Mijn auto in de vangrail! Dagboek van een Opperrabbijn 15 november 2020

Direct na de uitgang van de sjabbat kwam er een fotograaf van het Nederlands Dagblad om mij in sjabbat-kleding op de gevoelige plaat vast te leggen. Zondag was hij er weer, maar toen om mij in door-de-weekse kleding, wederom te vereeuwigen. Ik heb hiermee het ND (Nederlands Dagblad) aan vulling voor 2 pagina’s geholpen. Bij iedere foto een korte uitleg.

Na sjabbat vond ik in mijn Inbox een e-mail van een bejaarde dame: “Lieve Rebbe, Ik hoop, dat het goed met u gaat en dat u in goede gezondheid bent. In de stilte van corona ben ik Thora gaan lezen en dat bevalt erg goed, dat heeft me de nodige positieve energie gegeven. Ik vind het leuk, als u iets terugschrijft.” Toch geweldig om, zonder dat ik er eigenlijk iets voor hoef te doen, iemand tot steun te mogen zijn.

Ondertussen ben ik bijgekomen van donderdag. Ik bedoel niet zozeer de vierhonderd kilometers en ook niet de spanning van de bezoeken. Neen. Ik doel op de aanrijding die ik had en de zware blikschade aan mijn auto. Laat ik even in het kort uitleggen wat er is gebeurd. Ik was dus op de omstreden Duitse begraafplaats Ysselsteyn, daarna in Den Haag in de ambassade van Israel waar de Gereformeerde Kerken hun Schuldbelijdenis officieel overhandigden en daarna een gesprek met de ambassadeur van Duitsland in zijn Haagse residentie. Een rabbijn wordt geacht om, voordat hij tot een oordeel komt, zich eerst goed te verdiepen in de problematiek. Mij werd verzocht om te oordelen over de kranslegging op de nazi-begraafplaats in Ysselsteyn. Hoe dat verzoek bij mij kwam is niet relevant, maar het kwam van verschillende kanten. En dus wilde ik zien en ter plekke horen wat hier speelt. Wordt hier herdacht? Wordt hier eer betoond aan Nederlandse landverraders en SS-ers? Of liggen hier uitsluitend gewone soldaten? En wie waren de kindsoldaten waarover wordt gesproken? Onschuldige kinderen van 10 jaar? Ik heb me een goed beeld weten te vormen. Daarna dus de Schuldbelijdenis van de Gereformeerde Kerken en daarna het gesprek met de Duitse ambassadeur. Maar daartussen een aanrijding. Hoe verliep die aanrijding: Ik reed de parkeergarage uit van de Israëlische Ambassade. Dat was eenvoudiger gezegd dan gedaan. Iemand moest met mij mee vanaf de ambassade op de zesde verdieping via allerlei beveiligde deuren, een lift die voor mij bediend werd en vervolgens mijn auto in en de parkeergarage UIT. Maar die parkeergarage was op slot en moest voor mij geopend worden. Ik reed dus naar de uitgang. Voor mij verscheen plotseling de man die voor mij de slagboom moest openen. Waarom hij daar midden op de weg stond en niet aan de kant, was mij niet duidelijk. Bovendien was het donker. Door mijn hoofd flitste de vraag waarom hij mij de weg blokkeerde en omdat ik hem niet omver moest rijden zocht ik naar de slagboom. Die slagboom was er niet, maar naast hem, aan de rechterkant zag ik iets dat kon duiden op een nog gesloten rolluik. Het rolluik ging toen inderdaad omhoog en ik dus netjes naar rechts om voor het rolluik te komen en om de medewerker van de ambassade niet te dicht te benaderen draaide ik op tijd naar rechts. Maar ik had niet gezien dat er rechts van mij een lage vangrail was…Auto naar de garage gebracht op vrijdag en nu rijd ik dus in ‘vervangend voertuig’. Ik had er goed de pest in. Kost tijd, gezeur en geld. Maar nadat ik in mijn voorbereiding naar de sjabbat weer eens duidelijk had gelezen dat zelfs de beweging van een grassprietje al vanuit het Boven was geregeld, zoveel te meer wat de mens overkomt. En dus, op weg naar sjoel voor de vrijdagavonddienst, zocht ik de diepere betekenis van die botsing: 1/ De medewerker van de ambassade stond voor de botsing midden op de weg. 2/ Ik zag geen uitgang, want er was geen slagboom 3/ Omdat de vangrail heel laag was onttrok die vangrail zich aan mijn gezichtsveld en veroorzaakte de botsing. Het enige doel van de vangrail was dus om mij te treiteren! Zo beleefde ik het op donderdag. Maar al lopend naar de synagoge, vrijdagavond, toen ik mijn aanrijding nog eens in gedachte herbeleefde en er iets zakelijker tegenaan keek, begreep ik dat 1/ de medewerker er speciaal stond om mij de uitgang te wijzen. 2/ de uitgang was een rolluik en geen slagboom als extra beveiliging om ongewenste figuren buiten te houden en 3/ de vangrail moest aanrijdingen voorkomen tussen ingaand en uitgaand verkeer.

Waarom keek ik er een dag later anders tegenaan?  Donderdag overheerste mijn gevoel. Een dag later, op weg naar de synagoge, mocht ook mijn verstand meekijken en kreeg ik dus oog voor de nuance. Het was dus een dag van nuances, maar niet alleen bij de botsing: 1/ Ysselsteyn was voor mij toch iets anders dan ik in eerste instantie vermoedde. De brasserie bleek een gelegenheid waar een kopje koffie werd gedronken in aansluiting op het bezoek aan een indrukwekkende educatieve tentoonstelling waarin gewaarschuwd werd tegen de gruwelen van oorlog. 2/ Tijdens de ceremonie op de Israëlische Ambassade begreep ik dat de Schuldbelijdenis aanvankelijk niet door alle kerken werd gedragen en dus gecompliceerder was dan ik vermoedde en 3/ bij de Duitse Ambassadeur ben ik tot het besef gekomen dat zijn Duitse “Gedenken” een andere betekenis heeft dan ons Nederlandse “Herdenken”.

De klap tegen de vangrail had mijn ogen geopend voor de nuance, en dat is goed!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *