat je meent te moeten doen, jij zegt wat je meent te moeten zeggen, en aan ons, de Nederlandse Overheid, is het er zorg voor te dragen dat jij dat veilig kunt uitvoeren”. Maar die opstelling is gewijzigd, met de beste bedoelingen en omwille van mijn veiligheid en welzijn. Het advies luidt nu dat ik beter niet kan publiceren waar ik met Chanoeka de Menora publiekelijk ga aansteken, maar achteraf aan u, mijn trouwe dagboekenier, laat weten waar en voor wie ik de Menora aangestoken heb.
Maar ook word ik benaderd met adviezen wat ik wel mag zeggen en wat vooral niet. Sommige burgemeesters zijn bevreesd dat ik bij het aansteken van de Menora politieke standpunten ga verkondigen die misschien niet door ieder worden gewaardeerd. Duidelijk, ik zal braaf luisteren.
Maar zo duidelijk is het toch eigenlijk ook weer niet. Want stel ik ga verkondigen dat de Maccabeeërs streden voor vrijheid van godsdienst. Dan is dat ten eerste niet helemaal waar, maar, los hiervan, kwets ik dan velen wier geloof tegen vrijheid van godsdienst is, want ieder mens moet zich tot hun geloof bekeren en als dat niet goedschiks kan, dan maar met geweld. Fantaseer ik? Ik denk het niet want als we om ons heen kijken, zien we vele landen waar de bevolking wordt gedwongen tot een manier van leven die met vrijheid van godsdienst of vrijheid van denken niets meer van doen heeft.
Overigens zien we dat ook in ons eigen vrije Nederland. Kinderen die worden opgevoed met haat naar andersdenkenden of medemensen met een andere geaardheid.
Kort samengevat wat men van mij wil: schrijven waar ik was, en niet waar ik zal zijn. Geen politieke uitspraken, waar sommigen zenuwachtig van kunnen worden en vooral woorden van verbinding verkondigen.
Nou ben ik zwaar voor de verbindende woorden, maar als de andersdenkenden weigeren naar mij te luisteren, met mij niet willen spreken, maar wel thuis te horen krijgen hoe slecht wij Joden zijn, de hele wereld regeren, rivieren vergiftigen en bloed van niet-joodse kinderen gebruiken om onze matzes te bakken en dat dus verdelging de enige manier is om van ons en van het land Israël af te komen, dan weet ik niet zo goed wat ik bij de zuivere vlammetjes van de Menora wel of niet mag zeggen.
Ik vroeg mijn zoon die in een van de Joodse wijken van Londen woont of hij last heeft van antisemitisme. Zijn reactie: helemaal niet. Maar, zo vervolgde hij, als kind in Nederland werd ik wel iedere sjabbat op weg naar sjoel uitgescholden. Mag ik dit bij de Menora nou wel of niet vermelden of is dit te politiek?
Dagboek van de Opperrabbijn 15 december 2024
Vandaag zat ik de hele dag in Brussel voor mijn werkzaamheden voor de RCE, de Rabbinical Center of Europe. Wat ik daar precies doe? Lokale rabbijnen helpen met problemen waar ze zelf niet uitkomen en waarvan ze hopen dat ik er wel raad mee weet (hetgeen ik ook hoop!). Zo’n dag werkt uitputtend. Na afloop, nu dus, ben ik bekaf en dan ook dankbaar dat de rabbinale-archeoloog Leo Smole mijn chauffeur is en ik dit dagboek nu tussen Brussel en Amersfoort kan schrijven, met af en toe een dutje.
Donderdag was een bijzonder hoogtepunt, een pré-Chanoeka bijeenkomst in de Tweede Kamer. Leest u maar het verslag dat mij werd toegezonden, daags na de viering, door een van de aanwezige participanten:
Zingen in de Tweede Kamer
Omdat de eerste dag Chanoeka, het Joodse Inwijdingsfeest, dit jaar op 25 december valt en zowel de Kamer dan met kerstreces is en veel leden van de Joodse gemeenschap op vakantie zullen zijn, wordt er dit jaar geen Chanoeka viering in de Tweede Kamer georganiseerd, maar een pre-Chanoeka-bijeenkomst. Vanuit religieus perspectief heeft dat weinig betekenis, maar vanuit sociaal-maatschappelijk oogpunt meer dan waardevol. Het was een moment van ontmoeting tussen beleidsmakers in Den Haag, leden van de Eerste en Tweede Kamer en een diversiteit aan vertegenwoordigers en prominenten uit de Nederlands Joodse gemeenschap.
De organisator van deze viering was de heer Chris Stoffer, fractievoorzitter van de SGP, die ook de eerste spreker was. Andere sprekers waren mevrouw Dilan Yeşilgöz van de VVD, Yanki Jacobs, de landelijk studentenrabbijn, en Frans Timmermans, fractievoorzitter van de gezamenlijke fractie van PvdA-GroenLinks. Nagenoeg alle politieke partijen waren vertegenwoordigd.
Opperrabbijn Binyomin Jacobs en Chanan Hertzberger (voorzitter van het Centraal Joods Overleg-CJO) overhandigden een geïnscribeerde Menora aan de Kamerleden, zodat ook in het Kamergebouw het licht zijn bijdrage kan leveren aan het bestrijden van politieke duisternis.
Het officiële gedeelte werd afgesloten door voorzanger Sacha van Ravenswade, die het lied Ma’oz Tsoer inzette. De aanwezige gasten en Kamerleden zongen spontaan en luidkeels mee. De eenheid klonk letterlijk als muziek in de oren en de aansluitende receptie duurde aanzienlijk langer dan verwacht.
Ik hoop dat de zuivere vlammetjes, die alleen geestelijk konden worden ontstoken, licht zullen brengen in tijden die toch wel af en toe (on)redelijk donker lijken.
Sjabbat waren we niet thuis maar in de sjoel van de CIZ, Ziekenhuis Amstelveen. Ieder jaar zijn we daar een van de sjabbatot, meervoud van sjabbat, voor Chanoeka, al jarenlang. De meesten der sjoel-gangers zijn oorspronkelijk afkomstig uit de Mediene en ken ik nog, of hun ouders, van jaren her en dus voelen we ons extra thuis. Het is daar vriendelijk, warm, open. Ieder mag zichzelf zijn en blijven. De CIZ sjoel voelt als een warm bad, speciaal na een stevige vroege ochtend wandeling van anderhalf uur vanuit de Zuidas naar Amstelveen.
Ondertussen heb ik wel al heel wat weken geschreven over de bak keihard bevroren ijs die over onze schutting werd gegooid, per ongeluk dus (?), niet wetend dat wij daar toevallig wonen en ook alweer toevallig Joods zijn, toen ze toevallig een groot pak bevroren ijs bij zich hadden.. Ik moet en zal dus die kinderen spreken en idem hun ouders. Niet om ze onvriendelijk te bejegenen, niet om ze verbaal van langs te geven, maar om ze juist met naastenliefde en begrip te benaderen. Maar van dat goede en vredige voornemen is in praktijk nog niet veel terechtgekomen. De lichtjes van de Menora mogen uitsluitend van een olie zijn die rustig en vredig brandt. Olie die walmt is niet geoorloofd. Als ik de snotaapjes, die mij op keihard bevroren ijs hebben getrakteerd, wil bereiken, dan moet dat vanuit liefde, het moet honderd procent zuiver zijn. Zolang ik nog boosheid in mezelf voel, moet ik het gesprek niet willen aangaan. Dus: wat in een goed vat zit… Het heeft dus nog een paar weekjes nodig, opdat ik zonder iedere vorm van innerlijke irritatie de aapjes ga toespreken en proberen om met hun ouders in contact te komen.
Chauffeur, rabbinaal-archeoloog en vriend Leo maakt me wakker want we zijn er bijna en hij verwacht dat ik zelf de auto uitstap, naar binnen ga, naar bed om vervolgens morgenvroeg weer uitgeslapen aan te treden voor een volgend avontuur, want u kunt zeggen en denken wat u wilt, rabbijn is geen saai baantje.
Dagboek van de Opperrabbijn 11 december 2024
Een nieuw probleem: mijn jaarlijkse advertentie “Waar brengen de IPOR-rabbijnen het Chanoeka licht” is een probleem aan het worden. Niet de betaling van de advertentie en ook zeker niet het gebrek aan Chanoeka-licht. Ik heb de indruk dat het publiekelijk aansteken van de Menora niet meer weg te denken is. In den beginne, inmiddels meer dan bijna twintig jaar geleden, was er wat tegenstand vanuit onze eigen Joodse gemeenschap: is het verstandig om als Joodse Gemeenschap je zo zichtbaar op te stellen? Die twijfel is verdwenen. De publiekelijke Menora is tot het normaal gaan behoren.
Maar er is een nieuw probleem ontstaan. Het Risico. Mogen we het risico lopen? Is het wellicht beter om achteraf te schrijven waar de Menora werd aangestoken. Ik ben van mening dat we normaal moeten blijven doen en niet gaan zwichten voor chantage. Want opgevoerde angst is chantage. Angst dwingt mij/ons om misschien dit jaar de Menora niet publiekelijk te ontsteken… En als we het wel doen, en dat gaat gebeuren, hoe publiceren we het dan? Vooraf of achteraf? En ja, ik heb een uitgesproken mening, ik ben allergisch voor iedere vorm van chantage. Maar het gaat niet alleen over mij, maar over allen die aanwezig zijn bij de grote Menora. Een dilemma, meer dan tachtig jaar na de bevrijding. Of is de bevrijding een soort gepasseerd station, omdat het al zolang achter ons ligt?! Het is toch van de gekken dat ik moet nadenken of ik een vredige apolitieke Chanoeka bijeenkomst in ons Nederland kan aankondigen en oproepen aan Jood en niet-jood om samen licht te brengen in duisternis…
Maar er zijn ook duidelijke lichtpunten, als we even geen nieuws bekijken en wegkijken van de martelgevangenissen in Syrië. Waarom heeft de wereld deze slachthuizen verzwegen? Kwam dat politiek beter uit? Of hadden de Verenigde Nazies geen ruimte meer voor veroordelende resoluties, omdat die al allemaal aan Israël waren toebedeeld? En waar was/is het Internationaal Gerechtshof? Genocide? En wat met de slachthuizen in Iran, waarvan ik met zekerheid weet dat ook ons Ministerie van Buitenlandse Zaken hiervan zeer goed op de hoogte was en is. En waarom zijn zogenaamde christelijke organisaties bij voortduring zich aan het opwinden over wat er in Israël gebeurt, terwijl miljoenen en miljoenen van hun eigen mensen worden vervolgd? Kennelijk interesseert ze dat niet of hebben ze daarvoor geen tijd omdat ze al hun energie moeten steken in het bestrijden en besmeuren van Israël en de Joodse gemeenschap. Want, laat ik heel duidelijk zijn: antizionisme = antisemitisme. Christenen die voor het christelijke Israël Producten Centrum in de stromende regen hun medechristenen staan te beschuldigen van genocide en kindermoord. Waar is het geluid van de Katholieke en Protestante Kerken om deze belachelijke demonstratie te veroordelen en waar is het compliment aan de medewerkers van het IPC die hun drijfnatte geloofsgenoten van warme koffie (in een Israël bekertje) hadden voorzien.
Lichtpunt: onze achterkleinzoon werd drie jaar en ter gelegenheid daarvan werd voor het eerst zijn haar geknipt, obsjerenisj. En dus in Lelystad een feestje met een geweldige opkomst van lokale Joden die, dankzij rabbijn Shneur en Mussi (onze Stiefelse kleindochter!), door hun inzet als vanuit het niets verschenen bij de obsjerensij en bij de vele andere activiteiten die langzaam en zeker in Lelystad van de grond komen.
Maar, we konden niet erg lang blijven, want in Nijmegen werd op ons gewacht. De opening van het Mikwa, ritueel bad, in de tuin van de Nijmeegse Rebbe en Rabbanit, Mendel en Debora Ester Levine. Een vervanging voor het oude mikwa dat eens, voor de oorlog, aanwezig was. Hulde voor jullie doorzettingsvermogen, complimenten voor de goed georganiseerde opening, dank voor jullie weergaloze inzet voor Joods Gelders Nederland en voor onze vriendschap.
Lichtpunten in een wereld die overspoeld wordt met duisternis. Goed dus dat het weer binnenkort Chanoeka is: licht in duisternis! Het kleine zuivere vlammetje dat ondanks alle duisternissen de eeuwen heeft weten te trotseren.
Dagboek van de Opperrabbijn 8 december 2024
Meer dan genoeg onderwerpen voor mijn huidige dagboek. Allereerst mijn twijfel en telefonische overleg over wel/niet dit jaar een grote advertentie waarin aangekondigd staat waar overal de grote menora wordt ontstoken met Chanoeka. En dan de obsjerenisj vanmiddag in Lelystad en daarna de inwijding van het nieuwe mikwa in Nijmegen. Over Syrië misschien ook nog en dan natuurlijk hoe Syrië de Joodse gemoederen bezighoudt in Nederland. Genoeg onderwerpen dus. Maar toch sla ik die onderwerpen maar even op om de toespraak te delen die ik dadelijk om 9:00 uur ga uitspreken op het Sovjet Ereveld in Leusden, omdat precies tachtig jaar geleden, op 9 december 1944, de bezetter in Middelharnis zeven leden van een Armeens bataljon wegens sabotage heeft gefusilleerd. Zij werden na de oorlog als onbekenden begraven op het Sovjet Ereveld in Leusden.

Toespraak Binyomin Jacobs, opperrabbijn.
Russisch Ereveld, 9 december 2024
Vele malen heb ik monumenten mogen onthullen ter nagedachtenis aan onschuldigen die uit hun huizen werden weggerukt om nimmer weer te keren. De namen van de slachtoffers worden voorgelezen en standaard wordt er vermeld dat zolang er nog een naam bekend is, het slachtoffer nog een beetje leeft. Zo een plechtigheid maakt op mij altijd een diepe indruk.
Maar nog meer indruk maakt bij mij het ‘na afloop’. Mensen komen naar voren, zoeken een naam en leggen vol emotie hun hand op een naam. Dat was hun vader, hun moeder, broertje, neefje, nichtje, oom of tante. Het enige wat er van hen nog over is, is hun naam op het monument.
Maar nog veel indrukwekkender is dat op de meeste namen niemand zijn of haar hand legt. Ze werden vermoord met al hun familie, niemand overleefde. Of, zoals hier op dit ereveld, ze waren onbekend, niet geïdentificeerd, achthonderdvijfenzestig graven, allen hadden en hebben ze familie, allen waren ze zonen van ouders en misschien vaders van kinderen of mannen van vrouwen. Zij rusten hier in vrede, hun graven zijn geadopteerd door goede mensen die hun onbekendheid weigeren te accepteren.
Maar wat met hun familie? Zij kregen levenslang! Zeven soldaten herdenken we vandaag, omdat precies 80 jaar geleden ze werden gefusilleerd. Een van hen was een Joodse man uit Wit-Rusland, Girsj Bogdanov. Voor hem zal ik dadelijk het Jizkor-gebed uitspreken met uiteraard ook de zes anderen in gedachte. Ruben Melkomjan is overgekomen uit Armenië om voor het eerst van zijn leven zijn opa te bezoeken. Ik weet dat ons samenzijn hier geen voorpagina zal halen, maar de ontmoeting van kleinzoon Ruben Melkomjan met zijn opa en mijn Jizkor-gebed voor Girsj Bogdanov doorklieft hemelen.
Oorlog, oorlog, doden en nog eens doden. Vrouwen en kinderen zijn gesneuveld, onschuldige burgers. In de Tweede Wereldoorlog hebben de geallieerden in Duitsland steden vol onschuldige burgers gebombardeerd, om ons te redden, met als bijkomstig product tienduizenden slachtoffers. En wat met Hiroshima? En wat met soldaten? Die laten we niet onder de onschuldige slachtoffers vallen, want zij waren soldaten.
En dus, als we een Russische tank vandaag de dag zien ontploffen, juichen we. En als een Oekraïense tank sneuvelt voelen we het verdriet. Maar die Russische stumpers werden in die tank gedwongen en zijn precies hetzelfde soort slachtoffer, kanonnenvlees, als hun co-slachtoffers in die Oekraïense tank. De een woonde echter aan de ene kant van de grens en de ander aan de andere kant van diezelfde grens.
Een Joodse jongeman geboren in Polen moest in Hitlers leger. Zijn Jood-zijn was niet bekend. Hij werd ingedeeld bij de Duitse marine en moest de Nederlandse kust bewaken. En dan… een telegram uit Berlijn. Onmiddellijk terug, als enige op zijn schip. Waarschijnlijk was uitgevonden dat hij een Jood was en dus verliet hij zijn legeronderdeel, ontdeed zich van zijn militaire kledij en dook onder in Amsterdam. Een half jaar later was de oorlog voorbij. De Canadezen riepen alle Duitse soldaten op om zich over te geven. Ook onze Joodse Duitse matroos gaf zich over en belandde in een krijgsgevangenenkamp. De leiding berustte bij de Canadezen. De gevangenen waren allen gewone Duitse soldaten.
In dit interneringskamp werd door de Duitse krijgsgevangen een Krijgsraad samengesteld. Onze matroos werd ter dood veroordeeld, na de bevrijding, in het Canadese kamp, vanwege desertie uit het Nazi-leger. De Canadese kampleiding verzorgde het vervoer van de ter dood veroordeelde en voorzag de Duitse krijgsgevangen van wapens om de Joodse soldaat te fusilleren.
Oorlog is het summum van waanzin, van wreedheid, van doden, van nazaten en families die allen levenslang hebben gekregen, omdat hun dierbaren in het zwarte gat van de onbekendheid verdwenen.
Van de 865 mannen die hier rusten moeten nog 600 geïdentificeerd worden, opdat op z’n mist hun namen niet verloren gaan.
Dagboek 1 december 2024
Donderdagavond was de anti-antisemitisme demonstratie achter de Stopera. De NOS, die de Joodse Gemeenschap erg goed gezind is (grapje!), liet fijntjes weten dat er beweerd werd door de organisatoren dat er duizenden kwamen opdagen, maar dat het er slechts enige honderden waren. Een klein rekensommetje leert mij echter dat de bussen die waren ingezet alleen al 800 inzittenden hadden en uiteraard kwamen de meeste deelnemers niet per bus. Politie had aangegeven dat er voor 2500 mensen plaats was op de (stampvolle) plaats van (vredige) demonstratie. Mocht ik het allemaal verkeerd begrepen hebben, dan verneem ik dat graag en bied op voorhand mijn excuus aan, aan onze Nationale Omroep.
Zelf was ik niet bij de Stopera. “Vreemd”, kreeg ik van vele kanten te horen. “U had daar niet mogen ontbreken.” En toch was ik er niet, maar wij waren in Middelburg, gasten van de Joodse Gemeente Zeeland, die op die donderdagavond het dertig jarig bestaan vierde van hun sjoel die Chanoeka 2004 werd ingewijd. Ja, de demonstratie bij de Stopera was veel en veel groter en qua media-bereik onvergelijkbaar belangrijker. En toch hebben Blouma en ik geen seconde in overweging genomen om Middelburg in te ruilen voor Stopera. Op Chanoeka hebben zich twee wonderen afgespeeld. Het wonder met het kruikje olie. Het kruikje olie dat genoeg olie bevatte om de menora in de heroverde Tempel in Jeruzalem één dag te laten branden, bleek acht dagen te voldoen. Acht dagen die nodig waren om nieuwe koosjere olie te vervaardigen. Maar er was ook het wonder dat een klein legertje Joden de gigantische Griekse legerschare wist te verslaan. Dat Joodse legertje was ongetraind, onervaren, zwak. En toch, en dat is het andere Chanoeka-wonder dat we jaarlijks gedenken, wisten de zwakkelingen de professionals te verslaan. Twee wonderen dus.
Het wonder van het kleine legertje vergelijk ik met de protestbijeenkomst bij de Stopera en dertig-jaar synagoge met het wonder van het kruikje olie. En als er in de Talmoed gevraagd wordt: wat is Chanoeka? Dan luidt het antwoord: het wonder van het kruikje olie! En dus waren wij in Middelburg, niet omdat we dat nou eenmaal eerder hadden toegezegd en niet omdat we ook tot na sjabbat zouden blijven en met de kleine Joodse gemeente de sjabbat zouden vieren, maar omdat het wonder van het kruikje olie minstens net zo belangrijk was als de overwinning van dat kleine niet-professionele legertje.
We hebben nog een wondertje mogen beleven. In de Times of Israel werd ik geciteerd. Onder andere werd er vermeld dat ik het betreur dat ik geen enkele reactie van medeleven heb ontvangen vanwege 7 oktober vorig jaar vanuit de Islamitische Gemeenschap, terwijl ik zeker weet dat echt niet alle in Nederland woonachtige Imans en moskee-bestuurders de 7 oktober pogrom (want dat was dus weldegelijk een georganiseerde pogrom met instemming van het lokale Hamas gezag) hebben goedgekeurd en instemden met de Jodenjacht na de voetbalwedstrijd Ajax-Maccabi.
En nu dus het wondertje: een Iman, namens de moskee waartoe hij behoort, heeft mij een e-mail gestuurd om medeleven te betuigen en zijn afkeer uit te spreken over de Jodenjacht, benadrukkend hoe goed de verhoudingen waren in Marokko met de Joodse Gemeenschap aldaar.
Terug naar Middelburg: Bij de officiële viering waren twee Zeeuwse burgervaders aanwezig, één burgermoeder en twee gedeputeerden. De sjoel was vol. De bijeenkomst was geweldig en het Hoffy-buffet na afloop verdiende minstens een tien. En daarna, de volgende namiddag: de sjabbaton. Mincha om 16:15 uur en daarna de sjabbat-maaltijd, zingen, lernen, mijn toespraken, verhalen en grappen. Wat een sfeer en vooral: wat een eenheid. Een piepkleine kehilla, één grote familie, iedereen levert zijn/haar bijdrage.
Maar de Joodse Gemeente Zeeland denkt niet alleen aan zichzelf, maar straalt uit vanuit de synagoge ook naar buiten. En dus wordt deze Joodse Gemeente door de Zeeuwse burgerij op handen gedragen. Een heel klein lichtje, een klein vlammetje, maar o zo zuiver. We mochten zo’n beetje non-stop ons geven voor de Joodse Gemeenschap. Om te voorkomen dat tijd verspild zou worden aan van-en-naar sjoel lopen, waren we ingekwartierd in een B&B twee deuren van sjoel verwijderd. Want hoe geweldig de Joodse Gemeente Zeeland ook is, er werd wel 24/7 keer drie inzet van ons verwacht,
Het is nu zondagochtend. Blouma wordt dadelijk opgehaald om babysit te zijn op de Zuidas bij onze kleinkinderen die overigens geen baby’s meer zijn. En ik rijd zo dadelijk naar Arnhem, de lewaja van de hoogbejaarde mevrouw Senator, weduwe van Fred Senator die in Arnhem, Apeldoorn, Zutphen en nog een paar ander locaties de grote menora jaarlijks opzette om licht te verspreiden. Licht in duisternis.
Dag- en nachtboek van de Opperrabbijn 27-28 november 2024.
We hebben een woelige week achter ons. Never a dull moment. Maar of al het woelige ook zo positief was, durf ik niet te beweren. De bekladding van de voorgevel, in haar volle breedte, van het Israël Producten Centrum in Nijkerk was niet plezierig. Notabene christenen, of wat daarvoor doorgaat, beschuldigen (mede-) Christenen (voor Israël) van genocide en kindermoord. De bekladding was groot, de protesterende massa klein. Het regende en was ook nog ijzig koud. Aardig en ook nogal komisch was het aanbod van Christenen voor Israël om de bibberende protestanten (dubbele betekenis!) van koffie te voorzien. De koffie werd namelijk geserveerd in een Israël-beker met daarop de afbeelding van de Israëlische vlag. Moet kunnen, dacht ik bij mezelf, want de hete koffie komt niet uit de Bezette Gebieden. Dat de koffie werd geserveerd door kindermoordenaars van wie een normaal mens natuurlijk niet wil profiteren, werd vergeten. Het leek even een broederlijke saamhorigheid tussen schreeuwende bekladders en genocidale kindermoordenaars. Welkom in Nijkerk, bij de koffie!
Overigens deden de Urker-boys hun beklag dat zij niet meteen waren opgetrommeld om het anti-Israël groepje de laan uit te helpen, letterlijk en niet figuurlijk, wel te verstaan. De rode-verf-juffrouw is inmiddels een ervaringsdeskundige, omdat ze IPC al eerder had beklad, ook op de Dam haar aanwezigheid met wat rode verf kenbaar had gemaakt en zich ook nu weer bevond bij het groepje oproerkraaiers.
Het Joodse leven draait momenteel mijns inziens veel te veel om angst en bezorgdheid. Eergisteren weer twee aanvragen voor een Rabbinale Verklaring om daarmee, zo nodig, naar Israël te kunnen vluchten. En gisteren was ik in Muiderberg om het graf van mijn vader en moeder te bezoeken. Het was namelijk de Jaartijd van mijn vader. Op de Jaartijd, de sterfdag, wordt er door de kinderen een Jaartijdlicht aangestoken. Dat mag een kaars zijn die meer dan 24 uur brandt, maar een elektrisch lampje, vaak met daarin in het Hebreeuws de woorden Lezikaron, ter nagedachtenis, is ook goed. Licht, daar draait het om!
Dadelijk, het is inmiddels donderdagochtend in de zeer vroege uurtjes, gaan we naar Zeeland. De sjoel van Middelburg bestaat dertig jaar. Terwijl vanavond om 19:30 uur de landelijke pro-Israël demonstratie zal plaatsvinden die duizenden en duizenden Nederlanders zal samenbrengen en ik notabene gevraagd was door onze christelijke vrienden om een van de tien sprekers te zijn, ben ik gezegend met een geweldig waterdicht excuus om daar niet te zijn. Die pro-Israël demonstratie heeft alles te maken met het opkomend antisemitisme en is eigenlijk niet echt een pro-Israël demonstratie, maar veel meer een anti-antisemitisme bijeenkomst.
Na dit nachtboek, het is halfvier in de vroege uurtjes van vandaag, moet ik voor mezelf nog op een rijtje zetten wat ik dadelijk in de volle sjoel van Middelburg ga zeggen. Ga ik spreken over duisternis of juist over licht?
De sjoel van Middelburg werd letterlijk gebouwd op de ruïne van het vooroorlogse Gebedshuis. Het waren niet de Duitsers die de synagoge hadden vernietigd, maar in november 1944 bij de bevrijding van Walcheren werd de sjoel van Middelburg, de eerste synagoge die buiten Amsterdam was gebouwd (1705), getroffen door een Britse granaat. Slechts een deel van de muren overleefde, de rest was veranderd in ruïne. En op die ruïne herrees de huidige sjoel. Bij de inwijding dertig jaar geleden, riep ik op om toch vooral te zorgen dat de synagoge niet zou verworden tot een monument, maar een plaats waar de kleine Joodse gemeenschap bijeen zou mogen komen om het Jodendom te vieren en om vooral ook licht te mogen uitstralen naar de brede samenleving. De inwijding vond plaats op Chanoeka. Op Chanoeka staan twee wonderen centraal. Het wonder van de oorlogsstrijd. Een klein Joods legertje wist de gigantisch grote Griekse legerschare te overwinnen. En het tweede wonder is het wonder van het kruikje olie dat slechts genoeg olie bevatte om de Menora in de Tempel één dag te laten branden, maar uiteindelijk acht dagen bleek te voldoen. De anti-antisemitisme demonstratie bij de Stopera in Amsterdam zou ik willen vergelijken met het wonder van de kleine gedreven legerschare die de professionele Griekse overmacht wist te verslaan. En de kleinere bijeenkomst in de sjoel van Middelburg, zie ik als het kleine vlammetje van de Menora dat kon branden dankzij het wonder van het kruikje olie. Ik mag dadelijk bij het wonder van het kruikje olie in Middelburg aanwezig zijn en aanschouwen hoe een klein vlammetje, de Joodse Gemeente Zeeland, in staat is om omringende duisternis te verdrijven, niet door te strijden maar door licht te verspreiden.
Stop, zeg ik tegen mezelf, Binyomin, je hebt nu genoeg stof om dadelijk je toespraak te gaan maken. Schrijf je dagboek!
Gisterochtend gaf ik om kwart over tien een online-babbeltje voor zo’n negentig lijfelijk aanwezige leden van de Joodse Gemeenschap in Australië. Hoeveel meekeken per zoom of andere technische middelen weet ik niet, maar het waren er zeker enige duizenden. Onderwerp? Antisemitisme! Gisteravond werd ik vereerd met een bezoek van Rabbi Abraham Cooper. Hij behoort tot een van de meest invloedrijke rabbijnen in de USA. Hij staat op de zevende plaats en wilde zijn collega-rabbijn Jacobs (dat ben ik) ontmoeten, vandaar zijn bezoek aan huize Jacobs. Die zevende plaats doet me natuurlijk denken aan de zeven armen van de Menora die in de Tempel in Jeruzalem stond. Licht in duisternis. Hij kwam speciaal voor de demonstratie naar Nederland vanuit zijn positie als “associate dean and director, global social action” van het Simon Wiesenthal Center. Voor mij een enorme eer om hem en zijn secretaris gisteravond voor een vijf-sterren-maaltijd (dank aan mijn Blouma!) bij ons thuis te mogen ontvangen. Roger van Oordt van Christenen voor Israël schoof ook nog even aan. We spraken over licht en duisternis. Over de vele vijanden die onze aardbol menen te moeten begiftigen. Maar ook uitgebreid over de lichtpunten die we niet mogen vergeten en waarvoor we oog moeten hebben, anders wordt het allemaal zo triest en donker. En dat moeten we niet willen!
Dagboek van de Opperrabbijn, 24 november 2024
De ontvangst op de ambassade van Hongarije, donderdagmiddag voor de kennismaking met de nieuwe ambassadeur was meer dan hartelijk. Dat ‘meer dan’ heb ik toegevoegd omdat ze zelfs voor koosjer gebak en drank hadden gezorgd. Uiteraard is het antisemitisme ter sprake gekomen en de opstelling van Hongarije ten opzichte van de uitspraak van het ICC over Netanyahu. De nieuwe ambassadeur heet Daniel Horogszegi Szilagyi-Landeck, maar gemakshalve noem ik hem maar gewoon Daniel omdat het mij niet helemaal duidelijk is waar zijn voornaam eindigt en zijn achternaam begint. Over de vraag hoe het huidige antisemitisme te bestrijden hoefden we niet te spreken, want antisemitisme wordt in Hongarije niet getolereerd. Collega’s rabbijnen in Budapest hebben mij dat ook bevestigd. De synagogen hebben daar geen beveiliging nodig op het niveau-NL. Overigens ben ik de laatste maanden diverse keren in Budapest geweest en niet één keer nagescholden, hetgeen in mijn eigen Nederland bijna ondenkbaar is.
Sjabbath jl. heb ik een primeur mogen beleven. Vanuit de moskee niet ver van mijn huis op weg naar sjoel werd ik uitgescholden. Uiteraard doorgegeven aan de politie, maar ik vrees dat ze er niets mee kunnen, omdat ik bij voorbaat weet dat ze zullen reageren in de ontkenning. De Moskee behoort tot de voornamelijk Turkse moslims en streeft naar integratie en de dialoog met andersdenkenden, zo vind ik op internet. Vreemd, denk ik dan, dat ze me nog nooit hebben benaderd en/of een bloemetje gestuurd als teken van medeleven met 7 oktober, want ik weet zeker dat mijn adres bekend is.
Het plan van de Overheid om duidelijk het antisemitisme te bestrijden, juich ik van ganser harte toe. Diverse media uit Nederland, maar ook uit Frankrijk, Israël, Duitsland, VS, Nieuw-Zeeland en Hongarije hebben mijn mening gevraagd over het anti- antisemitisme plan en duidelijk liet ik weten dat ik dankbaar ben dat de Overheid zo’n bemoedigende boodschap afgeeft. Nederland accepteert onvoorwaardelijk geen antisemitisme, zonder welke ‘maar’ dan ook. Ik ben ervan overtuigd dat die boodschap top-down de Joodse Gemeenschap in ons land tot steun is, en dat is van essentieel belang.
Maar (toch een maar, maar dan van mijn kant): hoe alle onderwijsplannen, onderdeel van de bestrijding, praktisch uitvoerbaar zullen zijn, is mij vooralsnog niet duidelijk. Het maken van lesmateriaal voor scholen vergt deskundigheid en die kan zeker worden ingehuurd en dat zal ook gebeuren! Lastiger is echter het vinden van de juiste docenten die gemotiveerd de boodschap kunnen en willen overbrengen, zelfs als de leraar niets hoeft te zeggen en uitsluitend een video moet afspelen. Want je kunt het beste programma hebben, als de presentatie tekortschiet, is het waardeloos. Vergelijkbaar met een peperdure diamant die geplaatst is in een goedkoop ringetje.
En helaas, dat goedkope ring bestaat al!
Tien jaar lang, van 1976-1986, heb ik pastoraal werk verricht in het toen nog bestaande ressort Overijssel. Eens in de zes weken bezocht ik Zwolle, Almelo, Hengelo, Deventer en twee keer in de zes weken Enschede. Ik herinner mij een bezoek aan een toen reeds op-leeftijd-zijnde echtpaar. Ze waren weliswaar lid was van de Joodse Gemeente, maar toonden totaal geen betrokkenheid. Als de Joodse Gemeente gebeld zou hebben met de vraag of ze een bezoek van de rabbijn zouden waarderen, zou er zeker een neen komen. En dus liet ik nooit, bij dit soort leden, bellen met de vraag of ze een bezoekje op prijs zouden stellen. maar belde ik zelf en gaf aan dat ik toevallig op die en die dag bij hen in de buurt zou zijn en of ik dan mocht langskomen om een kop koffie te drinken. Ik herinner me niet ooit een neen te hebben ontvangen. Enfin, ik dus naar dit oudere echtpaar getogen, druk op de bel, hoor een enorm geblaf, de deur wordt door de vrouw des huizes (en de hond) geopend en terwijl zij mij buitengewoon vriendelijk welkom heet en aangeeft dat haar blaffende hond niet bijt, voel ik zijn tanden in mijn been. Om de sfeer niet te verstoren heb ik dat niet-bijten braaf geaccepteerd om na het fijne bezoek de schade op te nemen: een scheur in mijn linker broekspijp en in mijn been de gevolgen van het hondse gebit.
Waar gaat Jacobs heen, hoor ik u denken, is hij zijn dagboek-draad kwijt? Neen! Bij mij leeft het stellige positieve gevoel en de nadrukkelijke overtuiging dat onze Overheid absoluut niet beticht kan en mag worden van antisemitisme, maar het accepteren van het ICC-Netanyahu-arrestatiebevel, want zo komt het over, doet mij toch pijn, ook als het in de praktijk niet en nooit tot een arrestatie zal komen. Het voelt als die hondenbeet van veertig jaar geleden. Een gevoel dat ik niet had bij de Hongaarse ambassadeur Daniel, die had duidelijk geen hond.
Via een choepa in Maastricht, een geweldige bijeenkomst in het Joods Museum ter gelegenheid van zevenendertig jaar advocaat-schap van mijn zeer gewaardeerde vriend Prof. Mr. Knoops en een bezoek aan het tankstation, waren we om half één thuis, voldaan en bekaf.

