“Op dinsdagavond 26 december 2023 plaatsten we in het liveblog over de oorlog tussen Israël en Hamas een kort bericht over beschuldigingen die Hamas doet aan het adres van Israël, over “orgaandiefstal van 80 lichamen”. Daarvoor is geen bewijs, en het bericht had niet op deze manier gepubliceerd moeten worden. Het miste (historische) context en uitleg, en voldeed daarom niet aan onze eigen kwaliteitseisen”, aldus las ik op de website van de NOS. Fijn dat de NOS tot inzicht is gekomen dat ze Israël valselijk hadden beschuldigd, maar ondertussen was het kwaad natuurlijk wel al geschied en de beeldvorming bepaald of, zo u wilt, bevestigd.
Nou is Israël ver weg en daarom raakt mij dit moderne bloedsprookje minder en zal ik het waarschijnlijk sneller vergeten dan het soortgelijke bloedsprookje van zo’n vijftien jaar geleden, letterlijk bij mij voor de deur. Terwijl ik mijn auto aan het uitladen ben zie ik aan de overkant een Marokkaanse vrouw van een jaar of veertig een brullend jongetje in de houdgreep houden. Het knaapje huilt het uit en wordt, al brullend, de straat over gesleept om naast mijn auto te arriveren. ‘Je hoeft niet bang te zijn, deze opa gaat je ogen niet uitsteken!’ Nog even los van de belediging dat ik, hoewel nog nauwelijks de zestig gepasseerd, door een wildvreemde vrouw opa werd genoemd, begreep ik even niets van de opmerking over ‘ogen uitsteken’. Maar de vrouw legde het uit, terwijl ze het gillende doodsbange kind krachtig bleef vasthouden. ‘Dit jongetje is wijsgemaakt dat u, omdat u Jood bent, zijn ogen wilt uitsteken om die te geven aan blinde Joodse kinderen in Israël’ En toen wendde ze zich tot het angstige jongetje: ‘Zie je wel, die meneer doet je helemaal niets’. Fijn dat deze Marokkaanse vrouw letterlijk ingreep om het op een door de Nederlandse Overheid gesubsidieerde school opgroeiende jongetje, te corrigeren. Nou wist ik natuurlijk niet of deze variant van het bloedsprookje op school werd verteld of alleen maar thuis, maar het speelde zich wel af gewoon voor mijn eigen veilige huis. Vormt dit doodsbange knaapje de top van de Nederlandse antisemitische/antizionistische hooiberg of behoort hij tot de uitzonderingen? Ik hoop dat ik het niet weet.
Wat ik wel weet is dat ik oudejaarsnacht langer ben opgebleven dan voorgaande jaren om de beeldschermen, die iedere activiteit rondom mijn huis weergeven, goed in de gaten te houden. Hoewel het woord angst in mijn vocabulaire nauwelijks voorkomt, is alertheid in mij sterk vertegenwoordigd. Mijn brievenbus hadden we vanwege de op handen zijnde feestelijkheden al aan het begin van de avond stevig dichtgeplakt. De coniferen, die lang geleden op oudejaarsavond in brand waren gestoken, waren allang vervangen door een veilige schutting. Het houten hek, dat eens, onder het uitroepen van ‘Joden, Joden’ even na middernacht op Oudejaarsavond in mekaar werd getrapt, was al bijna eeuwen geleden door een sterk onverwoestbaar metalen hek vervangen.
Na zonder problemen de oudejaarsnacht te hebben overleefd, werd het vervolgens Nieuwjaarsdag en mocht ik weer plaatsnemen in de tuin voor de synagoge van Apeldoorn om, gelijk andere jaren, de deelnemers aan de Wandeling voor de Vrede toe te spreken. Ik schat een kleine honderdvijftig deelnemers liepen langs kerk, moskee en synagoge. Die wandeltocht aanschouwen was fijn. Mensen die in alle stilte zonder opruiende vlaggen gewoon demonstreerden tegen iedere oorlog en voor vrede “voor al Uw schepselen”.
Ondertussen vernam ik van een bekladding op de Gedachtenisruimte van de Stichting Oktober 44 in Putten. Zeshonderd negenenvijftig mannen werden in oktober 1944 bij een razzia in Putten van de straat geplukt, in eerste instantie afgevoerd naar Kamp Amersfoort en van daaruit naar Neuengamme. Het was een represaille voor een door het verzet uitgevoerde aanslag op een hoge SS’er. Slechts enkelen overleefden. De bekladding bestond uit de woorden “7 oktober ‘23 en een Davidster”.
De directeur van CIDI reageerde als volgt: “Ik kan het geen antisemitisme noemen, want ik vind het maar een cryptische bekladding. Wat is nou de boodschap?” Voorop gesteld dat ik CIDI buitengewoon waardeer en de inzet van directeur Naomi Mestrum gewoon goed vind, ben ik het toch hier even niet eens met Naomi (Naomi, excuus, is niet persoonlijk bedoeld!). Terecht is de rationele constatering dat de afschuwelijke razzia in Putten in 1944 niets van doen heeft met 7 oktober. Maar bekend is toch het grapje: Wie is er schuldig, de lantaarnpaal of de Jood? Reactie: Hoezo lantaarnpaal? Dat er geen enkel logisch verband bestaat tussen de afschuwelijke razzia en 7 oktober moge duidelijk zijn. Maar: antisemitisme is geen logisch beredeneerbare kwaal. Is het logisch dat op 12 november bij de jaarlijkse herdenking in Arnhem van de deporatie van de Arnhemse Joden dit jaar de scholen niet deelnamen vanwege 7 oktober 2023? En is het acceptabel dat de onthulling van Stolpersteine in Coevorden werden uitgesteld vanwege 7 oktober 2023? En…en…! Enfin, ik heb meteen gebeld naar de Stichting Gedachtenisruimte oktober ’44 en aangekondigd om dinsdagochtend naar de Gedachtenisruimte te komen louter en alleen om mijn medeleven te betuigen, niet meer en niet minder. Mijn aanwezigheid kwam over, werd gewaardeerd, kreeg lokale, provinciale en zelfs landelijke aandacht. Of de bekladding voor of tegen Hamas was, is niet duidelijk. Maar mijn aanwezigheid werd beleefd en was bedoeld als een bezoek aan een rouwende familie.
Het is een Joods gebruik om altijd met iets positiefs te eindigen. Het positieve trof ik een dezer dagen in de supermarkt. Blouma en ik deden inkopen. Dat wil zeggen Blouma deed de inkopen en ik duwde braaf het karretje. Komt er een Marokkaan naar me toe met een warme sjalom. Hij moest me even vertellen dat hij walgt van Hamas, dat hij in Marokko prima banden had met de Joden en dat de inwoners van Gaza gegijzeld worden door de terreur van Hamas. Zijn sjalom was oprecht gemeend en gaf mij toch nog een sprankje hoop. Ook in de Wandeling voor de Vrede liep een Iman mee die speciaal de stoet verliet om mij de hand te schudden en een warm sjalom uitsprak. En de journalisten en fotografen die aanwezig waren in de Gedachtenisruimte in Putten stonden ook pal achter Israël en walgden net zozeer van Hamas als die Marokkaan in de supermarkt en de Marokkaanse vrouw die dat knaapje in de houdgreep hield. Binyomin, zei ik tegen mezelf, heb ook oog voor de talrijke positieve lichtpunten…
Gedurende de coronatijd begon Opperrabbijn Jacobs met zijn dagboek op verzoek van het
Joods Cultureel Kwartier.
NIW publiceert nu deze bijzondere stukken op haar website www.niw.nl .


“ Het laten vollopen van de tunnels zou de culturele expressies en de praktijken van het Gazaanse volk, zoals kunst, literatuur en folklore die geïnspireerd worden door de tunnels, kunnen raken”, aldus de VN-mensenrechtenraad. U leest het goed ! De tunnels zijn, volgens de Verenigde Naties, een culturele expressie van het Gazaanse volk! Ik vroeg me af, dit gelezen hebbend:
De Chanoeka-Toer 5784 behoort alweer tot de voltooid verleden tijd. In mijn dagboek dien ik alleen nog de woensdag en donderdag te vermelden, het zevende en achtste kaarsje. Zijn die twee laatste vieringen anders dan de voorgaande? Niet echt, maar toch heeft iedere bijeenkomst iets eigens en unieks. Neem nou bijvoorbeeld die woensdagavond in Groningen. Aan die Buiten-Menora was heel wat denkwerk voorafgegaan: wel of niet de Menora buiten voor de sjoel aansteken of, om veiligheidsredenen, dit jaar uitsluitend binnen. En als de menora binnen blijft, wordt het wel of niet met ‘toeschouwers”. Het werd dus buiten, mede na overleg met burgemeester Schuiling, die duidelijk aangaf dat de Joodse Gemeente gewoon moet doen wat het altijd doet en dat de beveiliging zijn probleem is en niet van de Joodse Gemeente! Het was een enorm goede bijeenkomst, met duidelijke boodschappen van zowel de burgemeester alsook van René Paas, de commissaris van de koning, prima georganiseerd door de Joodse Gemeente en rabbijn Spiero en met heel veel cadeautjes voor de kinderen. Ook mijn waarschuwende boodschap kwam over.
“Ik ben niet joods. Maar lichtjes neerzetten voor het raam met elke dag eentje extra dat lukt me wel, bedoeld als teken van protest tegen Jodenhaat, en teken van solidariteit met u en alle joden in Nederland en in Israël.” Dit bericht ontving ik van een mij onbekende. Ik ben ervan overtuigd dat zijn boodschap de voorpagina van de
Telegraaf niet zal halen omdat hij niets schokkend zegt en omdat hij een onbekende is. En toch kwamen deze woorden van solidariteit bij mij binnen en waren mij tot steun en correctie, juist met Chanoeka. Ik leg het uit: gisteren zat ik welgeteld negen uur en zevenenveertig minuten in de auto en hebben we 703 km gereden om een toespraak te houden in Nieuws Poort, de menora aan te steken in Bourtange en daarna in Arnhem, waar ook de coördinator antisemitismebestrijding aanwezig was en de aanwezigen heeft toegesproken.
De aftrap voor Chanoeka 5784 begon eigenlijk voor mij op donderdagochtend in Den Haag, nog voordat Chanoeka was begonnen. Ik mocht vooroplopen in de stille tocht vanaf het Malieveld via de Tweede kamer en het hoofdkantoor van het Rode Kruis, waar petities werden overhandigd, en dan weer terug naar het begin van de lange imposante pro-Israël wandeling door Den Haag. Maar ’s avonds was het echte begin, het aansteken van het eerste lichtje op de Grote Markt van Nijmegen. Burgemeester Bruls was dik op tijd aanwezig om met de aanwezigen te spreken en ze te bemoedigen. In zijn toespraak gaf hij duidelijk aan dat er in Nijmegen geen sprake kon en mocht zijn dat uit angst voor dreiging dit jaar de menora niet publiekelijk zou worden aangestoken. En dus gingen de burgemeester en rabbijn Mendel Levine, de Nijmeegse Rebbe, in een hoogwerker omhoog, om gezamenlijk het eerste lichtje te ontsteken om de duisternis te verlichten. Rabbijn Levine ontpopte zich als een gedreven ceremoniemeester, alles was tot in de puntjes geregeld en toen rabbijn en burgemeester geland waren en nadat ik mijn toespraak had mogen afsteken, was er rijkelijk gezorgd voor de inwendige mens. Dank rabbijn en mevrouw Levine, burgemeester Bruls en alle vrijwilligers en niet in de laatste plaats de velen die zich de moeite hadden getroost om juist in deze moeizame periode voor de Joodse gemeenschap hun solidariteit te tonen met hun aanwezigheid.
Ik heb het gevoel dat ik me aan het voorbereiden ben voor mijn bar mitswa want de komende dagen moet ik dertien toespraken houden! Nou geef ik eerlijk toe dat die dertien toespraken niet allemaal volledig van elkaar zullen verschillen, want een paar zullen gewoon bijna hetzelfde zijn, maar toch. Voordat ik een toespraak in mekaar probeer te fabriceren, moet ik wel eerst weten voor wie ik mijn toespraak aan het componeren ben en, het allerbelangrijkst: wat mijn boodschap moet zijn.
Het is inmiddels maandagochtend vijf uur in de vroegte en ik haast me om dit dagboek, dat ik gisteren had moeten inleveren, alsnog uit mijn digitale vulpen te laten verschijnen. Ik duik hiervoor mijn kalender in om te kijken waar ik de afgelopen dagen, beginnend met de donderdag want tot en met woensdag had ik al geschreven, ben geweest. Ja, ik moet daarvoor mijn agenda gebruiken want mijn dagen zijn zo vol (en mijn geheugen kennelijk zo beperkt) dat ik het zonder agenda niet meer kan reproduceren. Ondertussen hoor ik een klik en zet u, mijn trouwe dagboeklezer, even in de wacht, want er schijnt een e-mail binnen te zijn gekomen…
Het klaslokaal van de Joodse School Leeuwarden was tot aan de nok toe gevuld. In Leeuwarden woonachtige Israëliërs, leden van de Joodse Gemeente Friesland en Vrienden van Israël kwamen bijeen om… Ja, waarom eigenlijk? In de aankondiging stond vermeld dat de bijeenkomst, last minute georganiseerd, zou gaan over “hoe gaan we hier in Nederland om met de moeizame situatie in Israël, waarmee verschilt deze Chanoeka van alle andere Chanoeka-jaren en wat is de diepere betekenis van het Chanoeka-licht”. Het werd een erg fijne en zinvolle bijeenkomst. Ik heb uiteraard wel onvoorbereid gesproken, maar de Friese namiddag was eigenlijk meer een gesprek met, dan een lezing voor! Uiteindelijk werd er door de groep-niet-joodse-aanwezigen besloten om de Joodse Gemeente dusdanig te beschermen dat ze geen enkele angst voor geweld hoeven te hebben als ze voor de deur van de Joodse School bij het monument de Menora gaan ontsteken.
présence te geven bij de opening van het nieuwe studiejaar van Het Seminarium in hun nieuwe behuizing in het gebouw van Amos aan de Kalfjeslaan. Had ik bij de opening een functie? Neen dus, maar door aanwezig te zijn laat ik wel zien dat ik het initiatief steun, en ook dat heeft een functionele waarde en bovenal een bemoediging. Les voor eenieder: ook aanwezigheid zonder eraan te verdienen kan voor derden een bemoediging zijn. En dat is winst!
Als gevolg van de vele bijeenkomsten, had ik geen tijd om deze week, zoals gewoonlijk, twee dagboeken te produceren. En dus nu, uitgaande sjabbat, een dagboek met flitsen van de gehele afgelopen week. Waar was ik zoal? Ik duik mijn agenda in en zie: Ysselsteyn (bij Venray), met Zeeland in Antwerpen, Groningen bij de burgemeester, op Urk (en niet in Urk), in de Hoofdstraat van Veenendaal, op de twintigste verdieping van het Stadskantoor Utrecht en in de Snoge.