Slavinnen, maar helaas niet in bezet gebied – Dagboek van een opperrabbijn

Bij het schrijven van mijn dagelijkse dagboek vraag ik mezelf wel eens af: wordt het wel gelezen of schrijf ik voor dovemansoren? Maar na gisteren en eergisteren is die twijfel verdwenen. Waarschijnlijk maar voor tijdelijk, want zo zit ik nou eenmaal in elkaar.

Maar nu dus, zeker vandaag, weet ik dat ik een breed lezerspubliek geniet. Eergisteren schreef ik over Herman. Herman die zwakbegaafd was en nu overleden. Ik ontving een aantal Whatsapps van leden van de Joodse Gemeenschap die aanboden om voor Herman kadiesj te zeggen. Kadiesj is het gebed dat bloedverwanten in de synagoge uitspreken voor hun overleden dierbaren. Aandoenlijk en getuigt van echte naastenliefde.

Maar ook ontving ik een kritische en bijna boze e-mail. Mij werd verzocht te corrigeren. De e-mail klonk in mijn oren nogal dreigend. Hoe zou menigeen gereageerd hebben? Niet waarschijnlijk of pas na een paar dagen. Ik zit zo niet in elkaar. Belangrijke beslissingen neem ik nooit meteen, tenzij urgent, maar ik laat er altijd een nacht overheen gaan. Maar bij een boze reactie reageer ik altijd direct en dus meteen mijn telefoonnummer gestuurd en binnen twee minuten had ik de klager aan de lijn. Mijn opmerking dat het bekladden van grafzerken in Worms-Duitsland geen primeur was, schoot bij de schrijver van de e-mail in het verkeerde keelgat. Ten eerste was de bekladder een gestoorde persoon en ten tweede doet Duitsland er alles aan om het opkomend antisemitisme te bestrijden. En dat is inderdaad waar. Duitsland als geen ander, begrijpelijk….maar toch, zet alles op alles om het antisemitisme dat ook daar weer komt opzetten, keihard te bestrijden. We hebben elkaar gesproken, zijn in feite beiden dezelfde mening toegedaan en wie weet waartoe ons contact in de toekomst zal leiden of al heeft geleid!

Verder was het best een beetje rustige dag. Ik ben gevraagd te bemiddelen bij een ingewikkelde financiële kwestie. Een onenigheid over een zeer groot geldbedrag. Beide partijen menen recht te hebben, maar een van de twee heeft dus ongelijk. Half-half is voor beide partijen geen optie, want beiden zijn overtuigd van hun gelijk. Doet me even denken aan Sam die op de sjabbat in de synagoge zit. Zoals u weet mogen wij op de sjabbat o.a. geen geld bij ons dragen. Moos zit vooraan in de synagoge en ziet een briefje van €100 op de grond liggen. Hij doet z’n gebedsmantel, u weet wel zo’n zeer brede witte sjaal met zwarte strepen, over zijn hoofd, kruipt over de vloer naar het briefje van €100, stopt het in z’n zak en kruipt na deze sjabbath-financiële-reddings-operatie weer naar zijn plaats in de veronderstelling dat niemand zijn escapade heeft gezien. Na afloop van de dienst komt de rabbijn naar hem toe, kijkt hem streng aan en zegt: Sam-sam!

Op het dagboek van gisteren dat hedenochtend werd geplaatst, kwamen heel veel geschrokken adhesie getuigenissen binnen. “De onverwachte inval van de Handhavers” heeft bij velen een schok teweeggebracht. De meeste reacties zijn uitingen van boosheid dat de Overheid tijd besteedt aan die paar flessen wijn uit Israël in Nijkerk. Voor mijzelf lag de verontwaardiging minder op het onrecht dat Israël wordt aangedaan, maar veel meer op de onverschilligheid ten opzichte slavinnen die hier in ons eigen land worden uitgebuit op de prostitutie-markt en aan wie geen aandacht wordt besteed omdat ze niet in de zogenaamde bezette gebieden wonen. Maar daarover dus geen enkele reactie! Vreemd en niet goed.

Maar nog even terug naar Duitsland. Het is goed en begrijpelijk dat Duitsland zich verantwoordelijk voelt voor z’n verleden, maar persoonlijk heb ik geen naar gevoel ten opzichte van Duitsers die na de oorlog zijn geboren. Zij zijn niet schuldig aan wat hun ouders hebben misdaan. In het Sinai Centrum werd mij eens gevraagd door de directie of het gepast is dat wij onze medische kennis openstellen voor kinderen van foute ouders. Mijn antwoord was zonder meer ja. Kinderen zijn niet schuldig aan de fouten van hun ouders en dus heb ik geen specifiek naar gevoel als ik Duitsers van na de oorlog ontmoet. Maar, zo gaf ik aan, voor de wachtkamer moet een oplossing worden gevonden. Een kind van ouders die in Auschwitz zijn vergast naast een kind van ouders die met de moffen hebben gecollaboreerd, in dezelfde wachtkamer, mag niet gevraagd worden van mensen die beiden onder psychiatrische behandeling zijn vanwege een trauma opgelopen als kinderen van vermoorde of van foute ouders.

Ik moet nu een lezing voorbereiden voor ergens in de loop van de komende week. Er is nog tijd, maar de titel willen ze al weten. En dus nu op zoek naar een onderwerp en dan naar het verjaardagsfeestje van onze kleinzoon die vandaag vier jaar is geworden. Want naast opperrabbijn ben ik ook opa. Of zoals een van de kleinkinderen mij noemt: Oparabbijn!

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *