Die kleine aankondiging in het NIW dat ik ben benaderd om voor Europa zitting te nemen in een speciaal Beth Din van de RCE, Rabbinical Center for Europe, met betrekking tot het uitzoeken van gecompliceerde gevallen van wel/niet Jood-zijn, is kennelijk niet onopgemerkt gebleven. Sinds die aankondiging word ik duidelijk vaker benaderd door mensen die denken dat ze Joods zijn, maar het niet kunnen aantonen. Het wordt dan voor mij een soort detectiveverhaal. Het gecompliceerde is om het kaf van het koren te scheiden. Het kaf van het koren?? Wat bedoelt Jacobs, hoor ik u denken.
Recentelijk las ik ergens dat zich tussen de vluchtelingen uit Oekraine ook een aantal terroristen bevinden van IS die zijn ‘verkleed’ als Oekrainers, zich in Nederland nestelen en op een bevel wachten om vanuit hun slapende zielige bestaan wakker te worden om hun dodelijke opdracht uit te voeren. Waarom ik hierover schrijf? Laat ik heel duidelijk zijn: steeds vaker word ik benaderd door kleinkinderen, die inmiddels de middelbare leeftijd al ruimschoots zijn gepasseerd, dat ze van hun grootmoeder op haar sterfbed hebben vernomen dat ze Joods zijn. Meestal kloppen die verhalen en zijn ze op de een of andere manier aantoonbaar, ook als documenten ontbreken. Heel soms echter is niets aantoonbaar en dan is er een probleem. De persoon gelooft in zijn of haar Joodse afkomst, maar halagisch kan ik er niets mee. Maar de reden dat ik dit nu aan mijn dagboek (op dit moment nachtboek) toevertrouw is vanuit zorg. Enige weken geleden had ik contact met een vluchtelinge uit Iran die beweerde Joods te zijn. De door en door goede en vrome Joodse vrijwilliger, met een professionele maatschappelijk-werk-achtergrond, die haar begeleidde en vanuit medelijden veel tijd in haar investeerde is mijns inziens vanuit zijn naïviteit onverantwoord bezig. De vluchtelinge kwam inderdaad erg zielig over , beschikte over geen enkel bewijs van haar joodse afkomst, maar deed wel aan de Joodse tolk, die ik had ingeschakeld, haar beklag over mijn optreden. Ik was te direct met mijn vragen hetgeen haar deed denken aan de religieuze politie die haar in Iran eens had opgesloten en uitgebreid met dwangmiddelen had ondervraagd over haar on-islamitische gedrag.
Nadat ze vetrokken was viel ze op straat flauw, zo liet de vrijwilliger mij achteraf weten. Volgens hem was dat erg zielig en toch wel een teken van haar oprechtheid. Overigens accepteert hij de on-bewijsbaarheid van haar Jood-zijn. Of hij wel of niet haar verder gaat begeleiden, weet ik niet. Mijn grote zorg is echter dat als ze niet-joods is, waarom ze zich voor Jodin wil voordoen. Om ergens bij te horen? Omdat ze gestoord is? Om sneller in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in Nederland? Om met mijn rabbinale verklaring naar Israël te kunnen gaan? Of is er sprake van poging tot infiltratie binnen de Joodse gemeenschap met kwade bedoelingen? In het AZC waar ze zich zou bevinden wordt ze door Palestijnen die daar dus ook zitten, naar haar zeggen , getreiterd vanwege haar Jood-zijn. Of dit klopt is voor mij heel eenvoudig te controleren. Zitten er überhaupt Palestijnse vluchtelingen in dat AZC en zo ja, hoe weten die Palestijnse vluchtelingen dat onze Iraanse een Jodin is als ieder bewijs in deze ontbreekt? En dus wacht ik al veel te lang om van de vrijwillige maatschappelijke begeleider te horen wat haar juiste naam is en waar ze zich bevindt. Wat de spoed is? Wel, als ze aantoonbaar creatief omgaat met de waarheid wordt alertheid, om het even zachtjes uit te drukken, wel vereist! Ben ik te wantrouwend? Misschien wel, maar haar flauwvallen was voor mij totaal geen bewijs van haar oprechtheid en ook de tolk vertrouwde haar voor geen cent.
Het is dus de vakantieperiode. Stiller dan gewoonlijk wat betreft mijn rabbinale inzet. We gaan dadelijk met onze kleinkinderen weer naar de Dierentuin. Ons uitstapje met schoonzoon en dochter uit Londen naar Giethoorn vorige week was geweldig fijn. Opvallend was het aantal Israëlische toeristen, bootjes vol. Maar ook, en dat realiseer ik me steeds vaker, met ons zichtbaar Jood-zijn hebben we ook een PR-taak/opdracht voor de Joodse gemeenschap en dus ook voor Israël. Als een Jood zich onverhoopt in het publieke domein misdraagt, dan schaadt dat de Joodse gemeenschap in haar volle breedte. Maar het tegenovergestelde geldt natuurlijk even zozeer. Goed gedrag valt ook op en heeft ook zijn (positieve) effect. En dus probeer ik zoveel mogelijk te groeten en ga ik graag een praatje aan. En zo kwamen we in de winkel van de pottenbaker terecht. En terwijl mijn dochter alle potten aan het bekijken was en er zelfs een heeft gekocht, stonden mijn Blouma en ik gezellig te kletsen met de verkoper. Hij bleek een Hoogleraar te zijn en zich bezig te houden met de farmaceutische industrie en het gebruik van medicijnen. Hij doceert regelmatig in China en in Groningen en zijn baantje als verkoper van de sierlijk gebakken potten was zijn vrijetijdsbesteding. En van het een komt het ander en dus spreken we over Israël, over de Joodse gemeenschap in Nederland en over zijn mogelijk Joodse afkomst, want zijn oma…
Teruglopend naar de parkeerplaats passeerden we een winkel die uitsluitend kaas verkocht. Een verkoopster in traditionele klederdracht stond voor de deur kaas, kaasschaven, kaasplanken en alles wat met kaas en Nederland te maken heeft te verkopen. Nadat Blouma een kaassnijmes, niet te verwarren met een kaasschaaf, had gekocht vroeg ze aan de verkoopster waar ze haar traditionele kapje had gekocht. Om mij niet duidelijke reden wilde Blouma namelijk ook zo’n kapje voor zichzelf aanschaffen. Het antwoord van de verkoopster in originele klederdracht: in een carnavalswinkel!
Na Giethoorn terug naar huis. Maar, nog wel even langs Steenwijk naar de Joodse begraafplaats waar mijn grootouders liggen. Hoewel ik heel eenvoudig gewoon de bordjes Steenwijk had kunnen volgen en in Steenwijk weet ik de weg wel naar de Joodse begraafplaats, wilde ik het via mijn GPS doen. Resultaat: ik kwam aan bij de Joodse begraafplaats in Pol. Kennelijk werd er van Hogerhand beslist dat ik ook daar een paar tehillim – psalmen uitspreek. Overigens , hoewel ik meen zeer bekend te zijn met alle uithoeken en ver-weg plaatsen binnen Joods Nederland, was deze Joodse begraafplaats voor mij nieuw.
Tien minuten later kwamen we aan in Steenwijk, de geboorteplaats van mijn moeder en vele generaties voor haar. Om de begraafplaats op te kunnen heb ik gebeld naar een van de vrijwilligsters die geheel belangeloos de begraafplaats onderhouden. Meteen kwam ze naar de begraafplaats met de sleutel. Niet alleen doet zij met de groep vrijwilligers het onderhoud, maar ook het in-kaart brengen van alle graven, de geschiedenis van de Steenwijkse Joden bekendheid geven, zorgen dat de Joodse gemeenschap niet wordt vergeten. De gedrevenheid en liefde om de begraafplaats zo waardig mogelijk te behouden, was me uiteraard al vele jaren bekend, maar ter plekke zijnde voelde ik het weer heel sterk en vervulde het mij met grote dankbaarheid. Feilloos wist ze al mijn voorouders te benoemen en hun graven te tonen. Haar vader, zo vertelde ze, was een vriend geweest van mijn moeders broer Louis. Ik had haar al vaker getroffen bij herdenkingen en lezingen, maar nu voor het eerst een persoonlijk gesprek. Fijn, om de betrokkenheid van deze niet-joodse vrouw te voelen. Geweldig om haar kennis over de foute houding van B&W in de oorlog, haar succesvolle inzet met een groepje gedreven vrijwilligers en de intense steun van de huidige burgemeester te mogen vernemen. Op de begraafplaats zie ik vele generaties De Leeuw (mijn moeders meisjesnaam), Slager, Van der Horst, De Groot, Stokvis en nog een aantal bekende Steenwijkse families over wie mijn moeder mij vaak vertelde. Maar ik zie ook de vele lege plaatsen waar Joodse Steenwiekers zo graag normaal begraven hadden willen worden.
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

Het is vanwege de vakantie een relatief rustige tijd voor mij. We wandelen meer dan gewoonlijk, waren gisteren met de kleintjes naar de Dierentuin in Amersfoort en hebben zelfs voor onszelf een abonnement genomen omdat we denken dat uitstapje Dierentuin voor herhaling vatbaar is. In Spakenburg, waar we eergisteren aan de avond-wandel waren, kwamen we in gesprek met een echtpaar uit Enkhuizen die lagen aangemeerd in de haven. Interessant te horen hoe gigantisch duur sommige vakantiebootjes kunnen zijn. Is het zinvol om zomaar met onbekenden te spreken, vraagt u zich wellicht af? Ik vind dat gewoon leuk want ik ben geïnteresseerd in mensen. Eigenlijk zijn die ontmoetingen, die praatjes die je onderweg met onbekenden maakt, vergelijkbaar met het bezoek aan een dierentuin, gewoon leuk. Maar los van het gegeven dat ik een gesprek met onbekenden die je zomaar tijdens een wandeling ontmoet, leuk en interessant vind, is het ook zinvol. De bootmensen kwamen dus uit Enkhuizen en dachten dat wij uit Antwerpen kwamen. Gewoon vriendelijk zijn tegen medeburgers die niet Joods zijn, kan geen kwaad en kan gerekend worden, naar mijn bescheiden mening, tot het creëren van goodwill voor al dat Joods is en dus ook voor Israël.
Wat ben ik dankbaar met mijn baantje. Af en toe (en vaker af dan toe) wordt er (on)nodige rotzooi over me uitgestort, maar zo gaat het nu eenmaal. Als er geen kritiek komt, pas dan moet ik me zorgen maken en mezelf afvragen of ik nog wel functioneer. Ik herinner me dat rabbijn Vorst en mijn persoontje samen (onbezoldigd) werkten voor Jad Achat, de educatieve afdeling van het NIK die opgericht was in 1977. Wij moesten/mochten deze door de Overheid bekostigde instelling invulling geven. Het was een groot succes. Dia’s, tapes, films, Joodse boeken en spelletjes. Later ontstond er in het gebouw van de Joodse Gemeente Amsterdam ook de bekende Jad Achat winkel. Het bleek een en al succes, niemand sputterde tegen, alleen maar lof. En dus vroegen we ons toen ernstig af: zijn we wel goed bezig? Maar gelukkig ontstond, net nadat we ons zorgen maakten over het succes, kritiek. Wat die kritiek omvatte herinner ik me niet meer, maar de essentie was dat er tegenstand was, teken dat we goed bezig waren.
De dagen voorafgaand aan 9 Aw, de zogenaamde negen dagen, ervaar ik jaar-in jaar-uit als vervelend en deprimerend. Negen Aw, is de dag waarop zowel de Eerste Tempel alsook de Tweede Tempel in Jeruzalem, werden verwoest, het begin van het Galoeth, het ballingschap waarin we ons nog steeds bevinden. Galoeth is niet alleen buiten de grenzen van het Heilige Land Israël, maar ook in Israël zelf. Totdat de komst van de Mosjiach, want dan zal er sjalom zijn in Israël en voor de gehele mensheid waar ook ter wereld. Maar tot die tijd… Als we voor een reguliere Jom Tov staan, is er voorbereiding op culinair gebied, Jom Tov kleding wordt klaar gelegd, het huis wordt opgepoetst en de passende speciale liederen voor Jom Tov galmen door de gangen, zeker als vader de chazan, (voorzanger) zal zijn. En naarmate het tijdstip van het begin van de Jom Tov nadert, de kaarsen al op tafel staan, beginnen de geuren van de speciale culinaire Jom Tov gerechten het huis meer en meer binnen te dringen. De voorbereiding voor shabbos.
De vakanties zijn inmiddels in vele delen van ons land aangebroken. Maar het is niet overal feest. De bij dit dagboek geplaatste foto lijkt op een gezellig uitstapje, mensen staan er blij op, bepakt en bezakt. Ze zijn ook echt blij, heeft de maker van de foto mij verzekerd. Maar ze gaan niet op vakantie. Ze vertrekken, laten hun achtergrond achter, vluchten uit Oekraïne voor het dreigende oorlogsgeweld. Onze Koen Carlier is bezig met reddingsactie nr. xxx. Deze mensen zijn dankbaar dat ze naar veiliger plaatsen kunnen ontsnappen, daarom kijken ze blij. Maar het is verre van een blij vakantie-uitstapje! Maar ook aan de Russische kant van de oorlog wordt gevlucht, sneuvelen jonge mannen omdat ze toevallig in Rusland woonachtig zijn. En wij maar blij zijn als we horen dat aan de Russische kant mensen zijn gesneuveld.
Over afwisseling niet te klagen. Maar voordat ik mijn dagboek begin en nog niet weet of ik het vanavond nog ga afmaken (het is al bijna middernacht!), wil ik eerst een aantal onmisbare vrijwilligers achter mijn dagboek-schermen bedanken. Op een aantal sites en facebooken worden mijn dagboeken geplaatst. De plaatsers, deels vrijwilligers en deels betaalde krachten, gaan ook met vakantie. Maar toch: allen, zonder uitzondering, hebben vrijwillig toegezegd om het dagboek te blijven plaatsen ondanks hun vakantie. Misschien, zo gaf een van hen aan, zal het een dag later dan gebruikelijk verschijnen, maar verschijnen zal het!
De onthulling van het monument voor de voormalige sjoel van Sneek was een groot succes. Een schitterend ontwerp dat een combinatie van leegte, warmte en wat-eens-was symboliseerde. De organisatie rondom de plechtigheid was subliem, de opkomst groot. Voeg daarbij de optimale weersgesteldheid en de conclusie is: het kon niet beter! Dat neemt natuurlijk niet weg dat de aanleiding een grote tragedie is. Niets meer over van wat eens een bloeiende Joodse Gemeente was. Ja, ik kreeg complimenten voor mijn toespraak (vanaf deze plaats ook lof voor de andere sprekers!) en mijn aanwezigheid heb ik zelf als nuttig ervaren. Maar: bijeenkomen om te herdenken wat uit ons midden werd weggerukt, ervaar ik emotioneel als pijnlijk. Ik kwam niet thuis met een voldaan gevoel, in tegendeel. Ik begon mezelf af te vragen of het geestelijk wel zo gezond is dat ik tijd besteed met herdenkingen en begon een excuus te zoeken om de dag na Sneek niet naar de Molukkenstraat in Amsterdam te gaan. Weer die oorlog, weer stilstaan bij onschuldige slachtoffers die vermoord moesten worden. Wat was er in de Molukkenstraat? Bij de jaarlijkse herdenking van het Apeldoornsche Bosch is ieder jaar, jaar in jaar uit, een niet-joodse accordeonist aanwezig die op zeer gevoelige wijze de muziek verzorgt. Hij doet dat zo goed dat ik menig keer zijn gegevens heb doorgegeven aan organisatoren van herdenkingen die op zoek waren naar passende muzikale begeleiding. En nu, geheel onverwachts, kreeg ik enige maanden geleden een verzoek van deze accordeonist om aanwezig te zijn bij de plaatsing van vier Stolpersteine die in Amsterdam in de Molukkenstraat voor zijn grootouders, zijn moeder en zijn oom zouden worden gelegd. Aan mij dan de vraag of ik een gebed wilde uitspreken en een daarbij behorende overpeinzing. En dus begreep ik dat als zijn grootouders vermoord waren in de oorlog vanwege hun Jood-zijn, onze niet-joodse muzikant Joods is. Uiteindelijk had ik besloten om toch maar wel te gaan en niet af te bellen met een of ander excuus, wetend dat ik er depressief van thuis zal komen. Voornaamste reden was niet omdat de accordeonist Joods is, maar dat als ik wel naar Sneek was gegaan, een grote bijeenkomst met veel publiciteit, en niet naar een kleine bijeenkomst, waar misschien nauwelijks iemand aanwezig zou zijn en er als het ware geen eer mee te behalen valt, dit enorm tegen mijn eigen principe zou indruisen. Waarom ga ik naar dit soort bijeenkomsten? Voor mezelf? Of om anderen, ongeacht of dat er honderd, tien of twee zijn, tot steun te zijn. En ook uit respect voor hen die herdacht worden. En dus belde ik niet af en bevond me donderdag jl. om 14:00 uur precies in de Molukkenstraat waar op de stoep (en deels op het fietspad) voor nummer 154 een grote meute stond te wachten op het begin van de plechtigheid. Mijn aanwezigheid werd enorm gewaardeerd. De moeder van mijn accordeonist heeft me na afloop van de plechtigheid het volgende doen toekomen:
Het interview met het Joods Cultureel Kwartier was bijzonder. Bij een interview denk je normaliter aan een verslaggever die je vragen stelt over een bepaald onderwerp. Maar hier speelde iets anders. Het Nationaal Holocaustmuseum wil geschiedenis vastleggen. Nu de overgrote meerderheid van de overlevenden er niet meer is en de enkelingen die er nog wel zijn (tot in lengte van jaren en minstens tot 120!) meestal in de oorlog geboren baby’s waren met daardoor een beperkt verhaal, mocht ik de eerste zijn die zijn verhaal deed als ‘geboren in de schaduw van de oorlog’. Want wij, de generatie van “direct-na”, heeft ook een geschiedenis en bovenal voel ik mezelf verplicht om het stokje van de overlevenden over te nemen opdat het nooit zal worden vergeten. Ik mocht een deel van mijn eigen levensverhaal vertellen, hoe ik ge/vervormd ben tot wat en wie ik nu ben. Mocht u geïnteresseerd zijn, dan kunt u op de site van het Joods Cultureel Kwartier een kijkje nemen. Maar wat deed dit interview met mij om terug te koppelen naar mijn prille kinderjaren en dan bewust een link te leggen met het leed dat mijn ouders hadden moeten meemaken en waarvan zij zo intensief hadden geprobeerd om mij erbuiten te houden. Zonder het hele interview van anderhalf uur in geest te gaan herhalen wil ik twee onverwachte momenten delen. Politierapport nr. 197 Politie Amsterdam bureau Stadhouder kade van den 16 den juli 1942. Ik citeer: “namens moeder opsporing verzocht van Aron Salomon Jacobs, geb. te Amsterdam 3-1-1919, kantoorbediende, won. Ferd. Bolstraat 94-1, alhier, die sinds hedenmorgen spoorloos is. Ongeluk wordt gevreesd. Tel. verzonden, met volledig signalement.” Tijdens het interview werd mij het bovenstaande politierapport getoond. Ik wist het meteen te plaatsen. Mijn vader was opgeroepen voor tewerkstelling, zoals dat zo mooi heette en is meteen ondergedoken, ondanks dat hij in het bezit was van valse papieren. Waarom hij geen gebruik wilde maken van het persoonsbewijs zonder J is me nooit helemaal duidelijk geworden. Mijn oma, een zeer intelligente vrouw, heeft zich dramatisch bij de politie gemeld. Met nog een politierapport werd ik geconfronteerd. Mijn opa had na de oorlog, in bevrijd Nederland, aangifte gedaan van vernieling. De bewoners van de Ferd. Bolstraat 94 die het geroofde huis uiteindelijk moesten verlaten hadden, nadat ze alle kranen hadden opengedraaid, rondverteld dat mijn grootouders en mijn vader hadden gecollaboreerd met de Nazi’s en dus werden hun ruiten ingegooid. Volgens mijn vader door dezelfde mensen die JUDEN op hun ramen hadden gekalkt aan het begin van de oorlog. Welkom terug in Bevrijd Nederland!