Conferentie: met meer dan honderd meest jonge rabbijnen van maandagmiddag tot vandaag, woensdag, 15:00 uur. Geweldig! Wel een overvol programma, maar boordevol inhoud. Het onderwerp was “assimilatie”. Een aantal uitzonderlijk goede sprekers. Hoewel ik er was vanuit mijn lidmaatschap van het presidium van de RCE, Rabbinical Center of Europe, en ik natuurlijk (helaas) wel erg goed bekend ben met het onderwerp, was het fijn en goed. Ik voelde me een soort opa-rabbijn tot wie veel van de jonge rabbijntjes zich wendden. Ondertussen ging het werk in Nederland gewoon door, want zo werkt dat nou eenmaal vandaag de dag. Afstanden bestaan niet meer en whatsapp, e-mail en telefoon blijven ook op afstand werken. Terwijl ik dus in Wenen was heb ik een Brith Milah geregeld voor een oudere Joodse man, een Brith Milah voor een nog-niet-joodse man in het buitenland, kennis gemaakt met een vrome orthodoxe chirurg die ook uroloog is en mohel. Hij is bereid om geheel belangeloos te helpen bij voorkomende Brith Milah bij volwassenen. Ook heb ik (helaas) per telefoon een paar zieken bezocht in Nederland, helaas dus omdat ze ziek waren en het uitstapje dinsdagmiddag heeft weer een bevestiging opgeleverd dat het antisemitisme van alle tijden is. Midden in Wenen was ooit een getto dat omsingeld is geweest en alle joden binnen dat getto werden levend verbrand. De groepsfoto is gemaakt op de plaats waar eens dat getto was. De opperrabbijn van Wenen gaf ons een rondleiding. Op een van de huizen hing een steen met daarop in het Latijn de tekst dat Joden vermoord mogen worden. Als waarschuwing hebben ze de steen met die tekst juist zichtbaar opgehangen. Of de waarschuwing zal helpen weet ik niet. We moeten er maar niet te veel op vertrouwen. Ook hangt er een verklaring van enige jaren geleden waarin de Kerk spijt getuigt voor eeuwen Jodenvervolging “door een aantal van hun leden”, dus niet door de kerk als instituut. De Weensche opperrabbijn gaf aan dat er woorden op de herdenkingssteen staan die wijzen op medeleven, berouw, verdriet, maar… van schuldbekentenis was geen sprake want de kerk, die voor liefde staat, kan zichzelf niet schuldig verklaren en daarmee zijn eigen kerk op een essentieel punt, namelijk naastenliefde, afvallen. Ik dacht aan de bijeenkomst decennia geleden in Durchganslager Westerbork waar de toenmalige luitenant-generaal Dick van Putten een verklaring heeft voorgelezen om excuus aan te bieden voor hetgeen zijn Koninklijke Marechaussee de Joden in o.a. Westerbork heeft aangedaan. Die tien regeltjes excuus hebben uren en dagen voorbereiding gekost met als resultaat een redelijk parve tekst. Parve betekent dat het geen vlees en geen melk is. Mocht u denken dat ik dit verzin, bel dan gewoon Luitenant-Generaal Dick van Putten op en hoor het van hem persoonlijk! Er mocht in de schuldbekentenis vooral niet komen te staan dat Nederland schuldig was…Het fabeltje dat ieder niet-joods gezin minstens een Joodse onderduiker had, moest vooral in ere worden gehouden en de historie blijven verdraaien. Op de plek waar duizenden Weense Joden werden vermoord hebben de meer dan honderd rabbijnen kaddiesj gezegd en samen midden in Wenen luidkeels en adembenemend het Anie ma’amiem – ik geloof in de komst van de Mosjieach gezongen.
Ondertussen heeft zich hedenochtend een jongeman gemeld die choepa wil hebben, per whatsapp (gemeld per whatsapp, maar de choepa gewoon life!) De bijbehorende jongedame is woonachtig achter de Brexit, maar ik hoop haar nog wel uitgebreid voor de choepa te mogen ontmoeten. Als ik dat namelijk niet zou doen wordt mijn toespraak bij de choepa wel erg ‘parve’.
Dit dagboek wordt op grote hoogte geschreven, ergens in de lucht tussen Wenen en Amsterdam. Tijdens de heenvlucht van zondag heb ik een column geschreven van precies 450 woorden. Een van onze grote politici viert binnenkort een jubileum en dus mag ik als Joodse Opperrabbijn een ‘stukkie’ schrijven. Dus niet te lang, wel persoonlijk, maar wel met een boodschap.
Een landelijk dagblad wist me op te sporen en vroeg mijn mening over de toestand in Israël. Het verkondigen van een mening in dezen is loei riskant. Een verkeerd woord en ik hang en niet ik alleen, maar met mij geheel Joods Nederland. Want in generaliseren zijn velen erg goed.
Ik rond dit dagboek af, want ik bemerk dat ik in slaap was gevallen en we al bijna landen. Kennelijk is de hoogte voor mij als een slaapmiddel, maar dan wel een die werkt.
O ja, ik kreeg een telefoontje van de secretaresse van de burgemeester van mijn woonplaats. Hij wilde me spreken, zo werd me medegedeeld, maar waarover mocht ik niet weten. Netjes een afspraak gemaakt, een bevestiging uitgestuurd en op beleefde wijze mijn verbazing uitgesproken dat het onderwerp geheim was. En ja hoor, prompt een antwoord met het onderwerp van gesprek. Ik denk dat ik te achterdochtig was en daarom allerlei redenen verzonnen had rondom de ‘geheime’ bespreking.
Morgen een propvolle agenda, vanavond op tijd naar bed en dadelijk nog even bellen naar een vriend die een spoedige en volledige genezing nodig heeft.
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

Ik zit nu achter mijn computer en heb net ingecheckt voor mijn vlucht, morgenochtend, naar Wenen. Wat ik daar nu weer doe en waarom? De RCE, Rabbinical Center of Europe, heeft een conferentie georganiseerd over het onderwerp: assimilatie. Ik was eigenlijk niet van plan om te gaan omdat ik natuurlijk wel genoeg met het onderwerp bekend ben, maar dat kon ook weer niet want ik zit in het dagelijks bestuur en dien dus qualitate qua aanwezig te zijn. En dus vlieg ik braaf naar Wenen.
Sjabbat jongstleden waren we in Eindhoven voor een sjabbaton, de hele sjabbat bij en met de Joodse Gemeente Brabant. Het is mooi te zien hoe er toch weer Joods leven begint te ontstaan, dankzij een voortvarend bestuur dat heeft ingestemd om een eigen lokale rabbijn, Simcha Steinberg, in dienst te nemen. Het klopt trouwens niet helemaal wat ik hier heb geschreven, want hoewel officieel alleen de rabbijn in dienst is, in praktijk zijn het rabbijn Simcha én zijn echtgenote Rina Eidel. Ze begrijpen de Nederlandse mentaliteit, staan dag en nacht voor iedereen klaar en zorgen ervoor dat de sjoeldiensten te volgen en te begrijpen zijn. Deze sjabbaton was gesponsord, dat wil zeggen alle maaltijden, door Marita Simons vanwege haar 80ste verjaardag twee jaar geleden, vanwege haar “bevrijding” 75 jaar geleden uit het concentratiekamp en omdat ze al 50 jaar lid was van de Joodse Gemeente Eindhoven. Vanwege corona was alles uitgesteld. Maar beter laat dan nooit. Alles bij mekaar: perfecte maaltijden, prima sfeer, fijne sjoeldiensten! Maar wat er haperde was ‘de oorlog’! Het lijkt wel of de jaren ’40-’45 steeds vaker terugkomen, want bijvoorbeeld deze Marita, een super intelligente vrouw, verslindt boeken over Theresienstadt en andere kampen in de hoop een glimp van haar moeder, die ze nooit gekend heeft, te kunnen ontdekken. In datzelfde weekend komt er een nieuw potentieel lid opdraven. Zij wist niet dat er een speciale sjabbaton was, maar probeert al jarenlang de eerste stap naar de Joodse Gemeente te zetten. Ze is Joods, maar kan het niet bewijzen, hetgeen steeds vaker voorkomt. En dus zal ze contact met me opnemen en gaan we aan de rabbinale-recherche-slag. Overigens had ik op de donderdag voor die sjabbat bij een lewaja-begrafenis in Zutphen een vitale man van 82 ontmoet. Sinds drie jaar wist hij dat hij niet uitsluitend Joods is, maar ook nog een Kohen, een nakomeling van de Hoge Priester Aäron. Ook is hij erachter gekomen dat hij een zus heeft, of beter gezegd een zus had, want drie weken voordat hij uitvond wie en wat hij was, Joods dus, was die zuster overleden.
Dinsdag is het Poerim, het Lotenfeest. Op Poerim lezen we de Megilla, de rol van Esther. De geschiedenis van de snode Haman, nakomeling van Amalek, die het Joodse volk georganiseerd wilde uitroeien, gelijk in de Sjoa.
Barmhartigheid?
Het is nu zondag, een nieuwe week met uiteraard nieuwe uitdagingen. Maar laat ik eerst terugblikken, want het was me het weekje wel. Een telefoontje van een collega rabbijn uit Bakoe. De ambassadeur van Azerbeidzjan, zijn goede vriend, was ambassadeur in Frankrijk, daarvoor in het Vaticaan en sinds kort zit hij in Nederland. Of ik hem s.v.p. kan uitnodigen want hij wil graag kennis maken en bekijken wat Joods-Nederland en hij samen kunnen doen. Nu moet ik heel eerlijk bekennen dat ik zeer weinig afwist van Azerbeidzjan. Nauwelijks van gehoord en ik weet al helemaal niet met welke landen het zijn grenzen deelt. En of en zo ja met wie het in oorlog is. Gelijk de gemiddelde Amerikaan het verschil tussen Amsterdam en Kopenhagen niet kent, zo zijn voor mij Azerbeidzjan, Armenië, Moldavië, Kazakstan en nog een aantal landen wier namen ik niet eens kan neerschrijven, onbekende grootheden. Inmiddels heb ik hem dus ontmoet en ben ik drie prachtige boeken rijker geworden: een met foto’s over tapijten, een met foto’s van koperen gebruiksvoorwerpen en de derde met foto’s van monumenten. En, voor mij het meest nuttig, een enorme doos met thee uit de diverse streken in Azerbeidzjan. Interessant is dat ik, nadat ik het contact al in een eerder dagboek had vermeld, gewaarschuwd ben dat Azerbeidzjan meewerkt aan het transport van wapens uit Iran naar Rusland. Ik dus meteen gaan onderzoeken met als resultaat dat juist het tegendeel waar blijkt te zijn. Ondertussen kijk ik hoe dit contact gebruikt kan worden ten faveure van onze Joodse Gemeenschap en/of Israël. Interessant is dat deze ambassadeur bereid is om ook naar Brussel te komen en te kijken naar samenwerking op Europees niveau, terwijl normaliter een ambassadeur nooit bereid is om buiten de grenzen van het land waar hij is gestationeerd te gaan werken. Maar, zo heeft men mij uitgelegd, omdat Azerbeidzjan niet echt een democratie is, gelden daar andere regels en is het normaal van hun niet altijd het normaal van ons.
De gaskamers van Auschwitz vergelijken met…
Allereerst een hartelijk welkom aan de lezers van
“Iedereen denkt dat ik van Arabische komaf ben, zoals het meeste personeel in dit en in bijna alle hotels hier in Jeruzalem. Ik maak me zorgen over assimilatie. Ik ben dan wel niet dati,
religieus, en heb echt heel goede contacten met mijn niet-joodse Arabische collega’s, maar ik zie wat er hier gebeurt. Mijn niet-Joodse mannelijke collega’s vinden de Joodse meisjes vaak heel leuk, u begrijpt wat ik bedoel, en van het een komt het ander. Mijn Ashkenazische grootvader heeft de hel van de Shoa overleeft, als enige van zijn familie. Mijn moeders familie is afkomstig uit Marokko, waar Joden en niet-joden vredig met en naast elkaar leefden, zo vertelde mijn oma mij altijd, maar van onderlinge huwelijken was geen sprake. Wij bleven Joods en zij bleven ook wie ze waren. Maar hier in dit hotel, in Jeruzalem…Ik doe er alles aan om Joods vrouwelijk personeel te weren. Begrijpt u mijn zorg en mijn dilemma? Waarvoor heeft mijn opa overleefd als ik assimileer?”. Deze woorden werden tot mij gericht door dezelfde Joodse vrouwelijke assistent-chef ober waarover ik in mijn vorige dagboek sprak. Nog nooit had ik zo gekeken naar Israël. Het was voor mij een onverwachte confrontatie. Voor mij stond en staat Israël synoniem met Joods-zijn en Joods-blijven, maar kennelijk ben ik iets te idealistisch en niet helemaal realistisch. ‘Iets’ te idealistisch en ‘niet helemaal’ realistisch, want buiten Israël, in een land waar de Joodse bevolking niet leeft in een eigen hechte grote gemeenschap zoals we die treffen in Londen en Parijs, komen integratie en assimilatie erg dicht bij mekaar. En dus blijf ik Israël zien als, los van de heiligheid van het Beloofde Land, het beste wapen tegen assimilatie. Assimilatie is uiteraard een individuele vrije keus, maar het vormt het grootst mogelijk denkbare gevaar voor het voortbestaan van het Joodse