De twee bekers. Dagboek van een Opperrabbijn 3 februari 2021

Omdat ik veel meer thuis ben dan in vroegere tijden, want zo voelt het pre-corona-tijdperk, valt mijn oog steeds vaker op onze zeer bescheiden zilverkast met daarin die twee zilveren kiddoesj-bekers met op de een de naam Bernhard en op de ander de naam Sigmund. Ik vermoed dat dit twee neven waren van mijn vader en zijn deze twee bekers het enige dat er nog van hen over is en hun naam draagt. Waar hun graven zijn, is vragen naar de bekende weg. Maar wat ik me steeds meer begin af te vragen is waar hun bankrekeningen zijn, hun huizen, hun bezittingen?

Ronnie Naftaniel en ik (Nou ja, ik? Ik zit er eigenlijk een beetje voor joker bij) zijn dus in overleg met de burgemeester van een hier niet nader te noemen Gemeente om te onderzoeken in hoeverre de Gemeente aan Joden die hebben overleefd en teruggekomen zijn naar de Gemeente waar ze woonden, achterstallige belastingen heeft gevorderd. Waarom ik deelneem aan deze bespreking is niet van belang (en zeker niet Rabbinaal), maar voor mij wel erg interessant. De vriendelijkheid en het begrip die de burgemeester uitstraalt is enorm bemoedigend. Ik mag hopen dat zo’n opstelling ook elders in Nederland zo mag zijn. Als deze burgemeester in de oorlogsjaren burgemeester zou zijn geweest, had hij zeker een groot probleem gehad, want deze burgemeester had of in functie gebleven om te pogen te redden wat er te redden viel of deze burgemeester zou ogenblikkelijk zijn functie hebben neergelegd en verder zijn gegaan in het verzet. Er is dus een onderzoek gedaan om in kaart te brengen welke bedragen aan teruggekeerde Joden zijn opgelegd en of de burgerlijke gemeente huizen van Joden heeft gestolen (formeel heet dat natuurlijk niet stelen, want Nederlandse Gemeenten stalen niet, dat waren alleen de Duitsers…). N.a.v. het in opdracht van de burgemeester uitgevoerde onderzoeksrapport schrijft Ronnie Naftaniel, de vicevoorzitter van het CJO – Collectief Joods Overleg, het volgende: Uit jouw enorme zoekwerk blijkt hoe groot het leed van de Joodse inwoners van xxx is geweest. Van de 438 Joodse inwoners is maar een fractie teruggekomen. Van de 71 van Joden onteigende panden is ook maar een fractie gerestitueerd. Een belangrijk deel van de in de oorlog van Joden gestolen panden is in handen gebleven van de oorlogskopers. Dat is groot onrecht. Die oorlogskopers waren niet alleen profiteurs in de oorlog, maar hebben na de oorlog dikke winsten kunnen maken als helers van gestolen goed. De huidige burgerlijke gemeente kan daar niets aan doen. Toch vind ik dat een onderzoek naar het in de oorlog geroofde onroerend goed, een context dient te bevatten, die het gevoel van verdriet en onmacht van de overlevende Joden duidelijk kan maken. Misschien dat hiervoor nog plaats is in je samenvattende beginhoofdstuk.

Wat speelt hier? De historicus die het onderzoek doet naar fouten die begaan zijn door de Burgerlijke Overheid, bemerkt dat er een heleboel bezittingen van de Joden zijn geroofd maar dat dit had plaatsgevonden buiten de verantwoordelijkheid van het toenmalige gemeentebestuur en dat dat ook niets te maken had met naheffingen die zijn opgelegd aan de overlevenden en waarover dit onderzoek gaat. En dus geeft de historicus aan dat naast zijn onderzoek en de verslaglegging van zijn bevindingen een separaat onderzoek zou moeten komen naar de diefstal van Joodse eigendommen van Joden die niet zijn teruggekomen (vermoord dus!). Wat Naftaniel en ik graag zien is dat alle berovingen in een en hetzelfde onderzoeksverslag komen. Niet een verslag over de formele aansprakelijkheid van de huidige burgemeester als opvolger van de burgemeester van in- en na de oorlog, maar een breder verhaal, het plaatsen van de eventuele fouten van het gemeentebestuur in de context van de breedschalige roof van Joodse bezittingen. Toen mijn vader terugkwam en naar de collega’s ging (mijn vader was optometrist/opticien) bij wie hij zijn bezittingen had achtergelaten om ze na de oorlog weer op te halen, wisten nagenoeg al zijn collega’s zich het niet meer te herinneren dat hun ooit iets in bewaring was gegeven. En bij de bank in Steenwijk, waar mijn lieve moeder al haar spaarcenten had staan, kon het ook niet meer uitgezocht worden. Ik kijk verdrietig en kwaad naar die twee bekers in onze zilverkast: waar zijn de huizen waarin Sigmund en Bernhard woonden? En waar zijn hun spaarrekeningen, de huizen van hun ouders enz.

Ik ben aan het doorslaan! Stop, moet ik even tegen mezelf zeggen

Vandaag had ik een gesprek per zoom met een echtpaar dat Joods wil worden. Hun lokale rabbijn heeft de RCE-Rabbinical Center of Europe te hulp geroepen. Joods-worden is een hele procedure, een beproeving. De lokale rabbijn is vaak niet in staat om zo’n toetreding te begeleiden en uit te voeren. En dan komt het RCE in beeld. Op het moment dat de lokale rabbijn van mening is dat de kandidaat omwille van het geloof en niet omwille van zijdelingse motieven, wil toetreden kom ik, als voorzitter van het Beth Din (de Joodse Rechtbank) die belast is met gioer-toetredingsprocedures, in actie. Anderhalf uur heb ik met de twee kandidaten, man en vrouw, gesproken. Ze eerst uitgelegd dat ik de tegenpartij ben en dat hun rabbijn hun mag en moet helpen en steunen. Met andere woorden: ik ben de kwaaie genius en mag het vuile werk doen. Dat is dus mijn lot! Maar deze mensen kwamen oprecht over. En hoe nu verder? Hen ontmoeten is onmogelijk. Afwachten maar en hopen dat als alles genormaliseerd is, ik met ze verder kan richting Jodendom.

Ondertussen werd ik vandaag ook nog gevraagd om een lezing te geven voor een groep goedwillende islamieten over het recht van de Joden op Israel. Of ik dat wil gaan doen weet ik niet want ik ben geen historicus, geen politicus maar slechts een eenvoudig rabbijntje die van politiek weinig kaas heeft gegeten! En u gelooft het of niet: net toen ik besloot mijn dagboek voor vandaag weer af te ronden, en ik had vastgelegd dat ik van het juridische getouwtrek geen kaas had gegeten, werd er gebeld en stond er een besteller voor de deur met voor ons…een grote ronde koosjere jonge kaas.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *