Dagboek van de Opperrabbijn 4-2-2024

Het was een heel fijne sjabbat. Een erg goede opkomst in sjoel. De nieuwe voorganger, Shaja Groenewoudt, zoon van mijn Amsterdamse collega, voelt zich al helemaal thuis, ik hoor alleen maar positieve geluiden uit de kehilla over zijn functioneren en de goegemeente blijft langer en langer aanwezig bij de kiddoesj na afloop, een goed teken. Hoewel ik niet iedere sjoelbezoeker ervan verdenk dat hij met volledige devotie alle gebeden in sjoel volgt, zingt iedereen luidkeels en vol overgave mee of luistert aandachtig als het gebed voor de Staat Israël en voor het welzijn van onze soldaten wordt uitgesproken. Ik schrijf bewust ‘onze’ soldaten omdat meer en meer bij ons, Nederlandse Joden, gevoeld wordt dat als ik hier in Nederland niet meer kan blijven, de grens van het Heilige Land voor ons openstaat. Mijn ouders, denk ik dan, konden in de jaren ’40-’45 geen kant op. Nergens waren ze welkom. Wat dankbaar moet ik zijn dat Israël bestaat.

Maar globaal gesproken gaat het natuurlijk niet goed met Israël-Gaza en met de gijzelaars.

Als Joseph, de onderkoning van Egypte, zich uiteindelijk bekend maakt aan zijn broers en hij zegt dat hij hun verloren broer Joseph is, vraagt hij hen “leeft onze vader nog?”. Erg vreemd, want hij had al meerdere keren te horen gekregen dat vader Jacob nog in leven is, dus waarom nogmaals die vraag? Een van de antwoorden hierop is dat Joseph inmiddels natuurlijk wist dat zijn vader Jacob nog leefde, maar hij vroeg niet naar het fysieke leven van zijn vader, maar naar zijn geestelijke gezondheidstoestand. Tweeëntwintig jaar lang had Jacob in spanning gezeten, tweeëntwintig jaar had hij psychisch zwaar geleden. En dus vroeg Joseph aan zijn broers: ja, ik weet dat onze vader nog fysiek in leven is, maar heeft onze vader ook geestelijk de kracht gehad om te overleven of is hij een wrak vanwege de onzekerheid en de spanning omdat hij niet wist of ik, zijn zoon Joseph, nog in leven was en zo ja, hoe mijn geestelijke en lichamelijke toestand zou zijn.

Dagelijks zijn we bezig met de situatie in Israël-Gaza. Constant zijn onze gedachten bij de gijzelaars. Natuurlijk doet Israël alles wat in haar macht ligt om de gijzelaars te bevrijden, maar tegelijkertijd mogen ze niet hierdoor Israël in een onaanvaardbare levensgevaarlijke situatie loodsen.  En vanzelfsprekend hunkeren familieleden naar de bevrijding van hun geliefden, onvoorwaardelijk. Maar zijn ze nog in leven? En als ze nog in leven zijn… De spanning die aartsvader Jacob moet hebben gehad, de knagende onzekerheid. Een ding is voor mij duidelijk: wij kunnen en mogen niet oordelen. Niet over de familieleden van de gegijzelden en niet over de beslissingen van de Israëlische Overheid. En nu de rol van de Verenigde Naties steeds duidelijker is, wordt het al helemaal onmogelijk om vanuit onze luie stoel Israël te ver- of beoordelen. Een eerlijke journalist zal dit moeten erkennen. Ik ben fanatiek voor de vrijheid van pers. Journalisten hebben een mega belangrijke taak. Dankzij de journalistiek is nu het ware verderfelijke karakter van de UNRWA zichtbaar aan het worden. Maar journalisten worden ook geacht verslagen en artikelen aan te leveren die de krant doet verkopen. De eigenaar van de krant is vaak als een handelaar in bedrukt papier. Hoe meer papier wordt verkocht… Dat daarbij de waarheid soms tekort wordt gedaan zal de handelaar vaak een niet-koosjere worst wezen.

 

Maar, zo vroeg ik mezelf af, ben ik wel goed bezig. Ook ik zie graag dat mijn dagboeken worden gelezen en ook ik wil dat er met aandacht naar mijn toespraken en voordrachten wordt geluisterd. Maar omdat mijn lezers en toehoorders van mij een pro-Israël geluid willen horen word ik misschien daardoor (ver)blind voor eventuele gerechtvaardigde kritiek op Netanyahu en zijn regering.

 

De zich Interprovinciaal Opperrabbijn noemende Binyomin Jacobs is weinig meer dan een in het zwart geklede opperzionist, die zichzelf zonder voorbehoud als boegbeeld heeft uitgeleverd aan de Christenen voor Israël en daarmee de ultieme verrader is van het Judaïsme. Een vergelijking met de rattenvanger van Hamelen dringt zich op. Jacobs stelt zonder enig voorbehoud antizionisme één op één gelijk aan antisemitisme. Ondanks , nee, mede dankzij deze denkzwakte heeft hij met regelmaat een column in het NIW.”

 

In de Joodse filosofie wordt uiteengezet dat als iemand geen tegenwerking krijg en er nooit aanvallen zijn op zijn functioneren, hij zich mag afvragen of hij wel goed bezig is.

Als hij echter fel wordt bekritiseerd, is dat een goed teken. De Satan komt als het ware in opstand. Na bovenstaande citaat op een website, die ik niet de eer geef om in mijn dagboek met naam en toenaam te vermelden, wist ik het: Binyomin, je bent goed bezig want je krijgt sterke, ongenuanceerde en onbeschofte kritiek uit een zich pro-Israël noemend anti-Israël clubje. En dus: vooral gewoon doorgaan!

 

 

Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het

Joods Cultureel Kwartier.

NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

RSS
Follow by Email