Iedere dag dank ik G’D dat ik er nog ben en zieke kinderen mag helpen

Onvermoeibaar werft de joodse Deborah Maarsen-Laufer (77) sponsorgelden, zodat Israëlische, Palestijnse en Arabische kankerpatiëntjes naar Nederland kunnen komen voor een fijne vakantie. Deborah: “Ik wil een glimlach op het gezicht van deze kinderen toveren. Voor sommigen is het de laatste reis.”

“Mijn grootste drijfveer voor het werk wat ik doe? Ik heb op zo’n wonderlijke wijze de holocaust overleefd dat ik iets positiefs met mijn leven móet doen. Er zijn zes miljoen Joden vermoord, ik heb het grote voorrecht er nog te zijn. Daarom voel ik me verplicht tot het doen van een mitswa (goede daad, red). En omdat er voor mij niks ergers bestaat dan doodzieke kinderen, wil ik juist hen helpen. Om kinderen uit Israël hier een vakantie te kunnen bieden, is geld nodig. Sponsoren werven blijft een lastige klus, maar telkens als ik denk er maar mee te stoppen, gebeurt er een klein wonder waardoor er toch voldoende geld is. Dat zie ik als een teken van boven.”

1944

Kerstavond 1944 in het vrouwenconcentratie-kamp Ravensbrück. SS’ers geven bevel dat alle kinderen kerstliederen moeten zingen in de barak van de SS. De uitgehongerde schepsels kijken toe hoe de SS’ers zich tegoed doen aan een uitgebreid kerstmaal. Als diepgelovige vrouw krijgt Deborah’s moeder Betsy het niet over haar hart om haar kinderen kerstliedjes te laten zingen. Het hele gebeuren wekt haar argwaan en met hulp van haar vriendin Frieda Moskowits verstopt ze haar drie dochtertjes onder een luik. Een levensgevaarlijke actie. Terwijl gezang over vrede op aarde weerklinkt, sluiten de SS’ers de kinderen op in de barak, overgieten die met benzine en steken die in brand. Er ontvouwt zich een waar inferno. De wanhopige angstkreten van de moeders en de kinderen in doodsnood overstemmen het duivelse gelach van de SS’ers. Geen van de ruim tweehonderd kinderen overleeft de vuurzee.

“Die verstopactie van mijn moeder is een van de vele wonderen waardoor mijn twee oudere zusjes en ik de oorlog hebben overleefd. Als joodse baby verkeerde ik al bij mijn geboorte in 1942 in levensgevaar. Mijn ouders lieten me niet registreren, maar waar moest ik heen, toen ze die gevreesde oproep kregen om zich te melden? Mijn vader, Willy, dronk ossen-bloed op aanraden van de bevriende internist Mozes Elzas. Daar ging hij vreselijk van overgeven, wat dokter Elzas de gelegenheid gaf hem vanwege een ‘maagbloeding’ drie maanden op te nemen in het ziekenhuis. Mijn moeder ging wanhopig met mij naar de buren, die ons met gevaar voor eigen leven naar het ziekenhuis brachten waar mijn vader werd verpleegd. Ter plekke verzonnen ze een besmettelijke ziekte waar de nazi’s doodsbang voor waren. Zo belandde ik als baby op de quarantaineafdeling. Mijn vader heeft drie maanden lang voor mij gezorgd. Toen hij uiteindelijk het ziekenhuis moest verlaten, dook hij met mij negen maanden lang onder in Amsterdam. Moeder is dan met mijn oudere zussen in Westerbork.”

Vervolgens verricht Willy een heldendaad. Hij stapt het hoofdkwartier van de SS in Den Haag binnen en overrompelt secretaresse Gertrud Slottke, beslist geen lieverdje, met zijn gedurfde boodschap: ‘Ik heet Willy Laufer, ik ben een Hongaar en Hongarije is een bevriende natie van Duitsland. Daarom eis ik dat mijn vrouw en twee dochters terugkomen.’ Dankzij deze dappere actie woont het gezin even herenigd in het uitgestorven joodse Amsterdam. Die doodse verlatenheid grijpt Betsy zo aan dat ze dagenlang huilend rondloopt. Het verzet weet een onderduikadres voor de meisjes, maar huiverig voor een nieuwe, pijnlijke scheiding slaat Betsy het aanbod af. ‘Ik vertrek liever met mijn gezin naar Westerbork, hier is het vreselijk, alle joden zijn verdwenen. Daar ben ik tenminste onder mijn eigen mensen.’ Betsy beseft niet dat Westerbork het voorportaal is van de dood. Uiteindelijk belandt ze in november 1943 met haar drie dochters in Ravensbrück. Over het lot van haar man Willy blijft ze jarenlang in het ongewisse. Het kost Deborah moeite zich aan haar moeder te hechten, door de lange onderduikperiode voelt die voor haar als een vreemde. Het tweejarige peutertje is dol op avontuur en zwerft het liefst door het kamp. Ze heeft een goed contact met één van de kapo’s, Poolse bewakers die ex-gevangenen zijn. “Kennelijk vond ze me erg schattig; ik kende als peuter geen angst en stapte zo bij ze naar binnen tijdens het koffie drinken. Mijn zusjes stuurden me er elke ochtend expres naar toe. Ik pikte daar suikerklontjes en deelde die dan met hen. Suiker was goud voor ons, het gaf ons kostbare energie en sleepte ons door het kamp. We kregen namelijk alleen brood en water. Het had makkelijk mis kunnen gaan, één keer een kapo met een slechte bui en ik was er geweest. Maar dat had ik toen niet door, voor mij was het gewoon een spelletje.”

Elke avond knoopt Betsy haar kinderen met een soort touw aan haar vast, maar Deborah weet zich regelmatig los te wurmen. ’s Nachts zwerft ze door de barak en kruipt bij een willekeurige vrouw in bed. “Mijn moeder trof me ’s ochtends vaak slapend aan bij iemand die die nacht overleden was.” Later hoort Deborah van overlevenden dat de aanwezigheid van kinderen de kampbewoners hoop gaf om door te gaan. Maar na die gruwelijke brand overheerst verslagenheid. De SS’ers voelen dat ze de oorlog gaan verliezen en langzaam breekt er bij hen paniek uit. Ze proppen de vrouwen van Ravensbrück in veewagens richting Bergen-Belsen. In dat overvolle kamp is veel te weinig eten en elke vorm van hygiëne ontbreekt. “Er stierven dagelijks honderden mensen door honger, ziektes en uitputting. Ravensbrück herinner ik me niet meer, maar Bergen-Belsen wel. Het indringendste beeld is dat mijn moeder op een stapel lijken ligt.”Dan is Betsy namelijk zo ziek dat ze in coma ligt, iemand ziet haar voor dood aan en gooit haar op een stapel lijken. Haar dochtertjes kijken verslagen toe, maar vriendin Frieda komt in actie. ‘Die vrouw leeft nog,’ gilt ze. ‘Jullie moeten haar redden, ze heeft drie kleine kinderen.’ Ze sleept Betsy uit de morbide stapel, ze krijgt vervolgens de juiste behandeling en overleeft. “Nog zo’n groot wonder,” zegt Deborah

Uiteindelijk bevrijden Canadezen het kamp. Door de vrijheid ligt er nieuw gevaar op de loer, juist omdat er dan ineens eten in overvloed is. Veel bevrijde kinderen overlijden alsnog. Hun uitgemergelde lijfjes kunnen het vele en goede voedsel niet verdragen. “Mijn oudste zusje Gizela was toen al slim, ze wantrouwde intuïtief het eten dat ze niet kende. ‘Ik heb nog nooit wit water gezien,’ zei ze. ‘Ze gaan ons vergiftigen!’ Ze pakte de melk van ons af en gaf ons water. Opnieuw een wonder, want onbewust redde ze zo ons leven.”

Dankbaar

Uiteindelijk bevrijden Canadezen het kamp. Door de vrijheid ligt er nieuw gevaar op de loer, juist omdat er dan ineens eten in overvloed is. Veel bevrijde kinderen overlijden alsnog. Hun uitgemergelde lijfjes kunnen het vele en goede voedsel niet verdragen. “Mijn oudste zusje Gizela was toen al slim, ze wantrouwde intuïtief het eten dat ze niet kende. ‘Ik heb nog nooit wit water gezien,’ zei ze. ‘Ze gaan ons vergiftigen!’ Ze pakte de melk van ons af en gaf ons water. Opnieuw een wonder, want onbewust redde ze zo ons leven.”

Vader Willy is als Hongaar afgevoerd naar concentratiekamp Buchenwald. Hij maakt daar zulke gruwelijke dingen mee dat hij een gelofte doet: ‘Als ik deze ellende overleef, wijd ik de rest van mijn leven aan het maken van religieuze items.’ Vlak voor de bevrijding wordt hij verplicht de beruchte Dodenmars naar Theresienstadt te lopen. Wie niet verder kan, wordt afgemaakt. Vlak voor het eindpunt zakt Willy in elkaar. Hij voelt zijn einde naderen en begint aan het Shema, een gebed dat joden zeggen als ze gaan sterven. Zijn uitgeputte vriend Ben Tsion Moskowits hijst hem met bovenmenselijke inspanning op zijn schouders en sleept Willy mee over de eindstreep, een heroïsche daad. Ben Tsion is de man van Frieda, de vriendin die Betsy uit de stapel lijken trok. “Uit dankbaarheid voor deze daad kreeg een van mijn kleinzonen later zijn naam, Ben Tsion,” vertelt Deborah.De drie zusjes lijden kort na de oorlog aan vlek-tyfus en dysenterie. De twee oudsten sterken een jaar lang in Zwitserland aan, Deborah is te zwak en blijft achter in een ziekenhuis. Willy weegt nog maar 38 kilo en klappertandt van de honger, ondervoeding en uitputting. “Mijn ouders kwamen uiteindelijk als wrakken terug naar Rotterdam. Wat ik heel bijzonder vond, was dat ze nooit het geloof hebben verloren. Ze zeiden altijd: ‘Er is een lieve Heer en daar moet je in geloven.’ Ze leerden ons tolerant te zijn en respect te hebben voor de medemens, ongeacht afkomst, huidskleur of geloof. Trouw aan zijn gelofte maakte mijn vader, een getalenteerd bontbewerker, tot zijn 99e levensjaar schitterende voorhangsels voor de Thora-rollen die in Nederland en Israël kwamen te hangen.”Langzaam bloeit het joodse leven weer op. Willy en Betsy krijgen nog drie kinderen, Moshe Tsvi, Channa en Judith. Ze ervaren het als een triomf op Hitler. “Mijn vader sprak veel over de oorlog en had vaak nachtmerries. Mijn moeder weigerde erover te praten, ze keek liever vooruit. Alleen als we schoolziek waren, zei ze: ‘Je hebt appèl met blote voeten in de sneeuw overleefd, hup naar school.’ De laatste tien jaar van haar leven dementeerde mijn moeder, de oorlog kwam in volle hevigheid terug. Ze zat vaak klaar met haar koffertje en zei bang: ‘Ze komen ons halen!’ En ze verzuchtte regelmatig: ‘Die arme kinderen!’ als ze weer dacht aan die gruwelijke brand. Het was heel moeilijk voor ons om dat mee te maken.”

Mitswa

Deborah trouwt met een rabbijn, is sociaal werkster bij de Joodse gemeente en krijgt twee dochters, klein-kinderen en achterkleinkinderen. “Ik ben daar zo dankbaar voor, elk nieuw leven voelt ook voor mij als een triomf op Hitler. Sinds ik zelf kinderen heb, ben ik altijd met de oorlog bezig. Het zit in mijn systeem.” Op een dag krijgt haar oudste kleinzoon een vreselijk ongeluk, hij ligt maandenlang kritiek. Deborah zit negen maanden lang in Israël naast zijn bed en doet een gelofte. “Als hij het overleeft, dan zet ik mij de rest van mijn leven in voor zieke kinderen. En hij haalde het.” In het ziekenhuis ontmoet ze Chaim en Miri Ehrental, de ouders van Menachem, een tiener die uiteindelijk overlijdt aan leukemie. Na zijn dood richten zij in 1990 de stichting Zichron Menachem (herinnering aan Menachem, red.) op om kankerpatiënten en hun families te helpen. “Ik nodigde Chaim en Miri bij mij thuis uit, ze werden prompt verliefd op Nederland en vroegen of ik een vakantie voor kankerpatiënten wilde organiseren. Iedereen raadde het me af, maar dat maakte me juist vastbesloten het wél te doen.” Deborah richt Stichting Vrienden van Zichron Menachem Nederland op en is daar sindsdien dag en nacht mee bezig. “Ik krijg hulp van boven. Als je er heilig in gelooft, lukt het. Er bestaat niks ergers dan zieke kinderen die nog aan het leven moeten beginnen. Die wil ik helpen.” Het enige wat aanvankelijk niet lukt, is onderdak vinden voor zo’n vakantie. Tot Deborah, wanneer ze als vrijwilligster in het ziekenhuis een Israëlische jongen in coma bezoekt, een opmerkelijke ontmoeting heeft. Ze staat de familie van de jongen bij en brengt ze koosjer eten. De jongen loopt stage bij NH Hotels en zijn baas komt regelmatig langs. Die is verbaasd als hij ontdekt dat Deborah de jongen helemaal niet kent, maar toch zijn familie steunt. “Elke jood voelt voor mij als familie, het is een mitswa om iemand in nood te helpen, legde ik hem uit, en hij was zichtbaar geroerd. Hij vertelde dat hij ongeneeslijk ziek was en ook graag voor zijn dood een mitswa wilde doen. Uiteindelijk stelde hij gratis het hotel Chateau Marquette voor de kankerpatiëntjes ter beschikking. Hij kwam persoonlijk langs en huilde toen hij zag hoe de kinderen genoten. Twee maanden later is hij overleden. Bijzonder hè, hoe de ene mitswa een andere mitswa oproept.”

Kindervakanties

Deborah vertelt trots over het Zichron Menachem Dagopvangcentrum in Jeruzalem dat mede door de EO is betaald. “De patiënten komen uit heel Israël en de Palestijnse Autoriteit. Alles is kindvriendelijk ingericht, het bed is een olifant, de stoel een giraf, er is een muziekkamer, een sportkamer en een relax-kamer, alles om de patiënten af te leiden. Er is zelfs een speciale Hollandse kamer vol met speelgoed. De voorzieningen zijn ook voor de gezonde broertjes en zusjes van de patiënten. Zo helpen we de hele familie in moeilijke tijden. In de winter gaan patiënten op vakantie naar Eilat, ’s zomers naar het buitenland. Holland is favoriet, ze vinden het hier een paradijs met al die bloemen en het groen. Ze zijn er helemaal mesjogge (gek, red.) mee.”Die vakanties betekenen een enorme onderneming. Vrijwillige artsen, verpleegkundigen, psychologen en fysiotherapeuten vergezellen de patiënten. Het eigen mobiele ziekenhuis gaat mee, een Nederlands ziekenhuis staat als back-up paraat en dag en nacht rijdt een ambulance mee. “Die broeder slaapt in de ambulance om de onkosten te drukken. Geweldig toch?” Deborah is twee jaar bezig met de voorbereidingen. Zo regelt ze onderdak, bussen, vrachtwagens voor rolstoelvervoer, pretparken, luchtballonnen en complete concerten. “De kinderen gaan met een speciale vlucht, aan boord krijgen ze paspoortcontrole, dat scheelt wachttijd. Ze genieten hier van elke minuut. Dokters staan versteld wat zo’n vakantie bij de kinderen teweegbrengt. Ze willen bovenal normaal zijn, doen wilde spelletjes, stappen in de engste achtbanen of een luchtballon, hoe wilder hoe beter. Afleiding van die rotziekte is het beste medicijn, even de ziekte vergeten, alleen bezig zijn met leuke dingen. Ze zijn onder lotgenootjes, doen nieuwe krachten op, om daarna weer te vechten tegen die vreselijke ziekte. Tegelijkertijd komt de familie in Israël even op adem. We hebben een fantastische kok die precies weet wat Israëli’s lekker vinden. Kinderen die door de chemo’s geen eetlust hebben, gaan hier weer eten. Dat komt door de geweldige sfeer. Het hotelpersoneel is ook super, ze willen zó graag helpen.” Omdat Chaim en Miri Ehrental orthodox-joods zijn, viert de hele groep sjabbat en is de catering strikt koosjer. Maar elk kind is welkom om mee te gaan. Omdat ziekte geen onderscheid maakt, doet Zichron Menachem dat ook niet. Dus reizen er joodse, Palestijnse, Arabische, christelijke en moslimkinderen mee, alles verloopt in harmonie. “Daar kan de politiek nog een voorbeeld aan nemen,” vindt Deborah. “Er gaan 135 patiënten en 60 medisch geschoolde vrijwilligers mee. Ik ken ieder kind bij naam, ik voel me een soort oma van ze en trek de hele week met ze op. Ik heb grenzeloze bewondering voor ze. Neem Noam, die had vreselijke pijn vanwege een allergische reactie op een beenmergtransplantatie. Maar tijdens een boot-tocht genoot hij zo dat hij de pijn vergat, om een microfoon vroeg en begon te zingen. Of dat meisje van zestien dat eerst niet mee mocht, omdat het erg slecht met haar ging. Ze kwam toch, samen met haar moeder. Tijdens het concert ging ze zo uit haar dak dat ze spontaan opstond uit haar rolstoel. Tien dagen na de vakantie overleed ze. Tegen haar moeder zei ze dat de week in Holland de mooiste week van haar leven was geweest. Al had ik het alleen maar om dát meisje gedaan, dan was het al de moeite waard geweest.Maar eerlijk is eerlijk, na afloop kun je me opvegen. Sponsoring is het moeilijkste, overal aankloppen om geld, niemand wil dat van me overnemen. Maar ik voel me bevoorrecht dat ik het mag doen. Iedere dag dank ik G’d in de hemel dat ik er nog ben en zieke kinderen mag helpen. Soms is er een dieptepunt en dan gebeurt er weer wat wonderlijks. Dat zie ik als leiding van boven. Ik hoop dat mijn werk overbodig wordt, dat we iets vinden tegen die rotziekte. Daar bid ik dagelijks voor. Maar voor nu vraag ik lezers me alsjeblieft te helpen deze patiëntjes te verwennen.”

Meer informatie en de mogelijkheid tot doneren vind je op Facebookpagina: Stichting Vrienden van Zichron Menachem Nederland

bron: Mijn Geheim. Tekst Alice ten Napel, foto’s: Claudia Kamergorodski

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *