Schrijf nooit iets op als je geïrriteerd bent

Een telefoontje uit Zevenaar. Om een lang verhaal kort te maken. Er was daar ooit een kaasfabriek gevestigd en die verkochten ook koosjere kaas. Via Facebook “Joodse Geschiedenis in Nederland” kwamen ze aan mijn adres. De historicus, die de kaasfabriek vanuit historisch perspectief bestudeert, had uitgevonden dat er eens per maand een korte man met zijn zus met de auto naar Zevenaar kwamen om die kaas op te kopen. De zuster reed de auto, want haar broer was kennelijk wel de kaaskunst meester, maar beheerste niet de rijkunst.

En nu is dus die historicus aan het uitvissen wie die korte Joodse man met zus kan zijn geweest, zo’n 60 jaar geleden. En dus komt hij uit bij de rabbijn. En terecht, want het was bijna meteen bingo! Dat moet Kaas-Kohn zijn geweest met zijn zuster. Zij woonden ergens in de buurt van de Wielingenstraat in Amsterdam Zuid, vlakbij de plaats waar nu de Nieuwe RAI zo’n 60 jaar geleden is verrezen. Hij was een soort groothandelaar in kaas en ik herinner mij dat we af en toe bij hem de kaas kochten en dat de opbergruimte waar de kaas lag opgeslagen niet een koeling was. Neen, de kaas lag altijd onder zijn bed in zijn slaapkamer.

Overigens wilde de historicus ook weten of er nog nazaten bestonden van Kaas-Kohn, zoals de heer Kohn in de wandelgangen werd genoemd. En inderdaad kon ik hem het adres van zijn zoon geven die een koosjere groothandel heeft in Londen. En raadt eens wat zijn voornaamste handelsproduct is? Inderdaad: kaas. Overigens vroeg ik mezelf wel af hoe mijn dagboek terechtgekomen is op de Facebookpagina van Joodse Geschiedenis in Nederland. Maar als 70+ moet ik dat maar zonder te veel nadenken gewoon aanvaarden.

Wat ik niet aanvaard is de onderstaande reactie die ik ontving op mijn dagboek van een paar dagen geleden:
“Met veel belangstelling volg ik uw dagboeken. Helaas nu met een bijsmaak, sinds u schreef over de persoon met een Joodse opa. Van mijn vader ken ik de verhalen over de afwijzing die hij regelmatig ervaren heeft als zijnde ‘Vader-Jood’. Zelf werd ik als kind voor Jood, of Jodenjong uitgemaakt, terwijl ik niet wist waarom, de buurt blijkbaar wel…, waardoor er Joods of niet, toch een zekere verwevenheid met het Jodendom is ontstaan in onze identiteit. Natuurlijk zou er vandaag de dag, geen Joods volk bestaan, zonder dit principe, ‘alleen Joods via de moeder’. Wij zijn, Zionistisch ingestelde bastaarden (Heidenen? Samaritanen?) mijn vader, broer, oom en nichtjes, als kleine kudde, overgebleven van 79 naar Auschwitz en Sobibor, weggevoerde familieleden, inschikkelijk, we doen een stapje terug voor het ‘hogere doel’, maar auw! Best pijnlijk dat zo duidelijk door u onder de neus gewreven te krijgen, met ook de venijnigheid waarmee u het schreef, dat wou ik u toch even gezegd hebben… Als bastaarden en heidenen, maar net zo goed 2e en 3e generatie, hebben ook wij de klap van de zweep tot aan de dag van vandaag gevoeld, graag uw begrip daarvoor, we zijn niet besmettelijk en nog steeds geschapen naar Gods beeld, net als u.…”

Oeps, was mijn primaire spontane en geschrokken reactie.

Meteen ben ik het betreffende dagboek gaan herlezen, een keer, twee keer. Ik begrijp dat iemand de vertaalslag heeft gemaakt, maar het staat er niet en bovendien weet ik van mezelf dat ik zoiets bots ook nooit zou schrijven. En dus heb ik meteen een email gestuurd met het verzoek mij te bellen of als de schrijver mij zijn telefoonnummer geeft, bel ik hem. Binnen enkele minuten hadden we elkaar aan de lijn. Ik ben begonnen met een onvoorwaardelijk excuus en daarna als toevoeging dat mijn geïrriteerde passage uit het betreffende dagboek betrekking had op de dwangmatigheid waarmee het verzoek werd gedaan aan mij om aan een mij onbekende man een rabbinale verklaring af te geven. Hij klaagde over de Israëlische Overheid omdat hij jaarlijks een leges moest betalen voor een verblijfsvergunning omdat hij kennelijk in Israël woonachtig was. Mijn geïrriteerdheid, aan het digitale papier toevertrouwd, had helemaal niets te maken met de vraag of de persoon in kwestie wel of niet conform de halaga -de Joodse wet- als Jood werd beschouwd.

We hebben een heel fijn gesprek gehad, over en weer excuus aangeboden. Ja, als zoon van een Joodse vader en een niet-Joodse moeder voelde hij zich tussen wal en schip. Ik begrijp dat erg goed, probeer ook waar ik kan tot steun te zijn in dit soort lastige situaties. Maar laat ik heel duidelijk zijn: Voor de buitenwereld is mijnheer Cohen, ook als alleen zijn bet-bet-overgrootvader Joods zou zijn geweest, nog steeds een Jood en heeft hij evenveel te lijden van antisemitisme als ik. En dus: waar mogelijk zal ik hem helpen en voor zijn belangen opkomen.

De les voor mij: 1: raak nooit geïrriteerd. 2: schrijf nooit iets op als je geïrriteerd bent. Boosheid is een slechte eigenschap, staat halagisch bezien op het niveau van afgodendienst. En zelfs als je bewering goed bedoeld was en er geen spijker tussen te krijgen is: boosheid zal altijd een negatieve uitwerking hebben, en dat moet ik niet willen! En raadt eens wat: gelijk ik nu mijn spijt betuig via dit dagboek, na het al persoonlijk telefonisch gedaan te hebben, ontving ik ook voor de tweede keer een excuus e-mail van de ‘tegenpartij’. Ons contact had een vervelend begin, maar van ‘tegenpartij’ is nu helemaal geen sprake meer. We zijn onuitgesproken vrienden geworden!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *