
Wat ik donderdag en vrijdag heb gedaan, ben ik alweer vergeten. Dat is het nadeel van een dagboek dat maar twee keer per week wordt geschreven en niet dagelijks. Sjabbat waren wij ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van onze schoonzoon rabbijn Stiefel in Almere en zondag weer gewoon thuis. Nou ja, thuis? Ik had thuis zullen zijn en ‘s middags enig voorbereidend werk doen voor een artikel/ dagboek dat een probleem op tafel legt dat ik onder de aandacht wil brengen van het bredere publiek. Maar omdat het vol terechtwijzingen zit, moeten de feiten kloppen en om kloppende feiten te krijgen moet er eerst onderzoek gedaan worden. Maar naarmate ik gisteren, zondag dus, vanuit de auto meer heb onderzocht, bleek al onderzoekend dat de feiten steeds net een beetje anders lagen. Zoals het er nu voorstaat is er sprake van ontvreemding en misleiding, maar de poging tot bekering is voorlopig, gelukkig, van tafel. Maar we zijn nog niet klaar en het zou zomaar kunnen zijn dat er van mijn verhaal/rel niets overeind blijft. Dus even afwachten. De les voor mij is wel dat oordelen en helemaal veroordelen met zorgvuldigheid moet worden omringd. Ik had nog twee andere gebeurtenissen/klachten. Een van mijn collega’s zou zich gaan begeven op het terrein van een andere collega. Ook dat bleek net even helemaal anders te liggen. En een Joodse instelling zou ten onrechte heel veel geld hebben geëist van een van zijn potentiële nieuwe leden. Ook dat bleek tot het land der fabelen te behoren. Deed me denken aan die roddel die rond galmde over een rabbijn die gestolen had. “Van wie heb je dat gehoord?”. Van x. Vraag aan x: klopt dat? Antwoord: rabbijn heeft niet zomaar gestolen, maar uit sjoel! Vraag: van wie heb je dat gehoord? Antwoord: van y. Vraag aan y: Klopt het dat de rabbijn uit sjoel heeft gestolen? Antwoord: neen. Niet zomaar gestolen, maar wel een Sefer Thora. Vraag: van wie heb je dat gehoord? Antwoord: van z. Vraag aan z: klopt het dat rabbijn uit sjoel een Sefer Thora heeft gestolen? Antwoord: neen. Rabbijn heeft een gewoon veel goedkoper sefer gestolen, een gewoon boek dus. Vraag: van wie heb je dat gehoord? Antwoord: van x2. Vraag aan x2: klopt het dat de rabbijn een gewoon goedkoop sefer uit sjoel heeft gestolen? Antwoord: onzin. De rabbijn hield een toespraak en er werd vermoed dat hij die toespraak niet zelf had gemaakt maar uit een sefer, een boek, had gestolen.
Onverwacht moest ik een zwaar zieke bezoeken. Moest? Mocht! Het is namelijk voor mijn gevoel een van de belangrijkste taken van een rabbijn om vanuit het Joodse denken mensen in nood te helpen. De vier uur rijden waren zeker de moeite waard, zeker als je ziet hoe de zieke door je aanwezigheid zich gesterkt voelt en hoezeer de familie je aanwezigheid waardeert. Hoe meer kilometers worden afgelegd, des te groter de waardering. Maar ook als er geen enkel familielid is om waardering kenbaar te maken, dan nog, of juist dan, is zo’n ziekenbezoek waardevol. Een rabbijn hoort niet voor beloning te werken, maar voor de roeping, de mitswa. Ik herinner mij een Israëlische student die gesolliciteerd had voor chazan bij een Joodse Gemeente. Aan het eind van het sollicitatiegesprek vroeg de potentiële chazan op welke vergoeding hij mocht rekenen. De voorzitter antwoordde toen dat zijn beloning de mitswa zou zijn. Waarop de kandidaat chazan/ student reageerde dat hij dat prima vond als hij met die mitswa bij de kruidenier zijn boodschappen zou kunnen betalen.
De reacties op mijn aanwezigheid in Nunspeet bij de onthulling van drie Stolpersteine druppelen nog steeds binnen. Waarmee maar weer eens wordt bewezen dat zeker ook de kleintjes tellen.
Het leggen van de struikelsteen in Nunspeet op 18 juli jl. heeft op mij een onuitwisbare, diepe indruk achtergelaten, ik ben er al de hele week mee bezig. Uw toespraak vond ik buitengewoon goed, fel en niets ontziend en de burgemeester was heel meevoelend bij de gang van zaken.
Bijgaand nog een mooie foto van ons tweeën, gemaakt door mijn dochter die fotograaf is. Kunt u haar naam vermelden als u de foto ergens plaatst?
Natuurlijk geeft zo’n reactie een heel fijn gevoel. Maar veel belangrijker: het benadrukt hetgeen ik zojuist aan het digitale papier toevertrouwde: niet alleen de knallende en uiterst zichtbare activiteiten van een rabbijn zijn belangrijk. Juist vaak in tegendeel. Het geven van aandacht, een paar woorden die uit het hart komen, het tonen van begrip en medeleven. Dit geldt natuurlijk voor ieder mens, maar speciaal mag dit gevraagd worden van een rabbijn. Helaas moet een rabbijn om rabbijn te kunnen blijven wel bedreven zijn in de politiek, want met alleen vriendelijk zijn en met mooie toespraken gaat de rabbijn het niet redden. Vandaar de wijsheid: rabbijn is geen baan voor een nette Joodse jongen!
Maar even terug naar s foto. Fotograaf is Claudia Otten. Wat is er zo bijzonder aan die foto vraagt u zich wellicht af. Zoon van de vrouw voor wie een Stolpersteine wordt gelegd houdt een toespraak en ik sta er naast. Ogenschijnlijk niets bijzonders. Ogenschijnlijk, want het is in feite een schrijnend portret. Het was snikheet. Code geel of oranje (ik ken het onderscheid niet omdat ik kleurenblind ben!). Spreker is luchtig gekleed en ik sta met hoed, stropdas en pak, want, zoals mijn Blouma vaak tegen mij zegt, je moet er netjes uitzien. Maar het lijden straalde van mijn gezicht af. Hoe graag had ik gewoon daar gestaan in de schaduw, met een zonnepetje, een open shirt en een cool kort broekje. Maar ja, verzucht ik dan, had ik maar een vak moeten leren.
Opperrabbijn Jacobs houdt sinds het begin van de coronatijd een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken twee keer per week.

Maandagmiddag een middagje Nunspeet. Gezellig? Helemaal niet. Drie Stolpersteine werden geplaatst. Bij de eerste was mij verzocht geen Jizkor of Kaddiesj uit te spreken, bij de tweede en derde wel. De reden? Bij de eerste had de zoon van de vermoorde voor wie de eerste steen was, de oorlog overleefd en hij gaf aan dat zijn moeder niet religieus was en dus paste een gebed niet. Wel had hij nadrukkelijk verzocht om mijn aanwezigheid en wilde dat ik het woord zou voeren. De zoon, geboren enige jaren voor de oorlog, had mij al eerder horen spreken bij een onthulling van een monument, vandaar. Door de burgemeester werd ik aan hem en zijn echtgenote voorgesteld. Hoewel ik hem niet meer herkende, hij mij wel, wist ik me wel de plechtigheid te herinneren bij welke wij elkaar dus hadden ontmoet. En wat had toen de meeste indruk op hem gemaakt? Niet mijn toespraak, maar wel mijn opmerking toen hij mij toentertijd vertelde dat hij half Joods was en ik daarop reageerde dat halve Joden niet bestaan en als ze wel bestaan doelen we op Joden die erg klein zijn, halve Joden. Die opmerking is hem bijgebleven. Nou en, hoor ik een aantal van u denken. Leeft hij nu wel koosjer? Houdt hij sjabbat? Gaat hij wekelijks nu naar sjoel? Lid geworden van de Joodse gemeente? Leeft hij als een Jood? Ik vermoed van niet, maar ik heb wel iets voor hem mogen betekenen en wellicht zijn nesjomme mogen raken, en daarvoor doe ik het, dat is het meest essentieel en daarmee was de bijeenkomst van toen succesvol! Of dat nuttig is of niet wordt uiteindelijk Boven bepaald. Maar dat toetertijd kortstondig in hem bovengekomen Joodse gevoel en zijn wens dat ik bij de Stolpersteine die voor zijn moeder wordt gelegd nadrukkelijk gevraagd ben om te spreken, is meer dan waardevol. Ook als dat verder geen zichtbare invloed zou hebben op de beleving van zijn Jodendom.


Dinsdagavond was ik wel even goed uitgeput. Maandagavond om 21:00 uur kwam ik aan in Parijs en dinsdagavond om 22:30 uur weer thuis. Een zogenaamd bliksembezoek. De reden was dat er een bijscholing voor jonge rabbijnen was georganiseerd door de RCE, Rabbinical Center of Europe. Hoewel ik me nog steeds jong voel, had ik me niet aangemeld. Maar omdat de opperrabbijn van Parijs en de voorzitter van de Consistoire de Paris, van de Joodse Gemeente dus, met mij een gesprek wilden hebben en de opperrabbijn bij de conferentie aanwezig was, en bij die bespreking ook een medewerker van de RCE aanwezig moest zijn, hebben we alles gecombineerd. Ik lag dus om 24:00 uur uitgeput in bed, maar wel voldaan want allereerst was de missie, waarvoor ik met een peperduur ticket naar Parijs was gevlogen, geslaagd en doordat ik toch aanwezig was heb ik uiteraard mee kunnen en mogen luisteren naar de inspirerende sprekers. Een van de sprekers zette uiteen hoe de verhouding rabbijn-bestuurder moet zijn. Heel belangrijk dat jonge rabbijnen dit horen! Jammer dat er geen jonge bestuurders bij aanwezig waren, want om een huwelijk in stand te houden moeten beide partners zich gedragen. Als een blok in slaap gevallen. Maar om 4 uur ook weer klaarwakker en ben me gaan bezighouden met een van de laatste correcties van mijn/ons nieuwe boek: Rab&Rik. Gedachten van de week aan de hand van de Sidra van de week.

Omdat het NIW maar liefst 4 pagina’ s gaat wijden aan de Joodse Gemeente Zeeland vanwege de inwijding van een nieuwe Thora, afgelopen zondag, en ik in mijn NIW-column daaraan ook kort aandacht besteed, beperk ik me hier met een kort maar krachtig: geweldig hoe de Joodse Gemeente Zeeland functioneert. Eenheid, oog voor ieder die binnenkomt, respect voor de basis van het Jodendom, namelijk Thora en Traditie. Die zondag, de Zeeland-dag was een goede afspiegeling van wat een rabbijn hoort te doen. Een aantal individuele gesprekken met een pastoraal karakter, een gesprek over een Halagische kwestie, een ziekenbezoek, de inwijding van de nieuwe Thora voor de brede goegemeente en netwerken, door gesprekken met de Commissaris van de Koning, een burgemeester en met mijn ex-collega mevrouw Peijs, voormalig minister en voormalig commissaris van de koningin in de provincie Zeeland. Ex-collega, hoor ik u denken? Ja, ex-collega, want wij hebben jarenlang samen in het Comité van Aanbeveling gezeten van de Stichting Synagoge Middelburg. Overigens is het zitten in een Comité van Aanbeveling een vrij eenvoudige taak. Het enige wat je doet is in dat comité zitten, verder niets. Overigens terwijl ik dit dagboek schrijf, zit ik weer. Maar nu in een vliegtuig op weg naar Budapest voor een conferentie van de EJA, de Jewish European Association. Blouma is gisteren gevlogen (naar Budapest wel te verstaan). De conferentie zal gaan over sjechieta, vrijheid van godsdienst etc. Maar ook zullen de deelnemers naar de Donau gaan, naar het monument van de schoenen. Hier werden Joden verzameld, ze moesten hun schoenen uitdoen, op de rand van de kade gaan staan om vervolgens gefusilleerd te worden. De helderblauwe Donau van nu, was toen rood gekleurd. Ik ga daar kadiesj zeggen en weet nu al dat mijn gedachten zullen afdwalen naar Mariupol vanwege een telefoontje dat ik in de auto op weg naar Middelburg ontving van rabbijn Mendel Kohen. De aandacht van Mariupol zwakt af, maar de catastrofe continueert. Medemensen sneuvelen, verhongeren en worden afgemaakt, er wordt verraad gepleegd, terwijl ik nu comfortabel in het vliegtuig zit en morgen bij de Donau zal staan. 
Heel erg veel publiciteit rondom Mendel Kohen, de rabbijn van Mariupol op websites, Facebook en in kranten. Een bereik van meer dan 2 miljoen mensen. En nu? Wat heb ik ermee bereikt? Zijn bliksembezoek aan Nederland, d.w.z. aan mij, was GZD succesvol. Ik moest hem spreken en niet per telefoon en zelfs niet per zoom. We hebben gesproken en besproken wat nodig was. De bijvangst, de publiciteit was goed voor de lezers en voor rabbijn Mendel. En nu (het is donderdag) back to normal, gewoon Nederland.