Eeuwig is soms erg relatief – Dagboek van een opperrabbijn

Zoals u wellicht bekend is lezen wij iedere week een deel uit de Thora en wel op zo’n manier dat in een jaar de hele Thora wordt uitgelezen om dan direct daarna weer bij het Scheppingsverhaal, Genesis, opnieuw te beginnen. Deze week begint deze “portie” met Numeri 31:2. Ik noem dit maar even “portie” omdat ik het toch iets moet noemen en de Hebreeuwse naam zal bij de meesten nietszeggend zijn.

En hier loop ik meteen tegen een probleem aan. De Thora, het Oude Testament, is in het Hebreeuws geschreven en zodra er vertaald gaat worden, zit je er per definitie naast. Want ieder woord in de Thora heeft zeventig betekenissen en zodra je vertaalt ben je er negenenzestig kwijt. Maar laat ik er niet te diep op ingaan want het Joods Cultureel Kwartier wil een dagboek van “een opperrabbijn in corona tijd” en geen theologische uiteenzettingen, hoewel Jodendom natuurlijk onlosmakelijk aan onze Joodse Cultuur zit gekoppeld. Sterker nog: de Joodse Cultuur is de Joodse G’dsdienst!

Toen ik pas mijn baantje als rabbijn was begonnen, werd ik gevraagd om in Leusden een lezing te geven voor predikanten. Mijn contacten met dominees waren nog slechts zeer beperkt en ik vertrouwde ze nog voor geen cent. En als u dan bedenkt dat we toen nog gewoon guldens hadden, dan voelt u hoe klein de waarde van een cent was. Mij was dus gevraagd om een lezing op niveau te geven aan een groep van zo’n veertig theologen. De lezing moest wel op niveau zijn en allen beheersten, zo werd mij medegedeeld, het Hebreeuws. Ik dus goed voorbereid naar Leusden voorzien van Hebreeuwse teksten, die ik uitreikte aan de deelnemers zodat ze me niet alleen hoorden spreken maar af en toe konden meekijken en zien dat ik niets aan het verzinnen was maar alles gebaseerd is op de oorspronkelijke Bijbelteksten.

Helaas moest ik constateren dat ongeveer de helft van de aanwezigen de Hebreeuwse tekst op z’n kop hield. Ik was hierover niet echt verbaasd want ik had al het vermoeden dat waarschijnlijk niet iedereen het Hebreeuws beheerste. En dus, om niemand te beschamen, hield ik mijn tekst omhoog zodat de minder goed geschoolden de gelegenheid werd geboden om hun tekst om te keren. (Ik ging er namelijk wel van uit dat zij die de tekst op z’n kop hadden niet bij machte waren om op z’n kop te lezen.) En wat moest ik toen tot mijn verbazing constateren? Ook zij die hun tekst niet op z’n kop voor zich hadden, keken naar mijn opgestoken tekst en oogden blij verrast dat zij de tekst wel goed hadden.

Excuus voor dit slippertje. Terug naar mijn dagboek. De “portie” van aanstaande sjabbat begint als volgt: En Mozes sprak tot de Stamhoofden…. Wat Mozes verder sprak laat ik even terzijde, maar het Hebreeuws kent twee woorden voor stam. Het ene woord betekent als we het letterlijk vertalen stok en het andere woord heeft als vertaling tak. Het verschil tussen een stok en een tak is niet zo groot. Beiden komen ze voort uit de boom. Alleen de stok zit niet meer aan de boom vast en is daardoor verhard. En de tak zit nog vast aan de boom en is dus nog buigzaam en soepel, waait met de winden mee.

Mijn dagboek wordt door velen gelezen via CIP, Facebook en allerlei andere manieren van social media. En dus komen er op- en aanmerkingen. Positieve en negatieve. Ik word van de reacties blij en soms verdrietig. Een jongeman, die inmiddels geen jonge-man meer is, die ik echt gigantisch heb geholpen met zijn complexe problemen meende mij een onterechte snauw te moeten geven. Jarenlang heb ik hem geestelijk geholpen. Ik was zijn geestelijk reddingsboei. Een dankjewel verlang ik echt niet, maar toen ik hem door de crisis had gesleept en hij weer zelfstandig verder kon, vertrouwde hij mij toe dat hij me “eeuwig” dankbaar zou zijn. Zijn negatieve en beledigende commentaar op een van mijn dagboeken leerde mij dat “eeuwig” een zeer relatief begrip kan zijn!

Maar hoe ga ik hiermee om? Word ik boos? Ga ik een reactie plaatsen op zijn reactie? Laat ik het overwaaien? Krop ik mijn boosheid op? Of raakt het me niet? Een van de grote Joodse geleerden, Rabbijn Isaiah Halevi Horowitz (1558-1628) die bekend is onder de naam de Shelo Hakodesj, van wie mijn schoonmoeder volgens de overlevering een nazaat was, gaf aan dat we met de tijd moeten meegaan. Hij bedoelde absoluut niet dat we onzin die de ons omringende samenleving ons oplegt moeten overnemen, maar dat we ons moeten laten leiden door de “portie van de week”. En deze week staat dus centraal dat alle twaalf Stammen van het Joodse volk soms keihard zichzelf moeten blijven en op ander momenten juist de souplesse van een buigzame tak moeten tonen.

Wat geldt voor de gehele stam, geldt even zozeer voor u en voor mij. Soms moeten we volledig onszelf blijven, geen millimeter toegeven, ervan doordrongen zijn waar we vandaan komen en dat we onze afkomst nooit mogen verloochenen. En op andere momenten is het wijs om gewoon mee te buigen, de storm over te laten waaien, even geen tegengas geven. Maar pas op: dat tijdelijk meegaan kan uitsluitend als ik verbonden ben aan de boom en ik mij gevoed weet door de Eeuwige.

En dus ga ik niet reageren op die nare aanval van die niet meer zo jonge-man, die ik zoveel jaren echt geweldig tot steun mocht zijn. Ik laat het overwaaien en negeer mijn gekwetste gevoel.

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks.

 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *