Dagboek van de Opperrabbijn 26 febr. 2023
Het is nu zondag, een nieuwe week met uiteraard nieuwe uitdagingen. Maar laat ik eerst terugblikken, want het was me het weekje wel. Een telefoontje van een collega rabbijn uit Bakoe. De ambassadeur van Azerbeidzjan, zijn goede vriend, was ambassadeur in Frankrijk, daarvoor in het Vaticaan en sinds kort zit hij in Nederland. Of ik hem s.v.p. kan uitnodigen want hij wil graag kennis maken en bekijken wat Joods-Nederland en hij samen kunnen doen. Nu moet ik heel eerlijk bekennen dat ik zeer weinig afwist van Azerbeidzjan. Nauwelijks van gehoord en ik weet al helemaal niet met welke landen het zijn grenzen deelt. En of en zo ja met wie het in oorlog is. Gelijk de gemiddelde Amerikaan het verschil tussen Amsterdam en Kopenhagen niet kent, zo zijn voor mij Azerbeidzjan, Armenië, Moldavië, Kazakstan en nog een aantal landen wier namen ik niet eens kan neerschrijven, onbekende grootheden. Inmiddels heb ik hem dus ontmoet en ben ik drie prachtige boeken rijker geworden: een met foto’s over tapijten, een met foto’s van koperen gebruiksvoorwerpen en de derde met foto’s van monumenten. En, voor mij het meest nuttig, een enorme doos met thee uit de diverse streken in Azerbeidzjan. Interessant is dat ik, nadat ik het contact al in een eerder dagboek had vermeld, gewaarschuwd ben dat Azerbeidzjan meewerkt aan het transport van wapens uit Iran naar Rusland. Ik dus meteen gaan onderzoeken met als resultaat dat juist het tegendeel waar blijkt te zijn. Ondertussen kijk ik hoe dit contact gebruikt kan worden ten faveure van onze Joodse Gemeenschap en/of Israël. Interessant is dat deze ambassadeur bereid is om ook naar Brussel te komen en te kijken naar samenwerking op Europees niveau, terwijl normaliter een ambassadeur nooit bereid is om buiten de grenzen van het land waar hij is gestationeerd te gaan werken. Maar, zo heeft men mij uitgelegd, omdat Azerbeidzjan niet echt een democratie is, gelden daar andere regels en is het normaal van hun niet altijd het normaal van ons.
Vorige week zondag was ik in Potsdam voor de inwijding van een nieuwe Thora-rol ter nagedachtenis aan de rabbijn van Potsdam die het afgelopen jaar geheel onverwacht en nog nauwelijks 50 jaar oud, was overleden. De bijeenkomst was perfect georganiseerd en was een samenvloeisel van vreugde, vanwege de nieuwe Thora-rol voor de lokale synagoge, en intens verdriet. Hoewel ik hieraan al in een eerder dagboek aandacht had besteed, vermeld ik het hier nogmaals, omdat het blijft nagonzen in mijn gedachten en de ontmoeting met vele jonge Duitse rabbijnen geleid heeft tot nieuwe contacten en ik als resultaat door drie jonge rabbijnen ben ingeschakeld om hen te assisteren met lokale probleempjes, als een soort opa-rabbijn of iets professioneler geformuleerd: de nestor-rabbijn van de RCE, Rabbinical Center of Europe.
De opening van de tentoonstelling in het Joods Museum zit nog verser in mijn geheugen en mijn eigen ‘hoekje’ heeft tot een aantal WhatsApps geleid met complimenten voor het bereiken van, zoals een van de WhatsApp-schrijvers aangaf, deze mijlpaal in mijn leven. Wat er precies de mijlpaal aan is, weet ik niet. Overigens was/ben ik al op meerdere plaatsen te bekijken! In museum Heilig Land Stichting bij Nijmegen draait al bijna veertig jaar een uitleg op een beeldscherm van mij over de betekenis van een synagoge. Het valt op dat mijn baard toen zwart was. Eigenlijk was mijn baard, zo heeft men mij verteld, donker bruin, maar vanwege mijn kleurenblindheid en omdat het een zwart-wit video was, oogde de baard dus aanzienlijk donkerder dan mijn huidige witgrijze. Op de video in de synagoge van Bourtange, dat zich afgelopen jaar op meer dan 100.000 (!) bezoekers mocht verheugen, ben ik ook weer aan de synagoge-uitleg. Idem in de Sjoel van Elburg en in het Joods Museum zelf draait er ook een filmpje van weleer waarin ik in de sjoel van Amersfoort, die over vier jaar zijn 300ste verjaardag groots gaat vieren, het interieur beschrijf. Op de foto van mijn Joods Museum hoekje ziet u links mijn gedrukte dagboek, dat inmiddels al in de tweede druk zit, mijn hoed in het midden en rechts een klok. En op de achtergrond mijn kantoor. Kantoor klinkt een beetje overdreven, want het is een bescheiden hoekje in onze woonkamer met een dure en pijlsnelle computer, een groot beeldscherm en de nodige telefoons. Jacobs-aan-het dagelijks/nachtelijks-werk. De drie objecten tonen wie en wat ik ben. Het dagboek staat voor communicatie, mijn hoed voor representatie en die klok geeft mijn band weer met mijn Nederlands-Joodse verleden. Die klok was namelijk een geschenk aan de grootvader van mijn oma die de Opperrabbijn was van Overijssel en waarnemend Opperrabbijn van Brabant. Hij had die klok gekregen ter gelegenheid van zijn vijfentwintigste jubileum. Opperrabbijn Dr. Jacob Fränkel was een bron van inspiratie voor mij. Mijn oma, die ik goed heb gekend, heeft haar opa, de Opperrabbijn, op haar beurt ook weer goed gekend en heeft mij regelmatig over hem verteld. En zo werd hij mijn bron van inspiratie.
Overigens miste ik de opening van de tentoonstelling doordat ik in een ongekend lange file tussen Den Haag en Amsterdam was beland. Maar voor de ontvangst, na afloop van de officiële opening, was ik nog wel op tijd. Wat ik in Den Haag deed? Mijn vriend Awraham Soetendorp vierde daar zijn 80ste verjaardag. Hoewel ik maar kortstondig aanwezig kon zijn, vanwege die opening van de tentoonstelling in het Joods Museum, vond ik toch dat ik niet mocht ontbreken en dus waren we er. We, is dus mijn eigen persoontje en mijn Blouma. Onze aanwezigheid werd buitengewoon gewaardeerd en was het resultaat van een persoonlijke vriendschap die in de loop der jaren was ontstaan.
Ondertussen stopte het gewone rabbinale werk uiteraard niet en was ik vandaag echt ‘gewoon’ bezig. Gewoon is voor mij het beantwoorden van e-mails, het plegen van telefoontjes en vooral het afleggen van een pastoraal bezoek. Pastoraal vind ik overigens een naar woord, klinkt niet erg Joods, maar u begrijpt wat ik bedoel. Gewoon contact houden. Bezoeken, niet met een bepaald doel voor ogen, maar gewoon om te zien hoe het met mijn schaapjes gaat en tegelijkertijd om te tonen dat ik ze niet vergeten ben. Naar buiten treden is noodzakelijk, maar intern actief zijn is mijns inziens nog veel noodzakelijker.
Gedurende de coronatijd begon
Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .
Dagboek van de Opperrabbijn 22 febr. 2023
De gaskamers van Auschwitz vergelijken met…
Het is mijn minhag (gewoonte), en de minhag van velen, om dagelijks een hoofdstuk te lernen uit Jad Hachazaka, het boek dat Maimonides heeft samengesteld en waarin hij alle wetten, die uit het G’ddelijke systeem van Thora en Traditie zijn af te leiden, geordend heeft. In de Talmoed staan de wetten namelijk door mekaar. Als iemand zeer bedreven is in Talmoed studie, dan is dat door-elkaar-staan geen probleem. Maar met het verloop van de generaties en de vele vervolgingen, werd het snel kunnen afleiden van wetten die verspreid over de gehele Talmoed staan, steeds lastiger voor de gemiddelde Jood.
Mijn oog viel op een bericht in de krant dat een man in de VS na 28 jaar gevangenis voor een moord die hij zeker zou hebben gepleegd, zijn vrijheid terug had gekregen. De veroordeling was een foutje!
Op vele zware overtredingen staat in het Jodendom de doodstraf, maar in praktijk is de uitvoering van de doodstraf nagenoeg onmogelijk. Net toen ik las over het juridische foutje en een foto zag van de vrije veroordeelde had ik in mijn dagelijkse lern-stukje geleerd, gebaseerd op Exodus 23:7, dat de veroordeling van een misdadiger die een moord zou hebben begaan praktisch bezien nagenoeg onmogelijk is. Ik citeer (vrij) Maimonides: Zelfs als getuigen hebben gezien dat A achter B aanrent met een mes in zijn hand en luidkeels uitroept dat hij B wil vermoorden. B rent de hoek van de straat om, A er achteraan. Vervolgens zien de getuigen dat B dood op de grond ligt en A triomfantelijk met het bebloede mes boven hem staat. Dan kan A niet veroordeeld worden omdat de getuigen niet hebben gezien dat A daadwerkelijk B de moord heeft gepleegd. Het Goddelijke Thora principe is van oordeel dat het beter is dat een schuldige ongestraft blijft dan een onschuldige ten onrechte wordt veroordeeld. Steeds vaker vernemen we dat onschuldigen ten onrechte zijn veroordeeld, gebaseerd op valse getuigenissen. En van hoe velen krijgen we het nooit te horen?
Dit geschreven hebbend dwaalden mijn gedachten af naar de discussie in de Knesset in Israël over de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Wie is machtiger? Het parlement of de rechter? Uiteraard komt Israël er weer negatief vanaf. De indruk wordt gewekt dat de onafhankelijkheid van de rechtspraak in het geding is. De rechter zou het summum van rechtvaardigheid zijn en een Parlement staat symbool voor onrechtvaardigheid. Maar zo zwart-wit is het niet. Een flink aantal jaren geleden werd duidelijk dat in de Deventer moordzaak een onschuldige onterecht was veroordeeld en jarenlang had vastgezeten. Zijn de rechters die een fout hadden gemaakt veroordeeld? Vervolgd? Of was het gewoon “foutje, jammer dan”? Wat met juryleden in de USA die zonder duidelijk bewijs gevoelsmatig tot een “schuldig” zijn gekomen met als resultaat de elektrische stoel? Worden zij op de een of ander manier gestraft? En wat met honderden Nederlandse burgemeesters en rechters die enthousiast in de jaren ’40-’45 aan het nazi-systeem hebben meegewerkt en na de oorlog gewoon verder konden? Natuurlijk is de regering Netanyahu er niet op uit om de rechtspraak onder controle te krijgen. Maar om een parlement per definitie als partijdig en dus onrechtvaardig te bestempelen en rechters per definitie als neutraal, is iets te kort door de bocht van rechtvaardigheid. Ben ik dus van mening dat zij die protesteren ongelijk hebben en dus Netanyahu gelijk heeft? Mis! Ik bemoei me er niet mee. Mijn stem zal ik laten horen bij de komende Provinciale verkiezingen gewoon in Nederland. En Israëlische politiek laat ik graag over aan democratisch Israël!
Laat de media die zich intensief concentreren op Israël zich even iets minder op Israël richten en meer aandacht besteden aan landen waar overduidelijk recht krom is en mensen volledig ten onrechte worden veroordeeld. Ook in Gaza! Wat met onze eigen mondkapjes-zwendel? Hoe kon dit gebeuren? Waar was de rechtvaardige Overheid? En wat met onze toeslagen affaire? Zijn er veroordelingen van verantwoordelijken uit voorgekomen? Hoeveel gezinnen zijn nog steeds slachtoffer hiervan?
Maar laat ik maar zwijgen, want met het kritisch en genuanceerd bekijken van ongenuanceerde kritiek op al wat er in Israël gebeurt, scoor ik absoluut niet. Israël is een democratie met een rechtspraak die niemand afhankelijk wil maken. Maar zelfs rechtspraak is niet zwart-wit en niet alle rechters zijn heiligen, ook niet in ons eigen Nederlandje.
Het bestuur van de Raad van Kerken, onder leiding van hun voorzitter en de scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, bezocht in november 2022 ‘Palestina en Israël’. Op de website van de Raad van Kerken doen zij verslag. “Verslag van de reis naar Palestina en Israël van de Raad van Kerken in Nederland” Ook de RK was officieel vertegenwoordigd.
Nog recentelijk was ik op Ben Gurion Airport: alle godsdiensten ter wereld kwam ik daar tegen! Niemand wordt daar vanwege ras, geaardheid of godsdienst gearresteerd of toegang geweigerd. In Israël wordt tegen de regering geprotesteerd, harde woorden worden gesproken. Dat kan en mag in een democratisch Israël.
Wat mij het meest choqueerde in het reisverslag was hun reactie op het bezoek aan Yad Vashem. De systematische industriële moord op 6 miljoen Joden vergelijken met… Ongepast, onwaar en niet verwacht van christelijke vrienden die nog vrij recentelijk de opstelling van hun eigen kerk in de oorlog hadden veroordeeld. Gelukkig weet ik dat er ook vele Christenen zijn die het niet in hun hoofd halen om de gaskamers van Auschwitz te vergelijken met…
Laat het bestuur van de Raad van Kerken, de PKN en de RK zich concentreren op de leegloop van hun kerken hier in Nederland en proberen secularisatie in hun eigen kring tegen te gaan. Laat ze het opnemen voor de slachtoffers van de toeslagen-affaire en daar dan een prachtig verslag van maken, Laat ze proberen om haat tegen Joden in miljoenen schoolboekjes, betaald ook met hun belastinggelden, te verwijderen. Laat ze iets doen aan het feit dat ik regelmatig als ik mijn wandelingetje maak wordt uitgescholden. En laat ze bovenal beseffen dat er zeker ook veel in Israël goed gaat, maar dat éénzijdig ogende kritiek op Israël helaas makkelijk leidt tot antisemitisme.
In coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
NIW publiceert nu deze stukken op haar website.
Dagboek van de Opperrabbijn van 19 februari 2023
Allereerst een hartelijk welkom aan de lezers van cvandaag.nl de grootste christelijk website van Nederland met lezers uit het brede christelijke spectrum. Ik ben een tijdje weggeweest en nu dus weer terug. Waarom was ik weg, waarom weer terug en wat is het doel van mijn dagboek-geschrijf. Aan het prille begin van het corona-tijdperk werd ik benaderd door het JCK, het Joods Cultureel Kwartier in Amsterdam. (Mocht u niet precies weten wat dat is, gewoon even googelen). Het JCK had drie mensen benaderd, en ik was een van die drie, met het verzoek een dagboek bij te houden, want wie weet komt daar iets interessants uit voort dat voor het nageslacht iets kan betekenen en misschien kan er rondom zo’n dagboek een tentoonstelling in het Joodse Museum (onderdeel van het JCK) georganiseerd worden. Ik dus dagelijks aan het schrijven in plaats van rondreizen, lezingen geven, mensen bezoeken en ontvangen. Want, zoals iedereen, zat ook ik aan huis gekluisterd te coronaneren, dus te niksen. Het dagboek had dus voor mij bijna een therapeutische betekenis, het hield me van de straat, die niemand op mocht.
Om een lang verhaal kort te maken: na enige weken werd de dagboek-therapie bijna een trauma, want alleen de directie van het JCK las het, naar ik hoopte. Te zijner tijd zou er wellicht iets mee gedaan kunnen worden, maar wanneer en of, was gissen. En toen kwam CIP in mijn leven en kreeg ik publiek, voelde ik mezelf weer nuttig en zinvol bezig zijn. Van het een kwam het ander. Mijn dagboek verscheen op de Website van het NIW (nog steeds met een frequentie van twee keer per week) het enige Joodse Weekblad. Op de Facebookpagina van Joods bij de EO en op nog een paar plaatsen. Maar terwijl elders ik gewoon door-dagboekenierde, besloot CIP, de voorganger van cvandaag, dat het wel genoeg was en of ik in plaats van mijn dagboek een meer religieuze column wilde schrijven. Dat leidde tot Rab&Rik, eerst als column en nu ook in boekvorm, terwijl ik trouw verder bleef gaan met mijn dagboek, maar niet voor CIP en niet voor cvandaag. En nu ben ik dus weer terug en twee keer per week mag ik op cvandaag met mijn dagboek weer meedoen.
Maar waarom wil ik dit? Aan zending en missie doen wij niet. En samen broederlijk Bijbelteksten is ook al niet mijn cup of (koosjere) tea. Maar wat ik wel van groot belang acht is om samen te strijden voor hetgeen ons bindt, strijden op een vredige wijze tegen secularisatie en ook wil ik graag gesteund worden in mijn gevecht tegen antisemitisme.
Bestaat dat dan nog, hoor ik een aantal van u denken. Toen ik gistermiddag, sjabbat, een klein sjabbat wandelingetje maakte werd ik uitgebreid nagescholden: Jood, jood, jood. Toen ik de vijf knapen vroeg wat ze precies bedoelden, bleek niemand iets gezegd te hebben. Nou doet schelden geen pijn, maar jong gescholden kan vrij eenvoudig omslaan om iets minder jong een mes…Eigenlijk had ik ze willen uitnodigen om bij ons een kop koffie te komen drinken en in gesprek te gaan, maar daaraan dacht ik te laat. Een andere wandelaar was getuige van de scheldkanonnade en ging het gesprek met me aan, toen we voor de schoffies niet meer in het zicht waren. Hij toonde mij een paar wonden op zijn hoofd en zijn kapotte bril. De details van zijn uitleg heb ik niet helemaal begrepen maar hij vond het moedig dat ik duidelijk zichtbaar als Jood durfde rond te lopen. Hijzelf had eerder met hetzelfde groepje van doen gehad met als resultaat…
Ik zit nu in een bus dit dagboek en welkomstwoord te schrijven. Het busje brengt ons van Potsdam naar het vliegveld van Berlijn waar een nieuw Sefer Thora, een nieuwe Thora-rol, werd ingewijd. Geweldig, maar tegelijkertijd een drama. De rabbijn van Potsdam is vorig jaar plotseling overleden, vijftig jaar jong. Van de een op de andere dag, volkomen onverwacht. Te zijner nagedachtenis is deze Thora geschreven. Ik wilde aanwezig zijn uit eerbetoon en om zijn vrouw en kinderen te steunen. Het was een geweldig samenspel van vreugde en diepe droefenis. De vreugde was ongelofelijk. Met de nieuwe speciaal te zijner nagedachtenis geschreven Thora, werd gedanst en gedanst en gedanst. De toespraken waren indrukwekkend, een video over het leven van rabbijn Nachum Presser zl. werd vertoond. Het was alsof hij aanwezig was. Tientallen collegae rabbijnen met hun echtgenotes waren gekomen. In mijn busje zaten drie mensen uit Engeland, een uit Roemenië en elf uit Israel. Maar de droefenis was ook voelbaar. Alle gasten vertrekken nu, enkelen morgenochtend, maar zijn weduwe blijft alleen achter om het werk, de roeping van haar man, voort te zetten. Wat een moed, wat een rotsvast geloof. Am Jisraeel Chaj – het Joodse volk leeft, ook als de leefomstandigheden bijna onleefbaar zijn. Als volk en als enkeling.
Dagboek van de Opperrabbijn 15 februari 2023
“Iedereen denkt dat ik van Arabische komaf ben, zoals het meeste personeel in dit en in bijna alle hotels hier in Jeruzalem. Ik maak me zorgen over assimilatie. Ik ben dan wel niet dati,
religieus, en heb echt heel goede contacten met mijn niet-joodse Arabische collega’s, maar ik zie wat er hier gebeurt. Mijn niet-Joodse mannelijke collega’s vinden de Joodse meisjes vaak heel leuk, u begrijpt wat ik bedoel, en van het een komt het ander. Mijn Ashkenazische grootvader heeft de hel van de Shoa overleeft, als enige van zijn familie. Mijn moeders familie is afkomstig uit Marokko, waar Joden en niet-joden vredig met en naast elkaar leefden, zo vertelde mijn oma mij altijd, maar van onderlinge huwelijken was geen sprake. Wij bleven Joods en zij bleven ook wie ze waren. Maar hier in dit hotel, in Jeruzalem…Ik doe er alles aan om Joods vrouwelijk personeel te weren. Begrijpt u mijn zorg en mijn dilemma? Waarvoor heeft mijn opa overleefd als ik assimileer?”. Deze woorden werden tot mij gericht door dezelfde Joodse vrouwelijke assistent-chef ober waarover ik in mijn vorige dagboek sprak. Nog nooit had ik zo gekeken naar Israël. Het was voor mij een onverwachte confrontatie. Voor mij stond en staat Israël synoniem met Joods-zijn en Joods-blijven, maar kennelijk ben ik iets te idealistisch en niet helemaal realistisch. ‘Iets’ te idealistisch en ‘niet helemaal’ realistisch, want buiten Israël, in een land waar de Joodse bevolking niet leeft in een eigen hechte grote gemeenschap zoals we die treffen in Londen en Parijs, komen integratie en assimilatie erg dicht bij mekaar. En dus blijf ik Israël zien als, los van de heiligheid van het Beloofde Land, het beste wapen tegen assimilatie. Assimilatie is uiteraard een individuele vrije keus, maar het vormt het grootst mogelijk denkbare gevaar voor het voortbestaan van het Joodse
Maar terwijl ik dit schrijf bedenk ik dat het toch net iets anders geformuleerd moet worden. Am Jisraeel Chaj – het Joodse volk leeft en zal altijd blijven leven, zonder enige twijfel. Kijk in de geschiedenis! Maar hoeveel slachtoffers zullen er vallen ten gevolge van vervolging en ook ten gevolge van assimilatie! Daarover maakte die Joodse assistent-chef-ober in ons hotel in Jeruzalem zich zorgen.
Ondertussen ben ik weer helemaal ‘geland’ in Nederland. Er loopt weer van alles en nog wat door mekaar. Mijn sjioer online gegeven voor mijn cursus ‘diepgang’ die ik dus online doe een uur en een kwartier om de week. Ook was ik eergisteren weer aan de beurt voor mijn sjioer voor de gepensioneerden en gisteren had ik een lege agenda. Die had ik dus zullen gebruiken om mijn sjioer voor sjabbatmiddag voor te bereiden, maar werd toen erop geattendeerd via Whatsapp dat ik een aantal vragen onbeantwoord had gelaten. Twee gioer-gevallen uit Europa, waarmee ik me dus vanuit de RCE, Rabbinical Center of Europe, bezighoud. En ook een gioer-kandidaat gewoon uit Nederland. Hoe kon het geschieden dat ik vergat? Antwoord: hoofdschuldige is Whatsapp. Berichten schuiven door naar beneden en dus worden ze aan mijn gezicht onttrokken. E-mail daarentegen blijft gewoon zichtbaar en blijft in mijn Inbox staan totdat ik de taak heb volbracht of de e-mail beantwoord. Pas daarna druk ik op delete. Een ander verzoek dat ik volledig was vergeten was binnen gekomen van de rabbijn van Azerbeidzjan. Sinds kort hebben we in ons land een nieuwe ambassadeur van Azerbeidzjan gekregen en heeft rabbijn Shneor Segal uit Bakoe mij verzocht om hem uit te nodigen voor een kennismaking. In Azerbeidzjan wonen Moslims en Joden vredig met en naast elkaar. Het is vergelijkbaar met de situatie in Marokko waarover mijn Joodse assistent-chef-ober (of is het oberesse of oberin?) sprak. Dat verzoek om kennis te maken met de nieuwe ambassadeur was onopgemerkt blijven liggen. En dus een reminder vanuit Bakoe en na nog enig overleg heb ik de nieuwe ambassadeur per e-mail een uitnodiging gestuurd om kennis te maken. Nog geen tien minuten had ik die uitnodiging verzonden of ik ontving een whatsapp van onze ambassadeur, de Israëlische dus, met de vraag of hij mijn 06-nummer en e-mailadres mag doorgeven aan de nieuwe ambassadeur van Azerbeidzjan omdat die nieuwe ambassadeur graag met mij kennismaakt. Inmiddels heeft mijn Blouma zich ingelezen in Azerbeidzjan en is het me duidelijk geworden dat Azerbeidzjan een belangrijke bondgenoot van Israel is in de strijd tegen Iran. En zo mag ik dus ook hier weer een piepklein schakeltje zijn in het grote politieke wereldgebeuren rondom ons aller Israël en dus rondom de uiteindelijke vrede “voor alle bewoners van Uw aarde”.
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website.
Dagboek van de Opperrabbijn 12 februari 2023
Steeds vaker krijg ik te maken met overlappingen. En dat gebeurde ook vandaag, zondag. Afgesproken was een Toebisjwat-bijeenkomst in Arnhem. Aanvang: 14:30 uur. Maar dan wordt er een jongetje geboren in Amsterdam en vindt om 13:00 uur in Novotel Hoofddorp de Brith Mila plaats. Uiteindelijk was ik op beide plaatsen aanwezig. Als ik had moeten kiezen en als combineren niet mogelijk zou zijn geweest, dan had bij mij Arnhem voorgegaan, omdat daar van mij een verhaal werd verwacht. Mijn verhaal verliep goed, vond ik zelf. Er werd geluisterd en de boodschap kwam over. Was ik voorbereid? Niet echt, maar ter plekke peilde ik de toehoorders en besloot een maatwerk-lezinkje te vertellen. Laat ik u even een “toespraken-les” geven. Allereerst moet je weten welke boodschap je wilt overbrengen. Ten tweede moet je zorgen dat de verpakking aantrekkelijk is, dus een goede presentatie. En ten derde is het visuele contact met de toehoorders van essentieel belang, dus de plaats waar de spreker staat. Als aan deze drie voorwaarden wordt voldaan, moet de toespraak een succes worden. Terwijl ik dit schrijf komt in mij de gedachte op om toespraak-consultant te worden. Valt best mee te verdienen. Eigenlijk ben ik dat al, want afgelopen donderdag mocht ik een oud-voorzitter helpen met de voorbereiding van een 4-mei lezing. De inhoud had hij uiteraard bepaald, maar aan mij was het om te adviseren over de verpakking, de presentatie. En raad eens wat: de oud-voorzitter heeft me een onverwachte donatie gegeven ten behoeve van onze activiteiten! En hiermee was ik dus officieel toespraak-consultant! Terug naar Arnhem: Arnhem was dus geslaagd mede dankzij de onverwacht grote opkomst en de perfecte organisatie. Hulde aan de vrijwilligers en het bestuur. Fijn dat ik een bijdrage mocht leveren.
Dit was dus een vooropgezette bijeenkomst waarin mijn bijdrage het klapstuk was. Maar best regelmatig lever ik een onverwachte bijdrage aan een onverwacht persoon op een onverwacht moment. Zoiets overkwam mij op de laatste dag van ons verblijf in Israël, afgelopen dinsdag.
In ons hotel wemelde het in de eetzaal van de obers. Tussen die obers heersen rangen en standen. Er zijn er die als kok achter het buffet staan, maar geen kok zijn, anderen doen niets anders dan de tafels schoonmaken. Dat wil zeggen dat op het moment dat je even niets in je mond stopt, je bord en bestek worden verwijderd en je dus, als je nog niet klaar was, weer opnieuw ten buffet moet trekken. Maar er is ook een chef ober die alles intensief gadeslaat en dan heeft die chef-ober weer twee assistenten die hem dus assisteren (daarom heten ze dus ook assistent-chef-ober). Met wat de assistent-chef-obers de chef-ober precies assisteren, is mij tijdens mijn week Israël niet duidelijk geworden en dien ik dus gewoon te aanvaarden als een feit.
Omdat we om 4 uur ’s morgens op woensdag vertrokken hadden we een ontbijt-box gevraagd. Dat was een ingewikkelde. Kennelijk was het een onbekend fenomeen en werd ons verzoek aan de gewone reguliere ober door gepasseerd naar de assistent-chef-ober die het op haar beurt weer doorzette naar de chef-ober. Die kwam er echter ook niet uit en belandde bij de eindverantwoordelijke van het totale restaurant-gebeuren, die dus niet uitsluitend de baas is van de bediening maar ook van de keuken, de vervaardiging dus. Uiteindelijk heeft het hoofd van de afdeling guest-relations de knoop doorgehakt en zouden de ontbijtdozen voor ons des morgens klaar staan bij de receptie. En aldus geschiedde. De dinsdagavond voor ons vertrek kwam de assistent-chef-ober naar mij toe met de vraag of de ontbijtdozen gelukt waren. Lief dat ze dat vroeg, dacht ik. Maar ze maakte van de gelegenheid ook gebruik en vertelde mij dat iedereen denkt dat ze een Arabische is en dat is ze dus nadrukkelijk niet, liet ze me weten. Van een professioneel rondkijkende assistent-chef-ober was ze plotsklaps veranderd in een jong Joods meisje dat aandacht vroeg aan een rabbinaal-opa-figuur. Met een glimlach, ietwat bedeesd vroeg ze mij of ze iets mocht vragen: “Waar was G’d in Auschwitz”. Er ontstond een gesprek, haar vraag werd beantwoord en zij voegde eraan toe dat ze al zovele rabbijnen deze vraag had voorgelegd, maar tot op heden nog nooit een bevredigend antwoord had gekregen! Ik had het gevoel dan mijn week-Israël alleen al voor de ontmoeting met deze assistent-chef-ober de moeite waard was gedweest
Er zat nog een staartje aan de ontmoeting met deze assistent-chef-ober. Maar dat zal ik in mijn volgende dagboek meenemen.
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website.
Dagboek van de Opperrabbijn 8 februari 2023
Deze keer komt mijn dagboek vanuit de hoogte! Neen, hopelijk niet vanuit hoogmoed of een verheven gevoel. Letterlijk bevind ik me op grote hoogte. Ik vlieg namelijk. Een week vermoeiend Israël. Vorige week woensdag aangekomen, daarna meteen naar de Kotel en nog van alles en nog wat. We hadden drie redenen om naar Israël te gaan. De sjabbaton met de vluchtelingen uit Marioepol waarover ik al had geschreven in mijn voor-vorige dagboek, was er een van. Maar daarnaast waren wij uitgenodigd naar Shalva. Een gigantisch instituut voor kinderen en mensen met ernstige beperkingen. Geweldig wat ze daar hebben neergezet. U moet dat even gaan bekijken op hun website www.shalva.org Ongelofelijk! Een en al liefdadigheid. Wat ik daar precies heb gedaan hoeven mijn dagboekeniers niet te weten. Ik hoor vaak dat ik, onder andere middels mijn dagboeken, te open ben en dat ik te veel uit mijn privéleven vertel. Ik denk dat dat wel klopt, alleen heb ik daarmee dus niet zo’n moeite! Maar wat ik nu precies in Shalva deed, houd ik liever even tussen mij en mijzelf. En dan had ik ook nog iets met een reguliere orthodoxe school in Kfar Chabad waar kinderen die thuis vanwege armoede geen gezonde maaltijden krijgen, via de school van een warme lunch worden voorzien op een manier die niet zichtbaar maakt wie van de bedelstaf leeft en wie niet. Tijdens ons bezoek aan Shalva moest ik terugdenken aan de zogenaamde kinderafdeling van het Sinai-Centrum. Niets is er meer van over. Eens beschikte het Steunfonds van de Stichting Joods Geestelijke Gezondheidszorg over, laten we het genuanceerd uitdrukken, kapitalen. Niets is er meer van over. Zoveel moois had ermee gedaan kunnen worden voor de Joodse gemeenschap in geheel Europa. En als niet in Europa, wat geweldig zou het geweest zijn indien met het geld, dat minder goed besteed is, een vleugel in Jeruzalem zou zijn aangebouwd genaamd “het Apeldoornsche Bosch” of desnoods “De Sinai Vleugel”. Ondertussen werd koosjer gewijzigd in koosjer-stijl, niet uitsluitend t.a.v. voeding, helaas. Nu heb ik de naam om weliswaar nogal direct te zijn, (zoals de burgemeester van Apeldoorn mij recentelijk aangaf net voordat ik bij de herdenking van het Apeldoornsche Bosch mijn toespraak begon) maar ook sta ik bekend als diplomatiek.
Bovenstaande kritische opmerking over ‘mijn Sinai Centrum’ getuige niet bepaald van diplomatieke zorgvuldigheid. Maar: de kritiek kwam tot mij via derden, niet van mijzelf in eerste instantie. Recentelijk ontmoette ik een voormalige psychologe en een week eerder een gepensioneerd hoofd van de afdeling geronto-psychiatrie. Beiden, onafhankelijk van elkaar, deelden met mij hun verdriet/zorg en bovenstaande is hiervan een weergave. Ik was mijn diplomatieke handen dan ook bijna in onschuld.
We gaan dadelijk landen. Een week Jeruzalem. Heel veel mogen doen. Ook nog even naar het bureau van de RCE in Jeruzalem geweest. RCE, Rabbinical Center for Europe, gevestigd in Brussel, maar omdat Jeruzalem het centrum is van de Joodse Wereld hebben we ook daar een kantoor. Dat korte bezoek met gewoon werkoverleg, maar dan nu in den lijve (is dat een uitdrukking?) en niet per zoom of gewoon per telefoon, heeft me een ander uitstapje opgeleverd. Er is namelijk in maart een bijeenkomst voor EU-Rabbijnen met als onderwerp: assimilatie. De opperrabbijn van Israël, David Lau, zal ook aanwezig zijn. Had ik over het hoofd gezien en me dus niet aangemeld. Alsnog dus gedaan na eerst twee andere afspraken verschoven te hebben, want als een soort nestor-rabbijn, zo word ik dus gezien, word ik verwacht acte de préséance te geven, ook als ik een keertje niet het woord voer.
We gaan landen op Charles de Gaulle om daarna door te vliegen naar Amsterdam. Omdat Air France en KLM één zijn, werden er ook mededeling gedaan in het Nederlands, weliswaar vanaf een bandje. En wat viel me op? “Geachte mevrouw, geachte heer, welkom op onze vlucht.” Ik wist niet wat ik hoorde! Meneer en Mevrouw!?? Wat als iemand zich geen meneer en geen mevrouw voelt! Is Nederland sinds vorige week ethisch zo achteruitgegaan? Is het misschien vanwege mijn afwezigheid?
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website.
Dagboek van de Opperrabbijn 5 febr. 2023
Als u dit dagboek leest ben ik naar alle waarschijnlijkheid alweer veilig en wel in Nederland terug. We waren namelijk het weekend in Israël. Gezellig, hoor ik u denken, maar dat viel tegen. We waren namelijk uitgenodigd door Mendel Kohen, de (ex?)rabbijn van Mariupol, om aanwezig te zijn en te spreken op een weekend in Jeruzalem dat hij had georganiseerd voor zijn vluchtelingen, de leden van zijn verwoeste Joodse Gemeente, die veilig en (zeker niet erg) wel Israël hadden weten te bereiken. Wat er precies van mij verlangd werd was me niet duidelijk. Waarom zou ik gaan? De meute, meer dan 150 deelnemers, een drasja geven over de Sidra van de week? Of al iets gaan vertellen over Toebisjwat, het Nieuwjaarsfeest van de Bomen? Of gewoon toehoorder/deelnemer zijn? Het bleef allemaal een beetje vaag wat onze rol/bijdrage zou moeten zijn, maar toch besloot ik de uitnodiging te aanvaarden, een beetje met tegenzin want onze tickets en het verblijf zou betaald worden door derden. Vrijdagavond zou ik, zo werd mij verzocht, tien minuten spreken. Dat wil zeggen feitelijk maar vijf minuten want ieder woord zou vertaald moeten worden in het Russisch, de voertaal van de Oekraïners die ik inmiddels bijna 10 jaar lang twee keer per jaar heb mogen ontmoeten, maar dan wel in hun Mariupol toen de oorlog daar op nog een laag pitje stond. Maar voor het vrijdagavond zou worden, reden we vrijdagochtend om negen uur precies in twee kogelvrije bussen vanaf het centraal Station in Jeruzalem naar Chevron, naar de graven van onze Aartsvaders en Aartsmoeders, Ruth en Jisjaj. Uiteraard hadden beide bussen een zwaarbewapende beveiliger aan boord. Eenmaal het veilige deel van Israël verlaten, zagen we bordjes met de tekst “verboden voor Israëlische Staatsburgers”. Wie werd ook alweer beschuldigd van Apartheid, gonsde het door mijn
Blouma en ik waren uiteraard menig keer in Chevron geweest, maar nog nooit bij het graf van Ruth en van haar zoon Jisjaj, de vader van Koning David. Deels moesten we de weg te voet afleggen omdat B&W Chevron niet erg goed zorgde voor de kwaliteit van de bestrating, hetgeen volgens een Joodse inwoner van Chevron niet zo verwonderlijk was en paste bij de mentaliteit van de Palestijnse Autoriteit. De straten deden me denken aan de Oekraïense wegen en waren dus voor onze bussen onberijdbaar. Het uitstapje was fijn, goed en inspirerend. Maar contact met de medereizigers was er van nauwelijks tot niet en dus begon ik mij af te vragen waarom ik de uitnodiging van rabbijn Kohen had aanvaard. Omdat we elkaar al bijna tien jaar kennen en ik hem af en toe mag en kan steunen via Christenen voor Israël? Een cadeautje dus voor tien jaar vriendschap? Ik houd niet zo van onverdiende cadeautjes!
Ingaande sjabbat in sjoel tussen het middag- en het avondgebed moest ik dus mijn vijf/tien minuten praatje houden. Bij een toespraak komt het aan op de inhoud en op de presentatie. Een goede inhoud met een slechte presentatie is niets waard. Een waardeloze inhoud met een perfecte presentatie is het natuurlijk ook niet. Wat kan ik deze ontheemden vertellen, waar hebben ze iets aan? Een interessante verklaring op de Sidra? Een of ander minhag, gebruik, waarvan ze wellicht de betekenis niet kennen? Ik gokte het op de vraag van het ‘waarom van ons bestaan”, hoe aan te kijken tegen ons zijn hier op aarde, wat de betekenis zou kunnen zijn van verdriet en bovenal hoe hiermee wel en niet om te gaan. Ik durfde Auschwitz te vermelden…en ook dat er chassidei oemat haolam, rechtvaardigen onder de volkeren, bestaan die licht in duisternis brengen en ik benadrukte dat uiteindelijk niet G’d, niet het leven en ook niet een oorlog te vatten is. Tijdens de sjabbat-maaltijden zorgden we ervoor om alle tafeltjes langs te lopen, allen een persoonlijk sjabbat sjalom te wensen en te vragen naar hun welzijn.
Mijn woorden bereikten doel. Mensen begonnen hun afschuwelijke verhalen te vertellen, ze wilden gehoord worden en vroegen een bracha, een zegen, voor hun toekomst en vooral ook voor het welzijn van hun achtergebleven familieleden, die veelal in het leger zaten of te oud en ziek om te kunnen vluchten. De wreedheid van de oorlog werd voor Blouma en mij steeds meer voelbaar. De moeder die haar vierjarig zoontje moest begraven nadat die door een sluipschutter, terwijl ze het kind in haar armen droeg, was neergeschoten. De jongeman met een stuk metaal in zijn ruggengraat, de oude vrouw die na weken rondzwerven eindelijk in Georgië in het vliegtuig zat op weg naar Israël, maar uit het vliegtuig werd gezet omdat haar been in een metalen spalk zat. Uiteindelijk werd ze vier dagen later door ELAL bevrijd. En duidelijk werd ook de rol van die bescheiden rabbijn Mendel Kohen, de Engel van Mariupol. Duizend en zeventig van zijn contacten heeft hij, vanuit zijn verblijfplaats in Israël, weten te redden. Niet allen zijn ze naar Israël gekomen. Sommigen slechts tijdelijk naar veiliger gebied in Oekraïne omdat hun mannen nog in het leger zaten, enkelen wilden in Europa blijven. Russische soldaten heeft hij weten om te kopen, taxi’s weten in te huren om mensen via sluiproutes uit Mariupol te bevrijden, vliegtuigen weten te regelen, daar waar nodig medicijnen weten te verzorgen voor zieken die te ziek waren om Mariupol te verlaten…
De oorlog lijkt nog niet voorbij, niet in Oekraïne en niet in het leven van de vluchtelingen. Zij hebben allen levenslang gekregen. Ik ben dankbaar als ik iets voor hun heb mogen betekenen. Het was geen prettige sjabbaton, maar het leven is nu eenmaal niet altijd plezierig.
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website.
Dagboek van de Opperrabbijn 2 februari 2023
“Hallo Binyomin. Ook in het andere eind van de wereld blijf ik je volgen, wekelijks NIW-digitaal-, dagboek Facebook enz. Je niet opwinden over onbenulligheden schrijf je, ik denk terecht. Alhoewel het toch meestal geen onbenulligheden in de zin van het woord zijn, zoals het vergeten presentje bij mijn afscheid …” Een reactie op een paar woorden uit een van mijn dagboeken. Jaren en jaren geleden nam een bestuurder afscheid na decennialang zijn Joodse Gemeente als voorzitter te hebben gediend, uiteraard geheel belangeloos. En bij zijn afscheid-kiddoesj had ik hem een presentje beloofd. Helaas was het bij beloven gebleven. En nu, minstens tien jaar later, bovenstaande terechte klacht. Ik had me altijd voorgenomen om geen toezeggingen te doen en ze vervolgens niet na te komen. Toen ik pas rabbijn was geworden en ik een ouder echtpaar bezocht, vertelden ze mij dat rabbijn Drukarch zl. ze ooit had toegezegd om ze te komen bezoeken, maar hij had die toezegging nooit waargemaakt. Mij, zo dacht ik en nam me voor, gaat dat niet gebeuren. Maar de eerlijkheid en realiteit gebiedt me om te bekennen na zoveel jaren, dat ik ongetwijfeld vele toezeggingen heb gedaan en een aantal niet ben nagekomen. Bovenstaande is hiervan een voorbeeld. Wellicht vraagt u zich af waarom ik rabbijn Drukarch vermeld, bij naam noem, hetgeen feitelijk onjuist is omdat de vermelding negatief is en hij zich niet meer kan verdedigen!. De reden: omdat rabbijn Drukarch ongetwijfeld toezeggingen zal hebben gedaan die hij niet heeft kunnen nakomen, maar dag en nacht stond hij voor iedereen klaar. Afstanden bestonden niet en geld had voor hem nauwelijks betekenis. Voeg daar nog bij dat hij in de oorlog een verzetsstrijder was geweest…en dus was en is hij voor mij een lichtend voorbeeld hoe een rabbijn zijn positie als rabbijn dient uit te voeren. En als hij dan als ‘bijproduct’ al af en toe een toezegging vergat uit te voeren, dan hoef ik zeker niet verbaasd te zijn als mij dat ook gebeurt. “Maar waarom iets toezeggen, als ik niet zeker weet of ik het kan uitvoeren’, hoor ik u denken. ”Omdat ik op dat moment dacht dat het goed was om die toezegging te doen en daarmee een naaste help en een goed gevoel geef”. Onbenulligheden die onbenullig lijken, maar doordat ze vergeten worden, er dus toch minder zorgvuldig mee wordt omgegaan, bijblijven en irriteren. En dus is de les: wees steeds alert en let vooral op de kleintjes! Lees verder “Dagboek van de Opperrabbijn 2 februari 2023”
Dagboek van de Opperrabbijn 29 januari 2023
Maandagochtend. Om 22:00 uur lag ik gisteravond in bed en ben nu om 7:00 opgestaan. Een vreemde reactie. Ik slaap gewoonlijk maar weinig uren. Als er teveel gezeur is overdag, dan val ik wel snel in slaap, maar word ik wakker na een paar uur, sta op en ga na een uurtje weer onder de wol. Na drie holocaust-herdenkingen gisteren. Na in het NIW gelezen te hebben hoe een groep Joodse kinderen onder het zingen van Sjema Jisraeel gedisciplineerd de gaskamers zijn in gemarcheerd. Na woensdagmiddag jl. de Franse Priester Patrick Desbois te hebben gehoord tijdens de ‘Nooit meer Auschwitz lezing” in het Tropenmuseum, ware het te verwachten geweest dat mijn nachtrust intens zou zijn verstoord. Zoveel onbeschrijfelijke misère! Neem nou de herdenking in Ede. Op het monument staan iets van 80 namen, maar het aantal vermoorde Joden betreft het veelvoud die zullen worden toegevoegd. Ook worden er nog steeds nieuwe namen gevonden die ontbraken op het monument ter nagedachtenis aan de bewoners van het Apeldoornsche Bosch en het Paedagogium Achisomog en moest ik denken aan een doos met (familie?) foto’s die ik via de nicht van mijn vader, tante Wies, heb geërfd, maar ik ken geen van de personen en er bestaat niemand meer bij wie ik zou kunnen navragen. Bij de herdenkingen worden namen voorgelezen. In Apeldoorn meer dan 1500, binnen. In Ede hoorden we, naar ik meen, 168, maar in de ijzige kou. Wanneer is het voorbij, dacht ik af en toe, omdat ik me veel te dun had gekleed. Maar die gedachte werd meteen weggeveegd omdat ik dan dacht aan allen die urenlang op appel moesten staan in de zware vrieskou. En mijn gedachten gingen naar de massagraven waarover de Pater sprak, waar allen spiernaakt braaf op hun beurt moesten wachten alvorens afgeschoten te worden, of, als het niet snel genoeg ging, levend het ravijn in werden gestort. Bij de zeer drukbezochte bijeenkomst van Boete en Verzoening in de sjoel van Zwolle vanwege de herdruk van hun boek over hun activiteiten, werd uiteraard ook intens stilgestaan bij vervolging door de eeuwen heen en dus ook weer bij de Holocaust. Maar de indrukwekkende bijeenkomst werd afgesloten met de woorden: Am Jisraeel Chaj.
Leo Smole, mijn rabbinale archeoloog, reed me de hele dag. Ik voel me altijd schuldig als ik vrijwilligers voor me laat rijden, maar de eerlijkheid gebiedt dat zelf achter het stuur, telefoontjes beantwoorden, de e-mail in de gaten houden en mijn toespraak voor de volgende stop voorbereiden, me te veel wordt. Misschien was dat vroeger geen probleem, maar nu dus wel. Of dat het gevolg is van mijn leeftijd of van de intensivering van mijn werk en de verhoging van mijn positie, weet ik niet en is ook irrelevant. Overigens werd mij bij een van de herdenkings-bijeenkomsten, enige weken geleden, gevraagd of ik aangekondigd moest worden als rabbijn of opperrabbijn, nadat er eerst werd gedacht dat ik überhaupt een ongenode gast was en er geen zitplaats bij de herdenking was gereserveerd. Ik voelde me wel een beetje genomen omdat ik echt volledig uit mijn weg was gegaan om aanwezig te zijn. Na de ceremonie en dus na mijn toespraak had de organisator in kwestie inmiddels begrepen wie ik was en dat ik niet toevallig was komen aanwaaien. Maar, en nu komt het, waar wond ik mijzelf kortstondig over op? Ik voelde me in mijn eer aangetast? En dat terwijl we bijeen zijn om de 102.000 Joden, Sinti en Roma te herdenken die of rechtstreeks in de gaskamers belandden of tot een nummer werden gedegradeerd om vervolgens bij bijvoorbeeld Siemens of andere Duitse bedrijven als slaven te werk worden gesteld. Binyomin, zei ik tegen mezelf, waar wind je jezelf over op? Ook als het maar een luttele minuut was! Schaam je!
En ondertussen bloeit het antisemitisme weer weelderig en ontstaat er een discussie of het onderzoek over kennis van de Holocaust wel helemaal de juiste procenten weergeeft. Who cares over de precieze procenten? Het is gewoon een keiharde realiteit dat meer en meer de Holocaust wordt ontkent! Het is een keiharde realiteit dat er niet genoeg aandacht wordt besteed aan de Holocaust in het onderwijs! Een van mijn trouwe dagboeklezers stuurde mij een whatsapp met de volgende opmerking: wat doe je eraan, praktisch bezien, om, na de constatering dat er niet voldoende aandacht is voor de moord op de 102.000 vermoorde Nederlandse Joodse medeburgers, de jaren ’40-’45 geïmplementeerd te krijgen in het onderwijs?! De schrijfster heeft gelijk. Hier in mijn dagboek digitaal mijn beklag doen is wel erg eenvoudig. Wat doe ik er praktisch aan? Ik moet nadenken! Maar de schrijfster deed wel meteen een voorstel: benader Rutte, die is toch zelf immers geschiedenisleraar!
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website.
